De rol van toeval in succes wordt onderschat

Mensen met veel succes hebben gemiddeld gezien meer geluk gehad dan mensen zonder succes en het is dus rechtvaardig om topsucces meer te belasten en gewone prestaties minder. In de discussies over een tax shift moet hier rekening mee gehouden worden.

 

Vorig jaar gaf Ben Bernanke, de toenmalige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, een speech voor de afgestudeerden van de elite-universiteit Princeton. In deze voortreffelijke speech sprak de machtige econoom ook over het concept succes.

Bernanke stelde dat je als individu al veel geluk hebt als je met talent en een goede gezondheid in een ondersteunend gezien geboren wordt, zoals ongetwijfeld voor vele Princeton-afgestudeerden het geval is. In een meritocratie zoals onze maatschappij tracht te zijn, heb je dan echter dubbel geluk: je hebt niet enkel talent en steun (wat op zich al heel aangenaam is), je zal in een meritocratie ook nog eens het meest succesvol worden. Een dergelijk systeem kan volgens Bernanke enkel de ethische toetsteen doorstaan als de “gelukzakken” hun geluk delen.

Dat is een visie die ingaat tegen de idee dat succesvolle mensen hun succes volledig aan zichzelf te danken hebben. Marc Coucke heeft zijn zakenimperium zelf van de grond opgebouwd, toch? Het is hard werk, talent en durf dat Coucke onderscheidt van de rest. En in plaats van afgunstig te zijn, moeten we ervoor zorgen dat we meer zulke succesvolle zakenmensen hebben.

Dergelijke uitspraken missen een belangrijk punt: er zijn al veel mensen met talent die hard werken en risicio durven te nemen. Het enige wat hen onderscheidt van Marc Coucke is de factor toeval, die in dit geval wel heel gunstig was voor Coucke, maar die dat niet is voor al die andere hardwerkende, talentvolle mensen.

De “self-made” man die volledig zelf zijn succes opgebouwd heeft, bestaat dan ook niet. Om succesvol te zijn, heb je dingen nodig waar je zelf geen verdienste aan hebt: talent, goede gezondheid en een ondersteunende omgeving; ook gunstige marktomstandigheden heb je niet in de hand. Dat alles vraagt geluk, en een paar uitzonderingen zullen statistisch gezien heel veel geluk hebben. En uiteraard moet je voor dat succes ook hard werken en risico nemen, maar er zijn veel mensen die hard werken en risico nemen zonder (top)succes.

Paul Krugman merkte terecht op dat de speech van Bernanke toont dat hij een Rawlsiaanse visie heeft op het leven “waarin je over het leven denkt als een loterij waarin je een lotje trekt waarop onder meer aangegeven staat wat je genetische aanleg en de rijkdom van je ouders zijn”. Om te komen tot een rechtvaardige maatschappij moet je dan de regels van die maatschappij zetten alsof je nog niet weet wat op je lotje staat. Je weet dus niet of je man of vrouw zal zijn, rijk of arm, talentvol of niet, geboren in een kansarm of kansrijk gezin, enzovoort. Je zit als het ware onder de ‘sluier der onwetendheid’.

Dat gedachte-experiment van de politiek filosoof John Rawls is volgens mij een essentieel hulpmiddel om tot een rechtvaardige maatschappij te komen. De “gelukzakken” van de 21ste eeuw hebben veel van dat geluk immers voor hun hele leven. Het kan dus dat ze vergeten zijn dat ze geluk hebben, omdat ze dat al heel hun leven gewend zijn, of omdat het aangenamer is te denken dat je succes niet in grote mate toevallig is. Rawls dwingt je om, als je het gedachte-experiment correct uitvoert, je in de plaats te stellen van de minder fortuinlijken.

Rawls zelf stelde dat de uitkomst van het gedachte-experiment was dat je de situatie van de minstbedeelden maximaal verbetert. Dat doe je door herverdeling, waarbij de succesvollen hun geluk delen met de anderen.

Natuurlijk is die herverdeling beperkt, aangezien er anders geen prikkel is om hard te werken en risico te nemen, twee factoren die, naast geluk, ook noodzakelijk voor succes. Hard werk en risico worden soms als enige of voornaamste factoren beschouwd die bepalend zijn voor succes, ook voor topsucces, terwijl de rol van toeval soms sterk onderschat wordt. Ik denk dat als de rol van toeval correct wordt ingeschat, dit vanzelf zal leiden tot een tax shift, waarbij lage inkomens (die in België al heel veel belastingen betalen) minder belast worden en hoge inkomens meer.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Interview – ‘Een belegging mag geen gok zijn’

Hieronder een interview in de Standaard met mij in hun rubriek ‘Porte-feuille’.

‘Een belegging mag geen gok zijn’

10/06/2013 – interview door Michiel Leen

Als voorzitter van de denktank Liberales bezint Andreas Tirez zich over de mate waarin beleidsmakers kunnen ingrijpen in de markt. Als economieblogger focust hij op de cijfers. Als belegger tracht hij de rede te laten primeren op de emotionaliteit. ‘Ik maak louter rationeel te verantwoorden keuzes.’

Wat is de reikwijdte van uw blog?

‘De focus ligt op de cijfers: opinions are cheap, facts are expensive. De boutade wil dat je met cijfers alles kunt bewijzen, maar een gefundeerde statistiek is tenminste een basis voor een discussie. Ik schrijf ook voor Liberales, daar gaat het meer over filosofische, ethische en politieke discussies.’

Welke thema’s behandelt u?

‘België keert geregeld terug. Volgens mij wordt de Belgische constructie te negatief gepercipieerd in de Vlaamse publieke opinie. Zeker macro-economisch kun je vaststellen dat ons land het eigenlijk niet zo slecht doet. België is al decennialang verlost van zijn etiket “zieke man van Europa”. Er bestaan genoeg interessante gegevens, onder andere van de Europese Commissie en de Oeso, om dat te staven.’

‘Ook aan sociale mobiliteit en gelijke kansen hecht ik veel belang. Ik focus op kansenongelijkheid, meer dan op inkomensongelijkheid. Talent drijft immers niet zomaar boven: het heeft ondersteuning en kansen nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Daarvoor is nog te weinig aandacht. De publieke opinie heeft te weinig oog voor de rol die toeval speelt bij het welslagen.’

Wordt binnen Liberales veel over de economische crisis ­gedebatteerd?

‘De discussies gaan vooral over de vrije markt, die onder druk zou staan. We erkennen dat een vrije markt regels nodig heeft, al blijft de vraag hoeveel precies. Daarover lopen de meningen nogal uiteen. Het initiatief moet bij individuen en ondernemers blijven, het is niet de overheid die bussen moet laten rijden.’

Hoever kan een overheid dan gaan in het reguleren van het bankwezen?

‘In het huidige klimaat, met banken die too big to fail zijn, is er per definitie geen sprake van een vrije markt. In een vrije markt zouden banken die slecht beheerd worden of brute pech hebben, over de kop gaan. Hun marktaandeel zou worden ingenomen door andere banken.’

‘Wanneer overheden bijspringen om banken in moeilijkheden te redden, is kritiek op het idee van een staatsbank niet zo evident. De markt is sowieso al verstoord, met geprivatiseerde winsten en gesocialiseerd verlies.’

Bent u zelf als belegger actief?

‘Samen met enkele vrienden ben ik actief in een kleinschalig beleggersclubje. Onze stelregel is dat de keuze voor een bepaalde belegging geen gok mag zijn. Dus geen buikgevoel, we maken louter rationeel te verantwoorden keuzes.’

‘Aan elke aankoop die we doen, gaat een fundamentele analyse vooraf. Daarna begint het gepalaver: “Waarom is jouw fundamentele analyse beter dan de mijne?”.’

‘Toen we met de club begonnen, volgde ik een cursus financiële economie. Een van de professoren van wie ik toen les kreeg, toonde zich sceptisch. Hij raadde aan ­indexfondsen te kopen, want daardoor zit je steeds in het midden van wat aandelen doen. Als beginneling kun je het dus even goed of beter doen dan het gemiddelde van de professional. Gewoon door “de markt te kopen” via die indexfondsen. Voor enkele honderden euro’s hebben we in mei 2009 fondsen uit de S&P 500 gekocht, om het spel te leren. Dat pakket heeft goed geboerd.’

Ondanks de crisis hebben jullie dus winst gemaakt?

‘Ja, toen wij ermee begonnen, kropen de beurzen stilaan uit het diepe dal. Maar of we nu winnen of verliezen, we zullen er geen boterham minder om eten. Ons gaat het om het leerproces, de discussies waarin we elkaar moeten overtuigen van het feit dat de volgende aankoop géén gok is, maar een ­beredeneerde keuze.’

Hebben jullie een ethische richtlijn, beleggingen die al vooraf uitgesloten zijn?

‘Nee. Ik weet ook niet of “ethisch” beleggen de beste hefboom voor verandering is. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om de reductie van CO2, zie je toch dat Europese richtlijnen die voor iedereen gelden, een grotere impact hebben. Wanneer je de CO2-reductie overlaat aan “ethische” beleggers, worden zij gestraft door het concurrentiële nadeel dat ze ondervinden van bedrijven die daar niet wakker van liggen. Dat kun je doortrekken naar andere domeinen.’

‘Het is beter te streven naar een algemene regelgeving die voor iedereen geldt. De discussie over ethisch beleggen is echter geen zwart-wittegenstelling. De ethische bezwaren die je zou kunnen hebben tegen investeren in de ­auto-industrie, zijn immers van een heel andere aard dan de bedenkingen bij investeringen in wapenfabrikanten.’

Wat beschouw je als je beste investering?

Persoonlijk beschouw ik mijn studie economie als mijn beste investering. Die vatte ik aan toen ik al aan het werk was, wat het soms wel zwaar maakte. Ik ben er erg tevreden over. Niet zozeer het geld, maar wel de tijd  en de energie die erin kropen, maakten het tot een investering. Maar de inzichten die je uit zo’n studie meebrengt, zijn van onschatbare waarde.

Slechtste investering?

Ik kan al niet over aandelen beginnen, want die heb ik niet in portefeuille. Ik heb nog nooit iets gekocht, louter voor de speculatie. Daardoor heb je ook nooit het gevoel dat het tegenvalt met de winst. Ik koop graag boeken en muziek, dat zou je als pure consumptie kunnen beschouwen, maar zelf beschouw ik het eerder als investering, zeker boeken; en daar zit wel al eens een miskoop bij. Vooral de verspilde tijd beschouw ik dan als een slechte investering. Speculeren op een toekomstige meerwaarde doe ik sowieso niet.

De rol van toeval in succes wordt onderschat

Afgelopen zondag gaf Ben Bernanke een speech tijdens de afscheidsceremonie voor de pas afgestudeerden van Princeton University, één van de topuniversiteiten van de VS. Bernanke is voorzitter van de Amerikaanse centrale bank en bijgevolg één van de belangrijkste personen voor de wereldeconomie. In zijn speech doet hij tien suggesties aan de jonge afgestudeerden over het Leven Zelve, en een paar zijn niet onopgemerkt gebleven.

Vooral zijn passage over succes trok de aandacht. Tegen deze jonge mensen die ongetwijfeld een succesvolle carrière tegemoet gaan zegt hij dat ze gewoon geluk gehad hebben door met de juiste talenten in het juiste gezin geboren te worden, en dat ze dat geluk moeten delen. Een citaat:

Het concept van succes brengt me tot de zogenaamde meritocratie en haar implicaties. Ons is geleerd dat meritocratische instellingen en maatschappijen rechtvaardig zijn. Als we abstractie maken van het feit dat er geen enkel systeem, ook het onze niet, echt volledig meritocratisch is, dan kan het zijn dat een meritocratie rechtvaardiger en efficiënter is dan sommige alternatieven.

Maar rechtvaardig in absolute zin? Denk eens na. Een meritocratie is een systeem waarin mensen die het meeste geluk hebben met hun gezondheid en genetische aanleg; het meeste geluk  hebben wat betreft steun van hun gezin, aanmoediging, en, waarschijnlijk, inkomen; het meeste geluk hebben in onderwijs- en carrièrekansen; en het meeste geluk hebben op zo veel andere vlakken die moeilijk op te noemen zijn– en het zijn deze mensen die de grootste beloning krijgen.

De enige manier dat zelfs een vermeende meritocratie kan hopen om de ethische toetsteen te doorstaan, om als rechtvaardig beschouwd te worden, is als deze die het meeste geluk gehad hebben op al die vlakken, ook de grootste verantwoordelijkheid hebben om hard te werken, om bij te dragen tot een betere wereld, en om hun geluk te delen met anderen.

(eigen vertaling)

Voor Paul Krugman maakt het bovenstaande citaat duidelijk dat Bernanke voorstander is van een veel hogere belasting op toplonen. Want, zo stelt Krugman, Bernanke getuigt met deze passage van een Rawlsiaanse visie op de wereld, “waarin je over het leven denkt als een loterij waarin je een lotje trekt waarop onder meer aangegeven staat wat je genetische aanleg en de rijkdom van je ouders zijn”. Om te komen tot een rechtvaardige maatschappij moet je dan de regels van die maatschappij zetten alsof je nog niet weet wat op je lotje staat. Je weet dus niet of je man of vrouw zal zijn, rijk of arm, talentvol of niet, geboren in een kansarm of kansrijk gezin, enzovoort. Je zit als het ware onder de ‘sluier der onwetendheid’.

Volgens Rawls zal je dan onder meer tot de regel komen dat de minstbedeelden het zo goed mogelijk moeten hebben. Dat kan via herverdeling door hogere en topinkomens te belasten. Echter ook niet te veel, want dan ontmoedig je dat er veel gewerkt wordt en is er minder te herverdelen. Het rechtvaardigheidsvraagstuk wordt dan een vraag naar de optimale belastingsstructuur. En volgens Krugman zijn er degelijke studies die aangeven dat in de VS de marginale belasting naar 73% mag gaan op lonen boven 400.000 dollar per jaar. De reden is dat mensen die heel veel verdienen het niet echt voelen dat ze sterk belast worden.

De rol van toeval is dus sterk bepalend in het succes, en dus mag je topsucces ook sterk belasten. Deze conclusie wordt volgens mij nog door minstens twee zaken versterkt. Ten eerste wat betreft de financiële prikkel om hard te werken. Zoals Krugman terecht aanhaalt speelt dit minder mee als je echt heel veel verdient. Het nut van een extra euro inkomen vermindert immers als je al heel veel hebt. Maar er is ook de factor onzekerheid: als je een gewoon loon hebt, dan kan je meestal vrij goed voorspellen hoeveel je extra zal verdienen als je een uur langer werkt, door bijvoorbeeld iets in bijberoep te proberen. Dat is veel minder het geval als je een toploon hebt. Je zal dan waarschijnlijk al sowieso hard en veel werken, maar het effect van hard werk op het loon is ook veel minder duidelijk. De onzekerheid over het toekomstig inkomen van de ambitieuze CEO  of de startende ondernemer is immers groot. Met hard werk en veel talent is de kans groter dat deze persoon veel zal verdienen, maar of dat nu 200.000 euro of 500.000 euro is, is bijna niet te voorspellen, laat staan meer dan 1 miljoen. De link tussen inspanning en verloning wordt zwak vanaf een bepaald inkomensniveau.

Ten tweede, het is duidelijk dat topverdieners hard werken en vaak ook risico nemen. Dan mogen ze natuurlijk ook goed verloond worden. Maar het is een misvatting dat enkel topverdieners hard werken en risico nemen. Er zijn ook veel talentvolle mensen die veel minder verdienen, maar toch hard werken en risico nemen. Dat je het uiteindelijk maakt tot in het topsegment vereist niet alleen hard werk en talent, maar ook het nodige geluk.

Een mooi voorbeeld komt van Malcolm Gladwell. Hij analyseerde de lijst van de 75 rijkste mensen ooit, beginnende bij de farao’s en zo tot Bill Gates. Hij stelt vast dat er 9 van de 75 personen geboren zijn in een tijdspanne van 10 jaar. Het gaat om Amerikanen die geboren zijn tussen 1831 en 1840 en die hun fortuin gemaakt hebben tijdens een periode in de geschiedenis waarbij de economie een gigantische ontwikkeling kende. Waarschijnlijk namen industriëlen zoals Rockefeller risico en bulkten ze van het talent. Ook zullen ze hard gewerkt hebben voor hun succes. Maar iemand vóór 1830 geboren was wellicht te oud om de transformatie te kunnen vatten en de kansen te zien, en na 1840 was je te laat. Er is geen zinnig mens die kan beweren dat enkel tussen 1830 en 1840 zulke genieën en hardwerkende, risiconemende ondernemers werden geboren. En dat is algemeen zo: ja, succes kan niet zonder talent en hard werk, maar eens voorbij een bepaald niveau betekent meer succes ook meer toeval. Het is ook een thema dat Obama aanhaalde in zijn befaamde  ‘You didn’t build that’-speech van Obama.

We zijn het niet gewend om topsucces te wijten aan toeval. Er wordt meestal enkel verwezen naar hard werk en talent, zeker door zij die aan de top staan. Maar dat is waarschijnlijk wel hoe de wereld in elkaar zit. En blijkbaar beseft de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank dat ook. En het is niet dat topsucces niet gegund wordt. Integendeel, de toptalenten moeten zoveel mogelijk hun ding kunnen doen; dat is, aldus Bernanke, zelfs hun verantwoordelijkheid. Maar wel in het besef dat als het (extreem) goed lukt, dat dat voor een (groot) deel aan toeval te wijten is.

Over dit onderwerp schreef ik vorig jaar deze blogpost ‘Over toeval, toplonen en Rawls’. De blogpost is een uitgebreide onderbouwing voor mijn steun voor de Hollande-taks van 75% op inkomens boven 1 miljoen euro en een verlaging van de belasting op middeninkomens. 

Deze tekst verscheen eerst op Liberales.

Over toeval, toplonen en Rawls

Een pleidooi voor een hogere belasting op toplonen en een lagere belasting op middenlonen

1. Inleiding

In een column voor Liberales en MO* stelde ik dat een marginale taks van 75% op inkomens boven 1 miljoen euro rechtvaardig is. Daar is heel wat reactie gekomen, zowel door leden van LVSV (zie de Facebook van LVSV Leuven), als binnen Liberales. Als reactie hierop onderbouw ik mijn stelling op een meer fundamentele manier.

Vooraf wil ik nog eens duidelijk maken dat mijn tekst ging over een budgetneutrale maatregel, met andere woorden als de belasting op inkomens boven 1 miljoen verhoogd wordt van de huidige 50% naar 75%, dan moet elders het tarief verlaagd worden. In België betalen we reeds het hoogste marginale tarief van 50% op alles wat boven een belastbaar jaarinkomen van ongeveer 35.000 euro ligt (de belastingschijven worden jaarlijks aangepast aan de inflatie). Letterlijk schreef ik in mijn column: “We aanvaarden een stijgende marginale taks tussen 0 en 35.000 euro, maar niet tussen 35.000 euro en één, twee of vijf miljoen. Waarom eigenlijk? Rechtvaardiger zou zijn om de 50% pas vanaf pakweg 70.000 euro te innen en vervolgens de belastingvoet gradueel te laten stijgen tot 75% vanaf één miljoen euro.”

Met andere woorden, gegeven dat de overheid een bepaalde hoeveelheid geld moet innen via belastingen, dan betoog ik dat dit rechtvaardiger kan door topinkomens zwaarder te belasten en tegelijk anderen minder te belasten.

Sommigen stelden dat ik ook over de inkomstenzijde van de overheid moet praten. Maar als je praat over de inkomsten en dus eerst wil bepalen hoeveel inkomsten een overheid nodig heeft, dan voer je een discussie over de kerntaken van de overheid. Dat lijkt me een zeer belangrijk debat, wat te weinig gevoerd wordt (zelf heb ik er hier, hier en hier over geschreven). Maar zelfs indien je het zou eens geraken wat de kerntaken zijn van de overheid, dan nog moet je daarna weer bepalen hoe die kerntaken gefinancierd worden. Je komt dus vroeg of laat in de discussie wat en tegen welk tarief je gaat belasten.

 

2. Het gedachte-experiment van Rawls

Bij de meer fundamentele onderbouw is mijn leidraad het gedachte-experiment van John Rawls dat hij in zijn boek A Theory of Justice (1971) ontwikkelde. In dat gedachte-experiment laat Rawls rationele individuen beslissen welke maatschappelijke regels ze willen. Belangrijk daarbij is dat de rationele individuen nog niet weten welke positie ze gaan innemen in de maatschappij. Ze weten dus niet of ze man of vrouw zullen zijn, rijk of arm, talentvol of niet, geboren in een kansarm of kansrijk gezin, enzovoort. Ze zitten als het ware onder de ‘sluier der onwetendheid’.

Volgens Rawls zullen de volgende maatschappelijke regels uit het gedachte-experiment komen (zie wikipedia):

  • Eerste principe – Aan iedere persoon komt een gelijk recht toe op een zo uitgebreid mogelijk totaalsysteem van gelijke basisvrijheden, dat in overeenstemming is met een gelijkaardig systeem van vrijheid voor allen.
  • Tweede principe – Sociale en economische ongelijkheden moeten zodanig worden ingericht dat ze zowel:
    1. in het grootste voordeel zijn van de minst gegoeden, en
    2. verbonden zijn met functies en betrekkingen die openstaan voor allen onder de voorwaarden van eerlijke gelijkheid van kansen.

Het eerste principe maakt dat men Rawls een liberaal noemt: hij geeft zoveel mogelijk vrijheden aan elke persoon, niet aan een groep of gemeenschap. Het tweede principe laat toe dat er sociale en economische ongelijkheden zijn, maar enkel als (1) deze ongelijkheden het meest  ten goede komen aan de minstbedeelden (maximaliseren van het minimum of ‘maximin’) en (2) als deze posities en ambten (die de sociale en economische ongelijkheden creëren) voor iedereen open staan onder voorwaarden van eerlijke gelijke kansen.

De voorwaarde van gelijke kansen moet eerst vervuld worden, en dan pas het verbeteren van de minstbedeelden: je kan dus de toegang tot een ambt of positie niet beperken, ook al zou daardoor de situatie van de minstbedeelden verbeteren. Bovendien is de gelijkheid van kansen geen formele eis, maar moet dit in de praktijk effectief gegarandeerd zijn.

Dit gedachte-experiment is zeer krachtig, omdat het louter op basis van rationele gronden zegt hoe een maatschappij rechtvaardig moet georganiseerd worden. Dat betekent niet dat hiermee de discussie over rechtvaardigheid definitief opgeborgen is, maar Rawls heeft zeker voor een cesuur gezorgd: als je na Rawls’ boek nog over rechtvaardigheid wil praten, dan moet je ook over zijn gedachte-experiment praten. Al is het maar om aan te geven waarom je er niet mee eens bent.

Zelf aanvaard ik de uitkomst van het gedachte-experiment. De kracht zit hem in de ‘sluier der onwetendheid’: mensen weten niet in welke positie ze gaan terecht komen. Daardoor wordt impliciet rekening gehouden met iets wat iedereen weet, maar velen toch negeren: dat de omgeving en de talenten die je krijgt bij de geboorte geen enkele individuele verdienste zijn: dat is puur toeval.

Sommigen gaan zelfs zo ver door te stellen dat de neiging om al dan niet hard te werken ook aangeboren is en/of door je omgeving bepaald. We komen dan in een situatie dat de vrije wil en de individuele verantwoordelijkheid naar nul gereduceerd worden. Dat is bijvoorbeeld de stelling van Jan Verplaetse in ‘Zonder Vrije Wil’; ook bijvoorbeeld Karel De Gucht zegt “vrijheid een nuttige illusie is”. Maar zelfs indien de neiging om hard te werken genetisch of door de omgeving bepaald wordt, dan nog is een belastingsysteem met de juiste prikkels nodig om mensen te doen werken.

In wat volgt ga ik eerst de positie van de minstbedeelden behandelen, daarna gelijke kansen en ten slotte de politieke vrijheid.

 

3. De minstbedeelden

Volgens Rawls vinden rationele individuen het niet rechtvaardig dat iemand de vruchten plukt van iets waarvoor hij geen enkele verdienste heeft en die hij louter op basis van toeval verworven heeft. Ze zullen ervoor kiezen om de zaken die zuiver op basis van toeval verdeeld worden, terug te herverdelen in het voordeel van de minstbedeelden (op voorwaarde dat dit in het voordeel van de minstbedeelden is – zie later). Als je aanneemt dat iemand die meer dan 1 miljoen euro verdient (de “topverdiener”) meer toeval gehad heeft dan iemand die meer dan 35.000 euro verdient (maar minder dan 1 miljoen – de “middenklasser”), dan is het volgens de rationele individuen rechtvaardig om de topverdiener meer te belasten.

Maar hoeveel meer? In eerste instantie zou je kunnen redeneren dat er moet herverdeeld worden tot “iedereen evenveel” heeft: op dat moment heeft de minstbedeelde zoveel als de meestbedeelde. Maar toch is dit niet in het voordeel van de minstbedeelde, omdat als er sowieso herverdeeld wordt tot “iedereen evenveel” heeft, niemand nog een prikkel heeft om zijn talent te ontwikkelen, om te werken noch om te ondernemen. En dan valt er niets te herverdelen, want niemand doet nog wat.

Dus zelfs als iemand geboren is met weinig talent, dan nog is het in zijn voordeel dat zij die wél met talent geboren zijn, prikkels krijgen om dit talent te ontwikkelen, te werken en te ondernemen. Meer nog, vooral zij die talent hebben moeten aangezet worden om zich te ontwikkelen en hard te werken. We willen dus een herverdeling voor de minstbedeelden, maar tegelijk hebben we sociale en economische ongelijkheid nodig. Het is dus in het voordeel van de minstbedeelden dat de juiste prikkels gegeven worden zodat er zoveel mogelijk welvaart gecreëerd wordt. De vrije markt blijkt daar een uitstekend instrument voor te zijn: talent dat schaarser is (en dus relatief meer nodig), wordt beter vergoed. Het geeft tegelijkertijd aan mensen die hun talent nog moeten ontwikkelen, een duidelijk signaal welk talent er goed vergoed wordt en dus zullen meer mensen eerder dat talent ontwikkelen dat het meest nodig is, waardoor er meer welvaart kan gecreëerd worden.

Om te herverdelen heb je een progressieve belasting nodig (een vlaktaks met belastingvrije som is ook progressief; een subsidie is een negatieve belasting). Een dergelijke maatschappij vindt een herverdeling die de inkomensongelijkheid vermindert in het voordeel van de minstbedeelden bijgevolg waardevol.

Ons huidig belastingssysteem heeft vanaf 35.000 euro een constante marginale taks van 50%. De vraag is of dit belastingsysteem de juiste prikkels geeft zodat de positie van de minstbedeelden gemaximaliseerd kan worden. Dit vraagstuk naar rechtvaardigheid wordt zo een vraagstuk naar efficiëntie:

  • als we de topverdieners sterker belasten (om te herverdelen naar de minsbedeelden toe), heeft dit dan een negatieve impact op de economische groei, waardoor de minstbedeelden uiteindelijke nog slechter af zijn: het stuk van de taart voor de minstbedeelden is wel relatief groter, maar de totale taart is kleiner, zodat hun stuk uiteindelijk kleiner is in absolute grootte?
  • Of omgekeerd: als we de topverdieners minder belasten (met minder geld om te herverdelen voor de minstbedeelden), heeft dit dan een positieve impact op de economische groei, waardoor de minstbedeelden uiteindelijk nog beter af zijn: het stuk van de taart voor de minstbedeelden is wel relatief kleiner, maar de totale taart is groter, zodat hun stuk uiteindelijk groter is in absolute grootte?

In het verleden zijn de marginale belastingsvoeten voor topverdieners in verschillende landen drastisch gedaald. Uit onderzoek van Pikkety et al (2011) blijkt dat de verlaging van de belastingen voor topverdieners geen significant effect heeft gehad op de groei. De onderstaande figuur komt uit hun onderzoek. De figuur toont op de verticale as de gemiddelde jaarlijkse economische groei van de jaren ‘70 tot de jaren 2000; de horizontale as geeft de verandering van de hoogste marginale taks voor dezelfde periode. We zien dat landen zoals de US en UK hun hoogste marginale taks drastisch verlaagd hebben, terwijl bijvoorbeeld Duitsland dit niet deed. Toch kenden US, UK en Duitsland ongeveer dezelfde economische groei. Het verlagen van de marginale taks heeft geen impact op de economische groei, dus zou het vice versa ook mogelijk kunnen zijn om de taks te verhogen zonder de economische groei te fnuiken (en zo de positie van de minstbedeelden te verbeteren).

Maar misschien zal de economische groei niet stijgen door de middenklasse minder te belasten zoals ik voorstel? Ik denk dat de belastingen op arbeid voor de middenklasse in België te hoog zijn en dat een verlaging de economische groei zou verbeteren. Een indicatie dat de belastingen te hoog zijn voor de middenklasse zijn de recente cijfers van de Oeso dat de inkomensongelijkheid in België de afgelopen 20 jaar niet gestegen is, maar tegelijk heeft de top1% een groter aandeel van het inkomen (van 6,3% naar 7,7%).

De onderklasse en de topklasse doen het dus relatief beter, wat erop wijst dat (een deel van) de middenklasse het relatief slechter doet. Een ander pijnpunt zijn de hoge loonkosten in België, veroorzaakt door de hoge RSZ-bijdragen en de hoge inkomensbelasting (met een marginale taks van 50% die reeds begint op 35.000 euro), in vergelijking met andere landen. Als hierdoor ondernemers effectief België links laten liggen of zelfs ontvluchten, dan is een verhoging van de belastingen voor deze groep uit den boze, want het zou de economische groei aantasten. Meer nog, gezien de relatief grote zwarte economie in België zou men moeten trachten de belastingen te verlagen voor deze groep.

Het bovenstaande zijn evoluties op macro-niveau. Maar ook op het individuele niveau is het duidelijk dat ons huidige belastingssysteem met een constante marginale taks van 50% vanaf 35.000 euro niet efficiënt en dus niet rechtvaardig is. En dat heeft veel met toeval te maken. Iemand die jaarlijks 35.000 euro verdient en een extra baantje neemt in het weekend om wat bij te verdienen kan met bijna 100% zekerheid zeggen hoeveel hij extra zal verdienen en dat zal quasi-volledig gelinkt zijn met hoe hard hij werkt, een beslissing die hij zelf in de hand heeft.

Het inkomen van een topverdiener, daarentegen, is veel meer variabel en veel meer onderhevig aan toeval. Dat de CEO zijn aandelenopties binnen vijf jaar 100.000 euro of 1 miljoen euro zullen zijn, kan misschien nog te danken zijn aan zijn inzet, maar of ze 1 miljoen, 2 miljoen of 136 miljoen euro waard zullen zijn, heeft hij veel minder in de hand. Om een jaarinkomen van 1 miljoen euro te verdienen moet sowieso hard gewerkt worden. Dat strookt met de vaststelling van Marc Buelens (Vlerick school) dat er nog nooit een verband is aangetoond tussen hoge lonen van CEO’s en betere prestaties van een bedrijf (link).

Maar wat met zij die een carrière als CEO of topverdiener ambiëren, maar het nog niet zijn? Deze markt is door de globalisering veel competitiever geworden, waardoor CEO’s en andere topverdieners in een winner-take-all-market terecht gekomen zijn (zoals de financiële wereld; zie het gelijknamige boek van Frank en Cook). In dit soort markten verdienen de mensen aan de top heel veel, in vergelijking met de mensen net onder hen. Toch zijn de kwaliteitsverschillen tussen de eerste en de tweede maar miniem. Dat lijkt op het eerste gezicht te wijzen op een slecht werkende arbeidsmarkt voor CEO’s, maar dat hoeft niet zo te zijn: volgens Frank en Cook is er een economische logica voor het grote loonsverschil tussen de eerste en de tweede. De CEO heeft door de globalisering ook een grotere verantwoordelijkheid (groter bedrijf, hardere concurrentie), dus een miniem verschil in talent kan wel wel degelijk een significante impact hebben. En ook al weet je dat niet zeker, er staat zoveel op het spel dat je liever het zekere voor het onzekere neemt.

Maar voor de talentvolle would-be-CEO’s is het onmogelijk om te voorspellen wie onder hen de race naar de top wint, zelfs als die selectie louter op basis van talent gebeurt, juist omdat de verschillen in talent zo klein zijn en het dan nog eens moeilijk te detecteren is wie dat extra talent dan wel heeft. Met andere woorden, de onzekerheid over het toekomstig inkomen van de ambitieuze CEO-in-wording (en ook voor de startende ondernemer) is groot. Met hard werk en veel talent is de kans groot dat deze persoon veel zal verdienen, maar of dat nu 200.000 euro of 500.000 euro is, is bijna niet te voorspellen, laat staan meer dan 1 miljoen. De link tussen inspanning en verloning valt weg vanaf een bepaald inkomensniveau. Enkel als kandidaat-grootverdieners hun kansen op mega-succes massaal zouden overschatten (en dus de toevalsfactor zouden wegrationaliseren), zal er een dalend effect zijn op de instroom van kandidaat-grootverdieners, maar als er een massale zelfoverschatting van succes is, impliceert dit ook een te grote instroom van kandidaten in de winner-take-all markten en dan is de arbeidsmarkt niet meer efficiënt. Het resultaat van een hoge marginale taks op grootverdieners heeft dan net een positief effect op de marktefficiëntie (dat is trouwens ook een veel gehoorde klacht over de financiële wereld: omdat er zoveel meer te verdienen valt dan in andere sectoren, trekt het een overmatig groot deel van de meest talentvolle werknemers aan, ten kost van de economische prestaties in die andere sectoren).

De link tussen hard werk en succes is veel sterker wat betreft de ‘gewone’ carrières van werknemers en ondernemers. De kans dat geschoolde werknemers een hoger loon dan gemiddeld krijgen is hoog (Cuhna e.a. tonen aan dat 60% van de variabiliteit in de opbrengst van een opleiding voorspelbaar is). De veel sterkere link tussen inspanning en beloning zorgt ervoor dat velen proberen te slagen in een opleiding. Dat een geschoolde werknemer meer verdient is immers niet zo toevallig.

Ons belastingssysteem met een constante marginale taks van 50% vanaf een jaarinkomen van 35.000 euro is dus niet rechtvaardig, omdat het niet de juiste prikkels geeft. Zowel voor iemand die een extra baantje wil als voor de aansporing om een opleiding te volgen om zo je productiviteit te verhogen, is deze belasting te hoog in vergelijking met dezelfde taks voor topinkomens waarbij de link tussen inspanning en loon minder sterk is vanaf een hoog inkomen.

Meer nog, een lagere belasting voor de middenklasse, gefinancierd door een hogere belasting op de topinkomens, zou het ondernemersschap zelfs kunnen stimuleren. Een cijfervoorbeeld: stel dat de kans dat een beginnende ondernemer slaagt 50% is. Als hij slaagt, verdient hij in 49,9 van de 50 gevallen 100.000 euro extra en in 0,1 op 50 gevallen verdient hij 2 miljoen euro extra (wat me nog zeer optimistisch lijkt). In het huidige scenario (met een marginale taks van 50% voor beide inkomens) is zijn verwachte winst = 0.499 * 50% * 100.000 + 0.001*50% * 2.000.000 = 25.950 euro. Als er echter een belasting van 75% wordt ingesteld voor inkomens boven 1 miljoen euro en met die opbrengst de marginale taks van 50% verlaagd wordt naar 49% is zijn verwachte winst hoger, namelijk 26.200 euro. Ja, zijn nettowinst is lager als hij echt heel succesvol wordt (veel meer dan 2 miljoen euro), maar die kans is verwaarloosbaar: de ondernemer zal vooral kijken naar de winst die hij redelijkerwijs mag verwachten indien hij succesvol is.

Gegeven dat de overheid een bepaald inkomen nodig heeft, is het bijgevolg rechtvaardiger om echt hoge inkomens (bijvoorbeeld boven 1 miljoen euro) meer te belasten en met die opbrengst de middenklasse minder belasten. Dat zal meer mensen aanzetten om hard te werken, zich te ontplooien en/of om risico te nemen, ook bij de onderklasse, omdat de winst van hard werk voor deze categorie ook hoger wordt indien de middenklasse minder belast wordt. Er zal ook wel een impact zijn op zij die meer dan 1 miljoen euro verdienen, maar door de grote onzekerheid van hun inkomen en de vereiste om sowieso hard te werken op dit niveau, zal de negatieve impact gecompenseerd worden door de positieve impact van de lastenverlaging voor de middeninkomens.

Voor de volledigheid: Diamond en Saez (pdf) hebben binnen de economische literatuur van de optimal tax theory een aantal effecten gekwantificeerd en komen voor de VS tot een optimale marginale taks van 78% op inkomens boven 400.000 dollar, als enkel rekening gehouden wordt met de reële economische impact (topverdieners gaan minder werken). Als je een meer realistische reactie van de topverdieners meerekent, waarbij dus ook een deel ontweken wordt ook al tracht de overheid dit tegen te gaan, dan kom je op 73%. Dat een hoog inkomen voor een groot deel door toeval verworven is, is op zich geen reden om dit te belasten. Zelfs als al het inkomen van succesvolle ondernemers toeval zou zijn, dan nog moet de ondernemer een groot deel van zijn inkomen kunnen behouden. De ondernemers hebben immers risico genomen en probeerden iets. Sommigen lukten, anderen niet. Trial and error dus, maar dat is wat we nodig hebben voor economische groei. Weinigen weten met zekerheid of iets zal aanslaan of niet en de vrije markt is de onverbiddelijke scheidstrechter. Dat is ook haar kracht: de vrije markt beslist wie met een goed product op de markt komt. Maar dat is zeer slecht voorspelbaar en dus moet er een grote beloning zijn als je durft en slaagt, al dan niet door toeval.

Tot slot, het thema van toeval en succes is zeer recent in de Amerikaanse actualiteit gekomen door een speech van Obama waarin hij zegt dat de succesvolle mensen steun gekregen hebben (leraars, ouders, overheidsinvesteringen in infrastructuur,…). Maar, zoals David Frum opmerkte, was dit eigenlijk niet zo controversieel omdat de meesten dit wel erkennen. Wat controversiëler is, is zijn uitspraak dat er veel hard werkende en slimme mensen zijn die niet zo succesvol zijn en dat je succes dus minstens deels verklaard wordt doordat je gewoon het toeval aan je kant had.

 

4. Gelijke kansen en sociale mobiliteit

Tot hier ging het over het maximaliseren van de positie van de minstbedeelden. Dat komt er grosso modo op neer dat je genoeg prikkels geeft aan mensen om te werken waarna je een herverdeling doet ten voordele van de minstbedeelden. Er is dan een trade-off: hoe meer je wilt herverdelen, hoe meer belastingen je moet heffen op de mensen met talent (de betere verdieners), waardoor deze minder gaan werken en er dus minder te herverdelen is. Er is ergens een optimum. Zoals hierboven gesteld ligt de optimale marginale belasting voor topverdieners hoger dan het momenteel is, maar voor gewone verdieners ligt het wellicht te hoog. Vandaar dus het pleidooi om de topverdieners meer te belasten en de middenklasse minder te belasten.

Maar dat pleidooi is gericht op de minstbedeelden. Uit het gedachte-experiment van Rawls volgt echter een nog belangrijkere regel, namelijk die van de fair equality of opportunity, of billijke gelijkheid van kansen. En voor Rawls is het niet voldoende dat er enkel in theorie gelijkheid van kansen is; de kansengelijkheid moet er ook in de praktijk zijn.

Hoe kunnen we weten of er in een maatschappij in de praktijk gelijke kansen zijn? Dat is -althans voor liberalen- vrij eenvoudig: we kijken in welke mate de positie van een individu bepaald wordt door zijn afkomst. En dat kan je meten aan de hand van hoeveel sociale (of economische) mobiliteit er is, namelijk de mobiliteit op de sociaal-economische ladder van een kind ten opzichte van zijn of haar ouders. Als die mobiliteit over alle klassen heen laag is, dan zijn er nauwelijks gelijke kansen; is de mobiliteit over alle klassen hoog, dan zijn er in hoge mate gelijke kansen.

Dat geldt natuurlijk enkel als je denkt dat er in alle individuen talent zit, ook al komen ze uit de lagere klassen. Liberalen, die de nadruk leggen op individuele verantwoordelijkheid, hebben een dergelijk mensbeeld. Vandaar dat in de mission statement van Liberales ook het volgende staat: “de leden (van Liberales) geloven in de kracht, de eigenheid en de zelfontplooiing van de mens om als ontvoogd individu zijn verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving“. Denk je niet dat elk individu de capaciteit en het talent heeft om zijn eigen leven vorm, dan is het liberalisme wel een heel wrange ideologie die mensen op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen.

Er zijn sterke aanwijzingen dat een stijgende inkomensongelijkheid een negatieve impact heeft op de sociale mobiliteit. In 2008 rapporteerde The Economist al over een Oeso-rapport dat concludeerde dat landen met een grotere inkomensongelijkheid ook een lagere sociale mobiliteit hebben (link) en begin dit jaar stond ditzelfde onderwerp centraal in een lezing van Alan Krueger, de hoofdeconoom van Obama (slides, tekst – zie ook de figuur). Krueger concludeert: “[T]he persistence in the advantages and disadvantages of income passed from parents to the children is predicted to rise by about a quarter for the next generation as a result of the rise in inequality that the U.S. has seen in the last 25 years. It is hard to look at these figures and not be concerned that rising inequality is jeopardizing our tradition of equality of opportunity. The fortunes of one’s parents seem to matter increasingly in American society.” (eigen onderlijning)

The GreatGastby Cruve – Uit de speech van de voorzitter van de Council of Economic Advisors, Alan Krueger, op 12 januari 2012 over ‘The Rise and Consequences of Inequality’

Er zijn al talloze studies gedaan naar de redenen van economische ongelijkheid. Het is onderhand duidelijk: talent drijft niet boven, maar moet actief opgezocht en gestimuleerd worden. De onderstaande figuur geeft een illustratie dat er geen gelijke kansen zijn. De gegevens betreffen Canada en Denemarken. Op de horizontale as is het percentielinkomen van de vader voorgesteld van hoog naar laag (volledig links de vader met het laagste inkomen van 100 vaders, volledig rechts de vader met het hoogste inkomen). De verticale as geeft het procentuele aantal zonen dat ooit in hetzelfde bedrif werkzaam was als de vader. Doorheen de hele inkomensverdeling schommelt dit rond de 40%, maar voor de topinkomens begint dit te stijgen, met een absolute piek voor de top1%-inkomens.

Een te hoge inkomensongelijkheid leidt dus tot sociale mobiliteit omdat de drempels te hoog worden voor wie vanonder moet beginnen. Dat betekent dat het talent uit de onderklasse niet of onvoldoende ontwikkeld kan worden, wat inefficiënt is. Dat is niet enkel onrechtvaardig voor de talentvollen uit de onderklassen, maar ook voor zij met veel minder talent (de minstbedeelden), omdat zo de koek te klein wordt. De Oeso heeft in haar rapport “Going for Growth” van 2010 dan ook expliciet opgenomen dat “Policy reform can remove obstacles to intergenerational social mobility and thereby promote equality of opportunities across individuals. Such reform will also enhance economic growth by allocating human  resources  to  their best use.

Bron: Corak 

En anekdotisch: het bovenstaande fenomeen van de zeer sterke link tussen het bedrijf van vader en zoon voor de topinkomens blijkt ook op te gaan voor de vader-zoon relatie in de Belgische toppolitiek: van de zes partijvoorzitters die het federale regeerakkoord onderhandelden en uiteindelijk goedkeurden, waren er drie wiens vader dit eerder gedaan hadden (De Croo, Michel, Tobback).

 

5. Politieke vrijheid

De politieke vrijheid van elk individu wordt bedreigd als er een grote concentraties is van macht en rijkdom. De elite heeft immers alle belang om de regels van de maatschappij zodanig te veranderen dat haar macht en rijkdom bestendigd blijft. Hoe groter die concentratie van macht en rijkdom hoe groter de prikkel om de wetten in hun eigenbelang te veranderen, maar ook hoe meer middelen ze hebben om dat na te streven. Progressieve belasting met een stijgende marginale taks voor hoge inkomens is een middel om dit gevaar te verminderen.

Deze gedachte is niet nieuw. In 1935 werd in de VS een marginale taks van 77% ingesteld. President Franklin D. Roosevelt verantwoordde dit door te stellen dat grote rijkdom betekent dat “great and undesirable concentration of control in relatively few individuals over the employment and welfare of many, many others.” Concentratie van rijkdom kan de vrijheid van anderen dus bedreigen.

In een democratie zou de concentratie van rijkdom niet mogen leiden naar concentratie van macht. Het median voter theorem stelt immers dat het de mediaan kiezer is die in een democratie de politieke agenda bepaalt, dus niet de extremen, of ze nu extreem arm of extreem rijk zijn.

Maar een andere theorie stelt net het omgekeerde, namelijk dat een kleine lobbygroep voordelen tracht te verkrijgen ten koste van een grote groep, zonder dat er extra welvaart gecreëerd wordt. Twee belangrijke recente voorbeelden zijn de brugpensioenregeling vanaf 52 jaar voor Bekaert en de Arco-deal waar elk modaal gezin ongeveer 500 euro voor zal betalen om de aandeelhouders van Arco te kunnen terugbetalen voor hun verlies (door de ondergang van Dexia – zie mijn column).

Deze vorm van diefstal, rent-seeking genoemd, is hardnekkig, juist omdat de lobbygroep relatief klein is waardoor de winst moet verdeeld worden onder een klein aantal, terwijl de kost wordt verdeeld over een grote groep, bij voorkeur de hele samenleving. Dat betekent dat de leden van de lobbygroep een sterke prikkel hebben om zich te organiseren en om lobbywerk te verrichten. En omdat de lobbygroep relatief klein is, is de organisatie bovendien nog eens gemakkelijker en kan je ook beter in het oog houden of iedereen zijn bedrage wel levert.

Voor zij die de kosten moeten dragen, namelijk alle belastingbetalers, zijn de kosten per individu vaak niet de moeite om er actie voor te ondernemen. En zelfs als het al gaat over redelijk wat geld per gezin, zoals de Arco-deal, dan nog heb je het vrijbuitersprobleem. Stel dat er iemand in slaagt om een betoging van 100.000 personen te organiseren tegen de Arco-deal en stel dat die deal door dit protest effectief wordt teruggedraaid, dan winnen alle deelnemers aan de betoging 500 euro. Dat is een mooie som geld om even te gaan betogen. Maar het probleem is dat alle andere belastingbetalers die niet aan de betoging hebben deelgenomen ook 500 euro winnen. Waarom dan gaan betogen? Laat de anderen maar betogen en als het lukt krijg ik wel een free ride.

Het is voor elk individu dus rationeel om niet te gaan betogen en te hopen dat anderen dat wel gaan doen. Maar als iedereen zo redeneert (en met de Arco-deal hebben we dat blijkbaar gedaan) dan doet niemand wat. Dit mechanisme werd al in 1965 beschreven door Mancur Olson, een Amerikaanse econoom, in zijn boek The Logic of Collective Action. Het is dus al decennia bekend en wel beschreven. Helaas is er niet zoveel aan te doen, tenzij een verplichting tot actie (of betaling) door de staat op te leggen. Maar in de voorbeelden die ik aanhaal is het net de staat die de rent-seeking toelaat.

Hoe meer rijkdom geconcentreerd wordt in een klein aantal personen, hoe sterker de prikkels van rent-seeking spelen: (1) hoe rijker, hoe meer er te winnen is (om bijvoorbeeld een belastingsvoordeel te verkrijgen), en (2) hoe kleiner het aantal mensen, hoe gemakkelijker het is om zich te organiseren en hoe kleiner het vrijbuitersprobleem speelt. Dit verhaal gaat niet over de top10%, of top1%, zelfs niet over de top 0,1%, maar wel over de top 0,01%. Het aandeel dat de top 0,01% naar huis neemt is in de VS de laatste 40 jaar vijf keer groter geworden (en hou er rekening mee dat de taart ook groter geworden is): Van 1970 tot 2010, Saez and Piketty tonen dat het aandeel van het totale inkomen dat naar

  • de top 1% gaat meer dan verdubbelde, van 9.03 naar 19.77 %
  • de top 0.1 % meer dan verdrievoudigde, van 2.78 naar 9.52 %
  • de top 0.01 % bijna vervijfvoudigde, van 1.00 naar 4.63 %.

In 2006 verdienden de 25 best betaalde hedge fund managers 13 miljard dollar, drie keer het inkomen van 80.000 leraars in de staat New York. In 2009 was dat al 25 miljard dollar (link).

Die machtsconcentratie heeft dan ook een impact op het politieke proces. Pikkety en Saez schrijven dan ook: “With higher income concentration, top earners have more economic resources to influence social beliefs (through think tanks and media) and policies (through lobbying), thereby creating some reverse causality between income inequality, perceptions, and policies.

Dat was onder meer duidelijk bij de Republikeinse voorverkiezingen in 2011 en 2012: meer dan de helft van de donaties kwam van 24 donors, in een land van 300 miljoen inwoners (link). En in totaal hebben tot nu toe 196 personen ongeveer 80% van het geld gegeven dat naar de super PAC’s gaat (politieke actie comité’s) (link). Eén donor, Sheldon Adelson, heeft al 10 miljoen dollar gegeven aan een pro-Romney comité en zou 100 miljoen dollar veil hebben om Obama te verslaan (link).

Het is moeilijk te bewijzen dat de grote donors effectief ook het beleid bepalen. Ik heb in ieder geval geen weet van rechtsreeks bewijs hiervoor. Wat deze donaties wél doen, is toegang kopen. De onderstaande figuur geeft het verband tussen de grootte van de donaties en de kans dat je in het Witte Huis ontvangen wordt. Dit verband is duidelijk: hoe meer je geeft, hoe waarschijnlijker het is dat je binnen mag.  

Bron: NYTimes

Deze politieke ongelijkheid kan al snel vervallen in een politieke onvrijheid. De economen Acemoglu en Robinson hebben er een heel boek aan gewijd (Why Nations Fail) en ze vatten het als volgt samen: “So here is the concern: economic inequality will lead to greater political inequality, and those who are further empowered politically will use this to gain a greater economic advantage by stacking the cards in their favor and increasing economic inequality yet further — a quintessential vicious circle.” (link)

Deze economen hebben het vooral over de VS waar de topinkomens gigantische proporties aannemen. Maar ook in België en vele andere landen heeft de top 1% een groter inkomensaandeel naar zich toegetrokken. De Oeso publiceerde onlangs gegevens (excel) waaruit blijkt dat het aandeel van de top 1% in België op minder dan 20 jaar met 23% is gestegen (van 6,3% naar 7,7% van het totaal inkomen).

Als er mogelijkheden zijn om de politieke ongelijkheid te verminderen zonder een grote marginale taks, dan vervalt dit laatste argument. Maar ik zie het niet.

Een belasting van 75 procent is rechtvaardig

In mei zijn het presidentsverkiezingen in Frankrijk. De kandidaat van de oppositie, de socialist François Hollande, lag lange tijd op kop in de peilingen. Enkele weken terug begon Sarkozy echter aan een remonte en nu worden de twee tenoren in elkaars buurt gepeild. Het is in deze context dat Hollande zijn controversieel plan bekend maakte om een taks van 75 procent in te stellen voor inkomens boven 1 miljoen euro. Het werd door zijn tegenstanders dan ook snel afgedaan als een geïmproviseerde, populistische zet, getuigend van amateurisme en naïviteit.

Wat dat laatste betreft is de redenering dat Frankrijk met een dergelijke taks boven alle andere Europese landen zou uitsteken: Zweden heeft met 56,5 procent de hoogste topbelasting, Duitsland zit op 47,5 procent en Frankrijk momenteel op 41 procent met een tijdelijk extra van 3 en 4 procent voor inkomens boven respectievelijk 250.000 en 500.000 euro. De geviseerde rijken kunnen dus gemakkelijk de grens oversteken. Bovendien zou de taks maar 200 miljoen euro opbrengen.

Een deuk in een pakje boter dus. Maar dat zijn argumenten over de efficiëntie van de belasting. Belangrijker is om eerst na te gaan of de belasting rechtvaardig is: mag een overheid jaarlijks driekwart van het inkomen onder dwang afnemen van een individu, ook al is dat pas op het deel boven 1 miljoen euro? Als dat zo is, dan worden de efficiëntie-argumenten belangrijk. Zoniet hoeven we er zelfs niet over te discussiëren.

Risico, talent en hard werk

Om de rechtvaardigheid te kunnen nagaan, moeten we weten hoe iemand een jaarinkomen van meer dan 1 miljoen euro kan vergaren. Stel je een ondernemer voor die een bedrijf opstart en eigen spaargeld gebruikt als startkapitaal, ondanks het grote risico. Vervolgens werkt hij of zij jaren keihard en wordt het bedrijf, dankzij het talent van de ondernemer, erg succesvol waarna deze zich een loon kan uitbetalen tot ver boven 1 miljoen euro. Ik maak me sterk dat ik hier het meest voordelige voorbeeld tégen de 75-procenttaks neem. Als het rechtvaardig is om van deze hardwerkende ondernemer driekwart af te nemen, dan mag het zeker bij de anderen die hun positie met meer geluk hebben verworven.

Het is duidelijk dat de ondernemer veel van het succes verdiend heeft: veel talent, risico genomen en hard gewerkt. Maar zoals ik in een eerdere column voor MO.be schreef, er is ook een deel van het succes niet verdiend: talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt en er kansen voor geeft. En een ondernemer heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De maatschappij mag dus een deel van het succes opeisen.

Toeval

Maar mag dat deel dan 75 procent zijn? Wel, iemand die zó succesvol is dat hij een jaarinkomen ontvangt van meer dan 1 miljoen euro, die heeft zonder twijfel ook erg veel geluk gehad. Malcolm Gladwell illustreert dat mooi door de lijst van de 75 rijkste mensen ooit te analyseren, beginnende bij de farao’s en zo tot Bill Gates. Hij stelt vast dat er 9 van de 75 personen geboren zijn in een tijdspanne van 10 jaar. Het gaat om Amerikanen die geboren zijn tussen 1831 en 1840 en die hun fortuin gemaakt hebben tijdens een periode in de geschiedenis waarbij de economie een gigantische ontwikkeling kende.

Waarschijnlijk namen industriëlen zoals Rockefeller risico en bulkten ze van het talent. Ook zullen ze hard gewerkt hebben voor hun succes. Maar iemand vóór 1830 geboren was wellicht te oud om de transformatie te kunnen vatten en de kansen te zien, en na 1840 was je te laat. Er is geen zinnig mens die kan beweren dat enkel tussen 1830 en 1840 zulke genieën en hardwerkende, risiconemende ondernemers werden geboren. En dat is algemeen zo: ja, succes kan niet zonder talent en hard werk, maar eens voorbij een bepaald niveau betekent meer succes ook meer toeval.

75 procent

Met de extra opbrengst door een hogere belasting op de super-succesvollen-met-super-geluk kan je de belasting van de minder-succesvollen-met-minder-geluk verlagen. Want dat is een bijkomend argument: in de ontwikkelde wereld kennen we bijna overal een progressief systeem: hoe meer je verdient, hoe meer je betaalt, niet allen in absolute waarde, maar ook in procenten. In België betaal je bijvoorbeeld boven een jaarinkomen van 8000 euro 30 procent belastingen. Dat percentage stijgt tot 50 procent voor een jaarinkomen vanaf 35.000 euro.

Maar vreemd genoeg blijft het na 35.000 euro 50 procent, dus ook als je 1 miljoen euro verdient. We aanvaarden een progressiviteit tussen 0 en 35.000 euro, maar er is geen progressiviteit tussen 35.000 euro en één, twee of vijf miljoen. Waarom eigenlijk? Rechtvaardiger zou zijn om de 50 procent pas vanaf pakweg 70.000 euro te innen en vervolgens de belastingvoet gradueel te laten stijgen tot 75 procent vanaf één miljoen euro.

Politieke ongelijkheid

Een bijkomend en volgens mij onderbelicht argument voor een hoge marginale belastingsvoet betreft politieke ongelijkheid. Paul Verhaeghe behandelt dit in een essay, dat door Liberales eind vorig jaar gelauwerd werd. Hij schrijft dat “de winnaars zeer snel aan de top (komen), met als gevolg dat zij na korte tijd zelf de meetlat kunnen gaan definiëren in de richting die hen het best uitkomt, waardoor de nieuwe hiërarchie zelfbevestigend werkt.”

Ook economen maken zich meer en meer zorgen over de politieke ongelijkheid, zoals Daron Acemoglu and James Robinson. Deze economen hebben het vooral over de VS, waar de topinkomens gigantische proporties aannemen. Maar ook in België en vele andere landen heeft de top 1 procent een groter inkomensaandeel naar zich toegetrokken. De Oeso publiceerde onlangsgegevens (excel, 45 kb) waaruit blijkt dat het aandeel van de top 1 procent in België op minder dan 20 jaar met 23 procent is gestegen (van 6,3 naar 7,7 procent van het totaal inkomen). In Frankrijk is het gestegen van 8,2 naar 8,9 procent.

Iedereen tekent voor 1 miljoen

Tot slot, voor zij die beweren dat een taks van 75 procent ondernemersschap en hard werk zal ontmoedigen, nog drie woorden: één miljoen euro. Een jaarlijks inkomen van die grootte betekent dat je heel, heel succesvol bent. Beeld je zelf in dat je een zaak start en je krijgt gegarandeerd een jaarinkomen van meer dan 1 miljoen euro op voorwaarde dat je boven 1 miljoen euro 75 procent belastingen betaalt in plaats van 50. Elke beginnende ondernemer tekent hiervoor.

Laat de discussie over de efficiëntie van een marginale belastingvoet van 75 procent beginnen…

Deze opinie verscheen eerst bij MO* en daarna bij Liberales.

 

‘Arm & kansrijk’ door Abhijit Banerjee en Esther Duflo

Ontwikkelingssamenwerking is nog nooit een thema geweest bij verkiezingen, ondanks het feit dat we weten hoe goed we het hier hebben en hoe miserabel het leven wel kan zijn in de ontwikkelingslanden. De heersende opinie is dat ontwikkelingssamenwerking niet baat en de feiten lijken deze opinie gelijk te geven: er zijn al miljarden euro’s gespendeerd aan ontwikkelingshulp, maar de effecten lijken miniem. Daarentegen lijken landen die weinig of geen ontwikkelingshulp krijgen, zoals China en Brazilië, het soms beter te doen. Dat doet sommige ontwikkelingseconomen zoals William Easterly besluiten dat ontwikkelingshulp onnuttig is, soms zelfs schadelijk, en dat je de ontwikkelingslanden het best met rust laat. Het heeft geen zin om een bevolking tegen hun wil iets op te dringen en het moet dus van henzelf komen.

Andere ontwikkelingseconomen staan hier lijnrecht tegenover. Zelfs als er geen enkel land is dat zich goed heeft kunnen ontwikkelen dankzij ontwikkelingshulp, dan nog kan je niet uitsluiten dat ontwikkelingshulp helpt. Die landen konden het zonder ontwikkelingshulp immers nog slechter gedaan hebben. Bovendien is er een ‘selection bias’: het is niet onlogisch dat landen die er heel slecht aan toe waren, meer ontwikkelingshulp gekregen hebben. Met andere woorden, we geven hulp aan de moeilijke gevallen, en je kan dan ook geen wonderen verwachten. De bekendste ontwikkelingseconoom van deze strekking is Jeffrey Sachs. Volgens hem zijn arme landen arm omdat ze benadeeld zijn: het is er warm en de grond is onvruchtbaar, er is malaria en ze zijn vaak van de zee afgesloten wat hun handel met de wereld bemoeilijkt. Als je zulke landen aan hun lot overlaat, zal het nooit goed komen.

Focus op de ‘kleine vragen’

Die initiële verschillende houding over de ‘grote vraag’ of ontwikkelingshulp kan werken, sijpelt door in meer concrete, ‘kleine vragen’. Een bekend voorbeeld is de strijd tegen malaria. Deze ziekte kan relatief eenvoudig bestreden worden door onder muskietennetten te slapen. Een gezin is al geholpen met een net van 10 dollar. Gezien de grote voordelen voor het gezin (en andere mensen), pleit Sachs ervoor om deze netten gratis uit te delen. Easterly, daarentegen, is daar tegen. Hij stelt dat als mensen iets gratis krijgen, ze de dingen niet naar waarde weten schatten en het dus niet gebruiken. Als mensen een muskietennet van 10 dollar niet willen gebruiken, ondanks het feit dat de baten vele malen groter zijn, dan is dat omdat ze dat niet willen. En het gratis geven zal niet helpen. Het is duidelijk dat beide kampen een zinnige argumentatie hebben. En het is niet zo dat de ene moreel beter is dan de andere: ze zijn beiden van mening dat het onze plicht is om de armen te helpen als we dat zouden kunnen. Ze verschillen gewoon van mening over het feit of dat al dan niet kan.

Abhijit Banerjee en Esther Duflo, de auteurs van Arm en kansrijk (oorspronkelijke titel ‘Poor Economics’), hebben helemaal niet de ambitie om zich in het debat te mengen over de ‘grote vraag’ of ontwikkelingshulp nu werkt of niet. Beide opvattingen lijken aannemelijk en beide kampen vinden talloze voorbeelden en redeneringen die hun stelling ondersteunen. Maar, zo stellen de auteurs, we weten eigenlijk niet wie er gelijk heeft. We speculeren er maar op los. De auteurs willen de ideologie achterwege laten en zich richten op de kleine vragen. Deze zijn wél oplosbaar, als je tenminste over de gegevens beschikt van deze projecten. Zonder gegevens, zijn je stellingen louter opinies, waarvan er genoeg zijn.

Testen of het werkt

En dat is dan ook de kern van het boek. De auteurs zijn twee economen aan het bekende Massachusetts Institute of Technology (MIT). In hun onderzoekswerk trachten ze na te gaan welke concrete projecten wel werken en welke niet. Daarvoor gaan ze wetenschappelijk te werk, via zogenaamde ‘gerandomiseerde gecontroleerde experimenten’ (randomized control trials of RCTs). Dat zijn onderzoeksprojecten die de impact van 1 parameter onderzoeken. Dat kan je doen door twee projecten te testen die bijna volledig gelijk zijn, op één parameter na. Als de projecten een verschillende uitkomst hebben, dan kan je concluderen dat dit aan die ene parameter te wijten is. Als je twee projecten zou testen die verschillend zijn op meer dan één parameter, dan kan je achteraf de verschillende uitkomst niet meer toewijzen aan de ene of de andere parameter. Sterker nog: als twee projecten met twee verschillende parameters geen verschillende uitkomst hebben, dan ben je nog niet zeker of die parameters geen impact hebben, omdat ze elkaar misschien wel opheffen.

Het boek behandelt veel van dergelijke RCTs. Zo ook over de genoemde muskietennetten. Het opzet is simpel: in een aantal willekeurig gekozen dorpen mag men de muskietennetten gratis meenemen, in een aantal willekeurige, gelijkaardige dorpen moet men een verminderde prijs betalen (bijvoorbeeld 5 dollar) en in een laatste groep willekeurige, gelijkaardige dorpen moet men de volle pot betalen. Uit dit experiment bleek dat de gratis netten veel meer werden meegenomen. Meer nog, toen aan de mensen uit de drie groepen later nogmaals een poging gedaan werd om de netten tegen de volle prijs te verkopen, bleken de gezinnen die het net eerder gratis of tegen verminderde prijs hadden kunnen meenemen, meer bereid om het te kopen dan gezinnen die het eerder tegen de volle prijs hadden moeten kopen. Met andere woorden, de gezinnen hadden de waarde ervan leren kennen.

Hoewel het boek optimistisch is over de haalbaarheid van goed werkende ontwikkkelingshulp, is het minder enthousiast over een andere grote belofte, namelijk microkrediet. De auteurs erkennen dat microkrediet een belangrijke rol speelt, maar stellen vast dat de vele kleine bedrijfjes die met microkrediet worden opgestart vooral klein blijven. Er zijn natuurlijk succesverhalen maar die verhalen zijn anekdotisch. Er zijn aanwijzingen dat microkrediet met een structureel probleem kampt waardoor de kleine bedrijfjes niet doorgroeien tot een KMO of groter. De voornaamste drempel lijkt te zijn dat er geen falingen worden toegestaan. Dat zorgt er voor dat er ook weinig risico’s kunnen genomen worden. Risico nemen is echter essentieel in een kapitalistische maatschappij en zorgt voor innovatie en groei. Indien een onderneming risico moet vermijden, wordt bijgevolg ook innovatie en groei vermeden.

In de geest van Karl Popper

Het hele pleidooi voor meer focus op kleine projecten die via RCTs worden getest op hun effectiviteit doet natuurlijk sterk denken aan de liberale filosoof Karl Popper die stelde dat je een samenleving enkel stap voor stap kan verbeteren via trial and error. Je probeert een paar projecten en je gaat na welke werken. Het is de filosofie van Popper in de praktijk; dat moet echter rigoureus aangepakt worden: niet enkel mag er maar 1 parameter tegelijk getest worden, maar de verschillende varianten van het project moeten aan gelijkaardigeproefpersonen toegewezen worden. Het is echter niet zo eenvoudig om gelijkaardige dorpen of personen te selecteren. Dat wordt verholpen door de selectie van proefpersonen voor de verschillende projecten willekeurig te doen. Maar dan nog kan je niet zomaar een getest en gelukt project in bijvoorbeeld Kenia overzetten naar Indië, omdat de omstandigheden op cruciale, maar soms onbekende vlakken kunnen verschillen. Een andere kritiek is dat RCTs niet kunnen gebruikt worden voor de grotere vragen zoals welke instituties belangrijk zijn.

Een ander interessant aspect dat de auteurs belichten is het bedrieglijke pleidooi dat de armen hun lot in eigen handen moeten nemen. Ze pleiten daar natuurlijk niet tegen, maar ze stellen overtuigend dat armen véél meer keuzes moeten maken over moeilijke zaken dan wij in de ontwikkelingslanden. Zo betalen werknemers en werkgevers in de ontwikkelde landen automatisch voor de sociale zekerheid of een pensioenplan. Onderwijs is gratis en van hoog niveau (toch alvast in België) en we hebben allen een gezondheidsverzekering. En wat denk je van sparen: wij hebben de mogelijkheid om eenmaal te beslissen dat we maandelijks zullen sparen en automatisch wordt een deel van ons loon naar de spaarrekening gestort. Een dagloner, daarentegen, moet elke dag beslissen of en hoeveel hij gaat sparen. Het wordt hem bovendien nog moeilijker gemaakt, omdat armen vaak een grote negatieve rente hebben op hun spaarrekening (omdat de kosten voor een kleine rekening te groot zijn). Met andere woorden, ze worden gestraft voor hun spaargedrag.

De kracht van het boek blijft evenwel de bescheiden, wetenschappelijke aanpak. Het heeft dan ook heel wat lof gekregen, zeker van economen zoals Amartya Sen, en van The Economist die het op haar lijst zette van de beste boeken van 2011. En de Financial Times heeft het uitgeroepen tot beste business book (!) van het jaar. Ik kan me daar alleen maar bij aansluiten: als je wil meedenken in het debat over ontwikkelingshulp, dan is dit verplichte kost. Het kan je helpen om meer evidence-based beleid te promoten, want daar schort wel het een en ander in de wereld van de ontwikkelingshulp (en bij ons). Met dit boek kan je mensen overtuigen dat ontwikkelingshulp kan werken, als we ons maar bescheiden opstellen en gaan voor een stapsgewijze verbetering van de wereld. En die lange reeks van kleine veranderingen kan volgens de auteurs soms eindigen in een stille revolutie. Goed doordachte en rigoureus uitgevoerde trial and error, en we komen er wel.

 

Abhijit Vinayak Banerjee en Esther Duflo, Arm en kansrijk, Nieuw Amsterdam, 2011

Je kan op de TED-website een lezing van Esther Duflo zien, met onder meer het onderzoek over de muskietennetten. Deze lezing is ondertiteld in 25 talen, waaronder het Nederlands.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

 

Talent drijft niet boven

Voetbal is zonder enige twijfel de nationale sport van België: vele honderdduizenden kinderen en volwassenen uit alle lagen van de maatschappij beoefenen wekelijks actief en passief deze sport. Er gaat dan ook heel wat geld om in deze sector, met topvoetballers die vereerd worden als halfgoden en lonen opstrijken waar menig topmanager jaloers op is. Kortom, het is een sector waarbij het loont als je je talent kan ontwikkelen.

Dat geldt ook voor de voetbalclubs: ook voor hen loont het om het talent op te sporen en te trainen. Met zoveel geld en status op het spel zou je denken dat iemand met voetbaltalent wel doorstroomt tot de top. Te meer omdat voetbal een democratische sport is met een lage financiële drempel, in tegenstelling tot pakweg golf of zeilen.

Maar de data spreken dat radicaal tegen. In de onderstaande figuur wordt het aantal Belgische voetballers in de Belgische eerste klasse getoond per geboortekwartaal.

voetbalb
Het aantal Belgische voetballers in eerste klasse (seizoen 2007-2008) per kwartaal waarin ze werden geboren.Bron: Eduratio

Het valt op dat er veel meer voetballers zijn uit het eerste kwartaal van het jaar (januari, februari of maart) dan uit de tweede helft van het jaar: iemand geboren in januari heeft zelfs tweemaal meer kans om in eerste klasse te spelen dan iemand uit de tweede jaarhelft. Tenzij iemand kan aantonen dat personen die in januari geboren zijn gemiddeld gezien intrinsiek betere voetbalkwaliteiten hebben, is de figuur een duidelijk bewijs dat niet iedereen gelijke kansen heeft om het tot de eerste klasse van de Belgische voetbalcompetitie te schoppen.

Het onrechtvaardigheidsmechanisme dat hier speelt, werkt als volgt: kinderen worden al op jonge leeftijd, rond 6 jaar, gescreend: de spelers die het beter doen worden geselecteerd voor de A-kern, de anderen gaan naar de B of C-kern. De A-spelers krijgen het etiket van ‘goede speler’ met als gevolg gemiddeld meer aandacht van de trainer en van de ouders, en misschien nog het belangrijkste: meer zelfvertrouwen in de eigen voetbalkwaliteiten. Daarenboven worden de jonge spelers samengezet en kunnen ze trainen met spelers die net zoals zij beter gemotiveerd en beter getraind zijn, en meer zelfvertrouwen hebben. Deze kinderen krijgen jaar na jaar een betere training en dat resulteert in betere volwassen spelers.

20 % voorsprong

Binnen hetzelfde kalenderjaar kunnen kinderen tot 12 maanden van leeftijd verschillen. Hoe jonger kinderen zijn, hoe groter dit verschil relatief is. Op zesjarige leeftijd is een kind uit januari bijna 20% ouder dan een kind uit december. Op die leeftijd, wanneer de ontwikkeling nog volop gaande is, is een voorsprong van bijna 20% belangrijk: de oudere kinderen zullen gemiddeld beter voetballen, zonder dat ze gemiddeld gezien intrinsiek beter zijn, en dus worden deze oudere kinderen geselecteerd op een irrelevant criterium, wat tot de onrechtvaardigheid en inefficiëntie leidt. En die oudere kinderen zijn in ons voetbalsysteem kinderen die in januari geboren zijn, omdat de afkapdatum voor voetbal op 1 januari ligt.

Onrechtvaardig: ok, maar relevant? Het gaat toch maar over voetbal. Akkoord, maar het effect is niet alleen bekend bij voetballers. De bron van mijn gegevens, de uiterst interessante website eduratio.be geeft ook nog gegevens over de Belgische toptennissers. En nog belangrijker, het geboortemaandeffect speelt ook in andere domeinen dan sport. Zo vermeldt EduRatio dat kinderen die in het Buitengewoon Onderwijs zitten disproportioneel geboren werden in de laatste maanden van het kalenderjaar. En zeer recent publiceerde een Engelse onderzoeksinstelling een studie die stelde dat de geboortemaand een effect heeft op het welzijn (zie artikel in The Guardian). Kinderen in december hebben niet minder talent of minder motivatie of minder zelfbeheersing dan kinderen uit januari en toch doen ze het op tal van domeinen minder goed.

Afkapdata

Er zijn pogingen geweest om een rechtvaardiging te vinden voor de vastgestelde fenomenen. EduRatio vermeldt een studie uit 2006 over de hogere kans die kinderen lopen op zelfmoord en psychische problemen als ze geboren zijn in de maanden april-juni. De onderzoekers probeerden dit fenomeen te verklaren door te stellen dat deze kinderen tijdens de winter in de baarmoeder zaten, met als gevolg negatieve omgevingsfactoren (zonlicht, temperatuur,…). De onderzochte kinderen kwamen uit Wales en Engeland, met een afkapdatum voor school op 1 juli.

Een gelijkaardige studie van andere onderzoekers, nota bene uit 2003, over kinderen uit Schotland vond als risicomaanden november-februari. In Schotland is de afkapdatum voor school dan ook 1 maart. De vaststelling dat het geboortemaandeffect door de afkapdatum op school wordt bepaald is dan ook een (bijna) sluitend bewijs dat het effect wel degelijk bestaat. Dit vindt men trouwens ook terug in de sport: voor baseball is de afkapdatum niet 1 januari (zoals bij de Belgische voetballers), maar 1 augustus, waardoor kinderen die in augustus geboren zijn proportioneel meer aan de top geraken dan kinderen uit juli.

Onbekend

Aan het geboortemaandeffect zitten een aantal opmerkelijke aspecten vast. Ten eerste is het effect maar weinig bekend. Zelfs de wetenschappers van de studie uit 2006 over psychische problemen wisten er niet van. Dat is opmerkelijk, want het effect is eenvoudig te begrijpen en duidelijk en objectief vast te stellen. Bovendien is het effect al decennia gekend.

Het tweede opmerkelijke feit is dat er weinig of niets ondernomen wordt om het tegen te gaan, terwijl het relatief eenvoudig te verhelpen is. Zo bijvoorbeeld stelde reeds in 1993 een studie vast dat er een geboortemaandeffect is bij verwijzing naar het buitengewoon onderwijs (de geboortemaanden november en december zijn oververtegenwoordigd). EduRatio ging na of het effect ondertussen verdwenen was, maar dat bleek niet het geval. Nochtans zou het voldoende zijn kinderen op te delen in kwartalen in plaats van jaren, of een screening door te voeren met aangepaste testen.

Ten derde toont het geboortemaandeffect aan dat er onbekende, ongewilde onrechtvaardigheden zitten in onze maatschappij waar iedereen mee geconfronteerd kan worden (het kan heel makkelijk je kind zijn).

De vaststelling van het geboortemaandeffect heeft een veel bredere maatschappelijke impact dan louter de onrechtvaardigheid van dit effect. Het is het onomstotelijke bewijs dat onze maatschappij geen gelijke kansen biedt en dat er bijgevolg veel talent verspild wordt. Meer nog, het toont aan dat zelfs een eenvoudig uit te leggen onrechtvaardigheid die iedereen kan treffen (onderklasse of middenklasse) en die bovendien relatief makkelijk te remediëren is, grotendeels ongekend en onopgelost blijft. Wat moet het dan zijn met minder eenvoudige zaken die veel moeilijker op te lossen zijn en die enkel de lagere klassen treffen, zoals het feit dat de lage sociaal-economische status van de ouders de kinderen sterk benadeelt?

Hardnekkig fatalisme

Wetenschappelijk onderzoek heeft al uitgebreid aangetoond dat ondersteuning van kansarme gezinnen met zeer jonge kinderen verbluffende en kostenefficiënte resultaten kan geven (zie bijvoorbeeld James Heckman). Maar dat wetenschappelijk onderzoek is ingewikkeld en focust op de onderklasse, niet bepaald de maatschappelijke groep die de politieke agenda zet. Bovendien zijn oplossingen hier minder eenvoudig, omdat het vaak gaat om interventies in het gezin.

Maar de belangrijkste drempel is het hardnekkige fatalisme dat leeft bij de publieke opinie, namelijk dat initiatieven om kansarme kinderen te helpen niets uithalen: kansarm impliceert arm aan talent of arm aan motivatie. Echt talent drijft wel boven, zo denkt men, en het is bijgevolg niet gewenst en niet nuttig om dit proces te verstoren. Maar talent drijft niet boven, zoals het geboortemaandeffect aantoont. Er moet hard gewerkt worden om het alle kansen te geven dat het nodig heeft.

Dat is volgens mij de grootste troef van het geboortemaandeffect: het kan de publieke opinie laten inzien dat er ongelijke kansen zijn waar we ons als maatschappij niet of onvoldoende van bewust zijn en dat dit onmiskenbaar leidt tot een verspilling van talent. Het zou de publieke opinie moeten kunnen overtuigen dat deze en andere onrechtvaardige mechanismen kunnen en moeten aangepakt worden. Wat trouwens ook zal resulteren in beter voetbal op tv.

Deze tekst verscheen eerst als opinie bij MO*.

Hoe vermogensbelasting vanaf 1,25 miljoen euro onrechtvaardig kan zijn

De onderhandelaars voor een federale regering zijn sinds korte tijd bezig met het sociaal-economische luik. Het voornaamste doel lijkt genoeg miljarden te vinden om het begrotingstekort te beperken. Voor volgend jaar gaat dit al om 10 miljard euro of grofweg 1000 euro per Belg. Dat zijn enorme uitdagingen die de ideologische tegenstellingen op scherp zetten. Economisch ‘rechts’ legt de nadruk op meer besparingen, terwijl economisch ‘links’ meer nadruk legt op meer belastingen, met onder meer een belasting op vermogens boven 1,25 miljoen euro. De rijken, zeg maar.

Als je een belasting wilt instellen op grote vermogens, is het belangrijk te weten hoe die vermogens tot stand gekomen zijn. Een belasting op een vermogen dat je in de schoot gevallen is, is rechtvaardiger dan wanneer dat vermogen door hard werk en spaarzaam leven vergaard is. Met andere woorden, het is belangrijk te weten hoe rijken rijk geworden zijn.

De Canadese schrijver Malcolm Gladwell stelt deze vraag centraal in zijn uitstekende boekUitblinkers. Hij komt tot de weinig verrassende conclusie dat er drie voorwaarden zijn: talent, kansen en oefening. Talent is wat moeder natuur je meegegeven heeft, kansen worden door je omgeving geboden. Enkel oefening heb je zelf in de hand. En met oefening bedoelt hij véél oefening: 10.000 uren of 3 uur per dag gedurende 10 jaar.

Dit betekent dat uitzonderlijk succes ook op zijn minst gedeeltelijk verdiend is: iemand met succes heeft er over het algemeen ook hard voor moeten werken. Succes heeft dus een duidelijk meritocratisch karakter. Anderzijds is een gedeelte van het succes tegelijkertijd ook niet verdiend: iemand met succes heeft onmiskenbaar talent en kansen gekregen die de persoon in kwestie in de schoot gevallen zijn. Meer nog, talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt en er kansen voor geeft.

Self-made bestaat niet

De self-made man in absolute termen bestaat dus niet. Een ondernemer, bijvoorbeeld, heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De mate waarin iemand ‘zichzelf gemaakt’ heeft is dan ook steeds relatief ten opzichte van andere personen. De zogenaamde self-made man heeft niet alleen veel te danken aan zichzelf, maar ook aan de maatschappij waarin hij leeft. Dat is ook de positie van Warren Buffet, een steenrijke en wereldberoemde Amerikaanse belegger. Buffet erkent volledig dat zijn kwaliteit als belegger enkel in een maatschappij als de VS volledig tot ontplooiing kan komen. Hij is die maatschappij dan ook erkentelijk en kondigde aan dat hij 99% van zijn fortuin zou schenken aan de Bill & Melinda Gates Foundation, het filantropisch vehikel van Bill Gates.

Dat betekent dat er ook een rechtvaardige grond is om de gevolgen van uitzonderlijk succes (een groot vermogen) gedeeltelijk terug te vorderen door de maatschappij, zeg maar te belasten. Het is immers de maatschappij die de randvoorwaarden gecreëerd heeft die het succes mogelijk maakt. Zonder dat publiek kader zou het succes er niet zijn, of niet in die mate. Het belasten van dat succes is dan geen diefstal, maar een rechtvaardig opeisen van een deel van het succes.

Dit is echter enkel een kwalitatieve rechtvaardiging. Hoe hoog deze belasting dan wel mag zijn en in welke mate rijkeren procentueel meer moeten betalen (de progressiviteit van de belastingen) is een andere zaak. Zoals hierboven gezegd, je wordt over het algemeen maar rijk als je er hard voor werkt. Als je de rijken dan te veel zou belasten, dan neem je de prikkel weg om nog hard te werken, omdat er simpelweg te veel van je rijkdom wordt afgeroomd.

De filosoof John Rawls heeft hier een antwoord op gegeven. Hij stelde dat de maatschappij zodanig moet georganiseerd worden dat de positie van de minstbedeelden het minst slecht is. Dat betekent niet dat er geen inkomensongelijkheid mag zijn, maar die ongelijkheid moet dan wel ten goede komen aan de minstbedeelden. Zo mag een chirurg best een pak meer dan gemiddeld verdienen, want dat zorgt ervoor dat de beste studenten aangetrokken tot het beroep. En dat komt ons allemaal ten goede, ook de minstbedeelden. Ook de succesvolle ondernemer moet voldoende vruchten van zijn arbeid kunnen plukken, want hij heeft hard gewerkt en risico genomen, en brengt innovatieve producten op de markt die het leven van ons allemaal beter maken (anders was de ondernemer niet succesvol).

Sporten op de ladder

De belastingen op de rijken mogen dus niet te hoog zijn, omdat er anders te weinig prikkels zijn om hard te werken en vooruit te komen. Maar er is ook een ander effect: als de inkomensongelijkheid te hoog wordt, dan blijkt dit nadelig te zijn voor hen die onderaan de ladder zitten, omdat de kloof tussen rijk en arm te groot wordt. Deze mensen blijken dan te veel drempels te ondervinden om nog vooruit te kunnen komen. De sociale mobiliteit, de mobiliteit op de socio-economische ladder, wordt dan lager. De prikkel om hard te werken en veel te verdienen is er wel, maar de sporten op de ladder zijn te wijd uit elkaar om de ladder nog op te klimmen.

Dat is bijvoorbeeld het geval in de VS: een kind dat behoort tot de 20% armsten heeft 40% kans om later bij de 20% armsten te blijven, en maar 8% kans om in de top 20% te geraken. In Denemarken, met een lagere inkomensongelijkheid, is de kans maar 25% om bij de armsten te blijven, en 14% om bij de top 20% te geraken (zie Paul De Grauwe op VoxEU.org).

Een correcte inkomensongelijkheid ligt dus in het midden: te weinig inkomensongelijkheid geeft niet genoeg prikkels om hard te werken, maar teveel inkomensongelijkheid zorgt voor te hoge drempels voor de minderbedeelden om vooruit te kunnen komen. De twee mechanismen zijn tegengesteld en werken tegelijkertijd. Om te weten welk mechanisme doorweegt, moet de werkelijkheid onderzocht worden. In haar rapport Going for Growthuit 2010 heeft de OESO een dergelijk onderzoek gedaan voor de ontwikkelde landen en daaruit blijkt dat de sociale mobiliteit groter is naarmate de inkomensongelijkheid kleiner is. Met andere woorden, in landen met een grote inkomensongelijkheid zou de kloof tussen arm en rijk te groot zijn opdat mensen kunnen opklimmen, ondanks de sterke prikkel om rijk te worden.

In die landen, onder meer de VS en UK, zou een hogere belasting voor de rijken de mensen uit de lagere klassen meer kansen kunnen geven om op te klimmen, wat die belasting rechtvaardig maakt. Voor België is deze conclusie moeilijker, omdat onze inkomensongelijkheid al laag ligt. Opmerkelijk is dat de sociale mobiliteit echter niet navenant hoog is. Landen zoals Finland en Oostenrijk hebben dezelfde inkomensongelijkheid als België, maar een veel hogere sociale mobiliteit. Vermoedelijk wordt de lage sociale mobiliteit in België dus niet veroorzaakt door het niveau van de inkomensongelijkheid, maar zijn er andere factoren die meespelen.

Rijk met 1,25 miljoen?

Het is dus niet zo simpel om te stellen dat deze crisis rechtvaardig kan opgelost worden door de rijken meer te belasten. In de VS en de UK zeer waarschijnlijk wel. In België ligt de inkomensongelijkheid al vrij laag en deze nog willen verlagen zal waarschijnlijk niet tot een rechtvaardiger maatschappij leiden. Tenzij het om een belasting op de ‘superrijken’ gaat, omdat dan het ‘supervermogen’ meer veroorzaakt is door geluk en kansen dan door hard werk.

Maar ben je met een vermogen van 1,25 miljoen euro ‘superrijk’? Het leidt geen twijfel dat dat veel geld is. Maar de ene rijke is de andere niet: iemand met 1,25 miljoen euro op de bank kan armer zijn dan iemand zonder geld. Een koppel topambtenaren die zeer hard gewerkt hebben en op hun 65 jaar beiden een topfunctie hebben, hebben samen recht op een pensioen van ruim 6000 euro netto per maand. Een koppel succesvol en hardwerkende zelfstandigen die op pensioen gaan krijgen ongeveer 1000 euro pensioen.

Als de zelfstandigen dezelfde levensstijl willen aanhouden als de ambtenaren, dan is een vermogen van 1,25 miljoen euro opgesoupeerd tegen dat ze 82 jaar zijn, terwijl de levensverwachting op 65 bijna 84 jaar is. Worden ze 90 jaar dan hebben ze 2 miljoen euro nodig, voor 100 jaar 3,2 miljoen. En dan houden we nog geen rekening met het feit dat de ambtenaren ongetwijfeld ook gespaard hebben, noch met het feit dat de zelfstandigen meer risico genomen hebben dan de ambtenaren. Zo gesteld kan een vermogensbelasting vanaf 1,25 miljoen euro onrechtvaardig zijn. Dat kan opgelost worden door de definitie van vermogen breder te nemen, of door de drempel van 1,25 miljoen euro te verhogen.

Boekbespreking – ‘De zwarte zwaan’ door Nassim Nicholas Taleb

Bescheiden politici citeren wel eens graag het antwoord van Harold Macmillan, voormalig Brits premier, op de vraag wat hij het meest vreesde als staatsman: ‘Events, dear boy, events’. Met dit antwoord wees Macmillan op de onvoorspelbaarheid van belangrijke gebeurtenissen. Het is meteen de centrale idee van De zwarte zwaan van Nassim Nicholas Taleb, die stelt dat de moderne wereld gedomineerd wordt door zeer zeldzame en onverwachte gebeurtenissen die de heersende consensus omgooien. Het is de zwarte zwaan die plots opduikt en de heersende gedachte dat alle zwanen wit zijn naar de geschiedenisboeken verwijst. Het probleem, aldus Taleb, is dat bijna iedereen doet alsof die zwarte zwanen niet bestaan.

Nassim Nicholas Taleb is econoom en werkt als kwantitatieve analist op de financiële markten. Dat weerhoudt hem er niet van om grote kritiek uit te oefenen op de heersende opvattingen die deze wereld zolang hebben gedomineerd. Heel veel financiële modellen baseren zich op inductie: de toekomst valt af te leiden uit het verleden. Een veelgebruikte methode zoalsValue at Risk steunt hier sterk op: met dit model probeert een financiële instelling met 99% zekerheid in te schatten wat ze maximaal kan verliezen in de komende tien dagen. Het model neemt aan dat opbrengsten van een financieel product een bepaalde statistische eigenschap heeft, namelijk de normaalverdeling die uitgedrukt wordt met de bekende Gaussiaanse klokfunctie. Taleb wijst deze methode radicaal af, omdat de normaalverdeling eerder zeldzaam is in de sociale wereld (zoals de financiële wereld), waardoor al deze modellen fundamenteel fout zitten.

Taleb deelt de wereld op in twee soorten: Mediocristan en Extremistan. In Mediocristan kunnen gebeurtenissen geen echt extreme waarden aannemen. Het gaat dan bijvoorbeeld over het gewicht en de lengte van mensen. Je hebt inderdaad zeer grote mensen, maar de grootste mens is nog steeds minder dan twee- of driemaal zo groot als de kleinste mens. Voeg de grootste mens toe aan een groep van duizend willekeurig gekozen mensen en de gemiddelde lengte van deze groep zal nauwelijks verhogen. In Mediocristan volgen de onbekende variabelen inderdaad een klokvormige kansverdeling, met zeer veel waarden rond en op het gemiddelde. Maar hoe verder weg van het gemiddelde, hoe kleiner de kans dat er nog een waarde voorkomt (en die kans neemt exponentieel af). In Extremistan, de verzamelnaam voor gebeurtenissen uit voornamelijk de sociale wereld, is dat volledig anders. Voeg Bill Gates toe aan een groep van duizend willekeurig gekozen mensen en het gemiddelde inkomen van deze groep zal drastisch verhogen. Gebeurtenissen in de sociale wereld, zoals de financiële markten en de politiek, behoren typisch tot Extremistan.

Zijn kritiek op de financiële wereld is vlijmscherp. Hij gaat in tegen het heersende paradigma en stelt dat de huidige financiële modellen niet gebruikt kunnen en mogen worden om de toekomst te voorspellen. Ze geven een vals gevoel van veiligheid. Gezien de huidige economische crisis die veroorzaakt werd door onder meer foute financiële modellen, lijkt deze kritiek volledig terecht. En wat opmerkelijk is: het oorspronkelijk Engelstalige boek is uitgebracht in 2007, voordat de economische crisis toesloeg. De huidige crisis is dan ook een typische ‘zwarte zwaan’ en aan Taleb wordt toegeschreven dat hij deze crisis voorspeld heeft. Hij schreef in De Zwarte Zwaan dan ook het volgende (pagina’s 225-226 van de Engelstalige paperbackeditie –eigen vertaling):

“Financiële instellingen zijn gefuseerd tot een kleiner aantal van zeer grote banken. Bijna alle banken zijn nu met elkaar verbonden. Aldus is de financiële ecologie aan het zwellen tot gigantische, incestueuze, bureaucratische banken – wanneer er één failliet gaat, gaan ze allen failliet. The toegenomen concentratie in de bankwereld lijkt de kans op een financiële crisis te verkleinen, maar als het gebeurt zal ze globaler zijn en ons zeer hard treffen. We zijn weggegaan van een diverse ecologie van kleine banken met gevarieerde leenstrategieën naar een homogener kader van bedrijven die allemaal op elkaar gelijken. Het klopt dat we nu minder faillissementen hebben, maar als het gebeurt…. Ik huiver bij de gedachte.” En in de voetnoot: “Wanneer ik de risico’s bekijk van Fannie Mae, de door de overheid gesubsidieerde instelling, dan lijkt ze op een vat dynamiet te zitten, kwetsbaar voor de kleinste rimpeling. Maar geen zorgen: haar uitgebreide staf van wetenschappers acht dit ‘onwaarschijnlijk’.”

Met andere woorden, het financiële systeem lijkt stabiel, maar is dat helemaal niet. Alle financiële instellingen maken gebruik van dezelfde modellen die zich baseren op Gaussiaanse klokfuncties die gelden in Mediocristan, terwijl de financiële wereld behoort tot het domein van Extremistan. Taleb zelf is bescheidener: hij heeft de crisis niet voorspeld en zal ook de volgende crisis niet voorspellen. Hij zegt alleen maar dat er nog crisissen zullen komen, zeker als men niet afstapt van de huidige waan dat men de toekomst kan voorspellen of, algemener, dat men de wereld begrijpt. Misschien is dat wat mager, maar “it is better to be broadly right rather than precisely wrong”.

Het boek besteedt veel aandacht aan de redenen waarom we zo weinig rekening houden met ‘zwarte zwanen’. Het komt erop neer dat we als mens nu eenmaal zo in elkaar zitten. De menselijke conditie die Taleb beschrijft is op zich niet vernieuwend. Zo verwijst hij veelvuldig naar het onderzoek van Daniel Kahneman, een psycholoog die de Nobelprijs Economie gekregen heeft (en volgens Taleb één van de weinige verdiende winnaars van deze prestigieuze prijs). Kahneman is één van de grote namen die mechanismen als ‘anchoring’ en ‘framing’ hebben bestudeerd. Ook, zo stelt de auteur, behandelen mensen ideeën als ware het hun bezit waar ze heel wat in geïnvesteerd hebben. Daardoor kunnen ze moeilijk afstand doen van die ideeën, ook als het duidelijk is dat ze fout zijn.

De auteur gaat lijnrecht in tegen de heersende opvattingen binnen de economische wereld. Hij verhaalt in het boek ook over de tegenkanting die hij mocht ervaren van het establishment. Talebs boek is dan ook veel meer dan alleen maar een aanklacht tegen het gebruik van verkeerde modellen in de financiële wereld. Het is ook de visie op de wereld van een vrijdenker. Iemand die doordrongen is van Poppers idee dat we uit het verleden geen betrouwbare inductie kunnen doen over de toekomst; dat we als mensen veel bescheidener moeten zijn als het om onze kennis over de toekomst gaat. En dat verdedigt hij op een zeer onbescheiden manier.

En hier en daar laat de auteur nog een schitterend inzicht noteren. Of wat vind je van de volgende: de vrije markt is zo succesvol omdat het een systeem is dat domme CEO’s kan verdragen. Aangezien niemand weet wat de toekomst brengt, maakt het niet veel uit welke keuze bedrijfsleiders nemen. De vrije markt kiest de winnaars, die achteraf heel precies kunnen uitleggen waarom zij succesvol waren, terwijl ze volgens de auteur gewoon geluk gehad hebben. De factor geluk, aldus de auteur, bepaalt dus veel meer het succes dan algemeen wordt aangenomen (zeker door zij die succesvol zijn) en dat is op zich niet zo slecht. Het maakt de maatschappij veel gelijker dan gelijk welke andere ordenaar (zoals talent). Iedereen kan immers geluk hebben – dat is haar intrinsieke eigenschap – terwijl niet iedereen talentvol is.

 

Nassim Nicholas Taleb, De Zwarte Zwaan, uitgeverij Nieuwezijds, 2008

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Uitblinkers’ door Malcolm Gladwell

Wat maakt sommige mensen succesvol en andere niet? Hoe komt het dat bijvoorbeeld Bill Gates wereldberoemd is en zo rijk als de zee diep? De Canadese schrijver Malcolm Gladwell stelt deze vraag centraal in zijn boekUitblinkers, een vertaling van het Engelse Outliers. Verwacht geen zelfhulpboek om zelf succesvol te worden, maar wel een scherpe analyse van de weg naar het succes en wat we kunnen doen om zoveel mogelijk mensen die te laten bewandelen.

De eenvoudigste verklaring voor uitzonderlijk succes is uitzonderlijk talent. Bill Gates was gewoon een visionair en uiterst intelligent man, dat is de reden voor zijn uitzonderlijk succes. De auteur strijdt deze visie niet af, maar stelt dat talent niet de enige voorwaarde is waaraan moet worden voldaan voor uitzonderlijk succes. Ook kansen en oefening zijn nodig. Voor het geval Bill Gates betekende dit de kans om al in 1968 te kunnen ‘prutsen’ op een computerterminal zonder het tijdrovend gebruik van ponskaarten, wat in die tijd zeer modern was. En die kans greep Gates, samen met Paul Allen, medestichter van Microsoft, met beide handen aan: hij spendeerde al zijn vrije tijd, zelfs ’s nachts, aan het programmeren. Met andere woorden, Bill Gates had het geluk (of de kans) om zijn talent te ontplooien en greep die ook. Malcolm Gladwell hanteert de vuistregel van 10.000 uren: succes blijkt er pas te komen als je echt iets onder knie hebt en daarvoor moet je minstens 10.000 uren geoefend hebben, wat neerkomt op 3 uur per dag gedurende 10 jaar.

In het hele boek staat deze stelling dan ook centraal: voor uitzonderlijk succes zijn drie voorwaarden nodig: talent, kansen en oefening. Op zich is dit niet wereldschokkend, maar de auteur verfijnt verder, talent zelf is ook niet zo eenvoudig te definiëren. IQ, het veel gebruikte criterium voor talent, blijkt in ieder geval niet voldoende. Een hoog IQ is geen garantie voor succes; het IQ moet enkel voldoende hoog zijn. Vanaf een bepaald niveau spelen andere factoren, zoals assertiviteit, een belangrijke rol.

De auteur is erg overtuigend in zijn argumentatie voor de stelling dat uitzonderlijk succes drie dimensies kent. Hij refereert overvloedig naar interessante studies en data die stuk voor stuk op zich al zeer interessant zijn. Maar daar eindigt het niet. In het tweede deel gaat hij op zoek naar de manieren waarop we van zoveel mogelijk mensen uitblinkers kunnen maken. Gezien talent en doorzettingsvermogen om te oefenen min of meer gegeven zijn, blijft er maar één aspect over waarop een maatschappij kan inspelen, namelijk kansen.

Glawdell argumenteert dat kansen sterk afhangen van de omgeving van het individu. Sommige omgevingen zijn kansrijk, andere niet. Zo citeert hij een onderzoek naar onderwijsprestaties van leerlingen. Het is ondertussen algemeen bekend dat leerlingen van wie de ouders een lage sociaal-economische status hebben, ook minder presteren. Voor velen is dit vanzelfsprekend: domme ouders, die bijgevolg een lage sociaal-economische status hebben, krijgen domme kinderen die bijgevolg ook minder presteren. En daarmee is de kous af. Investeren in gelijke kansen is dus weggesmeten geld, deze kinderen kunnen het gewoon niet.

Als dat waar zou zijn, en de empirische gegevens lijken hierop te wijzen, dan klopt het liberale mensbeeld niet. Er zijn dan blijkbaar mensen die het gewoon niet kunnen en waarvoor een beetje paternalisme geen kwaad kan. Meer nog, het zou onethisch zijn als we deze mensen niet een handje zouden ‘helpen’. Gelukkig voor het liberale mensbeeld is de situatie iets ingewikkelder. Ja, het klopt dat kinderen uit lagere klassen minder goed presteren, maar dat komt omdat ze in hun gezinssituatie onvoldoende gestimuleerd worden. De geciteerde studie geeft dan ook een genuanceerd beeld van de lagere prestaties van deze kinderen. Leerlingen uit hogere en lagere milieus blijken ongeveer evenveel bij te leren in de periode dat ze naar school gaan. Het is pas na een lange zomervakantie dat er een verschil optreedt: bij leerlingen uit hogere klassen is er geen verminderde prestatie te merken, terwijl dit zeer duidelijk wel het geval is bij kinderen uit lagere klassen. Na een paar jaar is dit verschil geaccumuleerd tot een serieuze kloof tussen de twee groepen. Dit toont aan dat leerlingen uit lagere klassen het wel degelijk kunnen, maar dat de omgeving, in dit geval de gezinssituatie, ervoor zorgt dat ze toch een blijvende achterstand oplopen.

Deze leerlingen hebben dus nood aan een schoolomgeving die continu aanwezig is. En die kan in de praktijk effectief aangeboden worden. Gladwell verwijst naar de zogenaamde KIPP-scholen (Knowledge Is Power Program) die zich richten op leerlingen uit lagere sociale klassen en die een zeer intensief lesprogramma aanbieden; de bereikte resultaten die in het boek vermeld worden zijn zeer bemoedigend. Sociale mobiliteit, waarbij de maatschappelijke positie van een kind niet of weinig afhankelijk is van de positie van zijn of haar ouders, is dus mogelijk.

Jammer genoeg gaat het boek niet in op een belangrijk gevolg van zijn centrale stelling. Immers, indien het correct is dat succes de drie bovenstaande voorwaarden nodig heeft, dan is uitzonderlijk succes ook op zijn minst gedeeltelijk verdiend: iemand met succes heeft er ook hard voor moeten werken (minsten 3 uur per dag gedurende 10 jaar). Succes heeft dus een duidelijk meritocratisch karakter. Anderzijds, als Gladwells stelling correct is, dan is een gedeelte van het succes tegelijkertijd ook niet verdiend: iemand met succes heeft dan onmiskenbaar talent en kansen gekregen waarvoor de persoon in kwestie per definitie zelf niets heeft moeten doen. Meer nog, talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt.

De self-made man in absolute termen bestaat dus niet. Een ondernemer bijvoorbeeld, heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De mate waarin iemand ‘zichzelf gemaakt’ heeft is dan ook steeds relatief ten opzichte van andere personen; de zogenaamde self-made man heeft niet alleen veel te danken aan zichzelf, maar ook aan de maatschappij waarin hij leeft. Dat is ook de positie van Warren Buffet, die andere steenrijke en wereldberoemde Amerikaan. Buffet erkent volledig dat zijn kwaliteit als belegger enkel in een maatschappij als de VS volledig tot ontplooiing kan komen.(1) Hij is die maatschappij dan ook erkentelijk en kondigde aan dat hij het grootste deel van zijn fortuin zou schenken aan de Bill & Melinda Gates Foundation, het filantropisch vehikel van Bill Gates.

Dat betekent dat er ook een rechtvaardige grond is om de gevolgen van uitzonderlijk succes gedeeltelijk terug te vorderen door de maatschappij, zeg maar belasten. Het is immers de maatschappij die de randvoorwaarden gecreëerd heeft die het succes mogelijk maakt. Zonder dat publiek kader zou het succes er niet zijn, of niet in die mate. Het belasten van dat succes is dan geen diefstal, maar een rechtvaardig opeisen van een deel van het succes. Dit is wel enkel een kwalitatieve rechtvaardiging. Hoe hoog deze belasting dan wel mag zijn (en of ze progressief moet zijn) is een andere kwestie.

Dit boek is voor liberalen verplichte lectuur omdat het op basis van wetenschappelijk onderzoek argumenten aanreikt voor het liberale mensbeeld. Ja, succes is deels bepaald door genetische factoren (talent) en doorzettingsvermogen (oefening), maar een derde voorwaarde is voldoende kansen. Uit de onderzoeken die de auteur citeert blijkt dat die kansen nog zeer ongelijk verdeeld zijn en dat het voornamelijk lagere sociaal-economische klassen zijn die deze kansen ontberen. Met andere woorden, afkomst blijkt nog steeds een belangrijk obstakel te zijn voor de zelfontplooiing van veel mensen. Het goede nieuws is dat we hier iets kunnen aan doen. En voor liberalen, die geloven in de kracht van het individu, is het een plicht om deze obstakels te verminderen, tenminste als ze geloofwaardig willen blijven.


(1) Zie wikiquote van Warren Buffett: “Take me as an example. I happen to have a talent for allocating capital. But my ability to use that talent is completely dependent on the society I was born into. If I’d been born into a tribe of hunters, this talent of mine would be pretty worthless. I can’t run very fast. I’m not particularly strong. I’d probably end up as some wild animal’s dinner.” (To Barack Obama, quoted in The Audacity of Hope, page 191)

Malcolm Gladwell, Uitblinkers, Contact, 2008

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.