BOEKBESPREKING – De Limieten van de Markt – Paul De Grauwe

limieten2Sinds het faillissement van de investeringsbank Lehman Brothers in september 2008 is de Europese economie er slecht aan toe: recessies worden afgewisseld met periodes van lage groei en recent is er zelfs de vrees voor deflatie. Daardoor dreigt er een Japan-scenario, waarbij lage groei en lage inflatie een paar decennia de toon zetten. Tegen deze achtergrond is het thema van de ongelijkheid naar voren gekomen. Dat leefde al een paar jaren in de Verenigde Staten waar het duidelijk is dat de top 1%, of beter, de top 0,1% of zelfs 0,01%, veel en veel rijker geworden is dan de modale burger en dat een gemiddelde economische groei niet iedereen beter maakt. Het is vooral dit thema dat de aanleiding vormt van het nieuwe boek van Paul De Grauwe De Limieten van de Markt. Zijn basisstelling is dat als de markt aan zichzelf wordt overgelaten, de markt onvoldoende goed het algemeen belang dient en dat niet iedereen een billijk deel van de economische groei en de welvaart krijgt dat de markt creëert. Dat kan de democratische steun voor een markteconomie ondermijnen, waardoor het op termijn zelfs kan verdwijnen. Een markt die niet beteugeld wordt leidt, tot een steeds groeiende ongelijkheid en verliest zo de democratische steun. Dat kan een tegenreactie oproepen waardoor de slinger plots de andere kant opgaat met een te grote impact van de overheid op die markt. Wil men dat vermijden dan is tijdig ingrijpen aangewezen.

Een overheid die ingrijpt kan dan efficiënt zijn omdat het een aantal marktfalingen remidieert. Voor De Grauwe is het dan ook duidelijk: er kan geen opdeling gemaakt worden tussen enerzijds de privé-sector die de welvaart creëert en anderzijds een overheidssector die enkel bij de gratie van de privé-sector kan bestaan. Overheid en privé staan op gelijke voet en hebben elkaar nodig. De beste voorbeelden zijn onderwijs en infrastructuur: zonder de grote investeringen die de overheid doet (of deed) in deze sectoren zou de privé-sector nooit op het huidige niveau welvaart kunnen creëren. Maar ook, zonder de welvaartscreatie van de privé-sector zou die overheidssector nooit kunnen investeren in onderwijs en infrastructuur. Ze hebben elkaar dus nodig en versterken elkaar.

Het boek gaat dan ook in essentie over de rol van de overheid en de markt en hoe we deze moeten afbakenen. De Grauwe geeft hierbij een aantal economische concepten die volgens mij essentieel zijn in deze discussie en die hij met eenvoudige voorbeelden illustreert. Zo refereert hij naar het bestaan van externe effecten, of externaliteiten: een activiteit kan effecten veroorzaken die de actor zelf niet significant beïnvloeden maar wel andere mensen die eigenlijk geen betrokken partij zijn. Die effecten kunnen positief of negatief zijn. Het beste voorbeeld van een negatieve externaliteit is vervuiling: de autobestuurder trekt zich weinig aan van de uitlaatgassen die hij veroorzaakt, maar andere mensen hebben hier wel last van. Het is dan aan de overheid om hier in te grijpen als die negatieve externe effecten te groot zijn.

Volgens De Grauwe weten we dikwijls heel goed hoe een overheid zou moeten ingrijpen. Politieke actie komt echter maar moeilijk van de grond. De overheid en de politiek werken immers niet steeds in het algemeen belang, net zomin als de markt. Mancur Olson beschreef in 1965 in The Logic of Collective Action al de mechanismes die verhinderen dat de politiek het algemeen belang dient. Het komt erop neer dat het voor een kleine groep mensen veel kan opleveren om bepaalde wetgeving, bijvoorbeeld inzake vervuiling, tegen te houden. De kost hiervan wordt verspreid over heel veel mensen waardoor de kost voor elk van die mensen klein is en dus niet de moeite om hiertegen te protesteren. Bovendien is het ook moeilijk om het protest te organiseren gezien het over een grote groep mensen gaat, in tegenstelling tot de kleine groep van lobbyisten.

De politiek wordt dus overspoeld door lobbyisten die steeds de belangen van kleine groepen verdedigen en de kosten willen uitsmeren over een grote groep mensen, meestal de belastingsbetaler. De Grauwe spreekt in dit geval van ‘vriendjeskapitalisme, waarin de politiek systematisch de belangen van de kapitalisten verdedigt’. Om dit tegen te gaan is er een cultuur nodig van de ‘rule of law’, waarin geen regels worden gemaakt op maat van de klant of lobbyist, maar waar elkeen op gelijke voet behandeld wordt en zich te houden heeft aan de wet. Het probleem is dat het dienen van de belangen van de machtigen en de vermogenden meestal goed uitdraait voor je carrière.

De ongelijkheid is vooral een probleem in de Verenigde Staten. Toch pleit De Grauwe ook voor België ononwonden voor een progressieve vermogensbelasting om onze sociale zekerheid te kunnen blijven financieren. Hij verwijst hiervoor naar Thomas Piketty die stelt dat het rendement op kapitaal wellicht groter zal zijn dan de economische groei, waardoor de kapitaalkrachtigen almaar rijker worden. Bovendien, zo stelt De Grauwe, worden die grote vermogens steeds minder vergaard door hard werken en risico nemen en steeds meer doordat je in een rijke familie geboren wordt en de rijkdom dus erft. Een concreet voorstel van De Grauwe is om vermogens tot 1 miljoen vrij te stellen en dan de vermogenstaks progressief te verhogen van 0,5% tot 3 à 4% voor de echt grote vermogens (10 miljoen euro of hoger).

Het boek behandelt nog veel meer thema’s, zoals de foute constructie van de eurozone en de hoge loonkosten (die volgens De Grauwe niet zo’n groot probleem vormen). Het is een ideologisch boek, omdat De Grauwe een believer blijft in de vrije markt: hij wil de overheid meer grip geven op de markt, net om de vrije markt te redden van haar ondergang. Maar het is tegelijk ook een pragmatisch boek, omdat de auteur stelt dat de mate van overheidsingrijpen geval per geval moet bekeken worden, op basis van goede analyses en onderzoek. Dat resulteert in een genuanceerde en onderbouwde visie op hoe markt en overheid zo optimaal mogelijk met elkaar interageren om zo de grootste welvaart te creëren die dan billijk kan gedeeld worden.

Paul De Grauwe, De limieten van de markt, Lannoo, 2014

‘De Limieten van de Markt’ is door Liberales gekozen als ‘Liberales-boek van 2014’

Deze boekbespreking verscheen eerst in de nieuwsbrief van Liberales.

Boekbespreking – ‘De Welvaart en Trots van Naties’ – Olivier Boehme

Het communautaire thema is sinds de federale verkiezingen in 2007 niet meer weg te denken uit de Belgische politiek. De Vlaams-nationalistische N-VA beleeft sindsdien de ene electorale overwinning na de andere en ook voor de komende verkiezingen in 2014 geven de peilingen nog maar eens een overwinning voor deze jonge partij. Natuurlijk wordt dit voor een groot deel verklaard door het politieke talent van haar leider Bart De Wever. Maar de N-VA bespeelt ook een gevoelige snaar in het federale België, namelijk de tweedeling tussen het rijkere Vlaanderen en het armere Wallonië.

Zelf zegt de N-VA dat ze de Vlaamse grondstroom vertolkt. Een grondstroom die “rechts” is, tegenover de grondstroom die in het Franstalige landsgedeelte “links” is. In zijn boek ‘De welvaart en trots van naties’ toont Olivier Boehme dat het Vlaams-nationalisme, en het nationalisme in het algemeen, niet per se links of rechts is. Het neemt als een kameleon de economische politiek aan die het best het nationalistische doel dient, zijnde de totstandkoming van de natie. De economische politiek is voor de nationalist dus geen middel om welvaart te creëren, maar een middel om de natie te creëren. Meer nog, een verarming is een prijs die een nationalist best wel wil betalen, als dat moet.

Dat is radicaal tegengesteld aan het huidige paradigma van de liberale economie, namelijk dat de economie de materiële welvaart moet verhogen, en niet de realisatie van één of ander politiek idee. Het politieke idee van de natie neemt als maatstaf per definitie een groep, in tegenstelling tot het liberalisme waar het individu centraal staat. De liberaal ziet de economie dan ook als interacties tussen individuen, waar ze zich ook ter wereld bevinden; grenzen zijn in principe irrelevant omdat individuen overal fundamenteel dezelfde drijfveren hebben. Het liberale wereldbeeld is dan ook kosmopolitisch.

De nationalisten noemen dat naïef en presenteren zich eerder als een realpolitik. Het gaat om nationale economische belangen en daarbij heeft men geen kosmopolitische of individualistische bril op. En dat kan ver gaan. Boehme geeft op het einde van het boek een interessant voorbeeld hoe ver het natiegevoel kan primeren op het individu. Toen Vlaanderen nog het arme deel van België was, werden Vlamingen die materieel vooruit wouden komen en het comfort en luxe van de Franstalige Belgen wou bereiken beschimpt als “arrivist”. Individuele Vlamingen werden dus sociaal afgestraft als ze vooruit wilden komen. Het is sterk te vergelijken met zwarte Amerikanen die willen opklimmen op de maatschappelijke ladder die van sommige andere zwarten te horen krijgen dat ze moeten stoppen met ‘acting white’ en dat ze hun ‘eigen mensen’ verloochenen. Het verschil met het nationalisme is de groep waarop men zich richt, maar het principe is hetzelfde: het groepsbelang heeft prioriteit.

Maar spreken over een groepsbelang of een nationaal belang is misleidend, omdat het eigenlijk gaat om “een nationalistische voorhoede die een deelbelang tot algemene doelstelling probeert te verheffen”, zoals de auteur opmerkt. Een volk, of gelijk welke andere grote groep mensen die men op basis van één of een paar kenmerken selecteert, is immers nooit een monolithisch blok. Dat blijkt ook als men nationale identiteiten probeert te definiëren. Die definities zijn ofwel te strikt ofwel te ruim, maar vaak beiden. Herinner u bijvoorbeeld nog het initiatief in 2010 van de toenmalig Franse president Sarkozy, die een Franse identiteit wou definiëren. Het is afgelopen met een sisser, ook omdat het debat al snel gekaapt werd door extreem-rechts, die veel minder problemen heeft met een te strikte definitie van identiteit.

Hoewel het liberale model het overheersende paradigma lijkt, geeft Boehme een aantal interessante voorbeelden waaruit blijkt dat het economisch nationalisme nooit ver weg is. Zo schrijft hij dat “in elk land wel ongenoegen leeft als een of ander bedrijf aan buitenlandse investeerders wordt verkocht, ook als die mopperende burgers daar nooit zelf belangen in hebben gehad”. Hij verwijst ook naar het feit dat nog veel Britten betreuren dat het Empire van weleer voorgoed verdwenen is, ook al zijn de Britten in absolute termen materieel veel beter af dan vroeger. Met die eenvoudige voorbeelden toont Boehme dat zelfs in ons huidige liberale economische model toch nog veel ruimte is voor een nationalistische economie, die ideeën boven materiële welvaart stelt; of hoe prestige voor een nationalist belangrijker kan worden dan het individu.

De centrale stelling in het boek is dan ook dat de economie voor de nationalist slechts een middel is. Om die stelling te onderbouwen bestudeert Boehme de geschiedenis van het economische nationalisme. Het is een overzicht van vele denkers die sinds de 18de eeuw school gemaakt hebben. Een belangrijk denker in dit rijtje is Friedrich List, die de auteur beschrijft als een realistisch kosmopolist, die het economisch nationalisme als een tussenstap zag naar een wereldeconomie. Toen, begin negentiende eeuw was het volgens List nog zo dat landen nog te veel van elkaar verschilden en dus was een verschillende nationale politiek nodig. Zo pleitte hij voor tijdelijke protectionistische maatregelen om pas ontluikende industrietakken de tijd te geven om competitief te worden. Het is een argument dat nu nog gehanteerd wordt en bekend staat als het beschermen van infant industries.

Het nationalisme bekijkt de economische kwestie dus opportunistisch en kan even goed het liberale model omarmen. Dat is wat de N-VA duidelijk doet. En daar is de N-VA heel eerlijk over. Olivier Boehme citeert Bart De Wever die in 2007 in een radioprogramma zegt dat omdat het splitsen van BHV, hoewel erg belangrijk voor N-VA, weinig mensen interesseert, er maar de nadruk gelegd wordt op het sociaal-economische omdat dat wel kiezers oplevert. En ook recenter, in een interview met De Standaard over ideologie zei Bart De Wever: “In een nationalisme dat opkomt tegen een fascistische dictatuur zullen alle schakeringen van links te vinden zijn. Bij ons is het logisch dat het nationalisme zich richt op Vlamingen die het PS-beleid niet langer lusten.” En ook Jan Peumans deed recent uitspraken in die zin. Het ondersteunt alleen maar de stelling van de auteur dat economie voor nationalisten een middel is, en dat ze desnoods een verarming willen slikken voor de realisatie van de idee van de natie.

De welvaart en trots van naties, Olivier Boehme,De Bezige Bij Antwerpen, 2013

Deze boekbespreking verscheen eerst op Liberales

Boekbespreking – ‘De Perfecte Storm’ – Koen Schoors en Gert Peersman

Al meer dan vijf jaar bevindt de wereldeconomie zich in een crisis. Het begon nog vrij onschuldig in de zomer van 2007 met een credit crunch in de financiële sector. Dat werd wat erger in de loop van 2008, maar in september van dat jaar werd door het bankroet van Lehman Brothers een ware ravage aangericht op de financiële markten. Daardoor sloeg de financiële crisis over op de reële economie met een grote wereldwijde economische recessie in 2009. In 2010 kwamen verschillende overheden, vooral in de eurozone, in de problemen, omdat ze hun bankensector moesten redden en sindsdien sukkelen we verder. Daarbovenop komt nog eens de vergrijzing die de overheidsfinanciën verder onder druk zet.

Over die drie crises, van banken, de eurozone en de vergrijzing, schreven Koen Schoors en Gert Peersman het boek ‘De Pefecte Storm’. De auteurs zijn beiden professor Economie aan de universiteit van Gent. Ze trachten op eenvoudige manier te verklaren wat de oorzaken zijn (het zijn er veel) en hoe de verschillende overheden en centrale banken hebben gereageerd.

Banken

Wat de bankencrisis betreft, vermelden de auteurs de gekende oorzaken zoals onder meer de deregulering en het falende toezicht, de rommelkredieten, de rol van de kredietbeoordelaars en de lage rente. Mijns inziens wordt bij deze opsomming twee zaken onderbelicht, ook door Peersman en Schoors. Ten eerste de rol van de kredietbeoordelaars. Deze instellingen zeggen hoe veilig een financieel product is. Zij hebben duidelijk gefaald: de rommelkredieten werden immers door deze instellingen veilig bevonden. Dat bleek achteraf totaal fout te zijn. Erger is dat hun beoordeling zeer waarschijnlijk positief gekleurd werd door een belangenconflict: immers, de kredietbeoordelaars werden door de bedrijven betaald om advies te geven over hoe men financiële producten moest structureren om een zo goed mogelijke beoordeling te krijgen… waarna diezelfde kredietbeoordelaars die producten moesten beoordelen. Het is exact hetzelfde belangenconflict dat in 20041 het faillissement van Enron, een Amerikaanse frauderende energiegigant, mogelijk gemaakt heeft: hier waren het de audit-bedrijven die de boekhouding moesten goedkeuren, maar tegelijkertijd door hetzelfde bedrijf werden ingehuurd als consultant. Als remedie heeft men toen de audit en consultancy opgesplitst (en één van de Big Five, de vijf grote consultancy firma’s, ging failliet). Dat is nog niet gebeurd bij de kredietbeoordelaars.

Een tweede onderbelicht punt is dat grote banken niet bankroet kúnnen gaan. Ze waren én zijn nog steedstoo-big-to-fail. Dat wordt uiteraard wel vermeld door de auteurs, maar volgens mij is het één van de belangrijkste fouten in ons systeem die nog steeds niet opgelost is. Een essentieel kenmerk van de vrije markt is immers dat verkeerd beheerde bedrijven bankroet gaan en dat de goed beheerde bedrijven het marktaandeel overnemen. Dat is een evolutief proces dat ertoe leidt dat de slechte bedrijven verdwijnen en de goede, performante bedrijven overblijven. De aandeelhouders van de slecht beheerde bedrijven spelen bovendien hun geld kwijt, wat een voldoende prikkel moet zijn om goede managers te kiezen voor het bedrijf. Niets daarvan in de wereld van de topbanken. Ondanks het overduidelijke slechte beheer bij de banken, ging enkel Lehman Brothers failliet. Meer nog, de crisis die het bankroet van Lehman Brothers veroorzaakte leerde vooral dat de overheden het geen tweede keer zouden aandurven om een grote bank failliet te laten gaan. Dat betekent echter dat het o zo belangrijke selectiemechanisme dat inherent is aan de vrije markt niet kan werken. En dat is meer dan zomaar een oorzaak: het is essentieel. Christine Lagarde, topvrouw van het IMF, zei het dan ook recent: The bottom line is that we have yet to fix ‘too-big-to-fail’.

Euro

Wat de eurocrisis betreft, wijzen de auteurs op de constructiefouten van de eurozone: een muntunie die gevormd wordt door landen waarvan de economieën onvoldoende goed op elkaar gelijken waardoor één enkel monetair beleid altijd voor bepaalde landen te streng en voor andere lande te laks zal zijn. Bovendien is er geen fiscale unie en is er een lage arbeidsmobiliteit. Dat zijn dan ook meteen belangrijke voorwaarden voor een goede werking van eurozone.

Waar de auteurs echter te gemakkelijk meegaan in het heersende verhaal is dat de eurocrisis veroorzaakt werd door overdreven overheidsconsumptie. Dat klopt niet. Martin Wolf, de bekende columnist van de Financial Times, schreef al in december 2011 dat de oorzaak eerder ligt bij onevenwichten op de lopende rekening: de periferie voerde veel meer in dan ze exporteerde. Het gaat dus eigenlijk om het monetair beleid van de Europese Centrale Bank dat te laks was voor de periferie en te streng voor de kernlanden, waardoor het geld zeer vlotjes zijn weg vond van de kern naar die periferie, om daar, zeker in Spanje, bijvoorbeeld tot een zeepbel in de bouwsector te leiden. De ontsporing van de overheidsbegrotingen is er pas gekomen doordat de bankensector in de problemen kwam (Griekenland is een geval apart).

Het hoofdstuk over hoe de centrale banken gereageerd hebben, en meer specifiek de ECB, vind ik persoonlijk het boeiendst. Het is ingewikkelde materie die ik nog steeds niet volledig denk te begrijpen, maar het wordt heel goed en eenvoudig uitgelegd. De auteurs behandelen onder meer de onafhankelijke rol van de centrale bank, de werking van de conventionele maatregelen, maar ook de meer ingewikkelde onconventionele maatregelen. Voor een goed begrip van de werking van een centrale bank is het hoofdstuk verplichte lectuur. Nergens heb ik een dergelijk toegankelijke uitleg al kunnen lezen.

Het oordeel van de auteurs over wat de centrale banken hebben gepresteerd is overigens positief. Zo schrijven ze: “Het kan niet genoeg benadrukt worden dat de nooit gezien interventies van de centrale banken het financiële systeem van de totale ondergang hebben gered.” Het is aan de centrale banken te danken dat we niet in dezelfde miserie terecht gekomen zijn als in de jaren ‘30.

Vergrijzing

Het laatste, kortere deel gaat over de vergrijzing. De auteurs beginnen met de vaststelling dat België de voorbije crisisjaren al bij al goed doorstaan heeft. Daarna vervallen de auteurs echter in dezelfde mantra als wat nu gebruikelijk is in de Vlaamse publieke opinie: de Belgische overheden lijden volgens de auteurs aan “consumptiedrift”. Het is zeker zo dat de Belgische overheidsuitgaven de laatste jaren sterk gestegen zijn. De vraag is of dit niet normaal is in een recessie en in welke mate België daarin verschilt van haar buurlanden of van de Scandinavische landen. Als je die oefening maakt blijkt België in de middenmoot te zitten. En bovendien kan men zich de vraag stellen of het niveau van de overheidsuitgaven op zich wel betekenis heeft (ik denk het niet). Ook de steeds maar pessimistische toon over de toekomst van de huidige generatie is misplaatst. De jongeren van vandaag zullen het zeer waarschijnlijk beter hebben dan hun ouders, ook na de gestegen herverdeling om de babyboomers een degelijk pensioen en gezondheidszorg te kunnen geven. Alle economen weten dit.

Maar dat betekent niet dat er geen problemen zijn voor de toekomst. Er moeten wel degelijk hervormingen komen, zeker in België, want wij hebben echt een probleem in onze arbeidsmarkt, vooral aan het einde van de loopbaan. De auteurs tonen aan dat we in België veel sneller stoppen met werken dan elders. Ze stellen een aantal hervormingen voor, zoals een verschuiving van belastingen op arbeid naar consumptie. Het is dit brede onderwerp van de vergrijzing en hoe ze te financieren dat ongetwijfeld de komende jaren centraal zal staan in het publieke debat. Daarom had het hoofdstuk over deze problematie wat mij betreft gerust wat meer uitgebreid mogen zijn. Misschien is dat iets voor een volgend boek.

Boekbespreking door Andreas Tirez

De Perfecte Storm, Koen Schoors en Gert Peersman, Borgerhoff&Lamberigts, 2012

Deze boekbespreking verscheen eerst in de nieuwsbrief van Liberales.

 

Boekbespreking ‘Identiteit’ van Paul Verhaeghe

In 2011 publiceerde Liberales in haar nieuwsbrief een lang essay van Paul Verhaeghe met de titel De effecten van een neoliberale meritocratie op identiteit. Daarin beschrijft Verhaeghe hoe de maatschappij in het verleden zeer statisch was en de carrières op voorhand vastlagen: de boerenzoon werd boer, de dokterszoon werd dokter. Na de Tweede Wereldoorlog zorgde de democratisering van het onderwijs voor een drastische ommekeer en maakte van de statische maatschappij een dynamische: plots kon je door hard werken en een dosis talent het ver schoppen, los van je afkomst. De auteur geeft in het essay zichzelf en de collega’s van zijn generatie als voorbeeld: zij konden snel professor worden door hard en met enthousiasme te werken. De overgang van een statische naar een dynamische maatschappij heeft in het verleden dus effectief tot een meritocratie geleid: de macht aan zij met de verdiensten, namelijk de talentvolle hardwerkenden.

Maar, zo stelt Verhaeghe, dat is slechts van korte duur geweest, want na een korte tijd herdefinieert de nieuw gevormde toplaag de criteria om aan die top te kunnen geraken zodat ze hun positie kunnen bestendigen. Daarmee vervalt de kortstondige dynamiek weer tot een statische maatschappij en is de periode van gelijke kansen en de daarbijhorende sociale mobiliteit maar van korte duur. Het essay is dan ook een vlijmscherpe kritiek op een maatschappij die zegt meritocratisch (lees: rechtvaardig) te zijn, maar dat niet is. Dat is essentiële maatschappijkritiek, omdat we er in de huidige maatschappij vanuit gaan dat talent wel bovendrijft: zij die aan de top staan verdienen het. En de kritiek van Verhaeghe gaat daar radicaal tegen in. Voor liberalen, die veel verantwoordelijkheid leggen bij het individu, gaat die kritiek dan ook recht naar het hart. Het essay werd door Liberales eind 2011 gelauwerd, wat volgens mij als een vorm van zelfkritiek mag beschouwd worden.

Concurrentie en samenwerking

In zijn boek ‘Identiteit’ werkt Paul Verhaeghe de idee van de schijnbare meritocratie, die Verhaeghe de neoliberale meritocratie noemt, verder uit. Het neoliberalisme bekijkt de mens als een competitief wezen dat vooral uit is op zijn eigen profijt (pg 116). En meritocratie -loon naar werken- wordt enkel in financiële termen gemeten: enkel als je verdienste een economische meerwaarde biedt, is het een verdienste, terwijl je vroeger ook status kon bereiken op politiek, religieus en cultureel vlak. Nu rest enkel nog het economische.

Verhaeghe ontkent niet dat mensen competitieve wezens zijn, en dat concurrentie positief kan zijn. Maar er is ook nog een andere kant van de mens, namelijk die van de empathie en de samenwerking. Ook dat zit diep ingebakken in de mens, wat onder meer blijkt uit het onderzoek van Frans De Waal. En welk aspect van de mens het meest naar voren komt, competitie of samenwerking, wordt bepaald door de context. De auteur telt dat onze neoliberale maatschappij de nadruk legt op het competitieve. Dat is dan ook zijn kritiek, niet zozeer op de concurrentie op zich, maar eerder op het feit dat concurrentie alles overheersend is en waardoor samenwerking minder mogelijk wordt.

Meten en willekeur

Onlosmakelijk verbonden met het competitieve neoliberalisme en met een meritocratie is het meten van verdiensten of prestaties. Want als je wil weten wie de competitie wint, dan moet je dat ook kunnen meten. Maar verdiensten meten is niet zo eenvoudig als het lijkt. Door expliciet te gaan meten, telt plots nog enkel dat wat men kan meten. De rest, hoe waardevol ook, is van geen tel: what gets rewarded, gets done. “Meten”, zo stelt Verhaeghe, “is dus niet zomaar passief registreren, het is wel degelijk actief ingrijpen in de praktijk.” Het is een fenomeen dat bijvoorbeeld ook in het onderwijs voorkomt, aangeduid met teaching to the test: scholen gaan zich richten op wat er op het einde van het jaar zal bevraagd worden in geüniformiseerde, landelijke testen, zodat de eigen school er goed uitkomt. Andere waardevolle, maar niet meetbare vaardigheden of kennis worden genegeerd.

De kritiek op het meten is volgens mij een essentieel punt bij Verhaeghe. Niet enkel wat ons mensbeeld betreft, maar ook in de sociale wetenschappen vindt hij dat de nadruk op meten te sterk is: de natuurwetenschappelijke principes en methodes, namelijk een theorie opstellen en toetsen door observaties (en dus meten), kunnen niet of beperkt toegepast worden in de sociale wetenschappen, omdat de invloedfactoren veel te talrijk en oncontroleerbaar zijn. Het is een kritiek waar ik niet mee akkoord kan gaan. Het kan best zijn dat bepaalde verdiensten of factoren moeilijk of (voorlopig) niet te meten zijn. Maar dan moet de discussie gaan over de mogelijkheid van betere meetmethodes, en niet over het aspect van meten zelf. En als er voorlopig geen betrouwbare meetmethodes te vinden zijn, dan moet men dat gewoon in alle bescheidenheid toegeven. De consequentie daarvan is wel dat men erkent dat men in het ongewisse blijft en dat toeval en willekeur hun rol zullen spelen. Want dat is het gevolg van niet-meten en dus niet-weten: willekeur en toeval.

Trouwens, onderzoekers lijken soms wél door te dringen tot de complexiteit en de veelheid van invloedfactoren. Zo bijvoorbeeld heeft de econoom (!) Erwin Ooghe (KULeuven) een onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het Vlaamse GOK-decreet dat meer gelijke onderwijskansen wil stimuleren. Volgens het GOK-decreet mogen de scholen autonoom beslissen waaraan ze de extra GOK-middelen besteden. Ze moeten wel kiezen tussen drie domeinen: de cognitieve achterstand wegwerken, de leesvaardigheid verbeteren of de “socio-emotionele vaardigheden” verbeteren, zoals het zelfbeeld en andere sociale vaardigheden. Uit het onderzoek van professor Ooghe blijkt dat scholen die zich op het derde, eerder vage domein richtten het gemiddeld op alle (cognitieve!) testen beter deden. Verrassend? Eigenlijk niet, want het is een bevestiging van het onderzoek van James Heckman, alweer een econoom en dan nog wel van de vermaledijde Chicago University, die tot net dezelfde conclusie komt. Tussen haakjes: Heckman heeft een Nobelprijs Economie op zijn naam staan voor zijn baanbrekend werk in de econometrie, zeg maar de “meet”-kunde die economen gebruiken.

Maar misschien is dit geen echte kritiek op Paul Verhaeghe, omdat hij zelf ook een paar pistes geeft om beter te meten. Zo verwijst hij naar zijn eigen universiteit, de UGent, die het personeelsbeleid drastisch omgooide en nu andere, ruimere bevorderingscriteria gebruikt, en dus niet louter op basis van het aantal internationale publicaties. Want, zo stelt Verhaeghe, evaluatie blijft nodig, alleen anders: meer kwalitatief onderzoek, meer naar de context kijken, meer bottom-up. Paul Verhaeghe lijkt meten dan toch belangrijk te vinden, maar wel met een beter meetsysteem.

Ook echte meritocratie heeft zijn losers

Maar stel dat we er effectief in slagen om een beter meet- en beloningssysteem uit te dokteren dat bijvoorbeeld ook de intrinsieke motivatie en samenwerking bevordert. En stel dat dit weerom leidt naar een echte meritocratie zoals we die na de Tweede Wereldoorlog gekend hebben. Is dan het probleem opgelost? Dat lijkt me een essentiële vraag in deze discussie, die Verhaeghe niet behandelt in zijn boek.

Alain De Botton, een hedendaags filosoof, doet dat in zijn boek Statusangst wel en zijn conclusie is niet opbeurend. Hij beschrijft hoe de manier waarop de gemeenschap armoede interpreteert en verklaart veranderd is. Vroeger werden armen niet verantwoordelijk gesteld voor hun situatie. Tot voor tweehonderd jaar was het eenvoudig: God had de maatschappelijke verdeling zo gewild. En ieder mens voelde zich nuttig in de rol die God himself voor hem had uitgedacht.

Door het invoeren van gelijke kansen is het duidelijk dat iemands sociale positie afhangt van zijn of haar persoonlijke kwaliteiten. Rijke mensen zijn niet alleen welgestelder, ze zijn waarschijnlijk ook beter! Armen worden niet meer omschreven als onfortuinlijk, maar als mislukt. Men spiegelt de mensen voor dat ‘als je maar hard genoeg je best doet, je kan bereiken wat je wilt’. En lukt het niet, dan heb je niet genoeg geprobeerd. Eigen schuld, dikke bult. En dat principe geldt dus ook wanneer we erin zouden slagen om gelijke kansen te creëren en dus tot een echte meritocratie te komen: er zou dan nog steeds een probleem zijn met de identiteitsvorming. Er is dus ook een keerzijde aan gelijke kansen en een echte meritocratie.

Dus de kritiek dat enkel een schijnbare of neoliberale meritocratie het individu op zijn of haar verantwoordelijkheid wijst voor succes of mislukking is niet correct. Ook indien de meritocratie wel goed werkt, heb je dat effect. Zo zullen bijvoorbeeld de collega’s van de ambitieuze en hardwerkende Verhaeghe die het niet gehaald hebben zich ook niet zo prettig gevoeld hebben. Gelijke of ongelijke kansen hebben daar weinig mee te maken: je succes of mislukking is je eigen verantwoordelijkheid. Meer nog, als je ervan overtuigd bent dat er geen gelijke kansen zijn, dan kan je de oorzaak tenminste daar nog leggen, en niet bij jezelf.

Voor Verhaeghe is de grote verantwoordelijkheid die bij het individu gelegd wordt voor zijn succes een deel van het nieuwe grote verhaal van het neoliberalisme. En dat nieuwe verhaal heeft een grote impact op de identiteitsvorming van individuen. Want, zo stelt Verhaeghe, de identiteit van het individu wordt niet enkel bepaald door de eigen genen, maar ook door de omgeving. Uiteraard zijn de genen belangrijk, maar het belang ervan wordt nu overdreven ten koste van de omgeving. Ik ben van mening dat Verhaeghe hier een belangrijk punt maakt, en één dat achteraf gezien overduidelijk is. Mensen zijn geen eilanden, dat weten we allemaal, maar dat heeft ook consequenties in de identiteitsvorming, over hoe mensen over zichzelf en anderen denken. En dat wordt te weinig erkend.

Kritiek

Het boek heeft al heel wat kritiek gekregen. Maar dat is waarschijnlijk altijd wel het lot van maatschappijkritische boeken, juist omdat maatschappijkritiek zo omvattend is en je steeds wel iets vindt dat niet klopt. Zo krijgt Paul Verhaeghe kritiek wegens zijn psychoanalytische achtergrond, die niet wetenschappelijk zou zijn. Zelf ben ik ook zeer sceptisch tegenover de verdiensten van de psychoanalyse en de delen over Lacan en Freud in het boek heb ik dan ook met weinig enthousiasme gelezen. Maar die stukken vormen, denk ik, niet het fundament van zijn betoog: als je die weglaat, blijft het boek overeind.

Een andere kritiek die moeilijker te weerleggen is, is het feit dat Verhaeghe onze maatschappij neoliberaal noemt. Critici wijzen op het feit dat in België het overheidsbeslag meer dan 50% van het BBP bedraagt. Verhaeghe kan makkelijk opwerpen dat het neoliberale verhaal ook in de overheid doordrongen is (bijvoorbeeld in het onderwijs), maar het neoliberalisme streeft ook naar zo min mogelijk overheid en daar staan we toch mijlenver vandaan. Zo zijn de sociale uitgaven in België de laatste tien jaar toegenomen en is België één van de meest herverdelende landen. Ook zijn verwijzing naar de ongelijkheid in de maatschappij die meer psychische stoornissen zou veroorzaken is niet onmiddellijk hard te maken voor België: uit cijfers(jawel) van de Oeso blijkt dat de inkomensongelijkheid in België niet is toegenomen. België is daarmee wel één van de uitzonderingen.

Ondanks deze kritiek is het boek belangrijk voor de maatschappijkritiek die het uit, vooral dan op het feit dat onze maatschappij als een meritocratie bekeken wordt waarin succesvolle en niet-succesvolle mensen het helemaal aan zichzelf te danken hebben. En Verhaeghe verwoordt die maatschappijkritiek op een genuanceerde manier, waarbij hij de individuele verantwoordelijkheid niet onder de mat veegt. Bovendien is de link die hij aanhaalt tussen de huidige maatschappijvisie, die hij neoliberaal noemt, en de identiteitsvorming van individuen logisch en onderbelicht.

 

Paul Verhaeghe, Identiteit, De Bezig Bij, 2012
Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘End this depression now!’ door Paul Krugman

 Sinds 2000 is Paul Krugman columnist voor de New York Times wat hem heel wat bekendheid opleverde, en dat verminderde natuurlijk niet toen hij in 2008 de Nobelprijs voor Economie kreeg. Hij is waarschijnlijk dan ook de bekendste econoom van deze tijd. In zijn columns en op de bijhorende blog,The Conscience of a Liberal, levert hij vlijmscherpe kritiek op andere economen en op beleidsmakers indien ze volgens hem verkeerde keuzes maken. Hij brak het beleid van Bush af en ook voor Barack Obama is hij niet altijd even positief, hoewel zijn kritiek op Obama veel minder scherp is. Hij krijgt het verwijt partijdig te zijn, wat dodelijk is voor de geloofwaardigheid van een columnist die beleid bekritiseert.

Krugman strijdt dit ten stelligste af en stelt dat hij zijn uitspraken doet op basis van economische hypothesen die met reële data geverifieerd worden op hun deugdelijkheid. En die data, zo stelt hij, blijken een liberal bias te hebben, waarmee hij bedoelt dat als je naar de feiten kijkt, je vanzelf een liberal wordt.

Sinds de financiële en economische crisis in 2007-2008 begon, heeft Paul Krugman in zijn bekende stijl van bij het begin een duidelijke positie ingenomen: dit is een crisis zoals in de jaren ‘30. Hij pleit dan ook al een aantal jaar voor de recepten die John Maynard Keynes naar voren schoof in zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money, zijn belangrijkste werk, uit 1936. Daarin stelde Keynes dat de economische depressie van de jaren ‘30 bleef voortduren door een gebrek aan vraag naar diensten en goederen. Gezinnen en bedrijven probeerden via extra sparen immers hun schuld af te betalen. Maar omdat ze dat allen tesamen deden, verminderde de consumptie waardoor bedrijven minder verkochten en werknemers werden ontslaan. Daardoor steeg de werkloosheid waardoor de consumptie nog verder daalde, meer mensen ontslaan werden, enzovoort. Om uit deze negatieve spiraal te geraken, moest de overheid volgens Keynes de vraaguitval compenseren door extra uitgaven te doen, in het economische jargon fiscal stimulus genoemd.

Paul Krugman is dus ook van mening dat de overheid in deze crisis extra moet uitgeven. Maar hij benadrukt herhaaldelijk dat dit enkel in deze extreme omstandigheden een goed beleid is. Het probleem is dat de overheden dit tijdens de crisissen van de jaren ‘70 ook gedaan hebben, met stagflatie tot gevolg, namelijk een stagnerende economie en een oplopende inflatie. Dat beleid zorgde ook in België voor een exploderende overheidschuld waar we nu nog steeds voor moeten betalen. Maar de crisis van de jaren ‘70 was volgens Krugman helemaal anders dan nu: in de jaren ‘70 werd de crisis veroorzaakt door een exogene schok, namelijk een drastische stijging van de olieprijs, wat sowieso de inflatie opdrijft. Als de overheden dan ook nog eens extra gaan uitgeven, trekt ze middelen weg uit de efficiënte private economie (het zogenaamdecrowding out) en bovendien versterkt dit de inflatie. Deze crisis is echter iets totaal anders, aldus Krugman. Er is nu geen olieschok die de productiekosten en dus de prijzen naar omhoog jaagt. Het probleem nu is dat plots de huizenprijzen in de VS begonnen te dalen en gezinnen daardoor op hetzelfde moment hun schulden trachten af te bouwen, en dus minder gingen consumeren en meer gingen sparen. Door het extra sparen, krijgen de banken extra deposito’s die ze in normale tijden uitlenen aan bedrijven om te investeren. Maar doordat de vraag naar goederen en diensten daalt, vrezen banken dat de bedrijven de leningen minder goed zullen kunnen terubetalen.

De banken houden het geld dus gewoon in hun kluis. Om de banken aan te zetten om dit extra geld toch uit te lenen, kan de centrale bank de kortetermijnrente verlagen waardoor de banken minder rente krijgen op hun geldreserves, desnoods tot een rente van 0%. Maar als de crisis, en vooral de vooruitzichten, dermate slecht zijn, dan zullen banken hun extra spaargeld nog steeds niet willen uitlenen, zelfs niet als de kortetermijnrente op 0 staat. Wat de centrale bank dan nog kan proberen is de langetermijnrente naar beneden krijgen door langetermijnobligatie op te kopen (waardoor de vraag naar deze obligatie stijgt, en de obligatierente daalt). En jawel, hoor, deze onconventionele manier van tussenkomen, het zogenaamdequantitative easing, werd door de centrale bank in de VS, de Federal Reserve, effectief tweemaal uitgevoerd.

Zonder groot effect, evenwel. De Amerikaanse werkloosheid zit nog steeds boven 8%, wat historisch hoog is. Volgens Paul Krugman is de verklaring eenvoudig: we zitten in een liquidity trap of liquiditeitsval. Dat komt erop neer dat banken hun extra geld pas zullen uitlenen als er negatieve rentes zijn. Dat is in de praktijk haalbaar door een hogere inflatie waardoor de nominale 0-rente in werkelijkheid een reële negatieve rente wordt, maar in een economische crisis met een vraaguitval zoals nu is dat net het probleem: er is eerder sprake van deflatie dan van inflatie. Als je in een liquidity trap zit dan heeft de centrale bank onvoldoende impact op de economie en moet de overheid tussenkomen door meer uit te geven en zo de vraaguitval te compenseren.

Dit klinkt te eenvoudig om waar te zijn: gewoon wat meer overheidsuitgaven en we zijn uit de crisis. Of zoals Geert Noels het placht te zeggen: de schuldencrisis kan je niet oplossen met meer schulden. Maar dat is net het punt van Krugman: het is echt niet moeilijker dan dit. Het gaat om eenvoudige economische principes die een eerstejaarsstudent economie begrijpt. En vandaar ook de titel End This Depression Now!: volgens Krugman kan de economische crisis eenvoudig en snel opgelost worden. En als de economie terug op normaal potentieel produceert, moeten de overheidstekorten omgezet worden in overschotten zodat de overheidsschuld afgebouwd wordt (en er bij een volgende gelijkaardige crisis terug kan ingegrepen worden).

Maar met extra overheidsuitgaven komen ook extra overheidschulden, waarop de overheid rente moet betalen. Als die overheidschulden te groot worden, dreigt er een rentesneeuwbal die de overheidsfinanciën onhoudbaar maken, nog voor de economie terug aantrekt. Dat is wat effectief in België gebeurd is tot Dehaene in 1992 zwaar begon te saneren. Krugman erkent dat te hoge overheidsschulden grote problemen geven, maar niet in een liquidity trap. Tenminste, dat is het verhaal voor de VS, de UK, Japan en alle andere landen die soeverein kunnen beslissen over hun monetair beleid. De centrale bank van die landen kan immers in uiterste nood steeds de overheidsschuld zelf opkopen door geld bij te drukken. Dat kan dan wel tot meer inflatie leiden, maar een wanbetaling is onwaarschijnlijk. Landen in crisis die geen eigen centrale bank hebben, zoals Griekenland, Ierland en Spanje die in de eurozone zitten en dus gebonden zijn aan de Europese Centrale Bank, kunnen wel in grote problemen komen en in wanbetaling gaan (zoals met Griekenland deels gebeurd is). Dat is een inzicht dat Krugman te danken heeft aan de Belgische econoom Paul De Grauwe, die daarvoor ook de nodig lof kreeg op Krugmans blog. Volgens De Grauwe is de oplossing dan ook dat de ECB aankondigt om onbeperkt overheidsobligaties op te kopen van zodra een bepaalde kritische drempel bereikt is.

Paul Krugman stelt terecht dat een discussie over economisch beleid moet beslecht worden op basis van data. En dan blijkt Krugman het in deze crisis meer dan eens bij het rechte eind gehad te hebben. Zo vreesden tegenstanders van het onconventionele beleid van de centrale banken dat dit zou leiden tot hyperinflatie. Volgens Krugman was dit onmogelijk in een liquidity trap en inderdaad, er is geen sprake van een oplopende inflatie. Ook werd gevreesd voor een stijgende interest op overheidsschuld van de VS door het extra lenen. Ook hier was Krugman duidelijk: daar is geen gevaar voor. En ook nu krijgt hij gelijk: de rente op overheidspapier van de VS staat historisch laag, zelfs na de afwaardering van de kredietwaardigheid door Standard & Poor’s in augustus 2011. Ten slotte heeft Krugman steeds gezegd dat de fiscal stimulusvan de VS onvoldoende groot en langdurig was om de werkloosheid terug op een normaal niveau te krijgen. En ook hier heeft hij gelijk gekregen: men spreekt in de VS zelfs van een economische herstel zonder jobcreatie.

Er is echter een blinde vlek in zijn betoog, vooral als het gaat over de eurocrisis, en dat is het probleem vanmoral hazard, of opportunistisch gedrag. Krugman klaagt de positie van Duitsland aan die weigeren om landen als Spanje structureel te helpen. Hij stelt terecht dat de Spaanse crisis niet veroorzaakt is doordat de Spaanse overheid op te grote voet leefde, maar dat betekent nog niet dat er geen belangrijke hervormingen nodig zijn in Spanje en de andere landen in de periferie. Zo is de Spaanse arbeidsmarkt sterk opgedeeld in twee lagen met enerzijds de insiders die een job hebben en enkel tegen hoge kosten ontslagen kunnen worden, en de outsiders die in het beste geval een interimjob kunnen doen. Dit probleem is al gekend van voor de crisis, maar bljkbaar geraakt dit maar niet hervormd. Indien Duitsland nu akkoord zou gaan om Spanje te helpen, dan zou de druk van de ketel kunnen gaan om grondig te hervormen. Vandaar ook de vraag van Duitsland om eerst een overdracht van soevereiniteit naar het Europees niveau door te voeren. En die overdracht van bevoegdheden zal verregaand zijn, onder meer ook over pensioenen. Het is een punt dat Krugman wat gemakkelijk over het hoofd ziet. Een verschoning daarvoor is het feit dat dit boek vooral voor de VS geschreven is, die de systeemfouten van de eurozone, zoals een lage arbeidsmobiliteit en het gebrek aan een fiscale unie, niet hebben.

Als top-academicus is Krugman gewend om harde discussies te voeren op basis van objectieve cijfers en dat verwacht hij ook van beleidsmakers. Dit boek, maar ook zijn blog en columns, tonen eens te meer dat als je wil mee discussiëren over hoe we deze crisis kunnen oplossen, je niet rond Paul Krugman heen kunt. Of je het nu met hem eens bent of niet. De feiten blijken in deze crisis een Krugman-bias te hebben.

Paul Krugman, End This Depression Now!, Norton, 2012

De NYTimes-blog van Paul Krugman: http://krugman.blogs.nytimes.com/

In augustus verscheen de Nederlandstalige versie bij uitgeverij Balans, onder de titel ‘Stop deze depressie nu’.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Red de vrije markt’ door Johan Van Overtveldt

De alsmaar aanslepende economische crisis is voor sommigen een uitgelezen kans om het kapitalisme, met haar vrije markten en private ondernemerschap, onder vuur te nemen. Ze gaan daarbij al te makkelijk voorbij aan het feit dat de overheid ook wel wat boter op het hoofd heeft. Daarvoor hoeven we in België zelfs niet ver te kijken: Dexia, een bank met de overheid als grootste aandeelhouder, is hét voorbeeld van hoe een bank niet geleid moest worden. En in België en daarbuiten hebben de regulatoren van de financiële markten ernstig gefaald. Voor Johan Van Overtveldt, hoofdredacteur van Knack en Trends, redenen genoeg om een boek te schrijven ter verdediging van de vrije markt.

De auteur gaat daarbij te rade bij Milton Friedman, Amerikaans econoom en Nobelprijswinnaar, die de vader is van het monetarisme. Dat is een economische stroming ontwikkeld aan de Universiteit van Chicago die stelt dat de economische cyclus geregeld moet worden via het geldbeleid, meer bepaald via intrestvoeten en de geldhoeveelheid. En het is niet de politieke overheid die dat geldbeleid moet voeren, maar de centrale banken, volgens duidelijke en vaste regels, zonder dat de overheid daar veel aan te zeggen heeft. Volgens het monetarisme is er dus geen plaats voor een Keynesiaans beleid waarbij de politieke overheid wel actief tussenkomt om de economische cyclus te regelen.

Maar Van Overtveldt laat zien dat dit genuanceerder is. Zo verwijst hij naar Jacob Viner, ook van de Chicago Universiteit en een bron van inspiratie voor Friedman. Volgens Van Overtveldt was Viner ‘Keynes avant la lettre’, omdat hij in 1933 reeds stelde dat de federale regering actief de vraag moest ondersteunen om uit de crisis te raken, desnoods via grotere budgettaire tekorten (naast een monetair beleid dat voldoende geld creëert). Dat is opmerkelijk, want de hedendaagse monetaristen gruwen van een dergelijk beleid. Hoe is dan te verklaren dat in de jaren ‘30 blijkbaar heel wat Chicago-economen het recept van Keynes wel zagen zitten? Dat komt, aldus Van Overtveldt, doordat de twee grote economen die aan de basis liggen van de twee rivaliserende stromingen, Keynes en Friedman, veel genuanceerder waren dan hun uiteindelijke volgelingen.

De fout, volgens de auteur, die de keynesianen maken is dat ze de theorie van Keynes, die ontwikkeld was voor extreme omstandigheden, namelijk de depressie van de jaren ‘30, ook willen toepassen in normaleomstandigheden. Maar Friedman is ook streng voor de eigen volgelingen, de latere monetaristen. Zij gaan uit van individuen die op elk moment alle beschikbare informatie kunnen verwerken en op basis daarvan rationele beslissingen nemen. Dat betekent dat het stimuleren van de vraag door de overheid zelfs op korte termijn geen effect kan hebben. Immers, de rationele individuen zullen anticiperen op de overheidsactie door minder te consumeren, omdat ze meer belastingen vrezen in de toekomst. Daardoor wordt de extra vraag die de overheid net gecreëerd heeft teniet gedaan (door het hogere spaargedrag). Friedman volgt deze theorie, maar hij stelt dat er op korte termijn wel een effect kan zijn, omdat consumenten nu eenmaal niet zo rationeel zijn dat ze onmiddellijk hun gedrag gaan aanpassen.

Wie echt zit te wachten op een boek dat de vrije markt verdedigt, zal echter op zijn honger blijven zitten. Ondanks de titel is dit immers geen boek dat alle argumenten tegen de vrije markt netjes oplijst en onderuit haalt. Het is ook geen boek over de terugkeer van Milton Friedman, want die is sinds 30 jaar nooit echt weggeweest. Dit is een boek over Milton Friedman zelf, over zijn persoon, zijn omgeving en natuurlijk ook zijn economische theorie. Maar dat maakt het boek niet minder interessant. De auteur heeft ook geen blind geloof in zijn economische idool, dat Friedman toch wel blijkt te zijn: in het laatste hoofdstuk stelt hij dat Friedman fout was om aan te nemen dat de financiële markten zichzelf kunnen reguleren (de auteur noemt het wat vergoelijkend ‘Miltons veronachtzaming’). Dat klopt niet, de overheid heeft hier wel degelijk een belangrijke rol te spelen.

Maar ook dan is de geest van Friedman volgens Van Overtveldt nooit ver weg. Het feit dat de financiële wereld overheidsregulering nodig heeft, is te wijten aan de grote machtsconcentratie die er in de financiële wereld heerst. En het is eigenlijk net die machtsconcentratie die Friedman altijd heeft bestreden. Machtsconcentratie is dan ook de ware vijand van de liberaal: zijn achterdocht, of zelfs vijandschap, tegenover de overheid zou daarvan slechts een afgeleide mogen zijn, want de overheid is inderdaad de plaats waar de macht vaak geconcentreerd is. Maar als je als liberaal consequent wil zijn, moet je machtsconcentraties bestrijden, en de paradox, zo laat Van Overtveldt ons zien, is dat de overheid daarbij soms je bondgenoot kan zijn.

Bovendien is het niet zo dat Friedman ontkende dat de vrije markt kan falen. Dat kan wel degelijk en dan is de normale reflex dat de overheid de marktfaling mitigeert. Met uiteraard ook een kost. Het probleem, aldus Friedman, is dat die kost altijd, of bijna altijd, groter is dan de kost die de marktfaling veroorzaakt. En dus kan je als overheid maar beter niets doen. Van Overtveldt stelt duidelijk dat dit met de financiële markten -achteraf gezien- niet het geval is: de kost van niet ingrijpen is gigantisch gebleken. En voor sommige believers in de zelfregulerende kracht van de vrije markt, zoals Alan Greenspan, was dat een koud ontwaken.

Een minpunt aan het boek is iets wat Van Overtveldt niet schrijft. Enerzijds zaten en zitten we in de ergste crisis sinds de jaren ‘30; in sommige landen, zoals de UK is het zelfs erger dan toen. En ook de VS zijn nog lang niet hersteld, om van een aantal Europese landen en de eurozone te zwijgen. Het is duidelijk dat het monetair beleid gedaan heeft wat Friedman en zijn aanhangers vooropstelden: verlaag de intrestvoeten en zorg voor genoeg geld, desnoods via onconventionele wegen. Maar zoals dus ook Chicago-econoom Viner zei, in extreme omstandigheden heeft het monetair beleid onvoldoende impact op de economie (omdat men in een liquiditeitsval zit). Dan moet de overheid gedurende beperkte tijd de vraag stimuleren zodat de economie een kick-start krijgt, desnoods met hogere budgettaire tekorten. Maar de auteur laat het na om dit onderwerp te bespreken en dat is een gemiste kans.


Johan Van Overtveldt, Red De Vrije Markt. De Terugkeer van Milton Friedman, De Bezig Bij, 2012

Ik heb het boek ook besproken voor Radio 1

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Hoe durven ze?’ door Peter Mertens

De Belgische PVDA is in het geheel niet te verwarren met de Nederlandse PvdA. De Belgische partij mag nog steeds beschouwd worden als een marxistische partij die de klassestrijd nog niet heeft opgegeven, terwijl de Nederlandse PvdA al lang geen marxistische of zelfs socialistische partij is, maar geëvolueerd is naar de sociaal-democratie die zich niet per se wil afzetten tegen de markt. Dat verschil uit zich ook in hun democratisch succes: terwijl de Nederlandse PvdA sinds haar oprichting in 1946 al een paar minister-presidenten en talloze minister mochts afleveren, heeft de Belgische PVDA nog nooit een gekozene gehad in het parlement.

De Belgische PVDA opereert dus volledig in de marge. Toch krijgt de partij relatief veel aandacht. Ze is goed vertegenwoordigd op de opiniepagina’s en in discussieprogramma’s. Dat heeft onder meer te maken met de nieuwe voorzitter, Peter Mertens. Sinds hij voorzitter werd in 2008 lijkt de partij iets gematigder en vooral realistischer. Deze imagoverandering wordt zonder twijfel voortgezet met het nieuwe boek dat de voorzitter schreef over de euro en de economische crisis. Het boek is goed op weg om een bestseller te worden. Alleen al daarom kan het niet zomaar aan de kant gezet worden, maar ook inhoudelijk slaat de marxistische voorzitter enkele spijkers met koppen. Althans als het over de analyse van de problemen gaat, die hij onderbouwt met data en referenties (zoals het hoort); over zijn voorstel tot oplossing, wellicht het marxisme, blijft hij veel te vaag.

Maar eerst over de sterke punten van het boek. Het belangrijkste is de stelling dat de winsten geprivatiseerd worden en de verliezen genationaliseerd, met name in de financiële sector. De banken hebben jaren grote winsten geboekt voor de aandeelhouders, maar verschillende banken moesten in deze aanslepende economische crisis met belastinggeld gered worden van het faillissement. De overheid was quasi verplicht de banken te redden, omdat ze te belangrijk zijn voor ons economisch systeem om failliet te laten gaan. De winsten die de banken in het verleden maakten konden echter niet meer gerecupereerd worden, omdat ze al aan de aandeelhouders uitgekeerd of terug geïnvesteerd waren. De auteur pleit er vervolgens voor om een publieke bank op te richten. Op het eerste gezicht is dat vloeken in de kapitalistische kerk, maar ook het liberale The Economist pleitte bij het uitbarsten van de bankencrisis ervoor om banken te nationaliseren, zij het tijdelijk.

Een permanente nationalisering is echter onzinnig. Kijk hoe de banken het in België vergaan is. Dexia, waar de gemeenten de hoofdaandeelhouder waren, is wereldwijd één van de banken die met de grootste problemen opgescheept zaten. Uit een Liberales-sessie met prof Koen Schoors over de financiële crisis bleek dat Dexia volop rommelkredieten aan het aankopen was toen voor vele andere marktspelers al duidelijk werd dat je moest uitstappen. En ook de regulatoren, een onderdeel van de overheid, hebben in België en daarbuiten ernstig gefaald. Dat neemt niet weg dat er een probleem is met het privatiseren van winsten en het nationaliseren van verliezen. Men zou ook een systeem kunnen opzetten waarbij banken wél failliet kunnen gaan. Dat is immers een essentieel onderdeel van het kapitalisme: slecht beheerde bedrijven gaan er via een faillissement uit, zodat betere bedrijven hun plaats kunnen innemen. Dat onverbiddelijke mechanisme zorgt er in theorie voor dat de productiviteit (en dus onze welvaart) stijgt. Maar het klopt dat men nog steeds niet de nodige maatregelen heeft genomen om banken failliet te kunnen laten gaan. En zolang dat niet kan, blijft het alternatief van de PvdA voor een permanente staatsbank valabel.

Een ander terecht punt is de stelling dat we nog steeds in een klassemaatschappij leven. De mensen uit de onderklasse hebben het niet gemakkelijk, aldus de auteur, en dat beseffen politici al lang niet meer. Ze staan wat betreft ideeën en materiële welstand ver van de onderklasse. En de politieke agenda wordt bepaald door de middenklasse die heel andere zorgen heeft. Zelf heeft Peter Mertens naar eigen zeggen een loon van ongeveer 1.500 euro per maand waardoor hij meer met zijn voeten op de grond staat en dus beter weet wat er leeft bij de lagere en de onderklasse.

En we leven inderdaad nog steeds in een klassemaatschappij. Dat kan eenvoudig geïllustreerd worden met de levensverwachting: een ongeschoolde man leeft 7,5 jaar minder lang dan een hooggeschoolde man (en 18,5 minder gezonde levensjaren!). En het klopt volgens mij dat weinig politici en, meer algemeen, mensen uit de middenklasse goed beseffen wat een leven in de onderklasse inhoudt. Toch is Mertens te negatief over de toestand in België: we hebben één van de laagste ongelijkheden van de ontwikkelde wereld (pdf) en die is de afgelopen jaren niet gestegen. België is ook het sterkst herverdelende land (pdf – slide 17).

En dat is een vaststelling die geldt voor het hele boek: er worden veel data gegeven over zaken die mislopen in onze kapitalistische wereld. Maar zelden gaat het over België. We hebben een goede gezondheidszorg, een goed onderwijssysteem en een sterk herverdelende overheid. Bovendien is het loonaandeel van de geproduceerde welvaart in België gestegen sinds de jaren ‘60, ten koste van het winstaandeel. Enkel de vermaledijde VS en de UK doen beter wat betreft deze maatstaf (maar die landen verdelen dat groot loonaandeel ongelijker). Kortom, alle verwijten die de PvdA het kapitalistisch systeem maakt op basis van cijfers over andere landen blijken vaak niet van toepassing te zijn voor België, of toch veel minder. Trouwens, we leven in de ontwikkelde wereld niet in een puur kapitalistisch systeem, maar in een gemengde economie, waarbij het overheidsbeslag in vele landen de 50% van het BBP benadert of overstijgt. Veel wat fout loopt kan vaak minstens deels aan de overheid toegeschreven worden.

De fundamentele kritiek op het kapitalisme is echter de idee van concurrentie. ‘Mensen worden in een kapitalistisch systeem tegen elkaar opgezet’ is een veel voorkomende gedachte. De auteur heeft een punt dat concurrentie bedrijven ‘tegen elkaar opzet’, maar die bedrijven zijn een groep mensen die samenwerken. En er zal wel concurrentie zijn binnen het bedrijf, maar veel bedrijven investeren in allerlei programma’s om hun werknemers juist beter te laten samenwerken, omdat dat de organisatie nu eenmaal productiever maakt. Bovendien maakt de auteur niet duidelijk wat het alternatief is voor concurrentie. Wellicht omdat het marxistische alternatief in het verleden onwerkbaar gebleken is.

Impliciet moet ook Peter Mertens vaststellen dat het kapitalisme nog zo slecht niet is: op pagina 290 stelt hij vast dat de wereld nog nooit zoveel rijkdom heeft gecreëerd als vandaag. En die rijkdom wordt sterk herverdeeld, althans in continentaal Europa. Toegegeven, er is nauwelijks herverdeling met de arme wereld buiten ons. Maar die arme landen hebben eerder een tekort aan kapitalisme, niet een teveel. Sinds China in de jaren ‘80 zijn handelsgrenzen op een gecontroleerde manier is beginnen openstellen, zijn letterlijk honderden miljoenen mensen uit de bittere armoede geklommen. China is natuurlijk geen puur kapitalistische economie, maar dat is onze economie, met een overheidsbeslag van meer dan 50%, evenmin.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

‘Rechtvaardigheid en solidariteit’ door Fréderic Bastiat

Belastingillusie is wijd verspreid in continentaal Europa. De overheid wordt op vele manieren gefinancierd wat de transparantie niet ten goede komt. Daardoor lijkt de kost van de overheid niet zo groot als ze in werkelijkheid is. Een overheid die niet efficiënt is, wordt dan makkelijker getolereerd: burgers zullen zich verzetten tegen het inkrimpen van de overheid, omdat ze vooral de baten zien en veel minder de kosten. De gedachte van de verborgen kosten zoals belastingillusie loopt als een rode draad door het essay Wat men ziet en wat men niet ziet van Frédéric Bastiat. Het essay van de negentiende-eeuwse Franse intellectueel is samen met een tweede essay vertaald en heruitgegeven door het Rothbard Instituut.

Op een paar tientallen pagina’s legt Bastiat in Wat men ziet en wat men niet ziet op een eenvoudige en duidelijke manier uit wat de baten zijn die men ziet en de kosten die men niet ziet. Zo geeft Bastiat het voorbeeld van het al dan niet ontslaan van soldaten wanneer men uit oorlogstijd komt. Het lijkt logisch om, eens er vrede is, de werkloze soldaten te ontslaan. Maar als je dat doet, zo argumenteren de tegenstanders, dan schaadt dat de economie, omdat het inkomen van de soldaten zal dalen. Hierdoor daalt hun consumptie en dus de vraag naar goederen en diensten. Dat is, zo stelt Bastiat,wat men ziet. Wat men niet ziet, echter, is dat de staat minder geld nodig heeft als het de soldaten toch ontslaat, en dat dus een deel van de belastingen teruggegeven wordt aan de burger, die het op zijn beurt kan besteden. De verloren consumptie van de soldaat kan dus gecompenseerd worden door de burgers die nu navenant meer inkomsten hebben. Meer nog, de soldaat die geen nuttig werk meer deed, kan nu ingezet worden voor een productieve taak, waardoor de economie met hetzelfde aantal werknemers meer goederen kan produceren en dus productiever is.

Bastiat gebruikt nog andere domeinen om de verborgen kosten bloot te leggen. Misschien wel het bekendste voorbeeld is dat van de ‘gebroken ruit’. Nu nog stellen sommigen dat het voor de gehele economie eigenlijk een zegen is als er ruiten gebroken worden, want dat is stimulerend voor de economie. De ruit moet immers gerepareerd worden wat zorgt voor meer inkomsten voor de glazenmaker, die op zijn beurt dit extra inkomen kan uitgeven aan andere goederen en diensten, wat opnieuw leidt tot extra economische activiteit. Deze redenering is wat men ziet en is op zich correct, maar men ziet niet dat de eigenaar van de gebroken ruit nu minder geld heeft, en deze dus minder kan uitgeven. De meeruitgaven van de ene (de glazenmaker) worden dus gecompenseerd door de minderuitgaven van de andere (de eigenaar van de gebroken ruit). Een gebroken ruit heeft dan inderdaad noch een positieve, noch een negatieve impact op de economische groei. Maar in het geval van de gebroken ruit is de welvaart in de maatschappij wel verminderd met één ruit. Dat is de paradox die Bastiat mooi blootlegt: de economische bedrijvigheid blijft inderdaad gelijk in de twee gevallen, maar de totale welvaart is verschillend. En dat is wat men niet ziet.

Hiermee lijkt Bastiat in te gaan tegen de theorie van Keynes. Deze Britse econoom stelde dat de overheid in een economische crisis tijdelijk zelfs op onproductieve wijze de economie mag stimuleren (desnoods door mensen te betalen door hen putten te laten maken en daarna terug te vullen). Maar verrassend genoeg is Bastiat niet tegen dergelijke overheidsinterventie. Op pagina 54-55, in het deel over openbare werken, stelt de auteur dat de overheid als tijdelijke maatregel werkloze arbeiders kan inzetten om infrastructuurwerken te doen in tijden van crisis of een strenge winter. De reden hiervoor is dat de overheid op die manier te werk gaat als een verzekeraar.

Dat is de theorie van economische stabilisatoren avant la lettre. Dat, en de andere domeinen waarover Bastiat spreekt, maakt het essay Wat men ziet en wat men niet ziet uiterst interessant om te lezen, zeker in deze tijden van economische crisis waarbij de kosten die de overheid maakt belangrijker worden. De kwaliteit van dit essay staat spijtig genoeg in schril contrast met het andere essay Rechtvaardigheid en Solidariteit. Dit essay bevat een stroom van gedachten over deze twee begrippen die Bastiat vaak simplistisch voorstelt, of doet hij voorspellingen die helemaal niet zijn uitgekomen. Zo stelt hij –midden 19de eeuw- dat men het principe aanvaard heeft “dat de Staat welvaart aan iedereen dient uit te delen. (…) Om die belofte te kunnen houden, verhoogt hij de belastingen en doet hij meer kwaad dan goed. Nieuwe eisen vanwege het publiek, nieuwe belastingen vanwege de staat, en we kunnen niet anders dan van de ene revolutie naar de andere gaan.”

Men stelt begin 21ste eeuw vast dat de staat nog veel meer tussenkomt dan Bastiat zich wellicht ooit had kunnen voorstellen, zonder dat we van de ene revolutie naar de andere gegaan zijn. Integendeel, de sociale onrust is zeer beperkt, en terecht, want de levensstandaard bevindt zich al een paar decennia op een duizelingwekkend hoog niveau, en ondanks de crisis zal dat waarschijnlijk op lange termijn niet veranderen.


Frédéric Bastiat, Rechtvaardigheid en Solidariteit, Rothbard Instituut, 2011

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

‘Arm & kansrijk’ door Abhijit Banerjee en Esther Duflo

Ontwikkelingssamenwerking is nog nooit een thema geweest bij verkiezingen, ondanks het feit dat we weten hoe goed we het hier hebben en hoe miserabel het leven wel kan zijn in de ontwikkelingslanden. De heersende opinie is dat ontwikkelingssamenwerking niet baat en de feiten lijken deze opinie gelijk te geven: er zijn al miljarden euro’s gespendeerd aan ontwikkelingshulp, maar de effecten lijken miniem. Daarentegen lijken landen die weinig of geen ontwikkelingshulp krijgen, zoals China en Brazilië, het soms beter te doen. Dat doet sommige ontwikkelingseconomen zoals William Easterly besluiten dat ontwikkelingshulp onnuttig is, soms zelfs schadelijk, en dat je de ontwikkelingslanden het best met rust laat. Het heeft geen zin om een bevolking tegen hun wil iets op te dringen en het moet dus van henzelf komen.

Andere ontwikkelingseconomen staan hier lijnrecht tegenover. Zelfs als er geen enkel land is dat zich goed heeft kunnen ontwikkelen dankzij ontwikkelingshulp, dan nog kan je niet uitsluiten dat ontwikkelingshulp helpt. Die landen konden het zonder ontwikkelingshulp immers nog slechter gedaan hebben. Bovendien is er een ‘selection bias’: het is niet onlogisch dat landen die er heel slecht aan toe waren, meer ontwikkelingshulp gekregen hebben. Met andere woorden, we geven hulp aan de moeilijke gevallen, en je kan dan ook geen wonderen verwachten. De bekendste ontwikkelingseconoom van deze strekking is Jeffrey Sachs. Volgens hem zijn arme landen arm omdat ze benadeeld zijn: het is er warm en de grond is onvruchtbaar, er is malaria en ze zijn vaak van de zee afgesloten wat hun handel met de wereld bemoeilijkt. Als je zulke landen aan hun lot overlaat, zal het nooit goed komen.

Focus op de ‘kleine vragen’

Die initiële verschillende houding over de ‘grote vraag’ of ontwikkelingshulp kan werken, sijpelt door in meer concrete, ‘kleine vragen’. Een bekend voorbeeld is de strijd tegen malaria. Deze ziekte kan relatief eenvoudig bestreden worden door onder muskietennetten te slapen. Een gezin is al geholpen met een net van 10 dollar. Gezien de grote voordelen voor het gezin (en andere mensen), pleit Sachs ervoor om deze netten gratis uit te delen. Easterly, daarentegen, is daar tegen. Hij stelt dat als mensen iets gratis krijgen, ze de dingen niet naar waarde weten schatten en het dus niet gebruiken. Als mensen een muskietennet van 10 dollar niet willen gebruiken, ondanks het feit dat de baten vele malen groter zijn, dan is dat omdat ze dat niet willen. En het gratis geven zal niet helpen. Het is duidelijk dat beide kampen een zinnige argumentatie hebben. En het is niet zo dat de ene moreel beter is dan de andere: ze zijn beiden van mening dat het onze plicht is om de armen te helpen als we dat zouden kunnen. Ze verschillen gewoon van mening over het feit of dat al dan niet kan.

Abhijit Banerjee en Esther Duflo, de auteurs van Arm en kansrijk (oorspronkelijke titel ‘Poor Economics’), hebben helemaal niet de ambitie om zich in het debat te mengen over de ‘grote vraag’ of ontwikkelingshulp nu werkt of niet. Beide opvattingen lijken aannemelijk en beide kampen vinden talloze voorbeelden en redeneringen die hun stelling ondersteunen. Maar, zo stellen de auteurs, we weten eigenlijk niet wie er gelijk heeft. We speculeren er maar op los. De auteurs willen de ideologie achterwege laten en zich richten op de kleine vragen. Deze zijn wél oplosbaar, als je tenminste over de gegevens beschikt van deze projecten. Zonder gegevens, zijn je stellingen louter opinies, waarvan er genoeg zijn.

Testen of het werkt

En dat is dan ook de kern van het boek. De auteurs zijn twee economen aan het bekende Massachusetts Institute of Technology (MIT). In hun onderzoekswerk trachten ze na te gaan welke concrete projecten wel werken en welke niet. Daarvoor gaan ze wetenschappelijk te werk, via zogenaamde ‘gerandomiseerde gecontroleerde experimenten’ (randomized control trials of RCTs). Dat zijn onderzoeksprojecten die de impact van 1 parameter onderzoeken. Dat kan je doen door twee projecten te testen die bijna volledig gelijk zijn, op één parameter na. Als de projecten een verschillende uitkomst hebben, dan kan je concluderen dat dit aan die ene parameter te wijten is. Als je twee projecten zou testen die verschillend zijn op meer dan één parameter, dan kan je achteraf de verschillende uitkomst niet meer toewijzen aan de ene of de andere parameter. Sterker nog: als twee projecten met twee verschillende parameters geen verschillende uitkomst hebben, dan ben je nog niet zeker of die parameters geen impact hebben, omdat ze elkaar misschien wel opheffen.

Het boek behandelt veel van dergelijke RCTs. Zo ook over de genoemde muskietennetten. Het opzet is simpel: in een aantal willekeurig gekozen dorpen mag men de muskietennetten gratis meenemen, in een aantal willekeurige, gelijkaardige dorpen moet men een verminderde prijs betalen (bijvoorbeeld 5 dollar) en in een laatste groep willekeurige, gelijkaardige dorpen moet men de volle pot betalen. Uit dit experiment bleek dat de gratis netten veel meer werden meegenomen. Meer nog, toen aan de mensen uit de drie groepen later nogmaals een poging gedaan werd om de netten tegen de volle prijs te verkopen, bleken de gezinnen die het net eerder gratis of tegen verminderde prijs hadden kunnen meenemen, meer bereid om het te kopen dan gezinnen die het eerder tegen de volle prijs hadden moeten kopen. Met andere woorden, de gezinnen hadden de waarde ervan leren kennen.

Hoewel het boek optimistisch is over de haalbaarheid van goed werkende ontwikkkelingshulp, is het minder enthousiast over een andere grote belofte, namelijk microkrediet. De auteurs erkennen dat microkrediet een belangrijke rol speelt, maar stellen vast dat de vele kleine bedrijfjes die met microkrediet worden opgestart vooral klein blijven. Er zijn natuurlijk succesverhalen maar die verhalen zijn anekdotisch. Er zijn aanwijzingen dat microkrediet met een structureel probleem kampt waardoor de kleine bedrijfjes niet doorgroeien tot een KMO of groter. De voornaamste drempel lijkt te zijn dat er geen falingen worden toegestaan. Dat zorgt er voor dat er ook weinig risico’s kunnen genomen worden. Risico nemen is echter essentieel in een kapitalistische maatschappij en zorgt voor innovatie en groei. Indien een onderneming risico moet vermijden, wordt bijgevolg ook innovatie en groei vermeden.

In de geest van Karl Popper

Het hele pleidooi voor meer focus op kleine projecten die via RCTs worden getest op hun effectiviteit doet natuurlijk sterk denken aan de liberale filosoof Karl Popper die stelde dat je een samenleving enkel stap voor stap kan verbeteren via trial and error. Je probeert een paar projecten en je gaat na welke werken. Het is de filosofie van Popper in de praktijk; dat moet echter rigoureus aangepakt worden: niet enkel mag er maar 1 parameter tegelijk getest worden, maar de verschillende varianten van het project moeten aan gelijkaardigeproefpersonen toegewezen worden. Het is echter niet zo eenvoudig om gelijkaardige dorpen of personen te selecteren. Dat wordt verholpen door de selectie van proefpersonen voor de verschillende projecten willekeurig te doen. Maar dan nog kan je niet zomaar een getest en gelukt project in bijvoorbeeld Kenia overzetten naar Indië, omdat de omstandigheden op cruciale, maar soms onbekende vlakken kunnen verschillen. Een andere kritiek is dat RCTs niet kunnen gebruikt worden voor de grotere vragen zoals welke instituties belangrijk zijn.

Een ander interessant aspect dat de auteurs belichten is het bedrieglijke pleidooi dat de armen hun lot in eigen handen moeten nemen. Ze pleiten daar natuurlijk niet tegen, maar ze stellen overtuigend dat armen véél meer keuzes moeten maken over moeilijke zaken dan wij in de ontwikkelingslanden. Zo betalen werknemers en werkgevers in de ontwikkelde landen automatisch voor de sociale zekerheid of een pensioenplan. Onderwijs is gratis en van hoog niveau (toch alvast in België) en we hebben allen een gezondheidsverzekering. En wat denk je van sparen: wij hebben de mogelijkheid om eenmaal te beslissen dat we maandelijks zullen sparen en automatisch wordt een deel van ons loon naar de spaarrekening gestort. Een dagloner, daarentegen, moet elke dag beslissen of en hoeveel hij gaat sparen. Het wordt hem bovendien nog moeilijker gemaakt, omdat armen vaak een grote negatieve rente hebben op hun spaarrekening (omdat de kosten voor een kleine rekening te groot zijn). Met andere woorden, ze worden gestraft voor hun spaargedrag.

De kracht van het boek blijft evenwel de bescheiden, wetenschappelijke aanpak. Het heeft dan ook heel wat lof gekregen, zeker van economen zoals Amartya Sen, en van The Economist die het op haar lijst zette van de beste boeken van 2011. En de Financial Times heeft het uitgeroepen tot beste business book (!) van het jaar. Ik kan me daar alleen maar bij aansluiten: als je wil meedenken in het debat over ontwikkelingshulp, dan is dit verplichte kost. Het kan je helpen om meer evidence-based beleid te promoten, want daar schort wel het een en ander in de wereld van de ontwikkelingshulp (en bij ons). Met dit boek kan je mensen overtuigen dat ontwikkelingshulp kan werken, als we ons maar bescheiden opstellen en gaan voor een stapsgewijze verbetering van de wereld. En die lange reeks van kleine veranderingen kan volgens de auteurs soms eindigen in een stille revolutie. Goed doordachte en rigoureus uitgevoerde trial and error, en we komen er wel.

 

Abhijit Vinayak Banerjee en Esther Duflo, Arm en kansrijk, Nieuw Amsterdam, 2011

Je kan op de TED-website een lezing van Esther Duflo zien, met onder meer het onderzoek over de muskietennetten. Deze lezing is ondertiteld in 25 talen, waaronder het Nederlands.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

 

‘Een tijd voor empathie’ door Frans De Waal

In de arena van het politieke debat geven mensen blijk van vergaande aannames over de menselijke natuur. Die aannames over de mens zijn bijna steeds negatief: de mens zou een puur egoïstisch wezen zijn en niet bereid om zijn medemens vrijwillig te helpen. Frans De Waal stelt in zijn boek Een tijd voor empathie dat dit niet klopt: mensen zijn “uiterst coöperatief, gevoelig voor onrecht en soms oorlogszuchtig, maar meestal vredelievend”. Het potentiële altruïsme zit er diep ingesleten en is niet zomaar een laagje beschavingsvernis. Onze aannames over de menselijke natuur zijn dan ook aan een grondige herziening toe. Empathie is natuurlijk niet de enige, dominante emotie van de mens. Ook de concurrentiedrang van mensen is heel belangrijk, maar aan die eigenschap geeft de samenleving al genoeg aandacht. Empathie en anderen willen helpen is minstens zo belangrijk. Hij onderbouwt deze stelling met de resultaten van fascinerend nieuw onderzoek naar de oorsprong van altruïsme en gerechtigheid, zowel bij de mens als bij (andere) dieren.

Frans De Waal is een Nederlands bioloog die al vele jaren in de VS onderzoek doet naar het gedrag van mensapen. Hij geldt ondertussen als een autoriteit in zijn vakgebied en Time plaatste hem in 2007 zelfs in de lijst van de meest invloedrijke personen ter wereld. In zijn onderzoek met mensapen zet hij allerlei experimenten op om na te gaan hoe primaten reageren. Zo bijvoorbeeld beschrijft hij een ruilexperiment bij kapucijnenapen. Eén aapje moest een fiche ruilen, waarbij hij de keuze had tussen een ‘zelfzuchtige’ of een ‘prosociale’ fiche. Bij de ‘zelfzuchtige’ fiche kreeg enkel het aapje dat de ruil deed een stukje appel maar het andere aapje niets, bij de ‘prosociale’ kreeg het andere aapje ook een stukje appel. De onderzoekers ontdekten dat indien de band tussen de aapjes groter was, vaker geruild werd met de ‘prosociale’ fiche. Het is verleidelijk om hieruit sterke conclusies te trekken, en ook Frans De Waal hoedt zich ervoor, maar het is op zijn minst duidelijk dat kapucijnenapen liever samen eten dan alleen.

Empathie bij dieren dat meer tot de verbeelding spreekt, komen voor in meer extreme situaties. Er zijn verhalen bekend van chimpansees die verwoede pogingen deden om een soortgenoot uit het water te helpen (chimpansees kunnen niet zwemmen) die fataal afliepen voor de redder en het slachtoffer. Ook de auteur geeft een aantal interessante voorbeelden. Deze verhalen zijn echter anekdotisch en moeten dus met wetenschappelijke scepsis behandeld worden, wat de auteur ook duidelijk aangeeft. Anderzijds zijn deze ‘anekdotes’ sterke aanwijzingen dat empathie bij dieren ver kan gaan. Trouwens, ook bij mensen zijn de spectaculairste gevallen moeilijk te herhalen in experimenten.

Vaak wordt empathie beschouwd als een complexe eigenschap, waar mensen bewust over beslissen. Maar Frans De Waal stelt dat empathie deel uitmaakt “van een erfgoed dat even oud is als de klasse van de zoogdieren”, wat van empathie een robuuste eigenschap maakt en niet zomaar een laagje vernis dat pas recent door de beschaving aangebracht werd. Wel is het zo dat de evolutie er steeds meer lagen aan toevoegde: eerst de emotionele aanstekelijkheid, vervolgens het vermogen van de troost en ten slotte de gerichte hulp, maar zelfs de buitenlagen blijven verbonden met de oerkern. En die kern is emotie: empathie voel je en is dus in de eerste plaats emotionele betrokkenheid, en geen verbeeldingskracht (wat meer cognitief zou zijn).

Maar hoe altruïstisch is het gedrag van mensen en primaten (en andere dieren) als ze er niet hebben over kunnen nadenken? Blijkbaar ligt er geen keuzevrijheid aan vooraf en kan men dus niet stellen dat een empathisch gevoelen moreel goed is. En zelfs als er wel een moment van keuze is, blijken mensen die anderen helpen een soort van warme gloed (‘warm glow’) te voelen: ze voelen zich goed door anderen te helpen. Meer nog, de auteur toont aan dat het empathisch gedrag op de lange termijn vaak positief is voor het individu. Men maakt misschien geen bewuste calculatie, maar doordat het op langere termijn nut oplevert, is dit gedrag via het evolutiemechanisme geselecteerd geweest. Frans De Waal gaat op deze problematiek in en beschrijft empathisch gedrag eerder als een welbegrepen eigenbelang: we zijn allemaal voorstanders van fair play zolang we er voordeel bij hebben. Hij gaat zelfs nog eens stapje verder door zich af te vragen waarom we het ‘zelf’ en de ‘ander’ uit elkaar moeten trekken als de verstrengeling van die twee het geheim achter onze coöperatieve natuur is.

Soms ruilt Frans De Waal zijn rol van wetenschapper voor die van maatschappijcriticus. Door zijn jarenlange verblijf als Nederlander in de VS is hij goed geplaatst om de twee continenten te vergelijken. En hij kan niet echt kiezen tussen de twee, omdat ze elk één kant van eerlijkheid benadrukken. Hij is ontstemd dat er zoveel mensen in de VS in armoede leven en dat je kansen teveel beknot worden door je afkomst; in Europa is dit veel minder het geval. Maar anderzijds kan iemand met talent en hard werk heel ver komen in de VS, terwijl er in Europa sneller afgunst bestaat voor je succes. Europa lijkt dus leefbaarder, maar de VS zijn meer stimulerend.

De auteur pleit op het einde van zijn boek voor een genuanceerde kijk op de maakbaarheid van de mens. Empathie, zo stelt hij, zit zo diep ingeworteld dat ze bijna altijd tot uitdrukking komt. Je kan ze dus onderdrukken (door bijvoorbeeld onze vijand te ontmenselijken) of versterken (door je kinderen terecht te wijzen wanneer ze speelgoed afnemen van andere kinderen). Een Nieuwe Mens scheppen is niet mogelijk, maar we zijn opmerkelijk goed in het wijzigen van de oude. Hij pleit dan ook om de reikwijdte van het medeleven te vergroten. “Het grootste probleem van dit moment (…) is overmatige loyaliteit aan de eigen natie, groep of religie. Mensen zijn in staat iedereen die er anders uitziet of anders denkt diep te verachten (…). Naties vinden dat ze superieur zijn aan hun buren, religies vinden dat hun waarheid de enige waarheid is. Als het erop aankomt, zijn ze bereid elkaar te dwarsbomen of zelfs te elimineren. (…) Empathie voor ‘andere mensen’: juist daaraan heeft de wereld een groter tekort”.

Frans De Waal, Een tijd voor empathie, Uitgeverij Contact

Dit boek werd verkozen tot ‘Liberales-boek van 2010’

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.