Dure eenpersoonskamers zijn geen prioriteit in de gezondheidszorg

Vorige week publiceerde deze krant een aantal resultaten van de jaarlijkse ziekenhuisbarometer van de Socialistische Mutualiteiten. Uit de studie blijkt dat de ziekenhuisfactuur dat de patiënt zelf moet betalen sterk blijft stijgen indien de patiënt voor een eenpersoonskamer kiest. In 2016 was de extra kost al opgelopen tot gemiddeld 147 procent bovenop het vastgelegde tarief. In Wallonië en zeker in Brussel is dat nog een pak hoger.

De Socialistische Mutualiteiten bepleiten een plafonnering van de extra kostprijs voor de eenpersoonskamer. Dat betekent minder inkomsten voor het ziekenhuis. Dat zou dan moeten gecompenseerd worden via een fonds.

En daar wringt het schoentje, natuurlijk. Niemand ontkent dat een eenpersoonskamer veel aangenamer is om in te verblijven. En het lijkt zeer sympathiek om ervoor te ijveren dat iedereen zonder al te veel extra kosten in een eenpersoonskamer kan verblijven. Maar is het wel aangewezen om hier zoveel aandacht aan te geven? Zijn de steeds duurdere eenpersoonskamers werkelijk prioritair?

Ik denk het niet. Ten eerste kiest slechts ongeveer 20 procent van de patiënten bij een klassieke opname voor een eenpersoonskamer. Ondanks de stijging van de kostprijs van een eenpersoonskamer is dat aandeel min of meer stabiel gebleven.

Ten tweede krijgt een patiënt die het medisch nodig heeft nu reeds een eenpersoonskamer toegewezen tegen de kostprijs van een tweepersoonskamer. Met andere woorden, ook zij die het niet kunnen of willen betalen krijgen een eenpersoonskamer indien nodig.

Ten slotte, en dat komt in de recente discussie niet naar boven, zijn de kosten voor de patiënt die kiest voor een tweepersoonskamer in reële termen sterk gedaald. Uit cijfers van de ziekenhuisbarometer van de Christelijke Mutualiteiten van vorig jaar blijkt dat een tweepersoonskamer ongeveer 277 euro kostte in 2015 tegenover 382 euro in 2004. Dat is een daling met 27,5 procent. Een ziekenhuisopname is dus voor vier op de vijf patiënten fors goedkoper geworden. Dat mag een groot succes genoemd worden.

tijd1pkamer

Die daling is te verklaren doordat kamer- en ereloonsupplementen afgebouwd werden voor twee- of meerpersoonskamers. Ziekenhuizen gingen dat verlies dan compenseren door extra’s aan te rekenen bij de 20 procent patiënten die niet uit medische noodzaak in een eenpersoonskamer liggen, maar uit vrije keuze. Dat is bovendien slechts een zeer gedeeltelijke compensatie, omdat in absolute euro’s de supplementen voor een eenpersoonskamer ongeveer evenveel stegen als ze daalden voor de tweepersoonskamer, terwijl er vier keer meer mensen voor een tweepersoonskamer kiezen.

Duurdere eenpersoonskamers zijn dus niet de grote uitdaging in de gezondheidzorg. Het is een erg zichtbare trend, maar het zorgt voor een solidariteit die de meer kapitaalkrachtigen blijkbaar willen dragen, ook omdat ze er meer comfort en privacy bijkrijgen.

Het verlies aan inkomsten van een eventuele verlaging van de supplementen wil de Socialistische Mutualiteiten laten compenseren door een fonds. Ik heb de grootste moeite met deze redenering. Er heerst immers een steeds grotere schaarste in de gezondheidszorg door de toenemende technologische innovatie. Als er extra geld kan vrijgemaakt worden voor de gezondheidszorg dan is de prioriteit niet om dit te besteden aan goedkopere eenpersoonskamers voor 20 procent van de patiënten.

Technologische innovatie zorgt ervoor dat meer mensen kunnen geholpen worden met nieuwe geneesmiddelen en ingrepen. De grote uitdaging van de toekomst is om voldoende geld te vinden opdat die innovatie toegankelijk en betaalbaar blijft voor iedereen. Die uitdaging is echter minder zichtbaar, omdat patiënten het vaak niet zullen weten als er in de toekomst een bepaalde nieuwe ingreep of geneesmiddel niet of trager terugbetaald wordt. Het is ethisch immers niet evident om een therapie aan te bieden die niet terugbetaald wordt. Ook al gaat het soms om leven en dood. De problematiek van de toegankelijkheid en betaalbaarheid heeft de perceptie dus niet mee, omdat de omvang van het probleem minder duidelijk is voor de patiënt. Maar beleid voeren op perceptie is zelden in het voordeel van de patiënt. Die wil vooral genezen.

Deze tekst verscheen eerst als column in DeTijd.

Asielbeleid is onvermijdelijk hard

Afgelopen dagen was er opnieuw commotie over een beleidsdaad van Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Francken pakte zondag uit met het nieuws dat er identificatieteams uit Soedan in België waren om mensen zonder papieren uit het Maximiliaanpark te kunnen identificeren, waarna ze kunnen teruggestuurd worden.

Francken wordt verweten met een crimineel regime samen te werken, omdat het identificatieteam uit Soedan op één of andere manier verantwoording zal moeten afleggen aan dat regime. Deze manier van samenwerken met het Soedanese regime roept dan ook vragen op.

De vraag blijft echter hoe het dan wel opgelost moet worden. Voor een efficiënt en rechtvaardig asielbeleid is immers ook een effectief terugkeerbeleid noodzakelijk van mensen zonder verblijfsrecht. Indien je deze niet kan terugsturen, dan kan iedereen die in België geraakt hier ook blijven.

Als je mensen zonder verblijfsrecht wil kunnen terugsturen, dan moet het land van herkomst deze mensen ook terug toelaten op hun grondgebied. Er moet dus op één of andere manier gewerkt worden met de regimes van die landen. Daar zitten ook regimes bij die de mensenrechten schenden. Maar het asielrecht geeft net asiel aan mensen die in hun thuisland een groot risico lopen op vervolging en foltering. De erkenningsgraad van Soedanese asielzoekers ligt dan ook hoog, tot meer dan 50 procent.

In het geval waar het nu over gaat, is asiel echter geen optie, omdat de betrokkenen naar verluidt geen asiel willen vragen in België. Ze zouden wachten op een kans om door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. Daar zouden ze beter opgevangen worden, met een snellere procedure. Ook spreken ze er Engels, zoals veel Soedanezen, en hebben ze er vaak familie of vrienden wonen. Het is natuurlijk moeilijk om je in de plaats te stellen van een Soedanees in België, maar als het risico op vervolging bij terugkeer in Soedan zo groot zou zijn, waarom vragen ze dan niet alsnog asiel aan in België? Ik heb de indruk dat niemand het antwoord kent of wil geven, ook de critici van Francken niet.

Het asielbeleid is dan ook een makkelijk doelwit voor kritiek, om de eenvoudige reden dat we niet alle 60 miljoen vluchtelingen in de wereld kunnen en willen opvangen. Er is een overaanbod aan mensen die naar hier willen komen, maar een grote schaarste aan opvang in België en Europa. Het is onmiskenbaar dat we miljoenen mensen in nood weigeren te helpen. Dat is keihard, maar het alternatief is een opengrenzenbeleid. En daar pleit niemand voor.

De hardheid van het beleid kunnen we echter meestal goed verstoppen en negeren. Zo heeft de Europese Unie jaren geleden een wet gestemd dat ervoor zorgt dat asielzoekers niet met het vliegtuig of de ferryboot naar Europa kunnen komen. Dat is de reden dat ze hun toevlucht zoeken tot gammele bootjes en mensensmokkelaars. Dat is een serieuze, maar voor ons onzichtbare drempel voor mensen die een dergelijke overtocht niet kunnen of durven te maken. Hierdoor worden we in Europa veel minder geconfronteerd met vluchtelingen dan zonder die Europese wet het geval zou zijn. Maar daarmee is het vluchtelingenprobleem niet weg. Het komt gewoon veel minder tot bij ons. Meer nog, we maken zelfs een deal met Turkije om nog meer vluchtelingen daar te houden. Niemand is gelukkig met die deal, maar men hoopt tegelijk wel dat hij standhoudt.

Het zou humaner zijn om vluchtelingen ter plaatse te selecteren en met het vliegtuig naar hier te brengen. Dat zou dan wel een enorme toestroom creëren van mensen die volgens de huidige criteria recht hebben op asiel. Er zou dan onvermijdelijk een bovengrens op het aantal erkende vluchtelingen moeten komen. Een bovengrens die alleen maar rechtvaardig kan zijn als ze hoog is. Maar een bovengrens willen we dan weer niet, want wat doe je met een oorlogsvluchteling die er net boven zit? De hardheid van de weigering om die oorlogsvluchteling op te vangen zou te opzichtig zijn en dat willen we niet.

De critici van het huidige Belgische en Europese asielbeleid hebben gelijk als ze stellen dat dit beleid hard is. De kritiek is echter vaak oneerlijk, omdat er geen alternatieven zijn die geen hard beleid impliceren. Uiteraard kan alles beter, maar ook een verbeterd asielbeleid zal hard zijn, tenzij je pleit voor open grenzen. Ik zie voorlopig geen geloofwaardige tussenpositie.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

België kan ruim dubbel zoveel vluchtelingen aan

Afgelopen weekend won de CDU, de partij van Bondskanselier Angela Merkel, afgetekend de verkiezingen in Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen. De verkiezingsoverwinning is niet enkel belangrijk omdat de deelstaat met bijna 18 miljoen inwoners de meest bevolkte is, maar ook omdat Schulz, Merkels rivaal voor de nationale verkiezingen in september, hier geboren is en de socialisten er normaal gezien de plak zwaaien. Een week eerder had de CDU ook al gewonnen in Schleswig-Holstein, zij het minder sterk.

De verkiezingsoverwinningen bevestigen Merkels populariteit en geven haar criticasters het nakijken. En die waren talrijk na de ‘Wir Schaffen Das’-speech die Merkel eind augustus 2015 gaf en waarmee ze stelde dat Duitsland haar morele plicht om de vele vluchtelingen op te vangen aankon. Ook Bart De Wever leverde al snel scherpe kritiek op deze koers en ging een paar maanden later nog wat verder door te zeggen dat Merkels vluchtelingenbeleid onvermijdelijk haar ondergang betekende; het zou nog slechts een kwestie van enkele weken zijn.

Maar Merkel bleef. En nu wint haar partij verkiezing na verkiezing. Ook de gevreesde overrompeling door AfD, de euro- en islamkritische partij, blijft uit. N-VA en Bart De Wever weigeren echter toe te geven dat ze het bij het verkeerde eind hadden. Meer nog, zij stellen dat het Merkel is die haar beleid bijgesteld heeft.

En dat klopt: Europa sloot, met de steun van Merkel, half maart 2016 een akkoord met Turkije zodat de grenzen konden gesloten worden voor vluchtelingen. Open grenzen kunnen inderdaad niet de oplossing zijn als er tientallen miljoenen mensen op de vlucht zijn, omdat te veel vluchtelingen op korte tijd een samenleving kunnen ontwrichten waardoor ze zich volledig kan keren tegen het opvangen van vluchtelingen. Dat is ook de redenering van Bart De Wever: door te veel vluchtelingen op te vangen, gaan mensen zich afzetten tegen immigratie. Het leidt tot de opkomst van populisten en extremisten zoals Trump, Le Pen en Wilders. Dat is nefast, omdat het verouderende Europa net immigratie nodig heeft, aldus nog De Wever in De Tijd afgelopen weekend.

Die redenering houdt steek. De vraag is dan wanneer het ‘te veel’ is. En daar hebben N-VA en De Wever zich vergist. In 2015 en 2016 heeft Duitsland in totaal 1,2 miljoen asielaanvragen verwerkt, of bijna 15.000 per miljoen inwoners. In dezelfde periode waren er in België 63.000 asielaanvragen of 5.600 per miljoen inwoners. Verhoudingsgewijs heeft Duitsland 2,7 keer meer vluchtelingen opgevangen. De verkiezingsoverwinningen van Merkel tonen aan dat dit niet ‘te veel’ is. Waarom zou dat voor België anders zijn?

tijdmerkel

Merkel heeft getoond dat een rijk, Europees land niet in een extreemrechtse kramp schiet als het op twee jaar tijd het equivalent van 1,5 à 2 procent van zijn bevolking aan vluchtelingen opvangt.

Het is belangrijk om dat te erkennen, omdat de nood om kwetsbare vluchtelingen te helpen niet weg is. Zo werd een paar weken geleden een rapport bekend dat stelde dat er in Griekse en Italiaanse vluchtelingenkampen kinderen vreselijk misbruikt worden. Er zouden 23.000 onbegeleide minderjarigen in die kampen zitten. Wouter De Vriendt, parlementslid voor Groen, schreef een open brief aan Theo Franken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie voor N-VA, waarin hij vroeg om zo snel mogelijk 1.000 onbegeleide minderjarige vluchtelingen naar België te halen. Francken ging op deze vraag niet in en verwees onder meer naar de beperkte draagkracht van ons land.

Mij is het duidelijk dat de verkiezingsoverwinningen van Merkel aantonen dat er een veel groter draagvlak bestaat om mensen in nood te helpen dan sommige politici denken, en a fortiori als het om kinderen gaat. Hierbij steun ik dan ook de oproep van De Vriendt: haal zo snel mogelijk 1.000 onbegeleide kindvluchtelingen naar België. Wees gerust, daar is voldoende draagvlak voor.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

De individuele verantwoordelijkheid van een arm kind is nul

Afgelopen zondag was er een relletje over de uitspraken van Vlaams minister van armoedebestrijding Liesbeth Homans. Homans (N-VA) beweerde dat er een trendbreuk was in de Vlaamse armoedecijfers. Het algemene armoederisico is gedaald van 11,1 procent naar 10,3 procent en dat is volgens de minister een trendbreuk.

Er kwam onmiddellijk kritiek van de oppositie, maar ook van armoedeverenigingen en onderzoekers. Een daling met 0,8 procentpunt kan niet bekeken worden als een statistisch significante daling, omdat het binnen de foutenmarge zit, zoals Toon Vanheukelom, onderzoeker van de KU Leuven, berekende. Armoedecijfers schommelen altijd wat, want ze zijn gebaseerd op enquêtes en dus zijn er ook steekproeffouten (zie figuur). Bovendien, en dat is nog het meest opmerkelijk, zijn de door Homans geciteerde cijfers minstens deels gebaseerd op 2014, terwijl de huidige Vlaamse regering pas echt startte na de zomer van 2014. En dan nog kan men zich de vraag stellen of het Vlaamse beleid een echte kentering kan inzetten, zelfs op een paar jaar tijd, omdat onder meer demografie en het federale beleid een grote impact kunnen hebben.

tijdarmoederisicoToon

Over het te voeren armoedebeleid van deze Vlaamse regering was ik in deze krant in 2014 al kritisch, omdat het volgens mij stiefmoederlijk behandeld werd in het regeerakkoord. In de gehele tekst was armoedebeleid goed voor minder dan 400 woorden. Op een totaal van 24 beleidsdomeinen kreeg enkel dierenbescherming minder aandacht. Terwijl ik toen nog het voordeel van de twijfel wou geven, aangezien je nooit weet of de daden de woorden zullen overtreffen, is dat nu niet meer het geval. Deze minister en, bij uitbreiding, deze Vlaamse regering lijkt armoedebestrijding niet als prioriteit te zien.

Die lage prioriteit kan ideologisch te verklaren zijn. Het is immers mogelijk dat een te genereus armoedebeleid leidt tot moral hazard, waarbij het genereuze beleid -bewust of onbewust- wordt meegerekend in de hoofden van individuen en leidt tot minder inspanningen om zelf armoede te vermijden. Deze ideologische kijk gaat uit van een grote individuele verantwoordelijkheid voor de eigen positie en wordt vaak aan rechtse ideologieën toegewezen. Links zal dit afstrijden en stellen dat veel armen zeer vaak tegen hun zin en ondanks zichzelf arm zijn. Beide posities hebben een deel van de waarheid. De vraag is dan hoeveel, waarbij rechts dus meer belang hecht aan het gevaar van moral hazard waardoor armoedebestrijding minder belangrijk kan worden.

Het gevaar van moral hazard is een belangrijk argument als het volwassenen betreft. Het is echter absoluut niet te verdedigen als het over kinderen gaat. De individuele verantwoordelijkheid van een arm kind is nul. Een vijfjarige heeft er absoluut geen enkele fout aan als beide ouders werkloos zijn, als de woning vochtig en schimmelig is of als er geen geld meer over is op het einde van de maand zodat ze letterlijk met een lege brooddoos naar school moeten.

Ik besef dat kinderarmoede bestrijden in de praktijk vaak neerkomt op het bestrijden van gezinsarmoede, en dus ook armoede bij de ouders. Het probleem van moral hazard bij volwassen komt dan weer om de hoek kijken. Maar zelfs als je dat probleem groot inschat, dan nog moet je het belang ervan minimaliseren, omdat het probleem van kinderarmoede onaanvaardbaar is. Bovendien zijn er maatregelen denkbaar die zich vooral richten op de (kans)armoede van kinderen.

Er is dus voor links en rechts geen enkele ideologische reden om kinderarmoede niet hoog op de agenda te zetten, integendeel. Bovendien blijkt uit internationaal onderzoek dat het investeren in kansarme kinderen ook economisch efficiënt is: op lange termijn wordt de investering dubbel en dik terugverdiend, zeker in tijden van lage rentes.

Het bovenstaande betekent niet dat eenvoudige en budgettair makkelijk haalbare oplossingen voor het grijpen liggen. Kinderarmoede is een complex probleem, dat overigens niet enkel over het financiële gaat. Maar dat impliceert net dat armoedebestrijding veel aandacht moet krijgen, en zeker veel meer dan nu.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Derek Parfit en toekomstige generaties

Twee dagen geleden, op 1 januari, is Derek Parfit overleden. Parfit is een Engelse filosoof die werkte rond identiteit en rationaliteit. Ik heb hem leren kennen tijdens de les moraalfilosofie. Dat heeft toen indruk op mij gemaakt en ik koos er indertijd voor om mijn scriptie te maken over het deel ‘Future Generations’ uit zijn boek ‘Reasons and Persons’ (1984).

Ik heb achteraf nog weinig gelezen over en van Parfit, dus ik ben absoluut geen kenner. Maar de naam en een paar van zijn opmerkelijke redeneringen zijn me altijd bijgebleven, omdat ze soms mijn hoofd deden tollen. Ik wil hieronder dan ook graag een dergelijke redenering delen.

1. We weten dat als de conceptie van een persoon niet zou plaatsvinden op het moment dat ze in werkelijkheid gebeurd is, dat deze persoon dan nooit zou bestaan hebben. We kunnen ons ook voorstellen dat dagelijks al dan niet bewust beslissingen worden genomen waardoor de conceptie van een persoon effectief wel of juist niet plaatsvindt.

2. Stel, we moeten nu kiezen tussen niets doen (laissez-faire) of drastisch ingrijpen (bijvoorbeeld voor klimaatverandering). Wanneer we voor laisser-faire kiezen, dan betekent dit dat we direct en indirect miljoenen en miljarden andere beslissingen nemen dan wanneer we voor het drastische beleid zouden kiezen. Op termijn zou dat verschil in beslissingen leiden tot een totaal andere toekomstige populatie.

3. Zelfs als de toekomstige populatie bij het drastische beleid veel en veel gelukkiger zou zijn dan de toekomstige populatie onder het laisser-faire beleid, dan nog maakt het niet uit welk beleid we kiezen, op voorwaarde dat de laisser-faire-populatie nog enigszins gelukkig is en hun leven nog net de moeite waard vinden. Immers, de laisser-faire-populatie heeft niets te klagen, want ze zouden er gewoon niet geweest zijn indien we voor het drastische beleid gekozen zouden hebben.

4. Dit is een vrijgeleide om beslissingen te nemen die in de eerste plaats goed zijn voor de huidige generaties (en die van de nabije toekomst), zolang de toekomstige mensen enigszins gelukkig zijn.

Bovenstaande redenering en conclusie gaan in tegen onze intuïtie. En net dat maakt ze zo interessant.

[Ik ben benieuwd of er Parfit-kenners in Vlaanderen zijn.]

Belg worden? Ook als je hier opgroeit

Djellza zou de Belgische nationaliteit moeten kunnen krijgen. Dat kan onder bepaalde voorwaarden al voor meerderjarigen, waarom dan niet voor goed geïntegreerde zestienjarigen?

Staatsecretaris Theo Francken verdedigde gisteren in Terzake de uitwijzing van de zestienjarige Djellza. Hij wil vermijden dat de ouders verblijfspapieren krijgen en zo beloond worden voor de vele jaren dat ze illegaal in België verbleven. En enkel papieren aan Djellza geven kan volgens de wet niet. Ook zijn er volgens de staatsecretaris bezwarende elementen. Zo zou er een gebrek aan ouderlijk toezicht zijn en zijn de broers verdacht van criminele feiten.

De vraag die ik me stel is waarom de wet niet toelaat dat een zestienjarige die haar hele leven hier gewoond heeft en goed geïntegreerd is niet gewoon Belg kan worden.

Nationaliteit kan volgens twee grote principes verworven worden. In Europa wordt meestal de nationaliteit via een bloedband verkregen: als kind krijg je de nationaliteit van je ouders, het zogenaamde jus sanguinis of recht van bloed. In de vroegere ‘Nieuwe Wereld’, Noord en Zuid-Amerika, geldt de plaats waar je geboren bent, het zogenaamde jus soli of recht van bodem. In de Verenigde Staten is elke kind dat op Amerikaanse bodem geboren is, een Amerikaanse staatsburger (mits een aantal uitzonderingen).

België zou ervoor kunnen opteren dat ook de plaats waar je geboren wordt, of beter nog: waar je opgegroeid bent, bepaalt of je de Belgische nationaliteit mag verwerven. Dat kan trouwens nu al als meerderjarige, na een ononderbroken wettelijk verblijf van tien jaar, op voorwaarde dat je verblijfsrecht van onbeperkte duur hebt en je je talenkennis en integratie bewijst. Die bepaling zou kunnen uitgebreid worden naar minderjarigen van zestien jaar (of wat jonger), zonder de voorwaarde dat ze verblijfspapieren moeten hebben. Dat laatste is te verantwoorden, net omdat het kind zelf geen verantwoordelijkheid kan dragen dat ze zonder papieren opgroeit in België, zoals de casus van Djellza toont.

Dat minderjarigen de nationaliteit aanvragen kan nu al in bijvoorbeeld Frankrijk. Op zestienjarige leeftijd kan je de Franse nationaliteit verkrijgen als je in Frankrijk geboren bent, ook al zijn je ouders geen Fransen, mits een aantal voorwaarden, zoals een verblijf van vijf jaar in Frankrijk. Je kan die nationaliteit zelfs al vanaf je dertiende (laten) aanvragen. Let wel, de Franse regels eisen dat de minderjarige geboren is in Frankrijk. Dat zou in het geval van de zestienjarige Djellza dus niet van toepassing zijn, gezien ze in Duitsland geboren is; als baby is ze dan naar België gekomen. Maar de vraag is of de plaats van geboorte principieel veel uitmaakt, indien de persoon in kwestie hier opgegroeid is.

Ik denk dat de verontwaardiging over de uitwijzing van Djellza terecht is. Ze lijkt het slachtoffer te worden van het gedrag van haar ouders en wellicht ook van haar broers. Als dat zo is, dan wordt haar toekomst bepaald door haar afkomst, zonder dat ze daar dus zelf verantwoordelijk voor is. De gemeenschap moet dan zo veel mogelijk de kant van het kind kiezen.

Deze tekst verscheen eerst in DS Avond van De Standaard

Nederlandse vluchtelingenplan: eerlijk, efficiënt en bijna rechtvaardig

Nederland lanceerde deze week haar Europees plan om de vluchtelingencrisis aan te pakken. Het houdt in dat er een veilige doorgang voor vluchtelingen wordt georganiseerd aan de buitengrenzen van Europa. Op die manier zouden per jaar 150.000 tot 250.000 vluchtelingen toegelaten worden. Nederland rekent op een kopgroep van tien landen die willen meewerken. Het zogeheten ‘plan-Samsom’ kreeg felle kritiek. Nochtans is het eerlijk, efficiënt en bijna rechtvaardig.

1) Eerlijk. Dat betekent dat er voor het eerst duidelijk over een bovengrens wordt gesproken. Momenteel is er inderdaad in principe geen bovengrens. Maar om te vermijden dat er massaal vluchtelingen via het vliegtuig naar Europa zouden komen, heeft Europa beslist dat vliegtuigmaatschappijen alle kosten moeten dragen als hun passagier teruggestuurd wordt. Hierdoor moeten vliegtuigmaatschappijen zelf op voorhand het onderscheid maken tussen echte en onechte vluchtelingen, wat onmogelijk is.

Het gevolg is een hypocriete situatie: Europa zégt wel dat er geen bovengrens is, maar maakt het de vluchtelingen moeilijk en onveilig om naar hier te komen, waardoor een formele bovengrens niet nodig is. Een veilige doorgang aanbieden gekoppeld aan een bovengrens vermijdt deze hypocrisie en is eerlijk.

2) Efficiënt. Een veilige doorgang is bovendien efficiënt. De huidige situatie is immers niet alleen onveilig, maar ook moeilijk en duur. Het creëert een crimineel netwerk van mensensmokkelaars die duizenden euro’s vragen voor een gevaarlijke overtocht. Het Nederlandse plan kan dat criminele netwerk onderuit halen.

Daarenboven kunnen de vluchtelingen hun euro’s houden om een goede start te maken in het land van aankomst. En doordat de overtocht veilig en gecontroleerd is, zullen ook de meer kwetsbare mensen, zoals alleenstaande vrouwen en gezinnen met jonge kinderen voor wie de huidige overtocht vaak te gevaarlijk is, een aanvraag kunnen doen. Door het verwachte overaanbod van asielaanvragen zou men ook kunnen selecteren om bepaalde binnenlandse noden of onevenwichten te beheren.

Een belangrijke voorwaarde is wel dat er niemand anders via illegale kanalen kan binnenkomen en blijven, zoniet wordt het onveilige en criminele circuit weer rendabel gemaakt. Dat betekent het bewaken van de buitengrenzen en het consequent terugsturen van mensen die illegaal binnenkomen of boven de bovengrens komen. Hoe het terugsturen gebeurt, met een veerboot of vliegtuig, maakt op zich niet uit, als het maar menselijk gebeurt.

3) Bijna rechtvaardig. Als de toegang tot Europa voor vluchtelingen makkelijker en veiliger wordt, is er ook een formele bovengrens nodig, omdat anders miljoenen vluchtelingen via de legale weg zouden binnenkomen. Wereldwijd zijn er zo’n 50 miljoen vluchtelingen: we willen en kunnen die niet allemaal opnemen op een paar jaar tijd. Pleiten voor veilige en gemakkelijke route zonder bovengrens is pleiten voor een opengrenzenbeleid voor vluchtelingen. Dit is politiek en maatschappelijk haalbaar noch wenselijk.

Het principe van een bovengrens is dus aanvaardbaar. Het enige wat er schort aan het voorstel is dat de bovengrens veel te laag is: 250.000 vluchtelingen per jaar is slechts 0.05% van de totale Europese bevolking. België zal op basis van de asielvragen in 2015 ongeveer 30.000 vluchtelingen opnemen of 0.27% van de Belgische bevolking. Ter illustratie: 0.27% komt overeen met 1 extra leerling op een school van 370 leerlingen.

Als we 0.27% extrapoleren naar de totale Europese bevolking zijn dat 1,3 miljoen vluchtelingen per jaar. Beperk je je tot de tien landen uit het voorstel van Nederland dan kom je nog tot ongeveer het driedubbele dan Nederland voorstelt. De bovengrens is dus pas ethisch aanvaardbaar als ze veel hoger is dan nu voorgesteld.

4) Niet wettelijk? Het grootste struikelblok van dit plan is echter iets helemaal anders, namelijk de wettelijkheid ervan. Experts zijn het erover eens dat een plan met een bovengrens, hoe hoog, efficiënt en rechtvaardig die ook is, niet wettelijk is, omdat ze ingaat tegen de Conventie van Genève. Maar het alternatief is de huidige situatie, die wel wettelijk is, maar duidelijk verre van optimaal.

Meer vluchtelingen opnemen is mogelijk

Men verwacht dat België ongeveer 30.000 vluchtelingen zal opnemen via een asielaanvraag in 2015. Dat is 0,27 procent van de bevolking. Met de juiste maatregelen kan de bovengrens minstens dubbel zo hoog.

De massale aanrandingen tijdens oudejaarsnacht in Keulen, waarbij de daders asielzoekers zouden zijn, toont dat er ook akelige aspecten kunnen zijn aan de grote toestroom van vluchtelingen. Het ondermijnt het maatschappelijke draagvlak om veel vluchtelingen op te nemen. Toch blijft het een ethische plicht om mensen in nood te helpen. En lang niet elke vluchteling is een potentiële aanrander.

De regels om vluchtelingen te beschermen zijn niet optimaal. Neem de manier waarop de vluchtelingen naar Europa komen: ze maken een gevaarlijke en dure overtocht met een gammel bootje, in plaats van een goedkoper en veiliger overtocht te maken met een vliegtuig. Dat komt omdat een Europese wet alle kosten voor repatriëring van een uitgewezen asielzoeker legt bij de luchtvaartmaatschappij waarmee die persoon naar Europa is gevlogen. Die zou dus op voorhand het onderscheid moeten kunnen maken tussen echte en onechte vluchtelingen, wat uiteraard niet mogelijk is.

De reden voor deze Europese wet lijkt me simpel: mocht de wet er niet zijn, dan zou Europa overspoeld worden. We zouden de vluchtelingen dan volgens de Conventie van Genève allemaal moeten opnemen, wat we natuurlijk niet willen (en niet kunnen). De Conventie laat immers niet toe dat een land een bovengrens instelt voor vluchtelingen. Een echte vluchteling kan geen bescherming geweigerd worden.

Dus wordt het vluchtelingen fysiek moeilijk gemaakt om naar hier komen. Dat heeft negatieve gevolgen. Het is gevaarlijk. Mensen verdrinken onderweg. Het maakt mensensmokkelaars rijk: een overtocht kost snel enkele honderden tot zelfs duizenden euro’s, geld dat goed gebruikt kan worden in het land van aankomst.

Ten slotte leidt een gevaarlijke overtocht waarschijnlijk tot een averechtse selectie. Het zijn niet de meest kwetsbare vluchtelingen die de overtocht maken. Jonge mannen hebben zonder twijfel een grotere kans dan vrouwen of jonge kinderen. Soms wordt het gezin door de man voor maanden of nog langer achtergelaten.

De eenvoudigste oplossing is die Europese wet af te schaffen. Dat leidt echter tot een nog veel grotere toestroom van vluchtelingen via het vliegtuig. Dus moet per land een bovengrens ingesteld worden voor vluchtelingen. Om die bovengrens ethisch aanvaardbaar te maken moet ze hoog zijn: hoe meer kwetsbare mensen we beschermen, hoe beter. De grootste uitdaging is een maatschappelijk draagvlak te creëren voor zo’n hoge bovengrens.

Integreerbaarheid

Het toverwoord is integratie. De bevolking moet duidelijk gemaakt worden dat de vluchtelingen die we toelaten zo snel mogelijk zullen integreren. Dat betekent dat er een grote kans is dat ze de taal leren, actief naar werk zoeken (of zich bijscholen) en de wet zullen naleven. Dat houdt ook in dat de individuele vrijheden van eenieder gerespecteerd worden, man of vrouw.

Die hoge ‘integreerbaarheid’ moet op twee manieren bereikt worden. Ten eerste moet geselecteerd worden op de instroom van vluchtelingen. We laten niet iedereen toe, maar wel diegenen met de hoogste verwachte kans dat ze goed zullen integreren.

Die selectie kan gemaakt worden in samenwerking met de vluchtelingenorganisatie van de VN. Die kan een voorselectie maken van kwetsbare mensen. Dat gebeurt overigens nu al in het kader van ‘resettlement’ (hervestiging), waarbij vluchtelingen ter plaatse worden geselecteerd om overgebracht te worden naar een derde land. België neemt daar al beperkt aan deel. Uit die voorselectie kan gekozen worden op basis van onze eigen criteria van ‘integreerbaarheid’, tot de hoge bovengrens bereikt is. Ik denk aan hoogopgeleiden en gezinnen met (jonge) kinderen.

Ten tweede moeten er initiatieven komen om de vluchtelingen de kans te geven zich te integreren. Taalcursussen en opleidingen, snelle erkenning van diploma’s en een goede geografische spreiding zijn essentieel. De vooruitgang van de integratie verdient opvolging, opdat de criteria van ‘integreerbaarheid’ verbeterd kunnen worden.

Men verwacht dat België ongeveer 30.000 vluchtelingen zal opnemen via een asielaanvraag in 2015. Dat is 0,27 procent van de bevolking. Ik denk dat de bovengrens minstens dubbel zo hoog kan, zeker op basis van de opgesomde maatregelen. Die zijn ook ethisch verdedigbaar, want als het aankomt op het helpen van kwetsbare mensen is enkel het getal belangrijk: hoe meer, hoe beter.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Economisch draagvlak voor vluchtelingen sterker dan het lijkt

Op middellange termijn moeten we ons zelfs met de matige werkzaamheidsgraad van vluchtelingen weinig zorgen maken over de betaalbaarheid van het systeem. De uitdaging is het beter te doen dan die matige werkzaamheidsgraad.

Eerder deze week schreef zowel Gert Peersman als Ivan Van de Cloot over de impact van vluchtelingen op de economie. Volgens Peersman in De Standaard nemen vluchtelingen geen jobs af, omdat het aantal jobs niet constant is. Nieuwkomers creëren immers ook een vraag naar goederen en diensten, en dat stimuleert de economie. Het effect op langere termijn is dan eerder positief, op voorwaarde dat ze aan een job geraken. Van de Cloot waarschuwde er in De Tijd dan weer voor dat de trackrecord van succesvolle arbeidsintegratie minder positief is en geeft de inschatting dat in Duitsland slechts een op de tien Syriërs onmiddellijk een job kan vinden.

Beide columnisten maken een belangrijk punt: vluchtelingen kunnen jobs invullen en ook creëren, maar dat is geen evidentie. Er is dan ook veel te weinig aandacht voor de manier waarop we de grote aantallen vluchtelingen zo goed mogelijk kunnen integreren en klaarmaken voor de arbeidsmarkt. Bij mijn weten is er geen sprake van massale aanwervingen om taallessen te organiseren, noch van het oprichten van tewerkstellingscellen door de VDAB of van een samenwerking met interimkantoren.

Ook de langzame erkenning van buitenlandse diploma’s – een Vlaamse bevoegdheid – en gezinsondersteuning voor vluchtelingen met jonge kinderen blijven onder de radar. Het debat blijft spijtig genoeg steken in het al dan niet verminderen van het aanzuigeffect door al dan niet minder sociale rechten toe te kennen aan vluchtelingen of internationale verdragen aan te passen.

Ik denk dat de discussie over het aanzuigeffect veel minder aandacht zou krijgen mochten mensen concrete maatregelen zien die tonen hoe vluchtelingen geïntegreerd worden, zowel de kinderen in onze scholen als de volwassenen op de arbeidsmarkt. Die aanpak zou centraal moeten staan in het debat.

Bovendien zijn de bezorgdheden over de economische draagkracht van grote aantallen vluchtelingen overdreven, althans op middellange termijn. De werkzaamheidsgraad van de Belgische beroepsbevolking bedraagt nu ongeveer 62 procent. Dat betekent op het eerste gezicht dat we minstens zes op de tien vluchtelingen op beroepsleeftijd aan het werk moeten krijgen, willen we het economisch draagvlak constant houden. Maar die statistiek houdt geen rekening met het leeftijdsprofiel van de vluchtelingen tegenover dat van de Belgische bevolking.

Uit de grafiek blijkt dat er vooral jonge mensen naar België migreren: meer dan driekwart van de migranten is jonger dan 40 jaar, tegenover minder dan de helft voor de Belgische bevolking. Bij de migranten zitten dus weinig gepensioneerden, terwijl net die categorie relatief duur is voor de Belgische overheid, door pensioenen en gezondheidszorg.

tijdmigranten

De werkzaamheidsgraad van de Belgische beroepsbevolking levert een werkzaamheidsgraad op van de totale Belgische bevolking, dus kinderen en 65-plussers erbij geteld, van slechts 40 procent: één actieve onderhoudt 2,5 personen (onder wie zichzelf). Willen we diezelfde verhouding bij de immigrantenpopulatie – één actieve migrant voor 2,5 migranten – dan moet er niet 62 procent van de migranten op beroepsleeftijd aan het werk zijn, maar slechts de helft.

Dat ligt in lijn met de cijfers die Jan Denys, arbeidsmarktdeskundige bij de uitzendgroep Randstad, naar voren schuift: na tien jaar is ongeveer de helft van de vluchtelingen aan het werk. Dus zelfs met de huidige trend van matige werkzaamheidsgraad van vluchtelingen moeten we ons – althans op middellange termijn – weinig zorgen maken over de betaalbaarheid van het systeem. De uitdaging is het beter te doen dan die matige werkzaamheidsgraad.

De tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Grieken hebben nu onze solidariteit en geduld nodig

Je hebt niet veel cijfers nodig om in te zien dat Griekenland een sociaal drama is en dat de bevolking nu echt wel genoeg ellende heeft gehad. Tijd om de spons boven te halen en de Grieken een vooruitzicht te bieden.

Kwatongen beweren dat de trojka (Europese Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds) in de Griekse crisis een politiek spel speelt om Syriza, toch wel zéér links, van de macht te drijven door dermate hoge eisen te stellen die Syriza wel moet weigeren. Anderen beweren dan weer dat de Griekse regering een onverantwoord stelletje amateurs zijn die hun hand overspelen. Als buitenstaander is het voor mij heel moeilijk om in dit spelletje zwartepieten klaar te zien.

Wel is duidelijk dat Griekenland een geval apart is. Corruptie, vriendjespolitiek en belastingontduiking vind je in elk land, maar lijken in Griekenland zo wijd verspreid dat de overheid haar taken niet meer kan financieren en uitvoeren. Het land een gefaalde staat noemen, is maar een beetje overdreven. Het land kent momenteel enorme begrotingstekorten en een exploderende overheidsschuld, maar ook in de goede jaren was het Griekse begrotingstekort al ruim boven 5 procent. Dat werd toen verdoezeld door de cijfers jaar na jaar te vervalsen, wat natuurlijk totaal onaanvaardbaar is.

De Grieken hebben dus hun problemen zelf veroorzaakt en hebben gedurende jaren bedrog gepleegd tegenover de andere leden van de eurozone. En dat verleden speelt de Grieken parten: Griekenland zal boeten. Als je spilzucht en fraude niet bestraft, is er immers geen reden waarom de Grieken (en andere landen) het in de toekomst anders zullen doen. Dat lijkt dan wel solidariteit, maar is enkel naïef en daar wordt vroeg of laat misbruik van gemaakt. Dat is het bekende probleem van moral hazard, waarbij iemand niet de nodige voorzichtigheid aan de dag legt omdat hij weet dat als het fout loopt iemand anders ervoor opdraait. Ook Bart De Wever gaf het als reden voor de ferme houding tegenover Griekenland tijdens een uitzending van De Zevende Dag (21 juni).

Het was ook mijn standpunt in 2010, bij het uitbreken van de Griekse crisis. Ik was en ben ervan overtuigd dat moral hazard een belangrijk probleem is en dat de Grieken niet zomaar een bail-out verdienen, omdat ze in de toekomst dan weer hetzelfde onverantwoord gedrag zullen vertonen.

Maar dat was vijf jaar geleden. Ondertussen is het duidelijk dat Griekenland niet zomaar een bail-out gekregen heeft. De bijgaande grafieken tonen de lamentabele economische situatie in Griekenland in vergelijking met België. Het bbp per hoofd nam af met 25 procent terwijl het in België nagenoeg stabiel bleef, met als resultaat dat de gemiddelde Belg nu dubbel zo rijk is als de gemiddelde Griek. De werkloosheid kende zo mogelijk nog een dramatischer verloop met een stijging tot 26,5 procent, driemaal zo hoog als in België.

griekensolidariteit

Achter die cijfers schuilt een maatschappelijk drama en het is niet overdreven om te stellen dat de Grieken ondertussen al ruim hun deel van de ellende gehad hebben. Daardoor is het probleem van moral hazard ondertussen niet meer relevant, omdat Griekenland (en andere landen) in de toekomst zonder twijfel meer oog zal hebben voor een duurzame overheid op de lange termijn.

Als moral hazard geen probleem meer is, staat er niets in de weg om solidair te zijn met de Grieken. Het wordt dan ook tijd om de spons over het verleden te halen en de Grieken een perspectief te geven. Dat zal tijd vragen. Want niet alleen moeten de economie en de overheid hervormd worden, de hele Griekse maatschappij moet af van de cultuur van vriendjespolitiek en corruptie. Het kan ook een les zijn voor andere landen: vriendjespolitiek en cliëntelisme zijn niet onschuldig. Ze kunnen een land kapot maken.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.