De Belgische overheid geanalyseerd: de Gezondheidszorg

Dit is deel 3 in een reeks van vier.

De verkiezingen van mei 2019 komen eraan. Dat betekent ook weer allerlei discussies over de Belgische overheidsuitgaven. De oproep om te besparen is dan nooit ver weg. In deze reeks tracht ik duidelijk te maken binnen welk kader besparingen al dan niet zouden kunnen plaatsvinden. . Om goed te kunnen vergelijken, worden de Belgische uitgaven vergeleken met 7 andere Europese landen: de vier buurlanden Frankrijk, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, en drie landen uit het noorden, zijnde Denemarken, Zweden en Finland.

De tweede belangrijkste uitgavenpost van de overheid is de gezondheidszorg (na de uitgaven aan sociale bescherming). Ook in dit domein is het belangrijk om zowel de overheidsuitgaven als de privé-uitgaven te bekijken. Gezondheidszorg is, samen met sociale bescherming, namelijk een domein waar solidariteit doorgaans erg belangrijk wordt geacht. Iedereen moet dezelfde, hoogstaande medische zorg kunnen krijgen, ongeacht zijn of haar inkomen. Als de overheidsuitgaven in een bepaald land met een goede gezondheidszorg veel lager zouden zijn dan in België, dan is het verleidelijk om te stellen dat er in België nog een groot besparingspotentieel is. Maar wat als de lage overheidsuitgaven in dat land enkel mogelijk zijn, omdat de burger er veel uit eigen zak moet betalen, waardoor de toegankelijkheid voor mensen met een laag inkomen in het gedrang komt?

De onderstaande grafiek geeft dan ook de totale gezondheidsuitgaven in 2017, onderverdeeld in de publieke uitgaven door de overheid enerzijds, en wat de burger vrijwillig uitgeeft aan bijkomende zorgverzekering en wat niet terugbetaald wordt anderzijds. België zit met 10 procent van het BBP aan gezondheidszorg opnieuw in de middengroep, samen met Nederland en Denemarken. Zweden, Duitsland en Frankrijk geven (ruim) 1 procent van het BBP meer uit aan gezondheidszorg. Die meeruitgaven komen van de overheid en niet van de burger. Indien de Belgische overheidsuitgaven op hetzelfde niveau zouden zitten als in Duitsland, zou de Belgische overheid 7,6 miljard euro meer uitgeven aan gezondheidszorg.

Het persoonlijk aandeel, namelijk wat de Belgisch burger rechtstreeks betaalt, is ongeveer 21 procent van de totale uitgaven, tegenover 79 procent dat de overheid financiert. Behalve in Finland en het VK, ligt het persoonlijke aandeel in België hoger dan in de andere landen. Let wel, op basis van deze statistieken kan je niet met zekerheid concluderen dat het persoonlijke aandeel in België te hoog is. Het is namelijk ook belangrijk wélk aandeel patiënten zelf moeten betalen. Als het over levensbedreigende aspecten gaat, dan is dat niet aangewezen. Gaat het echter om minder levensnoodzakelijk zaken, zoals bijvoorbeeld plastische chirurgie of de voorkeur voor een eenpersoonskamer, dan is het misschien net wél een goede zaak dat dit zelf wordt gefinancierd in plaats van via een solidariteitsmechanisme.

Net zoals bij de pensioenuitgaven, mag ook in de gezondheidszorg verwacht worden dat de overheidsuitgaven de komende decennia zullen stijgen; de Vergrijzingscommissie schat een toename van 1,5 procent van het BBP tegen 2030.

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, komt dit niet zozeer door de vergrijzing, maar veeleer door de technologische innovatie. Meer en betere geneesmiddelen en medische technieken zullen ervoor zorgen dat we in de toekomst nog meer mensen en aandoeningen zullen kunnen behandelen. Er wordt verwacht dat het feit dat mensen ouder worden een veel minder sterke factor is in de stijging van de overheidsuitgaven in de gezondheidszorg. Het is wel zo dat ouderen meer zorgkosten hebben, maar dat is vooral op het einde van het leven, ongeacht of je nu sterft op 75 of 85 jaar. Wat betreft de chronische aandoeningen zal de vergrijzing wellicht wel voor een toename zorgen.

De verwachting van stijgende uitgaven in de gezondheidszorg is dan goed nieuws. Het wijst erop dat we steeds meer mensen beter kunnen helpen. Dat zijn onmiskenbaar baten en die zullen de kosten zonder twijfel ruimschoots overtreffen.

Efficiënte gezondheidszorg

Toch weerklinkt vaak de roep dat er bijkomende efficiëntiewinsten mogelijk zijn in de gezondheidszorg. De vraag is hoe die kunnen gedetecteerd worden. Bovendien is het moeilijk hard te maken dat het efficiëntievraagstuk aan de oorzaak ligt van stijgende gezondheidsuitgaven. Dat zou dan moeten betekenen dat de efficiëntie achteruit gaat. Daar zijn echter geen aanwijzingen voor.

Het meten van prestaties in de gezondheidszorg is overigens niet zo eenvoudig. Het gaat immers niet enkel over kwaliteit, maar ook over toegankelijkheid. Een democratische maatschappij zal een systeem verkiezen dat voor iedereen goede, maar geen topkwaliteit levert tegenover een systeem dat wel topkwaliteit aflevert, maar enkel voor de rijken.

De Euro Health Consumer Index kan beschouwd worden als een index die zo goed mogelijk de kwaliteit probeert te meten vanuit het standpunt van de consument. De index bestaat al meer dan 10 jaar. Ook de Belgische gezondheidszorg wordt gemeten en heeft tegenover 2009 een sterke verbetering doorgemaakt. De onderstaande grafiek geeft voor de 8 beschouwde landen de indexwaarde. Het maximum dat kan behaald worden is 1000. In 2018 zijn een aantal criteria strenger geworden.

Health Consumer Powerhouse, de Zweedse denktank die de index ontwikkelde, beschouwt een land als zeer goed wanneer het meer dan 800 punten scoort. Alle beschouwde landen, behalve Duitsland en zeker het VK, zitten in 2018 op of boven dat niveau. België scoort met 849 punten meer dan behoorlijk. Enkel Nederland doet het duidelijk nog beter. België doet het dus zeer goed, maar kan nog beter. Zo is er het geneesmiddelengebruik dat, zonder duidelijke medische reden, gevoelig hoger ligt dan elders.

Geestelijke gezondheidszorg

Een andere belangrijk pijnpunt is de geestelijke gezondheidszorg. Van de acht beschouwde landen heeft België de hoogste graad zelfdodingen. Eén op zes Belgen heeft een probleem met de geestelijke gezondheidszorg. Die ondermaatse geestelijke gezondheidszorg heeft een grote impact, menselijk en economisch. De Oeso schat dat depressies, angststoornissen en andere geestelijke aandoeningen in België een kost veroorzaken van 5,1 procent van het BBP. Dat is 23 miljard euro.

Nochtans is daar meer en meer iets aan te doen. De voorbije decennia is er een enorme wetenschappelijke vooruitgang in de geestelijke gezondheidszorg. Veel beter dan vroeger weet men nu welke therapieën werken en welke niet. Zo is Finland er bijvoorbeeld in geslaagd om het erg hoge aantal zelfdodingen in de jaren ’90 zowat te halveren.

De financiering van de geestelijke gezondheidszorg is erg versnipperd in België. Erg goed weten we het niet, maar op basis van oudere cijfers wordt het aandeel geschat op 6 procent van de totale uitgaven aan gezondheidszorg, wat neerkomt op 0.6 procent van het BBP. Dat is minder dan 3 miljard euro.

In België worden die schaarse middelen bovendien bovenmatig gespendeerd aan psychiatrische bedden en minder aan de eerstelijnszorg van de geestelijke gezondheidszorg. Langdurige opnames zijn erg duur, terwijl de wachtlijsten voor therapeuten lang zijn. Deze mismatch zorgt voor menselijke drama’s en hoge maatschappelijke kosten. Om hieraan tegemoet te komen heeft de wetgever via het zogenaamde ‘artikel 107’ van de ziekenhuiswet toegelaten om middelen van psychiatrische bedden in te zetten voor innovatieve diensten, door bijvoorbeeld geestelijke gezondheidszorg thuis aan te bieden. Maar zoals De Morgen hierover eerder al berichtte, is die verschuiving nog zeer beperkt en blijft dat in handen van de psychiatrische ziekenhuizen.

Meer middelen naar de geestelijke gezondheidszorg en een shift naar de eerstelijnszorg zijn dan ook belangrijke maatregelen voor de toekomst. Dat zal de overheidsuitgaven wellicht doen stijgen, maar het zal zichzelf terugbetalen in termen van welvaart en welzijn.

In DeMorgen verscheen er een redactioneel stuk op basis van deze analyse.

De Belgische overheid geanalyseerd: Sociale Zekerheid

Dit is deel 2 in een reeks van vier.

De verkiezingen van mei 2019 komen eraan. Dat betekent ook weer allerlei discussies over de Belgische overheidsuitgaven. De oproep om te besparen is dan nooit ver weg. In deze reeks tracht ik duidelijk te maken binnen welk kader besparingen al dan niet zouden kunnen plaatsvinden. . Om goed te kunnen vergelijken, worden de Belgische uitgaven vergeleken met 7 andere Europese landen: de vier buurlanden Frankrijk, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, en drie landen uit het noorden, zijnde Denemarken, Zweden en Finland.

De uitgaven voor sociale bescherming zijn veruit de grootste uitgavenpost van een overheid. Dat geldt niet enkel voor België maar voor nagenoeg alle ontwikkelde landen. Sociale bescherming behelst dan ook belangrijke elementen an de sociale zekerheid, zoals pensioenen, werkloosheid, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag. De gezondheidszorg valt daar volgens de rekeningen van Eurostat en de Oeso buiten en wordt in een volgend deel behandeld.

In de periode 2001 tot 2015 stegen de bruto overheidsuitgaven voor sociale bescherming in België met 3,7 procent van het BBP. Vooral na de financiële crisis stegen deze uitgaven in termen van het BBP fors: tussen 2007 en 2009 was de stijging 2,6 procent van het BBP. Dat is te verklaren doordat de sociale uitgaven eerder stijgen als de economie erop achteruit gaat. Dat is ook te zien in andere landen. Na een crisis zou je verwachten dat deze uitgaven terug dalen, maar dat is niet gebeurd in België en de meeste andere landen. De economie bleef immers slabakken. Enkel Duitsland en Zweden, en later het VK, zijn er in geslaagd om tegen 2015 de sociale uitgaven terug op hetzelfde niveau te krijgen als vóór de crisis.

De bijgaande figuur geeft de bruto sociale overheidsuitgaven in 2015, opgedeeld in een aantal subcategorieën. België zit met 21 procent sociale uitgaven in de middenmoot, net tussen Zweden en Denemarken in. Frankrijk en zeker Finland staan bovenaan. Uit de gegevens blijkt dat de pensioenen veruit de grootste uitgavenpost zijn. Overheden geven hieraan vaak 10 procent van het BBP of meer, behalve het VK en Nederland. De andere subcategorieën betreffen de uitgaven voor werkloosheid en arbeidsmarktbeleid, ziekte en invaliditeitsuitkeringen, en kinderbijslag, die echter een pak lager liggen.

Overheid en privésector

Wat opvalt zijn de lage overheidsuitgaven die de Nederlandse overheid geeft aan sociale bescherming: in 2015 was dat goed voor 15 procent van het BBP, ruim 6 procent minder dan België. Maar dat is in grote mate te verklaren door een grondig andere organisatie van het systeem, waarbij de privésector een veel belangrijkere rol inneemt. Zo moet de Nederlandse werknemer verplicht een bedrag betalen aan privé-pensioenverzekeraars, bovenop de verplichte bijdragen aan de overheid. Er wordt ook nog een flink bedrag vrijwillig opgelegd.

Ook daarover heeft de Oeso een aantal cijfers verzameld. De onderstaande figuur geeft de totale bruto uitgaven aan sociale bescherming in 2015, dus zowel door de overheid als door de privésector. Onmiddellijk valt op dat de privésector in het VK en Nederland een groot aandeel heeft in de sociale uitgaven. In Nederland was dit goed voor bijna 7 procent van het BBP, waarvan het grootste deel voor pensioenen. Nederland geeft dan in totaal 22 procent aan sociale bescherming, tegenover de 22,7 procent in België. De uitgavenkloof tussen Nederland en België daalt zo van 6 naar 0,7 procent van het BP.

Als de totale sociale uitgaven bekeken worden, zakt België bovendien een plaatsje naar beneden, omdat ook Zweden een relatief groot aandeel van de sociale bescherming via de privésector laat gebeuren. Ook in Zweden betreft dit vooral de pensioenen.

 

Stijgende pensioenuitgaven

De totale pensioenuitgaven in België zitten in de middenmoot in deze selectie van landen. Hierop besparen is dan wellicht niet makkelijk. Bovendien is de vergrijzingsgolf nog in volle gang en zal deze nog tot 2040 in kracht toenemen. De Vergrijzingscommissie verwacht dat de pensioenuitgaven door de overheid al in 2025 met bijna 1 procent van het BBP zullen stijgen. Tegen 2040 komt er dan nog eens ruim 1 procent van het BBP bij. En in deze cijfers zitten de verhogingen van de pensioenleeftijd tot 67 jaar reed ingecalculeerd. Zonder die verhogingen zullen de overheidsuitgaven nóg 1 procent van het BBP hoger uitvallen. De toekomstige pensioenuitgaven door de overheid zullen de komende jaren dus blijven stijgen. Enkel als de overheid elders bespaart op haar uitgaven, zullen de totale overheidsuitgaven blijven stijgen.

De vraag is of er in de sociale bescherming op de andere, weliswaar kleinere posten kan bespaard worden. Er zijn de uitgavenposten van ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, kinderbijslag, werkloosheiduitkeringen en wonen. Maar ook op die posten zit België nooit vooraan in het peloton van de overheidsuitgaven. Dat betekent niet dat er geen besparingen mogelijk zijn. Zo verwacht de vergrijzingscommissie een daling in de werkloosheidsuitgaven, en zijn de uitgaven in de ziekte en invaliditeit aan de hoge kant. Maar die posten zijn waarschijnlijk te klein om de stijgende pensioenuitgaven te kunnen compenseren. En het is in ieder geval niet zo dat de Belgische overheden veel meer uitgeven dan de andere beschouwde landen.

Hoe effectief is de sociale bescherming?

De volgende figuur geeft de evolutie van de armoedegraad in België, opgedeeld volgens drie leeftijdscategorieën. Hieruit blijkt dat de armoede bij de 65-plussers gedaald is. In 2006 bevond zich nog meer dan 16 procent van de 65-plussers in armoede. Tien jaar later is dat gezakt tot 8,2 procent. Ik heb dit voorgelegd aan Wim Van Lancker (KULeuven) en hij zoekt de verklaring in grote mate bij de tweeverdieners. De gepensioneerden zitten meer en meer in gezinnen waar twee mensen gewerkt hebben en die dus beide pensioenen kunnen combineren, waardoor hun gezamenlijk inkomen hen -meer dan vroeger- boven de armoedegrens tilt. Daarbovenop zijn er ook de maatregelen uit het Generatiepact van 2006 die vooral de laagste pensioenen verhoogd hebben.

Die gunstige evolutie wat armoede betreft is echter niet te zien bij kinderen en jongeren tot 26 jaar, noch bij de middengroep tussen 26 en 65 jaar. De kinder- en jongerenarmoede is in België tijdens dezelfde periode gestegen van iets minder dan 10 procent in 2004 naar iets boven 12 procent in 2016. De armoede bij kinderen jongeren dan 18 jaar ligt zelfs nog iets hoger. En dat ondanks alle politieke beloften van de laatste tien jaar om de kinderarmoede fors te verminderen. Het is niet zo dat België hiermee extreem slecht scoort. Ook onze buurlanden hebben gelijkaardige cijfers voor kinderarmoede. Enkel Denemarken en Finland scoren echt goed wat betreft kinderarmoede met percentages lager dan 5 procent.

Opvallend in de huidige verkiezingscampagne is wel dat verschillende politieke partijen de focus leggen op het verhogen van de laagste pensioenen, terwijl er nauwelijks aandacht gaat naar de gestegen kinderarmoede. Op basis van deze cijfers zou dat net omgekeerd moeten zijn: de prioriteit moet gaan naar kinderarmoede. Dat hoeft niet noodzakelijk veel te kosten: een meer op kinderarmoede gerichte besteding van de kinderbijslag, ruim 9 miljard euro per jaar, zou al heel wat kunnen doen om deze onrechtvaardige situatie te verbeteren.

De Morgen schreef een redactioneel stuk op basis van bovenstaande analyse.

De Belgische overheid geanalyseerd: Economische Zaken

Dit is deel 1 in een reeks van vier.

De verkiezingen van mei 2019 komen eraan. Dat betekent ook weer allerlei discussies over de Belgische overheidsuitgaven. De oproep om te besparen is dan nooit ver weg. In deze reeks tracht ik duidelijk te maken binnen welk kader besparingen al dan niet zouden kunnen plaatsvinden. . Om goed te kunnen vergelijken, worden de Belgische uitgaven vergeleken met 7 andere Europese landen: de vier buurlanden Frankrijk, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, en drie landen uit het noorden, zijnde Denemarken, Zweden en Finland.

De eerste grote uitgavenpost die geanalyseerd wordt is Economische Zaken. In 2017 was deze post goed voor 6,3 procent van het BBP. En in tegenstelling tot de andere uitgavenposten is België wat betreft Economische Zaken wél duidelijk een buitenbeentje.

In geen enkel van de beschouwde landen geeft de overheid hier zoveel uit als België. Bovendien is dat niet altijd het geval geweest, zoals de onderstaande grafiek toont. In 2001 waren de Belgische overheidsuitgaven met 4,6 procent van het BBP weliswaar al relatief hoog, maar ook Duitsland, Finland en Frankrijk hadden gelijkaardige uitgaven. En Nederland was toen koploper met 5,1 procent van het BBP.

De voorbije jaren zijn deze overheidsuitgaven in België fors gestegen, tot 6,3 procent van het BBP in 2017. Frankrijk kende een gelijkaardige stijging, tot iets onder 6 procent. Daarna volgt er een kloof met het eerstvolgende land. Duitsland en Nederland zitten ruim onder de 4 procent. Dat is een verschil met België van 2 tot 3 procent van het BBP of omgerekend naar de Belgische economie een verschil van 9 tot 13 miljard euro. Dat zijn enorme bedragen.

 

Openbaar Vervoer

De onderstaande figuur geeft een opdeling van de overheidsuitgaven in subcategorieën. Voor bijna alle landen zijn de uitgaven aan transport, vooral openbaar vervoer, het grootste gedeelte van de uitgaven aan Economische Zaken. De Belgische overheden speneren 2,4 procent van het BBP, waardoor het enkel Zweden moet laten voorgaan.

Er zijn bij de Oeso maar beperkte cijfers beschikbaar over de verdeling van deze uitgaven tussen wegenverkeer en openbaar vervoer. Op basis van wat ik gevonden heb, blijkt dat België weinig aan wegeninfrastructuur uitgeeft: onderhoud en investeringen zouden slechts 0.3 procent van het BBP bedragen, terwijl dat in de vijf andere landen waarvoor er gegevens zijn minstens 0.5 procent van het BBP is. Dat is opvallend. Er zou dan in België een pak meer middelen naar openbaar vervoer moeten gaan dan in andere landen. Als deze cijfers kloppen is het dan ook moeilijk om hard te maken dat het openbaar vervoer te weinig middelen zou krijgen.

In Nederland zijn de overheidsuitgaven aan vervoer overigens met 0.4 procent van het BBP gedaald tegenover 2001.

Subsidies

Maar het meest opvallende zijn de Belgische overheidsuitgaven aan algemene economische zaken. België spendeert hieraan 3,2 procent van het BBP, bijna het dubbele van het tweede land in het rijtje. Het is vooral ook hierdoor dat de overheidsuitgaven aan economische zaken zo sterk gestegen zijn: in 2001 was deze subcategorie nog goed voor 1,6 procent van het BBP. In 2017 is dat verdubbeld naar 3,2 procent.

Het is niet zo moeilijk om na te gaan wat er achter deze stijging zit. Het zijn vooral de subsidies die sterk gestegen zijn. Dat is een politiek die gestart is onder de tweede regering van Verhofstadt.

Dat is ook te zien op onderstaande figuur. Deze gegevens komen van Ameco, een databank van de Europese commissie. Deze figuur toont duidelijk de start van de stijging in 2005 en die bleef doorlopen tot 2011 om dan rond de 3,5 procent te blijven hangen. Ook in Frankrijk stegen de subsidies, echter pas in 2013, en tot een minder hoog niveau. Bovendien wordt verwacht dat de subsidies in 2020 sterk gaan dalen.

Als men op de overheidsuitgaven wil besparen dan zijn de erg hoge overheidssubsidies een goede kandidaat. Door een halvering van de overheidssubsidies zal de overheid makkelijk 1,75 procent van het BBP -dat is bijna 8 miljard euro- kunnen besparen en dan zitten we nog in de kopgroep van landen met de hoogste subsidies.

Op die manier kan het begrotingstekort, dat voor 2019 geschat wordt op ongeveer 8 miljard euro, makkelijk gedicht worden, zou je denken. Het probleem is echter dat het grootste deel van de stijgende subsidies gerichte belastingkortingen aan bedrijven betreft, vaak onder de vorm van loonsubsidies. Die gerichte belastingkortingen moeten wel degelijk als overheidsuitgaven geboekt worden, omdat de overheid hiermee beleid voert en tussenkomt in het economische proces.

Als je die gerichte belastingkortingen zou afschaffen, dan komt dat neer op een belastingverhoging. Terwijl die belastingkortingen net gegeven zijn om de hoge belastingen op onder meer arbeid te verlichten.

Bovendien zijn de loonsubsidies niet zelden uit sociale overwegingen beslist. Uit cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven blijkt dat ploegen- en nachtarbeid en overuren in 2017 in totaal voor 1,6 miljard euro loonsubsidies kregen (dus een gerichte belastingkorting). De dienstencheques werden voor 1,7 miljard euro gesubsidieerd. Verder gaat er nog een klein miljard naar de sociale Maribel om tewerkstelling in voornamelijk de non-profitsector te stimuleren en gaat er telkens ongeveer een half miljard naar onderzoek en ontwikkeling en naar de beschutte werkplaatsen. Die vijf domeinen zijn samen al goed voor ruim 5 miljard aan loonsubsidies, of ongeveer 1,2 procent van het BBP. In totaal worden 9 miljard euro subsidies gegeven. Bovenop deze loonsubsidies worden ook kortingen op de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid toegekend, ook goed voor ongeveer 5 miljard euro in 2017, maar meer details hierover heb ik niet gevonden.

Deze gerichte loonsubsidies en andere belastingkortingen gebeuren in andere landen veel minder. Er is dan ook heel wat te zeggen om ze af te schaffen en te vervangen door een algemene lastenverlaging. Maar dat kan enkel geleidelijk gebeuren, omdat een groot stuk van de Belgische economie zich heeft aangepast aan die subsidies. Indien deze gerichte belastingkortingen drastisch en snel verminderd worden, dan kan dit heel wat banenverlies veroorzaken, ook in de non-profitsector en de sector van de dienstencheques.

Een verlaging van de overheidssubsidies zou dus enkel geleidelijk kunnen gebeuren, via een soort van budgetneutrale taxshift, wellicht het best gericht op de lage inkomsten. Zo zou de werkbonus, om werken voor lagere inkomens aantrekkelijk te kunnen maken, kunnen uitgebreid worden door het minder snel af te bouwen. Een bedrag van 1 à 2 miljard euro zou daarvoor wellicht kunnen volstaan.

Als de overheidssubsidies tot het niveau van Nederland gebracht wordt, dan zal dit leiden tot een daling van de overheidsuitgaven leiden met 1 à 2 procent van het BBP, wat enorm is. Het begrotingstekort zal echter nog steeds even groot zijn. De overheid zal immers wel bespaard hebben, maar zal eveneens minder inkomsten gekregen hebben.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk bij De Morgen, samen met een redactioneel stuk.

Drie “waarheden” over het paars begrotingsparcours nader bekeken

De voorbije week was er weer wat commotie rond de sale-and-lease-back-operaties van de paarse regeringen (1999-2007). Bij die operaties werden overheidsgebouwen verkocht en onmiddellijk terug gehuurd.

Dat was genoeg om op Twitter opnieuw een debat te laten losbarsten over het paarse begrotingsbeleid tussen 1999 en 2007.

Mijn stelling is dat het paarse begrotingsbeleid goed tot zeer goed was. Het was ook niet perfect, meer bepaald op het einde van de paarse regeerperiode. Ik schreef er ook een opiniestuk over voor De Morgen.

Om mijn stelling te onderbouwen lijst ik hieronder mijn argumenten nog eens op. Ik doe dat aan de hand van cijfers die ik van Ameco haal, de databank van de Europese Commissie.

Deze blogpost is als volgt opgedeeld. Ik geef eerst wat cijfers die de schuldreductie onder paars weergeven. Vervolgens geef ik data die volgens mij drie zogenaamde “waarheden” moet ontkrachten of nuanceren die vaak over het paarse begrotingsbeleid gezegd worden, met name

  1. de impact van eenmalige maatregelen (zoals sale-and-lease-back),
  2. de zogenaamde hoogconjunctuur onder paars, en
  3. het “opsouperen” van het primair surplus door paars.

De schuldreductie onder paars

In de periode van eind 1999 tot eind 2007 heeft België de schuldratio gereduceerd met 27.5%. Nergens anders in de EU15 is er in die periode een grotere schuldreductie geweest dan in België. De onderstaande figuur toont deze cijfers.

fig1

Het is natuurlijk zo dat landen met een lage schuldgraad geen noodzaak zien om hun schuld sterk te verminderen. De figuur hieronder geeft daarom de schuldratio voor alle landen van EU15 van eind 1999 tot eind 2007. Ook hier blijkt dat België een sterke prestatie aflevert in vergelijking met een aantal andere landen met een hoge schuldratio.

fig2

[Let wel, het is een misvatting te denken dat het voor landen met een hoge schuldratio makkelijker is om de schuldratio te verminderen. Dat is net omgekeerd het geval, omdat een hoge schuldratio vaak samengaat met een hoge rentelast (tenzij de hoge schuldratio het groeipotentieel sterk verhoogd heeft).]

Bovendien, en moeilijker te zien op de bovenstaande figuur, is de kloof met de buurlanden onder paars sterk teruggebracht. Terwijl eind 1999 de schuldration in België nog 54 procent van het BBP hoger was dan in Duitsland en Frankrijk, zakte die kloof eind 2007 tot 23 procent, of een vermindering van de kloof met 31 procent. Ook met het VK zakte de kloof met bijna 30 procent (van 75 tot 45 procent). Met Nederland zakte de kloof ook, maar slechts met zo’n 11 procent (van 56 procent naar 44,5 procent).

fig3

Kortom, onder paars zakte de schuld nergens zo sterk en zakte de kloof met de meeste buurlanden navenant.

 

3 “waarheden” ontkracht of genuanceerd

“Waarheid” 1: zonder de eenmalige paarse begrotingsmaatregelen zou de schuldreductie veel minder geweest zijn

De kritiek op de eenmalige maatregelen onder paars is ondertussen gemeengoed geworden in de Vlaamse publieke opinie. Dát er eenmalige maatregelen werden genomen is op zich niet vreemd: dat werd ook onder de vorige regeringen gedaan. De cruciale vraag is hoeveel eenmalige maatregelen er onder Verhofstadt genomen zijn. Enkel zo kunnen we nagaan of de afbouw van de schuldratio onder Verhofstadt significant werd beïnvloed door eenmalige maatregelen.

Eenmalige maatregelen, zoals de sale-and-lease-back, hebben uiteraard een positieve impact op de begroting. De vraag is hoe groot die impact is. In een blogpost uit 2014 heb ik de eenmalige maatregelen berekend. Ik heb getracht het te herrekenen, maar de data op Ameco die ik daarvoor nodig heb lopen nu maar terug tot 2010. Ik ken de reden hiervoor niet. In 2014 kon ik data terugvinden tot 2003. (er zijn ondertussen ook data over de schuldgraad herzien)

De berekening resulteerde in onderstaande grafiek inzake de grootte van de eenmalige maatregelen tegenover de schuldreductie in dezelfde periode. Hieruit blijkt dat de netto impact van de eenmalige maatregelen (waar overigens ook tegenvallers bijzitten) op de schuldratio miniem is: 1,24 procent van het BBP tegenover een schuldreductie van 20% (de impact is dus ruim minder dan een tiende).

Als er iemand betere cijfers heeft, dan lees ik dat graag.

fig4

Voor alle duidelijkheid: de stelling dat de eenmalige maatregelen een minieme impact hebben op de schuldreductie is niet hetzelfde als het verdedigen van de eenmalige maatregelen.

 

“Waarheid” 2: paars beleefde een hoogconjuctuur en dus was schuldreductie makkelijk

Of een economie het goed doet of niet kan erg bepalend zijn voor de schuldreductie. De schuld wordt immers uitgedrukt in procent van het BBP. Als het BBP sterk groeit, dan is schuldgraad verminderen ook veel makkelijker. Hierbij is het belangrijk op te merken dat de nominale groei moet bekeken worden (dus niet gecorrigeerd voor inflatie).

De grafiek hieronder geeft de jaarlijkse nominale groei van het BBP voor België, evenals een (niet-gewogen) gemiddelde van de EU15 en van de 7 buur- en/of toplanden (NL, DL, FR, VK, DK, ZW, FI). Uit de figuur blijkt dat België vaak minder snel groeit dan het gemiddelde van de beschouwde landen (behalve de eerste drie jaren na de financiële crisis).

fig5

Om relevante periodes beter te kunnen onderscheiden heb ik de gemiddelde nominale groei onder de vier regeerperiodes onder Dehaene en Verhofstadt getoond. Uit deze figuur blijkt dat zeker de eerste paarse regering helemaal geen periode van hoogconjunctuur was, noch in vergelijking met de periodes onder Dehaene, noch in vergelijking met EU15 en de 7 buur- en/of toplanden. Dat is in grote mate veroorzaakt door de dotcom-crisis in 2001. Enkel tijdens de tweede paarse regeringsperiode stijgt de nominale groei sterk, tot net boven 5%. Daarmee deed België het dus beter dan de drie eerdere regeerperiodes maar ten aanzien van de andere Europese landen was het maar gemiddeld.

fig6

 

“Waarheid” 3: paars heeft het primair surplus dat eerder was opgebouwd opgesoupeerd.

Misschien wel de belangrijkste claim van zij die het paars begrotingsbeleid afbranden is de bewering dat onder paars het primair saldo is weggesmolten. Het primair saldo is het begrotingssaldo zonder intrestbetalingen op de overheidsschuld.

De onderstaande grafiek geeft de evolutie van dat primair saldo sinds 1995 voor België, de EU15 (gewogen gemiddelde) en de 7 buur- en/of toplanden (niet gewogen gemiddelde).

fig7

De evolutie is als volgt:

–        Onder Dehaene is het primair saldo met zware saneringen tot boven 6 procent gebracht, ver boven wat de andere beschouwde landen doen.

–        Onder de eerste paarse regering is het primair saldo hoog gehouden tot en met 2002, ondanks de dotcom-crisis. In de andere beschouwde landen zakt het primair saldo door de crisis echter snel weg (tot een half procent in 2003).

–        Pas in 2003 zakt het primair saldo net onder 4 procent om in 2004 terug te stijgen tot 4,6 procent. In de rest van de beschouwde landen blijft het gemiddeld rond 1 procent of lager.

–        In 2005 was het primair saldo initieel 4 procent, maar is dat achteraf door de Europese Commissie herzien naar 1,6 procent omdat de NMBS-schuld (goed voor 2,3 procent van het BBP) door de overheid was overgenomen (een eenmalige tegenvaller voor paars)

–        In 2006 en 2007 blijft het primair saldo op 4 procent. Maar de economie trekt aan, waardoor in de rest van de beschouwde landen het primair saldo wél stijgt, tot gemiddeld boven 3 procent in 2007.

Het is dus duidelijk dat het primair saldo tot 2002 rond 6 procent blijft, waarna het zakt tot rond 4 procent (behalve in 2005 met de eenmalige kost). Het primair saldo blijft ook steeds hoger dan het gemiddelde in de beschouwde landen (weerom behalve in 2005).

Het is pas in 2006 en 2007 dat het primair saldo niet mee stijgt, terwijl dat door de aantrekkende conjunctuur (ook in ons land!) in de andere beschouwde landen wel gebeurt. Hier had paars meer kunnen doen. Maar dat gaat dan over 2 van de 8 jaar, waarvan het laatste jaar een verkiezingsjaar.

Conclusie

Het paarse begrotingsparcours was goed tot zeer goed. Zeer goed, omdat de schuldreductie van 27 procent op 8 jaar tijd, met onderwijl een dotcom-crisis, een zeer sterke prestatie is. Goed, omdat op het einde duidelijk is dat paars wel degelijk meer had kunnen doen. Dat zou extra schuldreductie opgeleverd hebben. Echter onvoldoende volgens mij om een slecht rapport te geven.

En dat was ook het oordeel van de Europese Commissie. In maart 2007 had de Commissie een aantal opmerkingen op het ingediende begrotingsplan voor de komende jaren. Maar globaal genomen prees ze België voor haar begrotingsparcours. De Commissie schreef letterlijk: Overall, the continued and significant reduction of the high debt stock provides an example of fiscal policies conducted in compliance with the Pact.”

Politiek heeft weinig impact op de werkloosheidskloof

Deze week kwam nog eens een bekende toestand van de Belgische arbeidsmarkt onder de aandacht : de werkloosheidscijfers in de drie Gewesten zijn sterk verschillend, met veel hogere cijfers in het Franstalige landsgedeelte tegenover Vlaanderen. Die kloof is eigenlijk pas in de jaren ‘80 ontstaan, dus vóór de belangrijke staatshervormingen.

Voor tegenstanders van deze staatshervormingen is dit een bewijs dat ze weinig geholpen hebben om de regionale economieën te doen convergeren. De voorstanders merken dan weer op dat de divergentie vooral vóór de staatshervormingen plaatsvond, dus in het unitaire België, wat dan weer zou suggereren dat het unitaire België niet goed werkte voor de Franstalige economie.

Beide groepen overschatten volgens mij de impact van staatsstructuren en politiek op de arbeidsmarkt. Economische evoluties zijn vaak weinig of niet te sturen door de politiek. Die evolutie kunnen globaal zijn, zoals de globalisering, maar kleiner van schaal, zoals agglomeratie-effecten.

Die agglomeratie-effecten zijn minder bekend, maar kunnen belangrijk zijn om de verschillen in België te verklaren. Ze gaan terug op de –niet meer zo nieuwe- “nieuwe economische geografie”. Het is een theorie waar onder meer Paul Krugman school mee gemaakt heeft. In deze economische theorie tracht men rekening te houden met de ruimtelijke dimensie in de economie, zoals transportkosten, maar ook concentratie- of agglomeratie-effecten. De theorie stelt dat het voor bedrijven vaak voordelig is om zich dicht bij elkaar te vestigen.

Een voorbeeld is de haven van Antwerpen. Uiteraard is er de haven die aanvoer en afvoer van goederen gemakkelijk maakt. Maar ook het vinden van gespecialiseerd personeel zal makkelijker worden omdat de bedrijvencluster deze mensen ook aantrekt. In de “nieuwe economische geografie” wordt veel aandacht gegeven aan niet-tastbare zaken, zoals effecten van spill-over van kennis. Ook steden kunnen als clusters bekeken worden.

Het ontstaan van clusters is moeilijk te sturen en eens ze ontstaan versterken ze elkaar. Des te belangrijker clusters zijn voor de rijkdom van een regio en hoe moeilijker clusters te sturen zijn, des te minder verantwoordelijk de politiek (en haar kiezers) zijn voor de gerealiseerde economische activiteit.

De bijgaande grafiek geeft een beeld van het belang van steden als economische clusters in België. De grafiek vergelijkt per arrondissement de economische activiteit met de bevolkingsdichtheid. De economische activiteit wordt berekend als BBP per inwoner ten opzichte van het Belgische gemiddelde (uitgedrukt in procent).

tijdecongeografie

Het resultaat is verrassend: bijna de helft van variatie in de economische activiteit per inwoner wordt verklaard door de bevolkingsdichtheid van het arrondissement.

Men zou kunnen argumenteren dat de causaliteit omgekeerd ligt: economische centra trekken mensen aan. Maar dat is net het punt: het is zeer waarschijnlijk een wederzijds versterkend effect, waarbij economische activiteit mensen aantrekt en mensen op hun beurt economische activiteit aantrekken. Eens dit proces gestart is, heeft de politiek hier nog weinig vat op.

Men zou eveneens kunnen argumenteren dat mensen maar moeten verhuizen naar de economische centra. Dat zou het probleem van het armere Wallonië echter niet oplossen, integendeel: indien productieve Waalse werknemers massaal naar de economisch centra van Vlaanderen en Brussel zouden verhuizen, dan zou de activiteit in Vlaanderen en Brussel blijven en zou de activiteit in Wallonië afnemen (de bevolkingsdichtheid in Wallonië zou ook afnemen). Bovendien is het wellicht zo dat veel Franstaligen inderdaad naar Brussel verhuisd zijn, of toch in de omgeving van Brussel, onder meer in de Vlaamse rand rond Brussel.

De bovenstaande cijfers zijn volgens mij een sterke indicatie dat de economische activiteit moeilijk te sturen is door de politiek. Dat betekent niet dat politici geen verantwoordelijkheid hebben: je kan immers ook verhinderen dat de economie zich ontwikkelt. Maar het betekent volgens mij wel dat in de discussie over noord en zuid in België de impact van politiek op economie vaak overschat wordt.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Je kan België niet zomaar vergelijken met Nederland

Enige tijd terug herhaalde Luc Coenen in een Tijd-interview nog eens zijn oproep om dringend te besparen in de sociale zekerheid. Om zijn betoog kracht bij te zetten vergeleek hij het Belgische overheidsbeslag met dat van Nederland. Met een kloof van 8 procent van het BBP in het nadeel van België was het voor Coenen duidelijk: België heeft een inefficiëntieprobleem, en Nederland lijkt terug het gidsland.

Dat lijkt op het eerste gezicht overduidelijk. Echter, een vergelijking die iets meer in detail gaat, nuanceert dat sterk. De onderstaande figuur geeft de overheidsuitgaven van België en Nederland voor het jaar 2014, opgedeeld in tien domeinen. In totaal was het overheidsbeslag van België in 2014 bijna 9% hoger dan in Nederland, nog iets hoger dan Coenen vooropstelde dus. Drie domeinen springen hierbij in het oog: de sociale bescherming, de algemene publieke diensten en economische zaken. Opmerkelijk: wat betreft de gezondheidszorg is het overheidsbeslag in België en Nederland nagenoeg gelijk.

tijdBEvsNL

Sociale bescherming

Als de uitgaven voor sociale bescherming meer in detail bekeken worden (ook te vinden in de Oeso-databanken), dan blijkt dat België voor sociale bescherming vooral meer uitgeeft voor pensioenen: 10,8% in België tegenover 6,9% in Nederland of bijna 4% verschil.

Dat hoeft geen verrassing te zijn. Naast de grote overheidsschuld is hét grote probleem in België de veel te korte loopbaan. Het opkrikken van de pensioenleeftijd is dan ook zonder twijfel één van de grootste uitdagingen van ons land. Maar het verhogen van de pensioenleeftijd is een werk dat in stapjes gaat. Drastisch besparen op pensioenen is dan niet alleen moeilijk haalbaar, maar ook onwenselijk. Men kan de bestaande pensioenen, die al relatief laag zijn, niet zomaar verlagen zonder sociale drama’s te veroorzaken.

Bovendien is de kloof in de totale pensioenuitgaven veel kleiner dan deze cijfers tonen. In Nederland worden immers ook veel privé-uitgaven voor pensioenen gedaan, omdat ze een totaal ander pensioenstelsel hebben. Als je die uitgaven meetelt, verkleint de kloof tot minder dan 1% van het BBP.

Algemene publieke diensten

Een andere post zijn de algemene publieke diensten. Hier is de kloof met Nederland 3,2% van het BBP. Maar daar zitten 1,7% meer rente-uitgaven tussen. Ook hier kan de huidige Belgische overheid moeilijk met de vinger gewezen worden, gezien de hogere overheidsschuld vooral een gevolg is van het beleid in de jaren 70 en 80.

De overige meeruitgaven betreffen basisonderzoek en “algemene diensten”, beide goed voor 0,8 procent meeruitgaven. Dit vraagt meer analyse om deze verschillen te verklaren. Feit is wel dat Nederland minder kosten heeft aan ambtenaren, maar dat de overheid wel meer werk uitbesteed aan externe partners.

Economische zaken

Ten slotte is er de post “economische zaken” waar België 2,8 procent van het BBP meer uitgeeft dan Nederland, wat fors meer is. Hier is de boosdoener vooral de bedrijfssubsidies die België geeft, goed voor ruim 2 procent meer dan Nederland. Dat zijn in grote mate subsidies aan bedrijven, zoals kortingen op de RSZ en voor dienstencheques; het is niet zozeer de overheid die met dit geld werkt. De vraag is of besparingen op bedrijfssubsidies het begrotingstekort zullen verminderen. Immers, indien deze subsidies afgeschaft worden, zullen ze wellicht gecompenseerd moeten worden door een algemene lastenverlaging, zoniet wordt het ondernemen veel sterker belast.

Conclusie

Wat dus op het eerste gezicht een grote kloof lijkt, blijkt meer in detail vaak goed verklaarbaar, door bijvoorbeeld het type van pensioenstelsel of de schulderfenis uit het verleden. De bedrijfssubsidies verminderen zou dan weer wel het overheidsbeslag significant kunnen doen dalen, maar niet zozeer het begrotingstekort, omdat de lagere subsidies zouden moeten gecompenseerd worden door lagere algemene lasten. De enige post die in deze korte analyse vragen oproept zijn de hoge kosten van de algemene diensten, maar ook daar gaat het “slechts” over minder dan 1 procent verschil met Nederland. Kortom, het is best mogelijk dat België dringend moet besparen, maar een oppervlakkige vergelijking met Nederland is daarvoor ruimschoots onvoldoende als argument.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Is Wallonië verantwoordelijk voor haar relatieve armoede?

Hoe komt het dat Wallonië relatief armer is dan Vlaanderen en Brussel? Indien de Waalse politici (en dus hun kiezers) effectief verantwoordelijk zijn voor de relatieve Waalse armoede, dan is het legitiem om een splitsing te eisen. Solidariteit met zij die minder rijk zijn wordt aanvaard, is zelfs gewenst, indien deze situatie buiten hun wil om gebeurt, maar niet als het een vrije keuze is. Als Wallonië zelf kiest voor een beleid dat bijvoorbeeld meer gelijkheid brengt, maar een algemeen lagere welvaart, dan is dat de uitdrukking van hun politieke keuze. Maar dan moeten ze daar ook de (economische) gevolgen van dragen.

De vraag is echter of het om een keuze gaat. Hierna tracht ik aan te tonen dat er sterke aanwijzingen zijn dat de relatieve armoede in Wallonië grotendeels veroorzaakt wordt door externe factoren die politici (en hun kiezers) moeilijk kunnen beïnvloeden. Als mijn stelling klopt, dan is het volgens mij onethisch om niet solidair te blijven met het armere Wallonië.

Brussel is de economische hotspot

De grafiek hieronder geeft voor 2012 per gewest het bruto binnenlands product (BBP) per inwoner in verhouding tot het gemiddelde in België (in procenten). Wat onmiddellijk opvalt is dat de economische activiteit per inwoner in Brussel veel hoger ligt dan het gemiddelde (82,7% boven het gemiddelde), dat de Vlaamse economische activiteit samenvalt met het Belgische gemiddelde en dat de Waalse activiteit er een stuk onder ligt (27% eronder). Dat de Vlamingen gemiddeld toch rijker zijn dan de Brusselaars komt doordat er veel inwoners van het Vlaamse gewest naar Brussel gaan werken; de welvaart wordt echter gecreëerd in Brussel.

De plaats van de economische activiteit is in de Belgische context volgens mij erg belangrijk. Het geeft immers aan waar de welvaart gecreëerd wordt. En mijn basisvraag is: kan de politiek de plaats waar de welvaart wordt gecreëerd sturen?

bbp per capita - gewest

Ook als we dit per provincie bekijken, dan blijkt Brussel er bovenuit te torenen. Wat ook opvalt is dat Waals-Brabant, dicht tegen Brussel, een hogere economische activiteit heeft datn drie andere Vlaamse provincies. Enkel Vlaams-Brabant, dat Brussel omsluit, en Antwerpen, met de haven, doen het beter dan Waals-Brabant.

bbp per capita - provincie

Ten slotte geeft de onderstaande figuur het BBP per arrondissement (zonder Brussel). De provincie Waals-Brabant valt blijkbar samen met het arrondissement. Uit de figuur blijkt dat er heel wat Waalse arrondissementen het beter doen dan Vlaamse arrondissementen.

bbp per capita - arr

De nieuwe economische geografie

In 1990 gaf Paul Krugman aan de KULeuven een lessenreeks over handel en geografie en legde daarmee min of meer de basis van de “nieuwe economische geografie“. Ondertussen is die niet zo nieuw meer, maar de principes van de theorie zijn nog steeds actueel. In deze economische theorie tracht men rekening te houden met de ruimtelijke dimensie in de economie. Uiteraard betreft dit de transportkost, maar evenzeer concentratie- of agglomeratie-effecten. Voor veel aspecten is het voor bedrijven voordelig om zich dicht bij elkaar te vestigen.

Een voorbeeld is de haven van Antwerpen: uiteraard is er de haven die aanvoer en afvoer van goederen gemakkelijk maakt. Maar ook het vinden van gespecialiseerd personeel zal makkelijker worden omdat de bedrijvencluster deze mensen ook aantrekt. In de “nieuwe economische geografie” wordt meer en meer aandacht gegeven aan niet-tastbare zaken, zoals oversijpelingseffecten van kennis.

Ook steden kunnen als clusters bekeken worden. In België kan je volgens mij, behalve steden, nog twee andere soorten clusters onderscheiden: de Vlaamse havens, met Antwerpen op kop (maar ook Gent en Zeebrugge) die handel en industrie aantrekken, en Brussel, de administratieve hoofdstad van België, de Europese Unie en de NAVO en dus veel diensten. Eventueel ook nog de kuststreek, wegens het toerisme.

Clusters: politiek verantwoordelijk of niet?

Het ontstaan van clusters is zeer moeilijk te sturen en eens ze ontstaan versterken ze elkaar. Hoe belangrijker clusters zijn voor de rijkdom van een regio en hoe moeilijker clusters te sturen zijn, hoe minder verantwoordelijk je de politiek (en haar kiezers) kan stellen voor de gerealiseerde economische activiteit.

De onderstaande grafiek probeert het belang van steden als economische clusters te analyseren voor België. De grafiek vergelijkt de economische activiteit in een arrondissement met het aantal van dat arrondissement. De economische activiteit wordt berekend als BBP per inwoner ten opzichte van het Belgische gemiddelde (uitgedrukt in procent).

bbp per capita - scatter aantal

Het resultaat is erg verrassend: bijna 58% van de economische activiteit per inwoner wordt verklaard door het aantal inwoners van het arrondissement.

Ik bespreek hierna een aantal datapunten:

– Brussel (Hoofdstedelijk Gewest): scoort boven de trendlijn. Bovenop het clustereffect van de grootstad, speelt hier wellicht ook mee dat Brussel een administratieve hoofdstad is (zie boven)

– Antwerpen: het arrondissement scoort onder de trendlijn. Ook dat is verrassend: ondanks de havenactiviteiten produceert het arrondissement onder wat men op basis van deze analyse zou mogen verwachten. Dat is wellicht te verklaren doordat het arrondissement Antwerpen zeer groot is in vergelijking met Brussel

– Sint-Niklaas: produceert iets boven de trendlijn, misschien omdat een deel van de Antwerpse havenactiviteiten oversijpelen naar dit relatief kleine arrondissement (en dus een relatief grote impact heeft)

– Halle-Vilvoorde: iets boven de trendlijn; ligt bijna volledig rond Brussel en kan zo allicht meeprofiteren van de agglomeratie-effecten van Brussel (oversijpelingseffect)

– Mechelen: iets boven de trendlijn: ligt middenin de “Vlaamse Ruit” en profiteert misschien van deze agglomeratie-effecten (oversijpeling)

– Nijvel (dit arrondissement valt samen met de provincie Waals Brabant): iets boven de trendlijn. Het rijkste arrondissement van Wallonië, en allicht niet toevallig het kortst tegen Brussel.

– Charleroi en Luik: duidelijk onder de trendlijn. Geen belangrijke havens in de buurt, noch kort bij Brussel.

– Leuven: verrassend iets onder de trendlijn. Te verklaren doordat het geografisch zwaartepunt van dit arrondissement relatief ver van Brussel ligt (zie kaartje hieronder)

– Brugge: duidelijk boven de trendlijn; heeft ook de haven van Zeebrugge op haar grondgebied

– Tongeren: armste arrondissement, maar ligt ook in de periferie (grenst aan Luik)

– Kortrijk + Ieper: boven trendlijn; misschien een cluster met Rijsel (Kortrijk, Ieper en Rijsel liggen op 30 km van elkaar)?

De onderstaande grafiek toont het zelfde maar dan op de horizontale as de bevolkingsdichtheid (inwoners/km²) in plaats van het aantal inwoners per arrondissement. Gezien Brussel een sterke uitbijter is, wordt de logaritme genomen van de bevolkingsdichtheid.

De conclusie is min of meer dezelfde: hoe meer inwoners per km², hoe groter het BBP per inwoner. De verklaringskracht is met R² = 0,49 wel wat lager.

bbp per capita - scatter dichtheid

Door louter rekening te houden met de bevolking of de bevolkingsdichtheid, kan de economsiche activiteit verklaard worden voor 58 of 49%.

Zonder de bevolkingsdimensie is het verschil in BBP per capita tussen Vlaanderen en Wallonië 27%. Indien we echter corrigeren voor het aantal mensen per arrondissement verkleint dit verschil naar 15%, of een vermindering met 44%. Indien gecorrigeerd wordt voor de bevolkingsdichtheid, dan verkleint het verschil naar 9% of een vermindering met maar liefst 67%.

De onderstaande tabel geeft een synthese van de resultaten.

tabel met correctie

Dat de havens van Antwerpen, Gent en Zeebrugge, en het administratieve centrum Brussel economische clusters zijn die activiteit aantrekken, blijkt ook visueel uit het onderstaande kaartje.

kaartjeMaarten

Bron: NBB+Economieblog.be – Kaart: Maarten Lambrechts

Solidariteit met de arme Waal of met de rijke Vlaming?

Om terug te komen op het oorspronkelijke onderwerp: als de bovenstaande analyse klopt, dan wordt de economische activiteit sterk bepaald door zaken waarop politici (en hun kiezers) weinig vat op hebben. De havens liggen nu eenmaal in Vlaanderen; Brussel is nu eenmaal een belangrijk dienstencentrum.

Men zou kunnen argumenteren dat de causaliteit omgekeerd ligt: economische centra trekken mensen aan. Maar dat is net het punt: het is zeer waarschijnlijk een wederzijds versterkend effect: economische activiteit trekt mensen aan, mensen trekken op hun beurt economische activiteit aan, waardoor… Eens dit proces gestart is, heeft de politiek hier weinig vat op.

Men zou eveneens kunnen argumenteren dat mensen maar moeten verhuizen naar de economische centra. Maar dat zou natuurlijk het probleem van het armere Wallonië niet oplossen, integendeel: indien productieve Waalse werknemers massaal naar de economisch centra van Vlaanderen en Brussel zouden verhuizen, dan zou de activiteit in Vlaanderen en Brussel blijven en zou de activiteit in Wallonië afnemen (de bevolkingsdichtheid in Wallonië zou ook afnemen). Bovendien is het wellicht zo dat veel Franstaligen inderdaad naar Brussel verhuisd zijn, of toch in de omgeving van Brussel, onder meer in de Vlaams rand rond Brussel.

Men zou er ook voor kunnen opteren dat Waalse werknemers in Wallonië blijven wonen en dagelijks naar de economische centra pendelen. Dat lijkt echter niet zo eenvoudig te zijn, gezien de Vlaamse havens ver van Wallonië liggen. Brussel ligt meer voor de hand, wat dan ook gebeurt.

De bovenstaande cijfers zijn volgens mij een sterke indicatie dat de economische activiteit moeilijk te sturen is door de politiek. Dat betekent niet dat politici geen verantwoordelijkheid hebben: je kan immers ook verhinderen dat de economie zich ontwikkelt. Het betekent volgens mij wel dat sommigen in de discussie over noord en zuid in België de impact van politiek op economie overschatten.

Transfers in eengemaakt Duitsland veel hoger ingeschat dan in België

Naar aanleiding de val van de Muur 25 jaar geleden, publiceerde de Tijd een artikel over de economische evolutie in het voormalige Oost-Duitsland. Daarin werd vermeld dat Oost-Duitsland naar schatting 1600 tot 2000 miljard euro ontving om West-Duitsland bij te benen. Als je het midden van de schatting neemt, 1800 miljard euro, dan is dat gemiddeld 72 miljard euro per jaar gedurende 25 jaar.

Dat kan je vergelijken met de zogenaamde transfers binnen België van Vlamingen naar Franstaligen. Vorig jaar stelde N-VA dat deze transfers 7,9 miljard euro bedroegen in 2010 (ik blogde er hier over). Die transfers lijken op het eerste gezicht van dezelfde grootte-orde als je rekening houdt met het bevolkingsaantal van België (11 miljoen) en Duitsland (+/- 80 miljoen).

Als je de transfer per persoon beschouwt ziet het plaatje er anders uit. Toen Duitsland herenigd werd, waren er ongeveer 63 West-Duitsers en 17 miljoen Oost-Duitsers. Er zijn momenteel ongeveer 6,6 miljoen Vlamingen en 4,4 Franstaligen. Als je de geldstromen per persoon berekend, dan krijg je onderstaande figuur. Let wel, dit zijn schattingen voor verschillende periodes: de Duitse cijfers als gemiddelde over 25 jaar, de Belgische enkel geldig voor 2010.

De grootte-orde is echter duidelijk: de West-Duitser betaalde gedurende 25 jaar gemiddeld ongeveer evenveel als de Vlaming in 2010: respectievelijk 1142 en 1197 euro. De Oost-Duitser ontving echter 4235 euro per jaar, tegenover 1795 euro voor de Franstalige, of 2,3 keer meer.

[Dat zegt overigens niets over de aard van de transfers; in België zijn de transfers grotendeels het gevolg van interpersoonlijke solidariteit: een rijke, gezonde Waal zal netto bijdragen; een arme, zieke Vlaming zal netto ontvangen, zonder onderscheid.]

transfersBEvsDL

Volgens The Economist is Oost-Duitsland nu op het niveau van de economische achtergestelde gebieden in Spanje, Italië en … België. Anderzijds zijn de verschillen tussen Oost en West-Duitsland kleiner geworden dan de verschillen binnen de twee landsdelen. Een beetje zoals in België dus, waar Waals-Brabant en Brussel het economisch beter doen dan bijvoorbeeld Limburg.

 

De “kamikaze-regering” is geen kamikaze-regering

Gisteren zei cdH ‘non’ op de nota van informateur Bart De Wever; cdH heeft centrumrechts, N-VA + CD&V + MR + cdH, dus (voorlopig?) afgeschoten. Daardoor zit de federale regeringsvorming in moeilijke papieren: geen enkele mogelijke coalitie lijkt realistisch. Toch zou centrumrechts kunnen voortleven in een andere coalitie, namelijk zonder cdH maar met Open VLD. Dat zou betekenen dat MR de enige Franstalige partij zou zijn in de federale regering, met N-VA, CD&V en Open VLD aan Vlaamse kant.

In een federaal land is dit legitiem: de federale regering moet een meerderheid krijgen in het federale parlement, ongeacht tot welke taalgemeenschap de parlementsleden van de meerderheid behoren. Toch wordt door opiniemakers en journalisten weinig geloof gehecht aan dit scenario en heeft deze mogelijke regering de bijnaam “kamikaze-regering” gekregen: MR zou zich immers kapot regeren in een dergelijke “pro-Vlaamse” regering die onvoldoende de Franstalige belangen zou kunnen verdedigen.

Ministerposten tellen (en verdisconteren)

Ik ben van mening dat de “kamikaze-regering” toch een realistische optie is voor MR en wel om twee redenen.

Ten eerste zal MR in een dergelijke regering 7 ministers mogen leveren. Men doet wat smalend over politieke partijen die achter ‘postjes’ jagen, maar volgens mij is dit tot op zekere hoogte heel normaal en zelfs gewenst voor een politieke partij: het is via ministerposten dat men kan wegen op het beleid en zo het eigen programma kan uitvoeren. Het najagen van postjes is pas ongewenst als een partij het eigen programma opgeeft of onnodig verzwakt om toch maar ministerposten binnen te halen. Maar dat zal in een “kamikaze-regering” voor MR net niet het geval zijn: met Open VLD en N-VA zal het regeerakkoord op sociaal-economisch vlak zeer liberaal zijn. Met andere woorden, MR zal met 7 ministerposten volop liberaal kunnen regeren. En welke MR-kiezer zal hiervoor de MR afstraffen?

De kans dat MR zich kapot regeert in een “kamikaze-regering” is volgens mij dus veel minder zeker dan wordt voorgesteld. Maar zelfs als MR in 2019 wél zou afgestraft worden, dan nog is het volledige plaatje voor MR voordeliger in een “kamikaze-regering” in vergelijking met een tripartite (wat wellicht het enige alternatief is, tenzij de Brazilië-coalitie mogelijk wordt).

En dat is de tweede reden: in het meest pessimistische scenario zou een “kamikaze-regering” er in 2019 toe leiden dat de MR in de oppositie zit: voor de twee legislaturen levert dit in totaal 7 ministerposten op: 7 in 2014 en 0 in 2019. De “tripartite” levert nu 3 ministers en levert, in een optimistisch scenario dat MR ook in 2019 in de regering zit, 3 ministers op. Over de twee legislaturen levert dit dus 6 ministers op, minder dan wat MR in een “kamikaze-scenario” heeft. En het is dan nog helemaal niet zeker of MR in 2019 wel in een regering zit als ze nu in een tripartite zit (en omgekeerd, na een “kamikaze-regering” kan MR misschien toch weer in een regering komen).

Bovendien is 2019 voor politici een eeuwigheid. We moeten dus verdisconteren: zelfs een 100% zekere ministerpost in 2019 weegt veel minder door dan een 100% zekere ministerpost in 2014. Daarvoor is politiek te volatiel en de individuele politici die nu in aanmerking komen voor een ministerpost zijn niet zeker of ze in 2019 nog aan de top staan. Als er gerekend wordt met een discontovoet van 5% per jaar (wat me zeer laag lijkt voor een politieke omgeving) dan is 1 ministerpost in 2019 evenveel waard als 0,78 ministerpost in 2014. Een discontovoet van 10% reduceert dat tot 0,62. Drie ministerposten in 2019 zijn dan minder waard dan 2 ministerposten in 2014.

Om die redenen is, althans uit hoofde van de MR, een “kamikaze-regering” volgens mij helemaal geen kamikaze-regering en zou MR bereid moeten zijn om in een dergelijke regering te stappen. Een belangrijke indicatie die deze stelling onderbouwt is de uitspraak van Kris Peeters dat een federale regering met MR als enige Franstalige partij niet lukt, zonder evenwel inhoudelijke argumenten te geven. Dat CD&V dit moet zeggen, wijst er op dat MR deze optie op zijn minst overweegt.

Federale vs. confederale logica

Tot slot nog iets over de logica van een federale regering. Het feit dat de federale regering volgens de wet geen meerderheid nodig heeft in elke taalgroep, impliceert dat deze regering regeert over Belgen, en niet zozeer over Vlamingen en Franstaligen. Dat er dus gezocht wordt naar een ideologisch coherente regering zonder rekening te houden met taalaanhorigheden is perfect legitiem. Als MR dus in de “kamikaze-regering” stapt, dan vormt ze zo een federale regering die het federale aspect in extreme mate invult en geeft ze -paradoxaal genoeg- het confederalisme van N-VA het nakijken.

Meer nog, veruit het grootste beleidsdomein waarover de federale regering en parlement haar zeg doet is de sociale zekerheid. En die regelt een interpersoonlijke solidariteit, namelijk een solidariteit tussen individuen onderling, weerom los van enige taalaanhorigheid: in België betaalt een rijke, gezonde, werkende Vlaming net evenveel aan SZ-bijdragen als een rijke, gezonde, werkende Waal. En een arme, zieke, werkloze Vlaming krijgt dezelfde uitkering als een arme, zieke, werkloze Waal. Dat er netto-transfers van Vlamingen naar Walen gaan is enkel omdat er relatief meer arme, zieke, werkloze Walen zijn.

In een confederale logica, die bijvoorbeeld N-VA volgt, is de solidariteit niet interpersoonlijk maar tussen groepen (of gemeenschappen.. Wat N-VA zou willen is weliswaar de solidariteit voor 20 jaar behouden, zij het degressief, maar tijdens die 20 jaar is het wel een solidariteit tussen de twee taalgemeenschappen, van Vlaanderen naar de Franstalige gemeenschap. In die constellatie is het dus goed mogelijk dat een arme, ziek, werkloze Waal minder krijgt dan een Vlaming in dezelfde situatie.

Dat de N-VA indertijd met scherp schoot op het feit dat de Vlaamse regeringspartijen in Di Rupo I een minderheid hadden, past dan ook in die confederale, Vlaams-nationalistische logica: eerst wordt gekeken tot welke groep/gemeenschap het individu behoort, dan pas naar de situatie van het individu. De groep primeert dus op het individu.

Partijen die een federale logica volgen, zoals Open VLD en – naar ik meen- de Franstalige partijen gezien ze de interpersoonlijke solidariteit willen behouden, kunnen niet tegen het principe van een Vlaamse of Franstalige minderheid zijn. Het argument dat MR in de “kamikaze-regering” in een ‘pro-Vlaamse’ regering zou zitten, is dan ook gelijkaardig aan wat N-VA aan de Vlaamse regeringspartijen aanwreef toen zij in DiRupoI zaten. Dat zou dus weinig consequent zijn.

Dat een liberale partij, zoals Open VLD, de confederale logica, die de groep vóór het individu stelt, verlaten heeft, is een terugkeer naar haar liberale roots: het individu primeert op de groep. Mensen zijn en willen in essentie hetzelfde, ongeacht de taal die ze spreken of de plaats waar ze geboren zijn. Het impliceert ook dat de banden met zusterpartij MR sterker kunnen en moeten worden.

Grootste partij uitsluiten is ook democratie

De verkiezingen van afgelopen zondag hebben in Vlaanderen van N-VA duidelijk de grootste partij gemaakt: in het Vlaams parlement haalt N-VA 43 van de 124 zetels wat neerkomt op 34,7% van de zetels. In de Kamer haalt de partij 33 van de 150 zetels of 22%. Als je vergelijkt met de 87 zetels in de Vlaamse taalgroep, dan is dit bijna 38% van de Vlaamse zetels in de Kamer.

Het lijkt dan ook zonneklaar dat N-VA in de volgende regeringen moet zitten. Dat lijkt alvast ook de mening van Isabel Albers, hoofdredactrice van de Tijd, die in haar krant het volgende schreef:

Gewoon doordoen met de klassieke zespartijenregering zou een bijzonder grote miskenning zijn van wat de Vlaamse kiezer gisteren heeft gezegd. In de grootste gemeenschap in dit land was het signaal bijzonder eenduidig: de N-VA moet aan zet. De Franstalige partijen zouden moeten beseffen dat ze paradoxaal genoeg om België te redden de N-VA beter alle kansen geven om een regering te vormen. Want de grootste partij van het land aan de kant schuiven, ondermijnt de credibiliteit van het hele Belgische systeem.

In het televisieprogramma Terzake van die maandag herhaalde Albers haar stelling en kreeg ze bijval van professor Carl Devos.

In de Tijd van woensdag deed Ignace Van Doorselaere, CEO van lingeriefabrikant Van de Velde, er een hele schep bovenop. Hij stelde dat zomaar wat zetels tellen niet volstaat, “je moet ook de ziel van de kiezer respecteren”. Vervolgens gaf hij in zijn opiniestuk zelf een interpretatie van die ziel, met onder meer deze opmerkelijke passage:

We moeten trouwens rekening houden met de groei van Groen. Uiteraard nooit om iets wat op vermogensbelasting lijkt in te voeren – goesting, ambitie en vertrouwen moeten gevoed worden, niet gestraft-, maar wél voor een forse omslag naar milieubelasting in plaats van loonbelasting.

Ik denk dat zowel Albers als Devos, en zeker Van Doorselaere, hier een loopje nemen met de basisbeginselen van de democratie door een speciaal statuut te geven aan de grootste partij, en wel om twee belangrijke redenen.

1. Elke stem is even veel waard

Als N-VA naar de oppositiebanken wordt verwezen, dan zal er met de stem van 1 op 3 Vlaamse kiezers geen rekening gehouden worden als het regeerakkoord wordt opgemaakt (of toch niet rechtstreeks). Maar dat is natuurlijk altijd zo in een democratie, waar er op voorhand wordt afgesproken dat een regering voldoende heeft aan 50+1. De meest krappe meerderheid zet zo 49,9% van de kiezers buitenspel. Dat is de regel die we in een democratie aanvaarden. Er wordt ook geen waarde-oordeel gegeven over hoeveel kiezers er uitgesloten worden: dat kunnen er 49,9% zijn of 10%.

Als N-VA met CD&V een Vlaamse regering zou maken, dan hebben ze samen bijna 56,5% van de zetels. Dat betekent dat 43,5% van de zetels buitenspel gezet worden, wat neerkomt op alle kiezers van sp.a, Groen en Open VLD, samen goed voor bijna 38% van de zetels en Vlaams Belang (5%).

Als er een klassieke tripartite zou gemaakt worden, dan zou die 51,5% van de zetels hebben. Dan worden de kiezers van N-VA en Groen buitengesloten, samen 42,7% en Vlaams Belang (5%).

Nu is de vraag simpel: als we in een democratie aanvaarden dat 49,9% van de kiezers kunnen uitgesloten worden, waarom is het dan onaanvaardbaar dat de kiezers van N-VA en Groen worden uitgesloten (met samen 42,7% van de stemmen) en is het wél aanvaardbaar dat de kiezers van sp.a, Groen en Open VLD (samen 38%) uitgesloten worden? In het tweede geval worden er minder kiezers uitgesloten, maar dat is dus geen criterium in een democratie: ook 49,9% van de kiezers mogen buitengesloten worden.

De ziel van de kiezer

De logisch inconsistentie dat N-VA niet mag buitengesloten worden, maar pakweg Open VLD en sp.a wel, kan enkel opgelost worden door naar iets vaag te verwijzen als “de credibiliteit van het Belgische systeem” of nog erger “de ziel van de kiezer”.

Op die manier wordt er lustig geïnterpreteerd dat de kiezer van N-VA een “signaal” gegeven heeft dat niet kan genegeerd worden.Maar dat zijn slechts interpretaties, die sterk gekleurd worden door de toevallige voorkeur van één of andere kiezer.

Ik geef u een willekeurige, andere interpretatie: de monsterscore van N-VA is ingegeven door een anti-campagne met een charismatisch leider; de meeste N-VA-stemmers doen gewoon mee met de grote hoop, puur kuddegedrag, zonder er goed bij na te denken. Langs de andere kant, hoe sterk moet je niet overtuigd zijn om na de barslechte sp.a-campagne met een voorzitter die pas de laatste drie weken van zijn zeilboot kwam, toch nog die stem aan sp.a te geven. Dat kunnen alleen rotsvast overtuigde stemmers zijn. Als de intensiteit, zeg maar de waarachtigheid, of nog beter, de ziel van de stemmen gemeten kon worden, dan hebben de N-VA-stemmen een score 1, en de sp.a-stemmen een score 100.

Voor alle duidelijkheid: deze interpretatie, die slechts bij wijze van voorbeeld gegeven wordt, is evenveel waard als de interpretatie als zou specifiek de N-VA kiezer een signaal hebben gegeven. Die waarde is nul (wat natuurlijk niet wegneemt dat mensen mogen interpreteren en die interpretatie kenbaar maken).

En de interpretatie van de “ziel van de kiezer” door Van Doorselaere is helemaal te gek om los te lopen: de groei van Groen wordt door hem niet geïnterpreteerd als een vraag naar een vermogensbelasting; wél naar eco-fiscaliteit. Ik doe mijn hoed af voor zoveel inzicht in “de kiezer” van Groen.

Coherente regering

Een ander argument waarom N-VA in de regering zou moeten zitten, is dat dit een centrum-rechtse regering oplevert, iets waar Vlaanderen voor gestemd heeft.

Ook dit is een interpretatie die alle kanten kan opgaan. Waarom zou een regering N-VA+CD&V beter zijn dan een tripartite? Alvast volgens Bart De Wever zitten ze toch allen in het N-VA-model, behalve Groen.

En momenteel wordt door sommigen geopperd om zelfs met Groen een coalitie te vormen, zodat we N-VA+Open VLD+Groen kunnen krijgen. Dat lijkt misschien wat ver gezocht, maar ik ken alvast heel wat liberalen die het “groen liberalisme”, waarbij via markt-gebaseerde en fiscale ingrepen een vergroening bekomen wordt, genegen zijn. Liberales heeft er in 2006 nog een succesvolle studiedag over georganiseerd.

Met andere woorden, een coherente regering kan allerlei coalities opleveren. De meerderheidspartijen zullen dan zelf op zoek gaan waar er een duidelijke overlap is en zullen de andere domeinen minder opzoeken. Om een historisch voorbeeld te geven: zo voorspelde Louis Tobback dat de paarse regeringen van Verhofstadt zouden eindigen in bont en blauw. Maar het is wel paars dat het homohuwelijk en de euthanasiewet gestemd hebben. Veel liberalen zijn hier nog steeds zeer trots op, en terecht volgens mij.

Interpretaties

Al die interpretaties, zij het van de “ziel van de kiezer” of een “coherent programma”, dienen enkel de individuele zienswijze op politiek. En uiteraard zal de ene interpretatie van wat de kiezers in een democratie écht willen correcter zijn dan een andere interpretatie.

Maar het probleem is dat we niet weten welke interpretatie beter is dan de andere. Dat is ook net het punt van verkiezingen: om te weten te komen wat de voorkeuren zijn van alle burgers. En is een democratie is er afgesproken dat die voorkeuren zich moeten uiten via een individuele stem voor partijen en kandidaten.

De interpretaties van de preferenties van de kiezers zijn dus steeds aanvechtbaar, omdat we de echte preferenties nooit kunnen kennen. Het enige wat telt na de verkiezingen is het aantal zetels en hoe de politici daar een meerderheid mee kunnen vormen. Na de verkiezingen heeft de burger zijn plicht gedaan door zijn individuele voorkeur te geven en zijn de politici aan zet, die natuurlijk naar hartenlust kunnen interpreteren en rekening houden met wat de burgers zouden willen. Maar die interpretatie kan dus afwijken van wat een specifieke burger wil.

 

2. Spelregels verander je niet tijdens het spel

Een tweede belangrijke reden is het veranderen van de spelregels tijdens het spel. Het is nu, na de verkiezingen, dat sommigen eisen dat de grootste partij in een regering moet zitten. Vóór de verkiezingen gold die regel alvast niet (en voorlopig gelukkig ook nu nog niet, alle zielen van de kiezer ten spijt).

Stel je eens voor dat de regel wél bestond vóór de verkiezingen: “de grootste partij moet in de regering”. Dat zou uiteraard het gedrag van de partijen sterk beïnvloed hebben. Groen zou quasi zeker een kartel vormen met sp.a. CD&V en N-VA zouden ook een kartel vormen; Open VLD zou zich daar willen tussen wringen. Of het zou helemaal anders kunnen uitdraaien. Maar in ieder geval zou er heel wat kartelvorming zijn, en uiteindelijk zouden we wellicht naar een tweepartijen-systeem overgaan.

Maar dat is natuurlijk niet gebeurd, net omdat de regel “de grootste partij moet in de regering” niet van toepassing is, niet vóór en niet na de verkiezingen.

Door echter ná de verkiezingen te eisen dat de grootste partij in de regering moet zitten, geef je aan N-VA (en PS) een voordeel dat alles behalve democratisch is: plots hecht je na de verkiezingen veel meer belang aan een stem voor de grootste partij dan voor een andere partij, zonder dat dat op voorhand afgesproken was. Je zou dus zo en cours du route de spelregels veranderen, en dat is vals spelen.

Dat N-VA als grootste partij als eerste mag proberen een regering te vormen wijkt trouwens niet af van één of andere regel, omdat dit door de andere partijen aanvaard wordt. Het is een gebruik, maar het zou even goed niet zo kunnen geweest zijn. En dan was dat ook democratisch.

De reden dat het toch vaak (altijd?) de grootste partij is die het initiatiefrecht krijgt, is waarschijnlijk ook pragmatisch ingegeven: de kans is wellicht groter dat er een snelle en stabiele coalitie op de been komt met de grootste partij.

 

3. Mars op Brussel tegen de samenstelling van een regering zonder N-VA

Tot slot nog iets over de Facebook-oproep om een mars op Brussel te organiseren als N-VA uit de federale regering geweerd wordt. De oproep stelt onder meer dat “een tweede N-VA-Exit niet democratisch te verantwoorden is”.

Hier wordt het speciale statuut van N-VA (en overigens niet van de PS) in het extreme doorgetrokken: de N-VA moet, als grootste partij, in de federale regering, anders is dit democratisch niet te verantwoorden.

Dat de N-VA zelfs in Vlaanderen geen meerderheid heeft, is blijkbaar van geen tel. De N-VA kiezers, die een minderheid vormen, moeten dan maar forceren dat N-VA toch opgenomen wordt in een regering. Dat is dan net het omgekeerde van democratie: de minderheid die, via de straat, eist welke partij in de regering moet.

De Facebook-groep telt momenteel 10.000 mensen die aangeven dat ze zullen meestappen. Het event is dus nog geen echte massa-beweging, maar moest dit werkelijk een grote beweging worden, dan is het in de eerste plaats aan N-VA om dit in de kiem te smoren, toch als ze beschouwd wil worden als een partij die de democratische regels respecteert.

Liberale democratie

De mars op Brussel verbieden kan niet. Niet omdat dit een democratisch recht is. Dat is het immers niet. Vrijheid van meningsuiting, via een mars of anderszins, is net géén recht dat je via een democratische meerderheid hebt. Het is een recht dat je als individu hebt, een recht dat onvervreemdbaar is, dat dus niemand van je kan afnemen, zelfs geen democratische meerderheid.

Die onvervreemdbare, individuele vrijheden zorgen ervoor dat we niet zomaar in een democratie leven, waar het effectief zou kunnen dat 49,9% van de mensen totaal aan de kant worden geschoven door een dictatuur van de meerderheid. Om dat tegen te gaan, hebben we een liberale democratie gecreëerd, waarbij het liberale aspect net die individuele onvervreemdbare vrijheden moet garanderen, onttrokken aan de democratische beslissingsbevoegdheid.

Ik schrijf het er in deze blogpost maar bij, omdat ik de indruk heb dat maar relatief weinig mensen de basisbeginselen van een democratie kennen, laat staan van onze liberale democratie.