Het Belgisch model vergeleken

In deze blogpost wil ik België vergelijken met een vast set van landen. Ik neem hiervoor zoals steeds de vier buurlanden Nederland, Duitsland, Frankrijk en UK, evenals drie Scandinavische landen Denemarken, Zweden en Finland.

De gekozen indicatoren om België te vergelijken zijn de volgende: overheidsbeslag, de economische groei, de overheidsschuld en de werkloosheid. Om kritiek van selectiviteit te vermijden, nodig ik de lezer uit om in de comments onderaan deze blogpost bijkomende indicatoren te suggereren (met graag ook een argumentatie waarom je die indicator belangrijk vindt).

Om te kunnen nagaan of het Belgisch model goed gewerkt heeft tijdens de crisis neem ik telkens de evolutie sinds 2007 (die op 100 gezet wordt).

Primaire overheidsuitgaven. Er kunnen meerdere manieren gebruikt worden om het overheidsbeslag te meten (blogpost volgt). Ik kies hier voor de primaire overheidsuitgaven, dus de uitgaven zonder rentelasten. Uiteindelijk zijn het immers de uitgaven die vroeg of laat moeten gefinancierd worden. Worden die in het huidige jaar niet gefinancierd, dan vergroot de schuld. De rentelasten neem ik niet mee, omdat dit een schuld uit het verleden is (voor België zelfs uit het verre verleden).

De links grafiek hieronder geeft de evolutie ten opzichte van 2007. Hieruit blijkt dat de primaire overheidsuitgaven het sterkste gestegen zijn in Finland. Daarna komt België. In 2012 was de stijging in België nog gelijk aan die in Denemarken maar ondertussen heeft Denemarken de uitgaven verminderd. Voor 2014 wordt voorspeld dat Nederland niet ver van België zit.

De rechtse grafiek geeft het niveau van de primaire uitgaven, uitgedrukt in % van het BBP. Hieruit blijkt dat België samen met Zweden op de vijfde plaats staat wat betreft de hoogte van de primaire overheidsuitgaven. Denemarken, Frankrijk en Finland geven beduidend meer uit. Nederland minder en Duitsland en UK veel minder.

 primaireUitgaven2007=100  primaireUitgavenBBP

[je kan op de figuren klikken om ze te vergroten]

Economische groei per hoofd van de bevolking. De grafiek hieronder geeft voor de 8 landen de evolutie van de economische groei per hoofd van de bevolking sinds 2007. Hieruit blijkt dat Zweden en zeker Duitsland het sterkst groeien (over het “Duitse model” heb ik al eens geblogd: het gaat volgens mij vooral over een geval van inflatiebestrijding en een beggar-thy-neighbour politiek), na België en Frankrijk. Daarna volgen Nederland en UK. De Scandinavische landen Denemarken en Finland bengelen onderaan.

[Ik vind in AMECO geen data om vergelijkingen van niveaus mogelijk te maken tussen landen die niet dezelfde munt hebben. Ik kan dus geen grafiek geven met niveaus.]

real gdp per head

Werkloosheid. De onderstaande linkse grafiek geeft de evolutie van de werkloosheid sinds 2007. Hieruit blijkt dat wat betreft de evolutie ten opzichte van 2007 (vóór de crisis dus) België het op Duitsland na beter gedaan heeft dan alle andere landen uit het lijstje.

De rechtse grafiek geeft het niveau van werkloosheid. Ik heb ze erbij gezet om te tonen dat België het wat betreft het niveau nog niet goed doet, hoewel de evolutie veel beter was dan in andere landen.

De conclusie mag duidelijk zijn dat de Scandinavische landen het niet zo goed hebben gedaan, zelfs Zweden niet. Het enige land dat echt goed presteert is Duitsland.

evolutieWerkloosheid werkloosheid

[je kan op de figuren klikken om ze te vergroten]

Schuldratio. De onderstaande linkse grafiek geeft de evolutie van de schuldratio sinds 2007. Zweden kende geen stijging van de schuldratio. De stijging van de Duitse schuldratio tegenover 2007 zat tot 2013 ongeveer op het niveau van België en Denemarken, maar er wordt verwacht dat in 2014 en 2015 de schuldratio van Duitsland afneemt, terwijl die van België en Denemarken stabiliseert. Finland, Nederland en Frankrijk kenden een veel sterkere stijging, terwijl die van UK explodeerde met nu al bijna 50% van het BBP.

De rechtse grafiek geeft het niveau van de schuldratio. Ik vind deze grafiek in deze context niet relevant, zeker niet voor België, aangezien de hoge Belgische staatsschuld een erfenis is uit het verleden (vooral eind jaren ’70 en de jaren ’80). Om de werking van België daar op af te rekenen is niet correct. Meer nog, de evolutie van de Belgische staatsschuld, namelijk een sterke afbouw ervan in de periode 1993-2007 en een relatief beperkte stijging tijdens de crisis, is eerder een argument vóór het “Belgische model” (zie een eerder blog). Trouwens, de schuld slechts beperkt laten stijgen of stabiliseren als deze reeds een hoog niveau heeft, zoals in België, is moeilijker te verwezenlijken dan wanneer deze een laag niveau heeft, aangezien de rentelasten dan lager zijn.

evolutieSchuldratio schuldratio

[je kan op de figuren klikken om ze te vergroten]

Besluit

Kortom, het “Belgische model” moet op veel parameters niet onderdoen voor andere landen, ook niet voor de Scandinavische landen. De bovenstaande grafieken tonen bovendien aan dat er waarschijnlijk niet zoiets bestaat als het “Scandinavische model”: ik zie niet direct een homogene prestatie van de drie beschouwde Scandinavische landen die zo verschillend is van België.

Deze blogpost is niet bedoeld om te zeggen dat er in België geen problemen zijn. Die zijn er zeker. Maar die zijn er ook in andere landen. Specifiek voor België denk ik dat ons grootste probleem het loopbaaneinde is, meer bepaald de lage werkzaamheidsgraad van oudere werknemers. Ik heb er hier en hier al over geblogd.

België geeft meer uit, maar heeft minder schulden

De niet-rente-uitgaven zijn enkel in België gestegen. Ja, maar dat is een zeer eenzijdig beeld. De schuldratio van België steeg immers veel minder dan in andere landen. Door die beperkte stijging van de overheidsschuld werd de factuur veel minder dan elders doorgeschoven naar de volgende generaties.

België kent op Japan na de hoogste stijging van de niet-rente-uitgaven, schreef De Tijd gisteren. Tussen 2009 en 2013 stegen ze met ongeveer 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Ook in Oostenrijk en Frankrijk was er een stijging, maar minder sterk dan in België. In de rest van de – overigens wat vreemde – selectie van landen daalden die uitgaven.

De stijging van de schuldratio van die landen mag echter niet onvermeld blijven. Men zou verwachten dat de hogere uitgaven van België leiden tot een hogere schuldgraad en dat de besparingen elders leiden tot een daling.

Het is echter net omgekeerd. De onderstaande grafiek geeft de stijging van de schuldratio weer in de elf landen uit de selectie van De Tijd. Daaruit blijkt dat België de laagste (!) stijging heeft van de schuldgraad: tussen 2009 en 2013 steeg onze schuldgraad met 4,1 procent van het bbp. Duitsland deed het niet veel slechter, met een stijging van 5 procent. De schuldratio van de top drie van de besparingslanden, Griekenland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, steeg spectaculair met respectievelijk 47, 58 en 24 procent van het bbp. Maar ook de andere landen kenden forse stijgingen.

figuurTijd

De cijfers tonen dat de schuldfactuur in België veel minder is doorgeschoven naar de toekomstige generaties. Uiteraard is de Belgisch schuldratio van 100 procent nog steeds zeer hoog, maar dat is een last uit het (verre!) verleden. Daarenboven is het moeilijker de schuldratio onder controle te houden als ze al zeer hoog is, omdat de rentelasten dan zwaarder meetellen in de begroting. Rentelasten uit het verleden waar je niet onderuit kan.

Dat drastische besparingen tot meer schulden leiden is contra-intuïtief. Nochtans is dat onder economen min of meer de consensus geworden. De huidige economische crisis is vooral het gevolg van een vraaguitval. In een dergelijke context leiden lagere overheidsuitgaven tot een lagere economische activiteit, waardoor gezinnen nog minder kunnen besteden en je in een negatieve economische spiraal verzeilt.

In het debat blijft nog een ander element onderbelicht. Het blijkt dat de stijging van de Belgische overheidsuitgaven vooral in de sociale uitgaven zit. Dat is volledig in lijn met hoe een overheid zich zou moeten gedragen. Je moet de overheid niet vergelijken met een goede huisvader, maar met een verzekeringsbedrijf. Een degelijk bedrijf blijft uitbetalen, ook tijdens een crisis – wat België dus doet – en bouwt reserves op tijdens goede jaren. Dat laatste heeft België gedaan: in de 15 jaar voor in 2008 de crisis uitbrak, heeft België zijn schuldgraad afgebouwd met 50 procent van het bbp. Die spectaculaire afbouw is economisch gelijk aan het opbouwen van reserves.

Als het op het verleden aankomt, blijkt het Belgische model gepresteerd te hebben. Het zou intellectueel eerlijk zijn dat eens te erkennen.

De cruciale vraag is of dit model duurzaam is. Ondertussen is zowat elke politieke partij ervan overtuigd dat de concurrentiekracht van de Belgische bedrijven onder druk staat en dat de loonkosten naar omlaag moeten. Ook het loopbaaneinde van de Belg moet anders: we werken minder lang dan elders. Dat is niet langer houdbaar. Beide zijn terecht de thema’s van deze verkiezingscampagne.

Deze column verscheen eerst in De Tijd.

Financieringskosten België: meer data-analyse

In een vorige blogpost besprak ik de financieringskosten van België en de impact eind 2011 van de ‘Leterme-bons’ en de vorming van de regering Di Rupo. Volgens mij deden die twee gebeurtenissen de financieringskosten van de Belgische overheden dalen. Ik steunde me onder meer op een figuur van Peter Vanden Houte, hoofdeconoom bij ING, die hij toonde tijdens een presentatie en de bijbehorende uitleg: volgens hem veranderden die twee genoemde gebeurtenissen hoe de marktspelers de kredietwaardigheid van België evalueerden: die evolutie was positief waardoor de risicopremie die België moest betalen significant daalde.

Kurt Verstegen, een blogger en professioneel bezig met onderzoek over financiële markten, onderzocht mijn stelling kritisch: op basis van een statistische analyse zag hij geen factoren die specifiek voor België de financieringskost significant verlaagden. Hij schrijft in zijn conclusie onder meer dit:

Al bij al zijn de feiten dat één factor het grootste deel van de spreads drijft. En dat de claim dat de daling van onze financieringskosten vooral het resultaat is van goed werk van de regeringen daarmee een beetje in het water valt.

Data-analyse op een hoger niveau

Kurt gebruikt voor zijn analyse de techniek van principale componenten analyse. Het is een techniek die tracht de achterhalen of en in welke mate er een gemeenschappelijke factor is die de waargenomen variatie van verschillende variabelen kan verklaren. De verschillende variabelen zijn in deze oefening de rente die de verschillende landen moeten betalen op zijn schuld (of de spread met Duitsland).

De techniek is zowat het eerste wat je te leren krijgt bij multivariate statistiek, maar het is – althans wat mij betreft- data-analyse op een hoger niveau. Het gaat niet meer over het maken van een aantal grafieken of het berekenen van een aantal correlaties.

Ik ben van mening dat het geven en analyseren van cijfers het begin is van een maatschappelijke discussie, niet het einde ervan. En zij die deelnemen aan de discussie moeten bereid zijn cijfers proberen te interpreteren, ook al is dat niet altijd even gemakkelijk. Als de probleemstelling en de discussie geholpen worden door moeilijke(re) statistische technieken te gebruiken, dan moet dat gebeuren, ook al kost dat (heel) wat moeite.

Anderzijds is het zo dat ook moeilijkere statistische technieken niet noodzakelijk het correcte antwoord geven. En ook kritiek op deze methode kan nodig zijn. Hieronder ga ik de methode en de resultaten van de principale componenten analyse van Kurt behandelen.

Ik analyseer de rente, niet de spread met Duitsland. Ik weet niet of dat veel verschil maakt, maar Finland en Nederland lijken eveneens sterke risk free waarde te hebben (Frankrijk en Oostenrijk minder), waardoor de spreads in absolute waarde zeer weinig fluctueren, waardoor ik me afvraag of ze de resultaten niet vertekenen (maar dat weet ik dus niet).

1. 90% gemeenschappelijkheid kan veel verhullen

De techniek van de principale componenten analyse gebruikt als input de covariantiematrix van de variabelen. Hieronder toon ik de correlatiematrix van deze variabelen (correlaties zijn covarianties die genormaliseerd zijn door de standaarddeviaties met als resultaat een waarde tussen -1 en 1).

Als de gemeenschappelijkheid van België met de kernlanden wordt geanalyseerd, dan blijkt deze volgens Kurts analyse 90% te zijn. Heel veel variatie van België én de kernlanden wordt dus verklaard door één factor, en dat kan dus niet de regeringsvorming zijn of de Leterme-bons omdat dat specifiek voor België een impact zou gehad hebben en niet op de andere landen (men kan ook dat betwijfelen, maar laten we dat nu aannemen). De periode die Kurt analyseert is 2011 en 2012.

Echter, zoals te zien is op correlatiematrix, zijn de kernlanden sterker met elkaar gecorreleerd dan België. Misschien verklaart de gemeenschappelijke factor wel heel veel variatie van de kernlanden, maar minder van België, en veel minder van Spanje en Italië.

corrMtot

Dat wordt volgens mij ook bevestigd als je de factor loadings bekijkt van de eerste factor. Kurt heeft deze in een bijkomende analyse gepubliceerd (zie pagina 3 van dit document). Daaruit blijkt dat de “factor loadings” op de eerste component hoog zijn voor de kernlanden: tussen 0,402 (voor Frankrijk) en 0,557 (voor Finland). Voor België is deze 0,301, voor Italië 0,204.

Ik weet niet zeker of mijn kritiek op de principale componenten analyse klopt, maar bekijk het eens zo: stel dat er vijf landen zijn die exact hetzelfde patroon vertonen: bij deze landen zal een principale componenten analyse alle variatie verklaren door één factor. Als je er dan één land bijvoegt dat een ander patroon volgt dan die vijf landen, dan zal de principale componenten analyse nog steeds concluderen dat één factor veel variatie verklaart. En als dat bijgevoegde land in een bepaald periode niet hetzelfde patroon volgt en tijdens een andere periode wél, dan zal de verklaringskracht van die ene factor nog stijgen.

2. Voor en na BeGov

De principale componenten analyse wordt dus toegepast op de hele tijdsreeks, waarmee ik bedoel zowel voor als na de regeringsvorming. Het punt is echter dat er volgens mij een breuk in de tijd is: de figuur met de rentes (of de risicopremie), die ik hieronder herneem voor de beschouwde periode, lijkt te suggereren dat België vóór de regeringsvorming eerder bij de perifere landen zoals Italië en Spanje gerekend werd, terwijl België na de regeringsvorming (zeker na verloop van tijd) naar de kernlanden opschuift.

rentes20112012

Hieronder geef ik dezelfde correlatiematrix als hierboven, maar dan één voor de periode vóór de regeringsvorming (van 1 januari 2011 tot 6 december 2011) en één na de regeringsvorming (van 7 december 2011 tot 31 december 2012).

Vóór de regeringsvorming is de correlatie van België met de kernlanden laag, soms zelfs licht negatief. Italië en Spanje hebben lage positieve tot grote negatieve correlaties met de kernladen. Duitsland, Nederland en Finland lijken echt de kern te vormen; Oostenerijk en Frankrijk zitten er kort tegen, maar vormen toch een groepje apart.

corrMvoorBegov

Na de regeringsvorming verandert dit beeld compleet: België komt nu in het groepje van Oostenrijk en Frankrijk dat zelf meer tot de kernlanden lijkt te gaan behoren.

Ook de correlatie van Italië met de kernlanden Duitsland, Finland en Nederland verandert sterk: van sterk negatief (rond -0,7) naar gematigd positief (rond +0,35).

corrMnaBegov

De onderstaande figuur vat de cijfers uit de twee bovenstaande correlatiematrices samen voor wat betreft België. De correlatie van België met de kernlanden vóór de regeringsvorming wordt gegeven door de blauwe balkjes: correlatie is laag tot zelfs negatief. Na de regeringsvorming (rode balkjes) is deze zeer hoog: de verandering is spectaculair te noemen.

Omgekeerd verandert de correlatie met Spanje sterk: vóór de regeringsvorming is deze hoog, erna wordt deze negatief. Enkel de correlatie van België met Italië is het op eerste gezicht vreemd: deze blijft min of meer gelijk.

corr

3. Italië en België: een gelijkaardige politieke evolutie?

Het patroon van Italië is speciaal: voor en na de Belgische regeringsvorming blijkt ook het patroon van de Italiaanse rente sterk te veranderen, namelijk eerst een sterk negatieve correlatie met de kernlanden, die na de Belgische regeringsvorming gematigd positief is. Di Rupo mag dan al Italiaanse roots hebben, maar een dergelijke impact kunnen we niet toeschrijven aan de Belgische regeringsvorming.

[Hoewel ook dat kan betwijfeld worden: de financiële wereld is sterk verbonden met elkaar. Dat heeft het bankroet Lehman Brothers, dat de hele financiële wereld op haar grondvesten deed daveren, duidelijk aangetoond. En ook een eventueel ongecontroleerd Grieks bankroet deed de hele eurozone beven. Het is dan ook niet onzinnig om te veronderstellen dat een verhoogd risico op een Belgische wanbetaling ook andere (Europese) landen in problemen kan brengen, met verhoogde rentes tot gevolg.]

Er is in die periode echter ook iets belangrijk gebeurd in de Italiaanse politiek: Berlusconi nam ontslag als premier op 12 november 2011 en werd een paar dagen later vervangen door Mario Monti, iemand die uit de financiële wereld komt en het vertrouwen genoot van de spelers op deze markt. Met andere woorden, het gevaar op politieke instabiliteit in Italië verminderde wellicht sterk in november 2011 en de tijd erna.

Conclusie

Volgens mij moet er dus een analyse gemaakt worden voor en na de federale regeringsvorming. Als Kurt met een dergelijke analyse komt die statistisch aantoont dat er geen significant verschil is tussen voor en na de regeringsvorming, of dat het verschil wel significant is maar dat de impact klein is, dan zal ik dat kritisch bekijken. Als ik geen argumenten vind om dat te ontkrachten, dan zal ik mijn stelling daaraan aanpassen.

Tevens denk ik dat het patroon van Italië eerder de stelling versterkt dat politieke (in)stabiliteit een impact heeft (of tenminste had) op de rente die een overheid op de schuld moet betalen.

En een meta-conclusie: dit is het soort debat dat ik graag meer wil voeren: over cijfers en de analyse ervan. Dat kan je natuurlijk niet alleen, maar Twitter en blogs lenen zich perfect voor dit soort discussies. En bij deze dus een volgtip voor Kurt Verstegen.

GASTPOST – Waarom staatsschuld niet is als andere schuld

(en eigenlijk weinig ter zake doet)

GASTPOST – dit is een gastpost door @koenfucius

Geregeld zie je in de media verwijzigingen naar de staatsschuld, en bijna altijd wordt die meteen ook aangegeven als een proportie van het Bruto Binnenlands Product (BBP), bijvoorbeeld hier. Al te vaak wordt met grote bedragen gegoocheld zonder die in enige context te plaatsen, en het meegeven van een vergelijkingspunt is dus alvast lovenswaardig. Maar is het BBP ook een zinvol vergelijkingspunt? Helpt de schuld/BBP ratio ons iets zinvols te besluiten – bijvoorbeeld of de schuld te groot is, en dringend naar beneden moet?

Op het eerste zicht lijkt dat inderdaad het geval. Het ligt immers voor de hand om een vergelijking te maken met de schuld die bijna alle burgers of gezinnen vroeg of laat aangaan – bijvoorbeeld een lening voor een auto of een huis. Vooral voor hypotheekleningen wordt vaak door de financiële instelling gekeken naar het inkomen, om te bepalen hoeveel kan worden geleend. Een ruw equivalent van dat gezinsinkomen is, voor de staat, dan het BBP (dat is niet helemaal correct, maar daarover later).

Maar wat de financiële instelling eigenlijk wil weten is of je de leningslast kunt dragen. De verhouding tussen hoofdsom en het jaarlijks gezinsinkomen is daarvoor een benadering, maar deze gaat toch voorbij aan wat echt speelt, want waar het eigenlijk om gaat is de vraag of je maandinkomen je toelaat comfortabel de maandelijkse afbetaling te voldoen. Het is dus niet de verhouding tussen schuld en inkomen die belangrijk is, maar tussen de leningslast en inkomen.

Die leningslast staat natuurlijk in direct verband met de grootte van de schuld die je aangaat: een grotere schuld betekent een grotere maandelijkse afbetaling. Maar hij wordt mede bepaald door de geldende rentevoet, en daar ligt nu precies het probleem met het uitdrukken van schuld ten opzichte van inkomen.

Stel dat je een netto jaarinkomen hebt van EUR 48.000 (EUR 4.000 per maand). Is een hypotheeklening van EUR 192.000, of vier keer je inkomen (dus een schuld van 400%), te groot om dragen? Daarop kun je geen antwoord geven zonder te weten hoeveel dat je gaat kosten. Als je kunt lenen tegen 2% over 25 jaar zal een lening (met kapitaalaflossing) zo’n EUR 820 per maand kosten – een goede 20% van je netto inkomen. Maar als je leent tegen 4% dan wordt het ruim EUR 1000 per maand – een kwart meer. Bij een lening waar enkel interest betaald wordt (en je het kapitaal bv. via een gemengde levensverzekering opbouwt) is het verschil nog groter: de last verdubbelt dan mee met de interestvoet. De verhouding tussen schuld en inkomen is identiek in beide gevallen, maar de betaalbaarheid van de lening verschilt drastisch.

Om te bepalen of een schuld houdbaar is, is het dus veel zinvoller de verhouding van de leningslast tot het inkomen te bekijken dan de verhouding van de schuld tot het inkomen.

En het is niet anders voor staatsschuld. Het is veel belangrijker te weten welk percentage van het BBP – al wat de inwoners van het land produceren – moet worden besteed aan rentelasten, dan wat de verhouding is van de schuld tot dat BBP. De schuldratio tussen landen kan behoorlijk verschillen, en toch zegt ze heel weinig over de toestand van de economie van een land. Wikipedia heeft een lijstje van landen gerangschikt naar staatsschuld als percentage van het BBP. De nummer 1 en 2 daar zijn Japan met bijna 240% en Griekenland met 160%. Betekent dit dat de Japanners er nog slechter voor staan dan de Grieken? Niet echt: Japan betaalt momenteel een rente van ongeveer 0,65%, terwijl Griekenland bijna 9% betaalt (en zelfs voor de financiële crisis was dat voor Griekenland ruim 3%, voor Japan rond de 1,5%). Je kunt dus weinig of niets besluiten uit het vergelijken van de schuld/BBP ratio van verschillende landen.

Maar misschien helpt het wel als maatstaf voor één enkel land over een langere termijn? Rentevoeten voor staatsschuld variëren immers toch niet zo erg? Misschien zijn de laatste 5 jaar niet helemaal representatief, met de financiële crisis en zo, en is het feit dat in november 2011 de Belgische rente iets boven de 5% zat, en nu net boven de 2% een beetje ongewoon. Maar neen: in juni 2008 was de rente ook tegen de 5%, terwijl ze in augustus 2005 3.1% was. De rentelast kan dus, over slechts enkele jaren, behoorlijk heen en weer swingen, en een verdubbeling of halvering is niet zo extraordinair – en dat zonder dat de schuld/BBP ratio verandert.

Je zou er echter van uit kunnen gaan dat de schuld/BBP ratio een goede indicator is van de actuele rente die een land op die schuld moet betalen. Maar ook dat blijkt niet echt het geval te zijn: grafiek 1 toont de correlatie tussen de rente op 10 jaar en de schuld/BBP ratio voor 55 landen – die is laag én negatief (-0.17). Japan is een gigantische outlier, maar zelfs wanneer we dat land eruit lichten (grafiek 2)  zien we een lage en nog steeds negatieve correlatie (-0.08).

Grafiek 1

gastpost1

Grafiek 2

gastpost2

We stellen dus vast dat de schuld/BBP ratio niet geschikt is om landen met elkaar te vergelijken: een land met een lage ratio en een hoge rentevoet kan met een veel zwaardere rentelast te kampen hebben dan een land met een hogere ratio, dat van een lagere rentevoet geniet. (De rentelast/BBP ratio vertelt natuurlijk ook niet alles: voor een land waarvan het BBP snel groeit is een hogere ratio veel minder een probleem dan voor een stagnerend land.)

Bovendien helpt de ratio ook niet om de evolutie van de rentelast van één bepaald land te volgen: bij een constante schuld/BBP ratio kan een fluctuerende rentevoet over een periode van enkele jaren de rentelast behoorlijk op of neer laten gaan. Als betrouwbare indicator voor de “betaalbaarheid” van de schuld van een land is schuld/BBP dus weinig behulpzaam – het is veel beter de werkelijke schuldenlast te vergelijken met het BBP.

Is het BBP echter wel de juiste grootheid voor de noemer, en zou het niet nog beter zijn het werkelijke inkomen van de staat (dat zijn voor het leeuwendeel de geinde belastingen) te nemen? Het is zeker geen slecht idee ook daar naar te kijken. Je moet dan wel rekening houden met een ander belangrijk verschil tussen de staat en de burger. In tegenstelling tot de burger heeft de staat namelijk zelf grote controle over zijn “inkomen”: de staat kan de belastingen verhogen of verlagen, en dat gaat dan weer de ratio schuldenlast/inkomen beïnvloeden. En omdat die belastingen grotendeels uit het BBP worden gelicht blijft de voorkeur voor schuldenlast/BBP als indicator overeind.

Waarom wordt schuld/BBP zo frequent gebruikt als maatstaf? Er zijn immers verschillende alternatieven, zoals een recent Buttonwood artikel in the Economist aanhaalt. Een belangrijke reden is, denk ik, dat staatsschuld vaak impliciet (en geregeld zelfs expliciet) wordt vergeleken met de schuld van een huishouden. Ook al is het misschien meer zinvol de maandelijkse of jaarlijkse schuldenlast van een hypotheeklening met je inkomen te vergelijken dan het nog uitstaande kapitaal, toch is het niet zo gek ook naar dat laatste te kijken. Het is immers de bedoeling dat je uiteindelijk dat uitstaande kapitaal weer helemaal terugbetaalt – hetzij door elke maand naast de interest ook een stukje van de hoofdsom terug te betalen, hetzij door via bv een gemengde levensverzekering het kapitaal elders bijeen te sparen om het aan het einde van de rit in een stuk te vereffenen. Je kunt dus uitrekenen hoeveel maanden of jaren je moet werken, enkel en alleen om je schuld terug te betalen.

En dat is nu net waarin staatsschuld en privéschuld fundamenteel van elkaar verschillen. Burgers worden inderdaad geacht de schuld aan het einde van de termijn te vereffenen: geen enkele bank zal je een hypotheeklening met onbepaalde looptijd aanbieden. Maar, hoor ik u al zeggen, staatsleningen hebben toch ook geen onbepaalde looptijd? Dat klopt (al bestaan er wel eeuwigdurende obligaties) – staatspapier heeft typisch een looptijd van 3 maanden tot 20 jaar, en aan het eind van die termijn moet de staat het kapitaal terugbetalen aan de  belegger. In tegenstelling tot de burger kan de staat echter op dat moment gewoon het verschuldigde bedrag lenen van een nieuwe belegger, en daarmee de schuld aan de originele belegger vereffenen. Dit kan in principe onbeperkt plaatsvinden, en dat komt dus neer op een lening van onbepaalde duur: de staat hoeft nooit het kapitaal af te lossen.

Als die schuld nooit moet worden afgelost, heeft de ratio van die schuld t.o.v. het BBP dan veel betekenis? Eigenlijk niet. Beschouw een situatie waarin je als burger een woning huurt voor onbepaalde tijd. Wat van belang is, is hoe hoog de huur is, en meer bepaald hoe die zich verhoudt tot je inkomen: betaal je 10%, 30% of 50% van je inkomen aan huur? De waarde van de woning speelt hierin geen directe rol (natuurlijk zal die wel in enige mate de huurprijs beïnvloeden, maar het is de huurprijs zelf die telt).

Wat een land doet is in feite equivalent: het “huurt” geld voor onbepaalde tijd van beleggers, en in ruil daarvoor betaalt het daarop interest. De grootte van de schuld op zichzelf speelt nauwelijks een rol: het is de interest die veel meer van belang is voor de staathuishouding en de economie.

Betekent dit dat een land onbeperkt kan lenen, en schuld/BBP ratio’s  500% of 1000% van het BBP gaan bedragen? Natuurlijk niet. De beperkende factor is echter niet de grootte van de schuld, maar de grootte van de corresponderende rentelast, ten opzichte van het BBP. En daarom is het beter je niet te laten leiden door een al te simpele vergelijking van schuld en BBP, en meer relevante maatstaven te hanteren.

Gastpost door @koenfucius

Di Rupo en zijn miljarden

Daan Killemaes, hoofdredacteur ad interim bij Trends, hakt fel in op Elio Di Rupo. Die zou gezegd hebben dat zijn regering de voorbije twee jaar voor 22 miljard euro bespaard heeft, de loonlasten met 4,7 miljard euro verlaagd en voor een daling van de rentelasten met 1,5 miljard euro gezorgd. In een opiniestuk verwijt Killemaes aan Di Rupo dat hij “zich gespecialiseerd (heeft) in het lanceren van miljardencijfers die kant noch wal raken.” Ik vind geen tekst op internet terug waar Di Rupo deze cijfers citeert, dus ik baseer me op wat Daan Killemaes schrijft. [update: in een Twitter-reactie verwees Killemaes naar een artikel uit De Tijd van 16/1 pg6. Ik vermoed dat het dit artikel betreft.]

Daarbij gaat Killemaes vooral in op de daling van de rentelasten met 1,5 miljard euro:

In de begroting voor 2014 staat nochtans zo’n 11,5 miljard euro aan rentelasten op de federale schuld ingeschreven, ongeveer evenveel als de voorbije jaren. Maar, redeneert de premier, zonder de installatie en het werk van de regering-Di Rupo was die rentelast al opgelopen tot 13 miljard euro op jaarbasis. Bij de vorming van de regering bedroeg de langetermijnrente 6 procent, terwijl ze sindsdien gedaald is tot 2,3 procent. Aangezien de federale overheid elk jaar 40 miljard euro moet vinden op de kapitaalmarkt, om het overheidstekort te financieren en de schulden te herfinancieren, levert een rentedaling snel vrij veel besparingen op. Een daling 6 naar 2,5 procent kan inderdaad in enkele jaren tijd 1,5 miljard euro op jaarbasis opleveren.

Dus indien men aanvaardt dat België zonder regering 6 procent zou betalen in plaats van 2,3 procent, dan heeft deze regering gezorgd voor een daling van 3,7 procentpunt. Op 40 miljard is dat inderdaad ongeveer 1,5 miljard dat de overheid per jaar minder moet betalen.

Maar, zo stelt Killemaes, het klopt helemaal niet dat België zonder regering nu nog steeds 6% zou moeten betalen:

Het genie van het cijfer van Di Rupo is natuurlijk de 6 procent als uitgangspunt te nemen, en te veronderstellen dat de dalende rentevoet volledig de verdienste is van de federale regering. Quod non. De rente piekte in november 2011 maar heel kort op 6 procent, en bovendien was die piek veel meer de vrucht van een escalerende eurocrisis dan van de Belgische politieke crisis.

Dus ja, de regering mag wel wat krediet nemen voor de daling van de rente, aldus Killemaes, maar het was toch vooral de crisis in de eurozone die de rente deed pieken (en daarna deed dalen).

Rentedaling niet typisch Belgisch

Deze discussie is niet zo gemakkelijk te beslechten, omdat het een sterk ‘wat als’ gehalte heeft. We kunnen niet weten wat er zou gebeurd zijn als er geen regering zou gevormd zijn in november 2011. We vermoeden dat de toestand zou verslechterd zijn, maar hoeveel slechter is moeilijk te zeggen. Dat de stemming over België niet optimistisch was, is een understatement: De Wever sprak in december 2010 van de zieke man van Europa; Thomas Leysen begin 2010 dat België het Griekenland aan de Noordzee kon worden. Het zijn uitspraken uit 2010, maar anderhalf jaar regeringsvorming en een stijgende rente zorgden in november 2011 niet voor veel meer optimisme.

Toch denk ik dat Killemaes hier een punt heeft: de daling van de rentelasten is voor een groot deel niet typisch Belgisch. De figuur hieronder toont de maandgemiddelden van de langetermijnrente van verschillende eurolanden van januari 2010 tot december 2013. Data komen van de ECB. De rente steeg in november 2011 scherp in België (oranje lijn), maar ook in Spanje (geel) en Italië (donkergrijs) en in mindere mate in Frankrijk en Oostenrijk. Echter niet in Duitsland, Finland en Nederland. Ierland en Portugal lijken een ander patroon te vertonen.

Na de piek in november 2011 daalt de rente overal, behalve in Portugal, waar hij nog even doorstijgt, om daarna ook te dalen. De Italiaanse en vooral de Spaanse rente stijgt nog in mei-juni 2012; een piek die België vermeden heeft, wat Killemaes ook erkent. Op dat moment neemt de ECB de beslissing om de eurozone te redden, whatever it takes. Waarna de rente nog verder daalt.

langetermijnrente

Wat de figuur ook duidelijk laat zien is dat België begin 2010 bij de kernlanden behoort, weliswaar aan de bovenkant. Spanje en Italië zitten net iets boven de kernlanden. Vanaf juni 2010 en doorheen 2011 betaalt België stelselmatig meer dan de overige kernlanden, en Spanje en Italië veel meer. Na november 2011 vermindert de kloof stelselmatig tot België eind 2012 terug bij de kernlanden behoort, zij het opnieuw aan de bovenkant. Spanje en Italië blijven echter ook eind 2013 een pak boven de kernlanden hangen.

Een Italiaans scenario geeft hogere interest (prijseffect)…

Wat volgens mij een goed ‘wat als’-scenario is, is België vergelijken met Spanje en Italië: indien er in november 2011 geen regering zou gevormd geweest zijn, dan is het realistisch te veronderstellen dat de Belgische rente naar Italiaanse en Spaanse niveaus gestegen zou zijn.

Maar dan moet de redenering doorgetrokken worden: dat betekent dan ook dat België ook zou genieten van het ECB-vangnet en dan zou de Belgische rente vandaag geen 6% zijn, maar wel iets meer dan 4%, het niveau dat Spanje en Italië nu hebben. Dat is ongeveer 1,7 procentpunt meer dan België in nu betaalt (en dus geen 3,7 procentpunt).

Op basis van data NBB moet België jaarlijks 75-80 miljard op de financiële markten ophalen (en geen 40 miljard zoals Killemaes beweert). België kiest om ongeveer de helft daarvan op de kortetermijnmarkt te financieren. Op de kortetermijnmarkt kan men tegen lager tarief financieren. Ik vind die tarieven echter niet terug op ECB.

Met een assumptie dat de spread onafhankelijk is van de looptijd (wat ik zelf betwijfel), betekent dit dat België 1,7 % * 75 miljard = 1,27 miljard minder aan rentelasten betaalt doordat het een Italiaans en Spaans scenario vermeden heeft (het vermijden van een Iers scenario betekent een lagere winst; het vermijden van een Portugees scenario een hogere winst). Als je aanneemt dat de spread halveert voor een korte looptijd (wat me realistischer lijkt: vergelijk hier de yield curve van AAA-bonds met die van ‘all bonds’), dan kom je tot 0,95 miljard euro winst in vergelijking met een Spaans of Italiaans scenario.

… én hogere schuld (volume-effect)

Dat is een pak lager dan de 1,5 miljard dat Di Rupo als winst beweert te hebben. Echter, dit is slechts een prijseffect. Er is ook nog een volume-effect. Indien België werkelijk een Spaans of Italiaans scenario zou gevolgd hebben, dan zou dat wellicht ook een minder sterke economische groei betekend hebben. Dus ook minder ontvangsten en meer uitgaven (aan bijvoorbeeld werkloosheid). De Belgische schuldratio zou dus zeer waarschijnlijk nog hoger opgelopen zijn.

Nu steeg de Belgische schuldratio van 2011 tot 2013 maar beperkt, namelijk met 2 procentpunt, van 98% tot ongeveer 100%. In Italië en Spanje is de procentpunt-stijging respectievelijk 12 en 24 procentpunt voor dezelfde periode (gegevens Ameco). Als België een Italiaans scenario zou gevolgd hebben, dan zou er op twee jaar dus nog eens 10 procentpunt schuld bij gekomen zijn, of zo’n 40 miljard euro (ter vergelijking: tijdens het Belgisch malgoverno van eind jaren 70 – begin jaren 80 kwam er jaarlijks 10 procentpunt schuld bij gedurende vier jaar). Die 40 miljard euro extra schuld zou dan gefinancierd moeten geworden zijn tegen de huidige Italiaanse rente of zo’n 4%, wat neerkomt op 1,6 miljard euro.

Dat bedrag moet dan geteld worden bij de 0,95 miljard euro van hierboven, wat een totale vermeden rentelast van 2,55 miljard euro oplevert. Volgens die berekening heeft Di Rupo zijn prestatie met 1 miljard onderschat.  En als een Spaans scenario wordt genomen, zou Di Rupo zijn prestatie met meer dan 2,5 miljard euro onderschatten.

Wat als…

Dit is uiteraard zeer speculatief. Zoals hierboven reeds gezegd: we weten niet wat er zou gebeurd zijn indien we geen regering zouden gehad hebben. Maar het is weinig waarschijnlijk dat België nu nog steeds 6% rente zou moeten betalen indien we nog steeds in lopende zaken zouden zijn. Anderzijds lijkt een Italiaans scenario in lopende zaken niet onrealistisch: beide landen hebben (of hadden ) een instabiel politiek klimaat en een hoge overheidsschuld.

Tot slot, waaraan al te gemakkelijk wordt voorbijgegaan is het risico dat België zou gelopen hebben zonder regering: nu weten we dat Mario Draghi in 2012 eindelijk deed wat een voorzitter van de ECB al lang had moeten doen: alles doen wat nodig is om de euro te redden. Maar in november 2011 was dat helemaal niet zo evident. Toen was een scenario van het opbreken van de euro realistisch, en het was al even realistisch te denken dat een België in lopende zaken dan niet tot de kernlanden zou behoord hebben, met alle economische gevolgen van dien.

Zou de EU-boete voor België terecht zijn? – deel 2

Afgelopen zondag publiceerde ik een blogtekst over de dreiging van een Europese boete omdat België niet aan de begrotingsdoelstellingen hield voor 2012. Op basis van de cijfers in die blogpost was mijn conclusie dat een boete onterecht zou zijn, omdat Frankrijk en Nederland geen boete zullen krijgen hoewel ze slechter presteren.

Op Twitter kreeg ik interessante reacties van onder meer Peter De Keyzer, hoofdeconoom bij BNP Paribas Fortis, en Koen De Leus, senior econoom bij KBC. Deze laatste stelde dat de verbetering van het structurele begrotingstekort niet voldoet aan de afspraken. Structureel betekent dat het begrotingstekort gezuiverd wordt voor conjuncturele effecten (dus zonder de automatische stabilisatoren), maar ook voor zaken zoals de Dexia-nasleep die België ongeveer 0,7% van het BBP kostte. Hij tweette ook deze figuur. Voor 2013 betreft het een raming.

figuurDeLeus

Deze figuur toont dat België in 2012 een structureel begrotingstekort heeft van 3%. Nederland doet het met 2,6% beter; Frankrijk doet het met 3,6% slechter. Maar de verbetering van het structurele tekort is inderdaad veel beter voor Frankrijk en Nederland. Dus omdat deze landen van een slechter niveau begonnen, is men alvast wat Frankrijk betreft milder wat het uiteindelijke niveau betreft, als de evolutie maar goed is.

De vraag is of men ook op andere vlakken hetzelfde gewicht geeft aan de evolutie in plaats van aan het niveau. Op mijn vraag wat de criteria zijn om de begrotingsdoelstellingen op te stellen, antwoordde De Leus: “Criteria o.m. overheidsschuld,vergrijzingskosten, … Middellangetermijndoel structurele begroting Nl. is -0.5% vs Be.: +0.75%”.

Wat betreft de overheidsschuld, is de evolutie deze, sinds 2007 (dus voor de crisis):

publicdebtBEFRNL

Bron: Ameco

De Belgische schuldratio is sinds 2007 gestegen met 15,6 procentpunt van het BBP. Frankrijk steeg met 26 procentpunt, en Nederland eveneens met 26 procentpunt. Ook sinds 2010 is de stijging veel sterker in Frankrijk en Nederland, bijna het dubbele in procentpunten als in België. En de projecties voor 2014 geven sterker stijgingen voor Nederland (+4.6), en zeker voor Frankrijk (+6.0), in vergelijking met België (+2.5). Dus ondanks het feit dat België een zwaardere intrestlast heeft en relatief meer problemen met haar banken, houdt zij haar schuldratio toch beter onder controle dan Frankrijk en Nederland. En het is België die een boete zou krijgen?

Het is niet ondenkbaar dat België de schuldratio beter onder controle kon houden net omdat het haar structureel begrotingstekort niet sneller heeft teruggedrongen, zoals gevraagd door de Europese Commissie. Ondertussen lijkt men inderdaad wat af te stappen van het geloof dat als overheden in een recessie overal en tegelijk besparen er groei gecreëerd kan worden. Ik denk ook dat inflatie een rol gespeeld heeft in de betere prestaties van België (wat op langere termijn kan leiden tot verlies aan concurrentievermogen wegens het mechanisme van automatische loonindexatie, iets wat de federale regering ondertussen wel min of meer heeft aangepakt).

Dit wil absoluut niet zeggen dat de Belgische overheden dit structurele begrotingstekort niet moet verbeteren. Maar de vraag is tegen welke snelheid deze fiscale consolidatie moet gebeuren. Economen zoals Olivier Blanchard, hoofdeconoom bij het IMF, zeggen dat ze het eigenlijk niet weten. De evidentie lijkt te gaan in de richting van nu minder en later meer, in plaats van omgekeerd. Veel hangt waarschijnlijk af van de context. Wat België betreft, met zijn open economie en hoge overheidsschuld, ben ik wel van mening dat er meer bespaard zou kunnen worden. België zou dan wel een free ride nemen op de landen die niet besparen.

Samenvattend, als de begrotingsregels van Europa ervoor moeten zorgen dat de overheidsfinanciën houdbaar blijven, dan is de evolutie van de schuldratio waarschijnlijk één van de beste criteria die men kan hanteren. En België blijkt het  in vergelijking met Frankrijk en Nederland veel beter gedaan te hebben tijdens de crisis, ondanks het feit dat België hoge intrestlasten heeft en relatief meer heeft moeten betalen voor haar banken. Een boete lijkt dan ook niet op zijn plaats.

Zou de EU-boete voor België terecht zijn?

België zou wel eens een boete kunnen krijgen omdat ze haar begrotingsdoelstelingen niet haalde. Voor Karel De Gucht ligt de schuld bij de N-VA, omdat de Europese Commissie blijkbaar ook rekening houdt met de laatste drie jaar (en niet enkel 2012). De Gucht:

België heeft niet gedaan wat het zou moeten doen en wat het moest doen op structureel vlak. Er is drie jaar lang een beperking van het tekort nodig met 0,75 procent, dus 2,25 procent op drie jaar. Dat is niet het geval. Daarnaast moest het tekort voor 2012 onder de 3 procent blijven. Ook dat is niet het geval. Dus op die twee criteria worden de doelstellingen niet gehaald. De Commissie staat voor een dilemma en zal zich op 29 mei uitspreken

Deze tekst gaat niet over wie de schuld heeft. Ik vraag me wel af waarom enkel België een boete zou krijgen, en bijvoorbeeld niet ook Frankrijk en Nederland. Ik geef hieronder voor 3 domeinen telkens 2 grafieken die volgens mij aantonen dat België het op alle relevante criteria beter doet dan Nederland en Frankrijk. Alle data komen van Ameco.

Alvast mijn conclusie: als België dan toch een boete zou krijgen en deze landen niet, dan begrijpt deze geïnteresseerde burger -die het debat van dichtbij volgt- het niet meer. En ik zou dan graag willen weten wat de economische verantwoording is voor een boete voor België, en geen boete voor Nederland of Frankrijk. Een verantwoording die publiek gegeven moet worden, bijvoorbeeld in een hoorzitting in het Belgische federale parlement. Het zou het democratisch deficit waar de Europese Commissie zo aan lijdt, wat kunnen verminderen. Men zal dan bijvoorbeeld kunnen uitleggen waarom er gesaneeerd moet worden (en of men rekening houdt met bepaalde drempels), maar ook welke definities men gebruikt om het ‘structureel tekort’, de ‘output gap’ en de NAWRU te berekenen en welke assumpties men daarvoor gebruikt.

1. Begrotingstekort in 2012 en het gemiddelde over 2010-2012

De onderstaande figuur toont het begrotingstekort in 2012 van de meeste eurolanden. Zoals te zien is, scoort België niet goed en niet slecht: indien de PIGS-landen niet worden meegerekend, dan staat België nummer 5 in een rijtje van 8 (Euro17, het gewogen gemiddelde in de Eurozone, wordt niet meegerekend). Middenmoot, eerder aan de slechte kant, dus. Nederland en Frankrijk doen het met een begrotingstekort van respectievelijk 4.1% en 4.8% beduidend slechter. Daarenboven werd het tekort van België in 2012 met 0,7% verzwaard door nog eens een Dexia-nasleep, dus dat deel is niet structureel (of in ieder geval geen gevolg van beleid van deze regering of van de laatste drie jaren).

budgetdeficit2012

Indien we het gemiddelde begrotingstekort bekijken van de laatste drie jaren, dan geeft dit de onderstaande figuur (dezelfde landen). België staat nu plaats 6 van 8: dat betekent dat België het in 2012 beter doet dan het gemiddelde van 2010-2012, dus de prestatie van België kent relatief gezien een positieve evolutie. Bemerk dat Nederland en Frankrijk achter België staan met respectievelijk een gemiddeld tekort van 4.6% en 5.7%. Maar ook met een positieve evolutie in absolute termen, onder meer mogelijk gemaakt doordat ze van een groter tekort kwamen.

budgetdeficit20102012

In België was het tekort in 2009 5,5%, net zoals in Nederland. In Frankrijk was het 7%. Op drie jaar tijd moest België dit verbeteren met 2,25%, maar België is slechts verbeterd met 1,6%; Nederland met 1,5%. Frankrijk, komende van 7%, heeft het verbeterd met 2,7%. Beter dan België en Nederland, maar komende van een groter tekort. Overigens, indien de Dexia-nasleep er niet zou geweest zijn, dan was het begrotingstekort op drie jaar tijd verminderd met… 2.3%, net wat de Europese Commissie vraagt (zie citaat De Gucht – of betreft die 2,25% enkel structurele verminderingen? En wat is dat dan?)

2. Primair begrotingstekort in 2012 en het gemiddelde over 2010-2012

Het begrotingstekort is wat de Europese Commissie in het oog houdt, maar het zegt niet zozeer iets over de onderliggende prestatie van een land. Immers, in het begrotingstekort zit ook de intrest die betaald moet worden op de overheidsschuld. De overheidsschuld is natuurlijk relevant, maar dat is een last uit het verleden; voor België een grote last, vooral gemaakt in de jaren ’70 en ’80, gevolgd door een indrukwekkende sanering in de periode ’93-’07, omdaarna terug te stijgen door de crisis (zoals in alle andere landen).

Om de huidige prestaties te beoordelen, zou men beter het begrotingstekort zonder de intrestbetalingen beschouwen. Dat is het zogenaamde primair begrotingstekort (primary deficit – in Ameco: ‘net borrowing excluding  interest’). De onderstaande figuur geeft dit voor 2012. Nu staat België met een primair begrotingstekort van 0.5% op plaats 4 van 8. Bemerk dat Nederland en Frankrijk nog steeds achterop zitten, met een primair deficit van meer dan 2%.

primarybudgetdeficit2012

Indien we dezelfde gegevens bekijken voor het gemiddelde van de laatste drie jaren, dan geeft dat de volgende figuur. België heeft een gemiddelde van -0.4% en staat nu op plaats 3 wat betekent dat we een licht negatieve evolutie hebben gehad de laatste drie jaren. Nederland en Frankrijk hebben gemiddeld grotere primaire tekorten (respectievelijk 2.6% en 3.2%), maar hebben wel een positieve evolutie gehad (komende van een groter tekort). De kloof met België blijft echter groot.

primarybudgetdeficit20102012

3. Overheidsschuld in 2012 en de verandering ten opzichte van 2010

De onderstaande figuur toont de overheidsschuld (in % BBP) in 2012. Zoals gekend doet België het niet goed wat betreft de overheidsschuld, met een schuldratio in 2012 van 100%. Maar zoals gezegd is dat, zeker wat België betreft, een last uit het verleden en heeft België in goede tijden de schuldratio drastisch weten af te bouwen (hier een uitgebreid verhaal). En bijvoorbeeld Frankrijk zit ook al met een schuldratio van 90%; Nederland doet het met 71% duidelijk beter. Maar het niveau van de schuldratio is duidelijk niet een alleszeggend criterium, gezien Spanje wat dat betreft plots beter doet dan Frankrijk en België, terwijl Spanje wel tot de probleemlanden behoort.

grosspublicdebt2012

Wat betreft de overheidsschuld is het volgens mij belangrijker om naar de evolutie van de staatsschuld te kijken. En ja, die gaat voor België naar omhoog, maar elders vaak nog sterker. De onderstaande figuur geeft de procentpunt verandering van de staatsschuld in 2012 ten opzichte van 2010. In België steeg deze met 4.1 procentpunt, in Frankrijk en  Nederland met respectievelijk 4.4 en 8 procentpunt.

grosspublicdebt2012vs2010

Conclusie

Op bijna alle criteria doet België het beter dan Frankrijk en Nederland (en de PIGS-landen). Het enige waarop België slechter scoort wat betreft deze figuren is de overheidsschuld, maar nogmaals, dat is een last uit het verleden en men kan België hier niet jaar na jaar op afrekenen. Men kan misschien wel een grotere inspanning vragen van België om die schuld te verminderen, maar dan wel met een beoordelingscriterium dat geen rekening houdt met die last uit het verleden. Men kan bijgevolg het primair begrotingstekort en de evolutie van de staatsschuld bekijken. Wel, op beide vlakken doet België het een pak beter dan Frankrijk en Nederland.

Ik spreek me in deze tekst niet uit of en in welke mate België meer had kunnen doen. Dat is niet de vraag die ik wou beantwoorden. De vraag is of een boete voor België terecht zou zijn, en dan is een vergelijking met andere landen aangewezen. Op basis van de bovenstaande gegevens denk ik dat het niet terecht zou zijn dat België wel en Nederland en Frankrijk geen boete krijgen. Is dat toch het geval, dan verdient de Belgische burger volgens mij een duidelijke uitleg van de bevoegde Commissaris, en liefst in een publieke hoorzitting in het federale parlement.

 

Besparen of niet besparen: wie heeft gelijk?

Voorafgaand aan de begrotingscontrole was er in de Belgische media een hele discussie over de noodzaak om te besparen of niet. De aanleiding voor deze discussies was de vaststelling dat de economische groei in 2013 zal tegenvallen, waardoor het geplande begrotingstekort groter zal zijn dan 2.15%, het cijfer dat met de Europese Commissie was afgesproken.

De liberalen wilden vasthouden aan de 2.15%, terwijl de PS een groter begrotingstekort wou toelaten, “om ons niet kapot te besparen”. De PS kreeg steun uit onverwachte hoek: economen van een aantal grootbanken in België pleitten eveneens om wat soepeler te zijn. Ze voegden er wel meteen aan toe dat er in de plaats meer structurele besparingen moeten zijn “onder meer door de aanpak van de vergrijzing en de hervorming van de pensioenen en de arbeidsmarkt”.

De hoofdeconomen steunden hierbij op de vaststelling dat het terugdringen van overheidsuitgaven tijdens een recessie de economische groei meer vertraagt dan voordien werd aangenomen. De zogenaamde fiscal mutliplier is hoger dan 0, meer dan waarschijnlijk hoger dan 1. Het is een vaststelling die Olivier Blanchard van het IMF ook al gedaan heeft. Expansionary austerity of, mooier in het Nederlands, snoeien om te groeien werkt dus niet. Dat is wat je bijvoorbeeld in de UK  ziet.

Hieronder som ik vijf punten op die volgens mij belangrijk zijn in dit debat, vier punten zijn algemeen en één punt is specifiek voor België.

1. Een belangrijke nuance die economen maken is dat de fiscal multiplier afhankelijk is van de staat van de economie. De fiscal multiplier is hoog (= negatieve impact op de economische groei is hoog) als de economie in een recessie zit die veroorzaakt wordt door een vraaguitval, een situatie waar we nu in zitten. Gezinnen en bedrijven zijn op dit ogenblik wereldwijd schulden aan het afbouwen en consumeren daardoor minder, waardoor er minder vraag naar producten en diensten is. Als in een dergelijke situatie de overheid ook nog eens minder gaat uitgeven, dan belandt je in een negatieve spiraal en lagere economische groei.

2. Als de economie het goed doet, dan is de fiscal multiplier laag, misschien zelfs negatief (= weinig negatieve of zelfs positieve impact op de economische groei). Dat betekent dat het verminderen van de overheidsuitgaven tijdens goede tijden stimulerend kan zijn voor de economie. Sommigen repliceren dat de overheid niet bespaart tijdens goede tijden (wat ze dus zou moeten doen) en argumenteren dat het dan maar nu moet gebeuren, in slechte tijden, ook al heeft dat een negatieve impact, want anders komt het er toch niet van. Maar dat is verkeerde logica: two wrongs don’t make a right.

3. De fiscal mutliplier is niet enkel afhankelijk van de staat van de economie, maar is ook afhankelijk van de aard van de overheidsuitgaven. De fiscal multiplier zou lager zijn (dus impact op economische groei minder negatief) als de overheidsconsumptie wordt aangepakt. De negatieve impact zou groter zijn als de investeringen worden verminderd. Daarenboven kunnen deze investeringen gefinancierd kunnen worden tegen een historische lage rente, ook voor België, wat impliceert dat de investeringsbeslissing sowieso sneller positief wordt (want de netto actuele waarde van de investering zal sneller positief zijn als de rente laag staat).

4. Op basis van de bovenstaande drie punten is het duidelijk: besparen zorgt onder de huidige omstandigheden voor een negatieve spiraal en draait uiteindelijk negatief uit. Maar als je specifiek naar België kijkt, dan is dit plots niet meer het geval. Prof. Gert Peersman (UGent) heeft recent aangetoond dat de fiscal multiplier voor België ongeveer nul is, zelfs iets onder nul (maar dat is niet statistische significant), wat betekent dat besparingen op de overheidsuitgaven zelfs een licht positieve impact hebben op de groei. Als de analyse van prof. Peersman klopt, dan werkt ‘snoeien om te groeien’ wel in België, zij het heel licht. Maar belangrijk is dat overheidsbesparingen de groei niet doen afnemen.

Dat overheidsbesparingen in België niet leiden tot lagere groei gaat in tegen de recente analyses en vaststellingen. Is België dan zo speciaal anders dan de andere landen? Ja en nee.

Ja, want België is een kleine en open economie, dat, zoals prof. Peersman uitlegt, vooral productie exporteert en consumptie importeert. Dat betekent dat als de overheid haar consumptie zou verhogen, dit vooral ten gunste komt van het buitenland (onze handelspartners), met weinig positieve impact op de Belgische economische groei. De stimulerende maatregelen zouden weglekken. Maar ook omgekeerd, de consumptie verlagen komt vooral ten koste van het buitenland, met weinig negatieve impact op de Belgische economische groei. Vandaar ook een lage fiscal multiplier.

Nee, want als de landen waar België naar exporteert ook hun overheidsconsumptie zouden terugschroeven, dan zou dit een negatief effect hebben op onze export en dus op onze productie. Het opmerkelijke is dus dat de Belgische fiscal multiplier voor wat betreft Belgische overheidsuitgaven nul is, maar dat de Belgische fiscal multiplier voor wat de buitenlandse overheidsuitgaven betreft wellicht wel positief is.

Door als enige onze uitgaven te verminderen, neemt België bijgevolg een gratis ritje op onze handelspartners (free ride). En dat gratis ritje is heen-en-terug: door de Belgische overheidsuitgaven te verminderen, verminderen we de import uit de andere landen en doordat de  andere landen hun overheidsuitgaven niet verminderen, kunnen we onze productie handhaven. Eerlijk gezegd, de twee vorige paragrafen zijn  speculatief, want ik ken hier geen onderzoek over, maar het lijkt me aannemelijk.

In ieder geval doet België zeer waarschijnlijk aan free riding als ze de overheidsuitgaven vermindert terwijl onze handelspartners dit niet doen. Normaal gezien wordt free riding negatief bekeken, omdat het niet meer is dan profiteren van anderen. In dit geval is het volgens mij echter wel te verantwoorden. België heeft immers een hogere overheidsschuld dan de andere (kern)landen, waardoor het voor ons moeilijker is om nog grotere tekorten te boeken. Bovendien kunnen de andere landen ons niet verwijten dat we die hoge overheidsschuld niet aangepakt hebben in het verleden: België heeft de laatste 20 jaar een echte topprestatie afgeleverd wat betreft het verminderen van de overheidsschuld (en dat zeg ik niet alleen), dus als we nu even een free ride nemen om die inspanningen niet volledig teniet te doen, dan is dat niet zo onethisch.

Het betekent ook dat je andere resultaten zou krijgen indien de analyse van prof. Peersman toegepast wordt op de hele eurozone: mijn verwachting is dat de fiscal multiplier voor de eurozone wél positief zal zijn, wat trouwens de stelling van de Belgische free ride zou ondersteunen.

5. Als laatste punt iets wat ik volledig mis in het begrotingsdebat terwijl het de logica zelve zou moeten zijn: een discussie over de huidige begroting zou altijd moeten kaderen in een discussie  over de langetermijnimpact van, jawel, structurele hervormingen op de begroting. Wat dit betreft kunnen we nog iets leren van de begrotingsdiscussie in de VS. Het gaat in de VS heel vaak over de impact op lange termijn. Zo bijvoorbeeld wordt het begrotingsvoorstel van Paul Ryan, de Republikeinse kandidaat-vice-president, aangevallen omdat hij niet specifieert hoe hij op lange termijn zijn belastingsverminderingen zal financieren en hoe geprojecteerde inkomsten en uitgaven zullen evolueren. En met lange termijn wordt een horizon bedoeld die veel verder gaat dan 2020. De analyses gebeuren trouwens door de Congressional Budget Office (CBO), een gerespecteerde overheidsinstantie.

Het grote voordeel van deze langetermijndiscussies is dat structurele hervormingen dan sowieso veel meer gewicht krijgen en dat automatisch het begrotingssaldo van het huidige jaar minder belangrijk wordt. En terecht, omdat het begrotinssaldo van één bepaald jaar ook door toevalligheden wordt bepaald, die niet structureel zijn. Ik denk dat veel economen hiervoor pleiten. Dat is trouwens ook het uiteindelijke resultaat geweest van deze begrotingscontrole, maar wel met heel wat politiek gehakketak.

Mijn conclusie

Ja, in België moeten we besparen, ook al nemen we daardoor waarschijnlijk een free ride op de landen die niet besparen. Daarenboven moet er vooral bespaard worden op consumptie en niet op investeringen en moet tegelijk de nadruk liggen op structurele hervormingen, zoals de hervorming van het einde van de loopbaan, want daar doet België het veel slechter dan gemiddeld. Een discussie over de impact op veel langere termijn is daarvoor belangrijk.

En stop ook het alarmisme! Het is zo dat België het niet goed doet op sommige domeinen, zoals de arbeidsmarkt, maar daar wordt aan gewerkt (zowel met de latere pensioenleeftijd als de komende fiscale hervorming; toch een eis van zowat alle partijen).

En op tal van vlakken doet België het wél goed. Meer nog, we zijn een topland om in te wonen, zelfs Bart De Wever erkent dat.

De werkbonus: redder van de vergrijzing

In een discussie met Peter De Keyzer erkende deze laatste dat België de laatste 20 jaar een sterke prestatie had afgelegd wat betreft de vermindering van de overheidsschuld. Maar, zo stelde hij, toen was de situatie anders: er was geen vergrijzing, de belastingen konden nog naar omhoog en er was de rentebonus. Dat zijn 3 zaken, zo stelde hij volgens mij terecht, die nu niet meer het geval zijn. De rente staat al laag, belastingen zitten aan hun top en de vergrijzing is volop bezig.

Met de rentebonus wordt verwezen naar het feit dat België nu een pak minder rente moet betalen op de overheidsschuld in vergelijking met 20 jaar geleden. België zat 20 jaar geleden in slechte papieren: een torenhoge overheidsschuld tot 137% van het BBP en bijgevolg een gigantische rentelast die opliep tot bijna 11% van het BBP in 1992, zoals te zien op onderstaande figuur. Door de overheidsschuld af te bouwen en door de dalende rente werd de rentelast gradueel teruggebracht tot nu 3,6% van het BBP. De rentebonus is het gedeelte dat we nu minder moeten betalen dan toen, meer dan 7% dus. Omgerekend naar geld van vandaag is dat 26 miljard euro.

rentebonus

Bron: Ameco

Met andere woorden, doordat België het in 1992 zo slecht deed was er ruimte voor verbetering. Maar gezien ondertussen de overheidsschuld gestabiliseerd is en de rente fors gedaald, kan België niet meer rekenen op nog een keer een rentebonus. Peter De Keyzer heeft hierin dus gelijk.

Maar één ding verliest hij uit het oog: er is nog een domien waarop België het slecht doet, namelijk wat betreft de werkgelegenheidsgraad. Dat betekent dat er hier nog veel ruimte voor verbetering is. Men zou dus kunnen stellen dat als België het slim aanpakt, we in de toekomst kunnen profiteren van een grote werkbonus. Als we de werkbonus volledig zouden kunnen benutten, dan zal de vergrijzingskost lager uitvallen dan we nu denken. De vraag is: hoeveel lager.

De toekomstige vergrijzingskost wordt berekend door de Vergrijzingscommissie en de commissie gaat bij haar prognoses al uit van een hogere werkgelegenheidsgraad: zo zou de werkgelegenheidsgraad van de beroepsbevolking (15-64 jaar) volgens de commissie stijgen van 64% naar 68,5% in 2060. Zonder die stijging zou de extra vergrijzingskost nog hoger zijn.

De Vergrijzingscommissie krijgt bovendien het verwijt te optimistisch te zijn in haar voorspellingen. Maar ik denk dat de commissie wat betreft de werkgelegenheidsgraad te pessimistisch is. Of toch op zijn minst zeer pessimistisch wat betreft het potentieel van de toekomstige werkgelegenheidsgraad, en dus pessimistisch wat betreft het potentieel van de werkbonus.

Mijn argumentatie is eenvoudig: er zijn landen die nu al een werkgelegenheidsgraad halen die een pak hoger is dan de werkgelegenheidsgraad waarmee de Vergrijzingscommissie rekent voor België in 2060.

De figuur hieronder geeft de werkgelegenheidsgraad waarmee de Vergrijzingscommissie  rekent (aangeduid met BE VC 2001, BE VC 2011,…). De figuur toont eveneens de werkgelegenheidsgraad in 2011 van de 7 buur- en/of toplanden (groen – FR-NL-DL-UK-DK-ZW-FI) en nog eens van Nederland en Zweden apart (die extra goed presteren). Deze cijfers komen van de Oeso (op de figuur aangeduid met OECD). Hieruit blijkt dat de Vergrijzingscommissie verwacht dat de werkgelegenheidsgraad zal stijgen tot 68% in 2030-2060. Maar dat is een niveau dat al in 2011 gemiddeld overtroffen wordt in de 7 buur- en/of toplanden. Zweden bereikt nu al een activiteitsgraad van 74% en Nederland zelfs bijna 75%.

Ik zie geen enkele reden waarom België binnen 20 of 50 jaar geen activiteitsgraad zou kunnen bereiken als die van Nederland nu. Hier is de Vergrijzingscommissie volgens mij dus te pessimistisch.

werkbonus

Bron: Vergrijzingscommissie + Oeso

Indien België in 2060 de werkgelegenheidsgraad haalt die Nederland in 2011 bereikt, dan is dat een stijging met 6,4 procentpunt bovenop de cijfers van de Vergrijzingscommissie. En misschien zelfs een stijging van 8,5 procentpunt, omdat de cijfers van de Vergrijzingscommissie voor 2011 hoger liggen dan de cijfers van de Oeso (zie figuur: verschil van 2,1% – ik ken de reden niet).

Stel dat België er in slaagt om deze werkbonus van 6,4 tot 8,5 procentpunt effectief te benutten tegen 2060: wat betekent dit dan voor de vergrijzingskost? Prof Gert Peersman en prof Koen Schoors schatten de totale vergrijzingskost op ongeveer 10% van het BBP (in 2060). Ze hebben ook geschat dat de vergrijzingskost met 0,75% van het BBP daalt indien de werkgelegenheidsgraad verhoogt met 1 procentpunt.  Dat betekent dat het volledig benutten van de werkbonus een extra vermindering oplevert van de vergrijzingskost van 4,8% tot 6,4% van het BBP. Met andere woorden, de helft tot twee derde van de geschatte vergrijzingskost kan vermeden worden indien we in 2060 dezelfde werkgelegenheidsgraad hebben als Nederland in 2011 had.

Hier zijn (op zijn minst) twee kanttekeningen nodig.

Enerzijds betreft de werkgelegenheidsgraad in Nederland niet allemaal voltijdse banen:  velen, vooral vrouwen, werken deeltijds en voor de berekening van de werkgelegenheidsgraad wordt geen onderscheid gemaakt tussen deel- en voltijds werkenden. Deeltijds werkenden brengen echter minder op, omdat ze minder belastingen betalen. De verhoging van de werkgelegenheidsgraad door meer deeltijds werkenden zal nog steeds een vermindering van de vergrijzingskost opleveren, maar wel een vermindering die lager is dan de geschatte 0,75 % van het BBP.

Anderzijds wordt als benchmark de Nederlandse werkgelegenheidsgraad in 2011 genomen om de Belgische werkbonus te berekenen in 2060. De  Nederlandse werkgelegenheidsgraad zal waarschijnlijk in de toekomst nog stijgen omdat ook zij extra maatregelen nemen om hun vergrijzingskost beheersbaar te houden. De werkgelegenheidsgraad van 75% die Nederland nu haalt hoeft dus geen bovengrens te zijn en de werkbonus voor België kan bijgevolg nóg hoger zijn.

De Belgische werkbonus kan dus heel wat opleveren. Maar daar zal ongetwijfeld ook ander beleid voor gevoerd moeten worden, zoals de recente maatregel om de leeftijd waarop men vervroegd met pensioen kan gaan gradueel te verhogen tot 62 jaar. En, tenminste aan Vlaamse kant, bestaat er bij alle partijen de wil om verder te gaan met de pensioenhervorming.

Minstens even belangrijk lijkt me de loonvorming die nu nog veel te veel gebeurt op basis van anciënniteit, in plaats van op basis van productiviteit. Door de anciënniteitsregel prijst de oudere werknemer zich uit de markt. En het is net wat betreft het einde van de loopbaan dat België veel slechter presteert. De loonvorming op basis van anciënniteit kan wel eens een veel grotere handicap zijn om de vergrijzingskost beheersbaar te houden dan de algemene loonkost (blogpost volgt).

We kunnen dan misschien geen rentebonus meer opstrijken, maar zonder twijfel wel een werkbonus. Nu daar nog een catchy slogan voor bedenken en de voorbereiding van de campagne voor 2014 is al voor de helft gedaan.

De vreemde dynamiek van de overheidsschuld

De overheidsschuld staat vaak centraal in discussies over het beleid van de overheid. Dat zal met de komende begrotingsbesprekingen niet anders zijn. Een goed begrip van de overheidsschuld is dan ook belangrijk en dat is sinds de financiële crisis en de vergrijzing alleen maar toegenomen.

De evolutie en het niveau van de overheidsschuld wordt vaak aangegrepen om de gezondheid en draagkracht van de overheidsfinanciën te illustreren. Een te hoge overheidsschuld kan leiden tot een ineenstorting van de welvaartstaat. Een stijgende overheidsschuld wordt dan ook vaak negatief bekeken.

De Europese Commissie heeft sinds de eurocrisis heel wat bevoegdheden gekregen om de landen van de eurozone te bestraffen indien ze een te groot overheidstekort hebben: landen mogen in principe geen hoger begrotingstekort hebben dan 3% en dat zal in de toekomst nog aangescherpt worden. Dat moet de overheidsschuld in de eurozone stabiliseren.

In een eerdere blogpost heb ik al de impact van de inflatie op de overheidsschuld bekeken. In deze blogpost zal ik een vreemde eigenschap van de overheidsschuld illustreren, namelijk dat een zelfde begrotingstekort kan leiden tot zowel een stijging als tot een daling van de overheidsschuld, afhankelijk van de startpositie.

Om dit te illustreren simuleer ik de 20-jarige evolutie van de overheidsschuld van twee fictieve landen die schijnbaar gelijke prestaties afleggen, echter enkel verschillen wat betreft de initiële overheidsschuld (of beter: schuldratio).

Beide landen hebben gedurende 20 jaar:

  • een reële groei van 2% per jaar
  • een inflatie van 2% per jaar
  • een begrotingssaldo van -2% jaar (een begrotingstekort)
  • een jaarlijkse interest van 4% per jaar op hun uitstaande overheidsschuld

Het eerste land heeft een initiële schuldratio van 100%; het tweede land een initiële schuldratio van 20%.

De  onderstaande figuur geeft de evolutie van de schuldratio van de twee landen voor de komende 20 jaar . En deze evolutie is opmerkelijk: beide lande presteren economisch op het eerste gezicht perfect gelijk, maar de schuldratio daalt in het land met hoge schulden van 100% naar 74% en stijgt in het land met lage schulden van 20% naar 37%. Formeel kan aangetoond worden dat de schuldratio voor beide landen asymptotisch zal evolueren naar 52% (zie onderaan deze blogpost voor een formele afleiding).

evolutieSR

Bron: eigen simulatie (xls)

Het land met hoge schulden lijkt het dus veel gemakkelijker te hebben om de schuldratio af te bouwen dan het land met lage schulden. Dat lijkt niet logisch.

En dat is ook niet het geval. Wat hier beschouwd werd was het uiteindelijke begrotingstekort, dat 2% verondersteld werd. Het begrotingstekort is inclusief de interest die het land moet betalen op zijn uitstaande overheidsschuld. Met de veronderstelling dat de interest op de schuld 4% per jaar is, moet het land met een initiële schuldratio van 100% het eerste jaar 4% van het BBP gebruiken om de interest te betalen; het land met 20% overheidschuld moet maar 0.8% van het BBP aan intrest betalen. De betalingen van interest op overheidsschuld is een last uit het verleden dat niet onmiddellijk iets te maken heeft met de prestaties in het huidige jaar.

Om de prestaties te kunnen beoordelen voor het huidige jaar, moet er gekeken worden naar het  begrotingstekort exclusief de interestbetalingen, het zogenaamde primair saldo (of primary surplus). Het primair saldo is in het eerste jaar +2% voor het land met hoge schulden en -1,2% voor het land met lage schulden. Het land met hoge schulden doet het dus eigenlijk een pak beter dan het land met lage schulden, alleen is dit niet te zien in het begrotingstekort, maar enkel in het primair saldo. En dat betere primair saldo is de verklaring dat de schuldratio daalt voor het land met hoge schulden en stijgt voor het land met lage schulden (evenals het effect van de nominale groei).

Naarmate de jaren verstrijken en gezien in deze simulatie het begrotingssaldo constant wordt gehouden op -2%, zal het primair saldo afnemen voor het land met hoge schulden, maar het blijft in deze simulatie positief. Voor het land met lage schulden verbetert het primair saldo maar blijft het negatief, zoals te zien op de onderstaande figuur.

evolutiePS

Bron: eigen simulatie (xls)

Het bovenstaande is theorie, maar kan ook in de praktijk waargenomen worden. Hieronder de grafiek met de evolutie van de laatste 21 jaar van het begrotingstekort van België en het gemiddelde begrotingsterkort van zeven buur- en/of toplanden (zijnde Nederland, Frankrijk, Duitsland, UK, Denemarken, Finland en Zweden). België wordt voorgesteld door de zwarte lijn, het gemiddelde van de 7 landen door de rode lijn. De groene balkjes op de figuur geeft het verschil tussen België en het gemiddelde van de 7 landen. Hieruit blijkt dat het begrotingstekort van België gemiddeld -2,6% was; dat van de 7 buur- en/of toplanden was gemiddeld -2%; België presteert dus iets slechter dan het gemiddelde van de 7 landen.

begrotingstekort21jr

Bron: Ameco

Echter, als er gekeken wordt naar de evolutie van de schuldratio over dezelfde periode voor dezelfde landen, dan blijkt de schuldratio van België steeds veel hoger te zijn dan het gemiddelde van de 7 landen, maar de Belgische schuldratio is wel fors afgenomen (met bijna 29 procentpunt) terwijl die van de 7 landen gemiddeld is toegenomen (met 16 procentpunt): België presteerde de laatste 21 jaar dus 45 procentpunt beter wat betreft de vermindering van de schuldratio, ondanks een slechtere prestatie wat betreft het begrotingstekort.

overheidsschuld21jr

Bron: Ameco

Dat is echter niet zo vreemd, zoals hierboven geïllustreerd door de simulatie, als er gekeken wordt naar de evolutie van het primair saldo, het begrotingssaldo zonder intrestbetalingen op de overheidsschuld.  De onderstaande grafiek geeft deze evolutie voor dezelfde landen en dezelfde periode. Het gemiddelde primair saldo voor België is +3,6%; dat van de 7 landen slechts +1%.

[noot in de marge: de groene balkjes geven het verschil van het Belgisch primair saldo met het gemiddelde primair saldo van de 7 buur- en/of toplanden; dat 7-landen-gemiddelde dient als benchmark. Twee opmerkelijke zaken: (1) België heeft gedurende 20 van de 21 jaar een primair saldo dat hoger ligt dan het gemiddelde van de 7 buur- en/of toplanden; (2) tijdens de periode 2001-2004 (grosso modo Verhofstadt I) kent België een hoger primair saldo in vergelijking met de 7 buur- en/of toplanden dan de periode 1996-1999 (grosso modo Dehaene II)]

primairsaldo21jr

Bron: Ameco

Op basis van het bovenstaande is het begrotingstekort niet de goede maatstaf om prestaties van  landen te willen beoordelen. Daarvoor zou men beter kijken naar het primair saldo of, nog beter, gewoon naar het niveau en de evolutie van de schuldratio.

Als we de schuldratio beschouwen, dan blijkt België de laatste 21 jaar een topprestatie te hebben afgeleverd, indien België vergeleken wordt met het gemiddelde van de genoemde buur- en/of toplanden.

 

———————————

Formele afleiding – de vreemde dynamiek van de schuldratio

Totale economische activiteit : GDP in euro
Totale overheidsschuld: D in euro
Schuldratio: schuld in % van GDP: SR = D/GDP (in % van GDP)

Jaarlijkse reële groei (in % per jaar): r
Jaarlijkse inflatievoet (in % per jaar): i
Jaarlijkse begrotingstekort (in % van GDP): d

Referentiejaar 0

Stel op referentiejaar 0 is
Totale economische activiteit  = GDP0
Totale overheidsschuld (D) in euro = D0
=> schuldratio (SR) in referentiejaar 0 = SR0 = D0 / GDP0

Jaar 1

GDP1 = GDP0 + (i+r) * GDP0 = (1+i+r) * GDP0
D1 = D0 + d * GDP1

Jaar 2

GDP2 = (1+i+r) * GDP1 = (1+i+r) * (1+i+r) * GDP0 =  (1+i+r)2 * GDP0
D2 = D1 + d * GDP2 = D0 + d * GDP1 + d * GDP2 = D0 + d * [GDP1 + GDP2]

Jaar n

GDPn = (1+i+r)n * GDP0
Dn = D0 + d * [GDP1 + GDP2 + … + GDPn] = D0 + d * Σ GDPj     met j = 1 tot n

=> Dn = D0 + d * GDP0* Σ (1+i+r)j     met j = 1 tot n

Gegeven dat:

Dus

Dus

Als n ->  dan vallen eerste twee termen weg (als i+ r > 0).

Dus SR evolueert op termijn naar

Dus als SR <  dan zal de SR verminderen, ook al is er een begrotingstekort (d>0).

Als SR >  dan zal de SR vermeerderen, ook al is het begrotingstekort en de nominale groei (i+r) hetzelfde.