Boekbespreking – ‘Is Links Gewoon Slimmer?’ – Andreas De Block

Waarom universiteiten meer ideologische diverstiteit nodig hebben

Het nieuwe boek Is links gewoon slimmer? van de Leuvense filosofieprofessor Andreas De Block (KU Leuven) onderzoekt of onze universiteiten gedomineerd worden door linkse mensen. En of dat een probleem vormt.

De Block antwoordt volmondig ‘ja’ op beide vragen. Uit beschikbare gegevens over de politieke oriëntatie van academici (en andere beroepsgroepen) blijkt overtuigend dat de onderzoekers en professoren aan onze universiteiten overwegend links zijn, in het ene vakdomein soms veel meer dan in het andere.

Dat is problematisch, aldus de auteur. Doordat de academische werkomgeving (uitgesproken) links en progressief is, zullen rechtse en conservatieve onderzoekers zich er minder thuis voelen én minder gewenst zijn. Ze zullen dus minder vaak een academische carrière kiezen, en als ze dat doen, zullen ze meer tegenkanting ondervinden. Op die manier wordt de eenzijdigheid nog versterkt.

Zo’n situatie is niet alleen onrechtvaardig voor potentiële rechts-conservatieve academici die moeilijker aan de bak komen aan universiteiten, ze brengt – en dat is veel fundamenteler – de waarheidsvinding in het gedrang.

Aan een universiteit tracht men de wereld in al haar aspecten beter te begrijpen. Die zoektocht naar waarheid gebeurt volgens een bepaalde aanpak, waar peerreview centraal staat. Als een onderzoeker denkt een interessante bijdrage aan zijn vakdomein te kunnen leveren, moet hij of zij dat voorleggen aan collega-experten. Deze gelijken, of peers, beslissen dan of de nieuwe bevindingen een vooruitgang zijn en of het relevant genoeg is om te publiceren in een academisch tijdschrift.

De feilbaarheid van ons brein is de laatste decennia intensief onderzocht en de tekortkomingen en ‘biases’ zijn talrijk. Zo weten we uit de psychologie dat mensen veel moeilijker zwakheden in een argumentatie vinden wanneer die in lijn ligt met de eigen overtuiging. Als die ingaat tegen de eigen overtuiging, dan vind je die veel makkelijker. Dat betekent dat als je onderzoek besluiten trekt die ingaan tegen wat een linkse onderzoeker zou verwachten, je het risico loopt om veel strenger beoordeeld te worden dan wanneer je onderzoek die overtuiging bevestigt.

In de exacte wetenschappen, zoals fysica en chemie, stelt dit probleem zich minder of niet. Maar in de sociale wetenschappen, zoals economie en psychologie, zijn de onderzochte onderwerpen vaak politiek geladen en zijn onderzoekers zelden neutraal. Dat geldt des te meer in domeinen waar weinig onderzoek gebeurt op basis van gegevens, zoals in de filosofie en literatuurwetenschap.

Het is meteen een ijzersterk argument voor de centrale boodschap van het boek. We hebben meer ideologische diversiteit aan de universiteit nodig, omdat de zoektocht naar een beter begrip van mens en maatschappij nood heeft aan die diversiteit. Onderzoekers zijn ook maar mensen, met alle denkfouten die mensen onbewust maken.

Zou het dan tóch niet kunnen dat linkse mensen gewoon slimmer zijn, en daarom oververtegenwoordigd aan de universiteit? Beschikbare data spreken dat tegen, argumenteert De Block. Maar mogelijk gaat hij hier te kort door de bocht. Intelligentie op zich is namelijk niet het enige wat telt. Het gaat ook over waarvoor je je intelligentie gebruikt. In de bedrijfswereld wordt het aanwezige denkvermogen vooral gebruikt om winst te maken, veel minder om na te denken over maatschappelijke kwesties.

Dus misschien is links niet slimmer in het algemeen, maar wél als het over politiek geladen kwesties gaat. Zo is steun voor herverdeling, een linkse positie, sterk gelinkt met hoe verantwoordelijk je een individu houdt voor zijn of haar positie en hoeveel je toewijst aan pech (of geluk).

Om dat goed in te schatten, mag je niet afgaan op je intuïtie, maar moet je daar hard over nadenken. Veel toeval zit immers verborgen, of wordt, feilbaar als we zijn, genegeerd. Maar je land van geboorte, je talenten en je gezinssituatie zijn zeer bepalend voor je levenssituatie. Die zaken heb je echter niet zelf in de hand. Je moet er geluk voor hebben. Dat inzicht krijg je vaak pas als je daarover goed nadenkt. Een sociale wetenschapper doet dat veel meer dan een ingenieur of een bedrijfsleider.

Hoe dan ook blijft de centrale boodschap van het boek overeind: elke organisatie die over mens en maatschappij nadenkt, heeft nood aan ideologische diversiteit. Zonder die diversiteit ga je immers je eigen ideologische blinde vlekken niet zien. En juist dat is belangrijk als je dichter bij de waarheid wil komen, wat het einddoel van elke universiteit zou moeten zijn.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in DeMorgen.

Book review – ‘Economics Rules’ by Dani Rodrik

Dani Rodrik, an economist from Harvard, wrote ‘Economics rules’, a book on economics (2015). In his book, he tries to explain what economics is as a science and what it is not.

Mathematics, and sometimes difficult math, has become very important in economics, giving it a sense of an exact science. But Rodrik is  clear on this: economics is a social science, so it is not possible to come up with fundamental laws of economics, rules that are universally valid. 

In economics, one comes with a model (another term for an economic theory) that tries to describe a particular aspect of how society functions. A model is always a simplification of reality, otherwise it would be too complex and not very helpful to gain insights in this particular aspect. Simplifications are necessary, but can also be dangerous. One needs to be careful what simplifications are accepted and what are not. And, importantly, also accepting simplifications is context specific: in one context a simplification can be accepted, whereas it is not in another context. Therefore, a good economist will frequently answer “it depends on the specific situation”, when asked a general economic question. 

Another important advantage of models is clarity (or transparency). With a model, basically a set of mathematical equations, everything is clearly spelled out. Misinterpretations and moving the goalposts when defending your model is not possible. Using models also helps to think clearly and logically about the problem at stake, not only with others but also for yourself.

In my opinion, the main message of the book, however, is that economics is not a science that builds on previous research to refine the former research. So, it is not like physics where, for example, Newton came up with some universal rules which were refined centuries later by Einstein (so the new refined rules also hold for objects traveling at very high speeds, which was not the case with Newton’s laws). In economics, Rodrik explains, one doesn’t build vertically (like in physics), but horizontally, adding new models to give answers on new questions or on the same questions in a different context. Seldomly, a model is being dismissed. An example that Rodrik gives here, and that I also remember from following Paul Krugman’s blog after the financial crisis in 2008-2009, is the use of an old Keynesian model (IS-LM) to describe what was happening after the financial crisis. This macroeconomic model was much simpler than the complex models used by central banks, but was pretty adequate in forecasting the absence of inflation even though there was a relatively large stimulus being done. The old Keynsian model was not intrinsically better than the new and more complex ones, but it was better in this context. Good economics depends highly on the choice of the richt model for the specific context.

Economics as a science that adds models to explore and explain ever more aspects of society (or in different situations) also has its importance when designing and regulating markets, something governments and other public agencies do all the time. Rodrik refers to Jean Tirole, a Nobel-winning economist, who said that market regulation and design is industry-specific. Also here, it depends. Context is everything.

So, politicians should know this, and maybe they do, but they often miss to apply this wisdom. Probably this is because “it depends” is a humble and nuanced message. And with such a message, it is diffecult to incite your tribe or convince a disinterested public.

Rodrik provides a good lesson to economists to be more humble, but also to appreciate the power of economic science. A good economist has learned to think clearly and thoroughly, with the help of mathematics, about complex problems that are important for society. It reminded me of this quote by Ben Bernanke in 2013: 

Economics is a highly sophisticated field of thought that is superb at explaining to policymakers precisely why the choices they made in the past were wrong. About the future, not so much. However, careful economic analysis does have one important benefit, which is that it can help kill ideas that are completely logically inconsistent or wildly at variance with the data. This insight covers at least 90 percent of proposed economic policies.”

Boekbespreking – “Over identiteit” van Bart De Wever

In april 2019, een maand voor de verkiezingen, publiceerde Bart De Wever zijn ideeën over identiteit. Als voorzitter van N-VA, ook na de verkiezingsnederlaag nog steeds de grootste partij van België, zijn zijn ideeën relevant voor het publieke debat.

Ik heb drie punten van kritiek op de ideeën van Bart De Wever of identiteit. Ten eerste vraag ik me af wat de relevantie van de Vlaamse identiteit kan zijn in de context van het gevaar dat De Wever ziet in de radicale islam die Europa zou kunnen ‘ontwestelijken’. Ten tweede, De Wever geeft geen duidelijke definitie van de Westerse identiteit (terwijl hij dat wel tracht te doen voor de Vlaamse identiteit), terwijl die Westerse identiteit volgens mij net veel duidelijker en makkelijker af te lijnen is dan de Vlaamse identiteit. Ten derde blijf ik op mijn honger zitten als het aankomt op het versterken van de Westerse identiteit. In de onderstaande tekst behandel ik deze drie kritieken.

Wat is de relevantie van de Vlaamse identiteit in de context van het mogelijke gevaar van de radicale islam?

De Wever maakt het onderscheid tussen individuele en collectieve identiteiten, waarbij de individuele identiteit aan de persoon toekomt. Deze kan die zelf herdefiniëren zoals hij dat wil. Bij collectieve identiteiten is dat anders, omdat ze niet enkel aan één persoon toebehoren. Maar ook deze identiteiten evolueren, zij het minder dynamisch. De auteur erkent ook dat het historisch proces om tot de huidige Vlaamse identiteit te komen “volstrekt contingent” was. Maar daarom is de Vlaamse identiteit niet minder sterk. Televisiezenders, kranten, sociale media, scholen en universiteiten: nagenoeg alles is op Vlaanderen gericht, niet op België, aldus de auteur.

Het is een beperkte kijk op identiteit die De Wever. Later in het boek laat De Wever deze identiteit achterwege en gebruikt hij een bredere identiteit, namelijk die van het Westen. Dat doet hij in de context van de gevaren die hij ziet in de radicale islam, waarbij hij in één adem wijst op het gevaar van de ‘ontwestelijking’ van Europa. Zo schrijft hij: “De ontwestelijking van de wereld is een proces dat wij moeten aanvaarden, maar dat wil niet zeggen dat wij de ontwestelijking van Europa moeten aanvaarden.” (pg 75). Wat later (pg 101): “dat veel Europeanen de echte bedreiging voor de moderne identiteit binnen de islam zien. Dat is geen volledig irrationele angst.”

Het is terecht, maar ook opvallend, dat de N-VA-voorzitter niet de Vlaamse identiteit, maar een veel bredere identiteit tegenover het moslimfundamentalisme plaatst. De Wever verwijst naar die bredere identiteit als zijnde het Westen, de Verlichting en de “moderne identiteit” (zonder deze evenwel te definiëren). De vraag is dan ook wat de relevantie van de Vlaamse identiteit nog is als je moslimfundamentalisme als een niet onrealistische bedreiging ziet voor onze manier van leven (“ontwestelijking”) en dat je daartegenover niet de Vlaamse identiteit plaatst maar wel die van het Westen en de moderne identiteit plaatst? Als je echt wil weten wie we zijn, wat onze identiteit is, dan kan je niet verwijzen naar Vlaanderen, zeker niet als je die identiteit wil afzetten tegenover de radicale islam.

De reden is eenvoudig: de radicale islam, en gelijk welk religieus fundamentalisme (of totalitaire ideologie), staat voor onvrijheid en ongelijkheid. Religieuze fundamentalisten baseren zich immers op een “heilig” boek dat bepaalt hoe je je moet kleden, met wie je mag trouwen, of en welke muziek je mag beluisteren,… en waarbij ongelovigen en vrouwen als minderwaardig worden beschouwd. Daartegen ga je niet staan zwaaien met de Vlaamse identiteit met haar Vlaamse kranten, TV-zenders en een bijkomend seizoen van FC De Kampioenen.

Wat is de Westerse of moderne identiteit dan wel?

Tegenover onvrijheid en discriminatie zet je vrijheid en gelijkheid, waarbij aan elke burger, gelovig of niet, man of vrouw, zoveel mogelijk vrijheid wordt gegeven. Die individuele vrijheden worden in de grondwet en in internationale verdragen verankerd zodat ze afgeschermd worden van de democratie, omdat die vrijheden worden beschouwd als onlosmakelijk verbonden met elke burger: niemand kan deze vrijheden van jou afnemen, ook geen absolute meerderheid in een democratie. We leven dan ook in een liberale democratie, een begrip dat De Wever -voor zover ik gelezen heb- opmerkelijk genoeg niet hanteert in zijn boek (hij heeft het wel eens over de democratische rechtstaat, wat als een synoniem voor de liberale democratie kan gezien worden).

Het is dus de liberale democratie tegenover het religieus fundamentalisme (en tegenover totalitaire ideologieën). En de liberale democratie is uiteraard niet gebaseerd op een heilig boek, maar op de erkenning dat elke mens evenwaardig is en dat elke mens de vrijheid heeft om zijn of haar geluk na te streven, om het goede leven te leiden. Daarbij wordt collectief erkend dat we niet voor anderen kunnen bepalen hoe dat goede leven er moet uitzien. Niemand kan je zeggen hoe je je moet kleden, met wie je mag trouwen en welke muziek je moet beluisteren. Dat bepaal je zelf. En het is in die collectieve erkenning van het niet-weten hoe iemand moet leven, dat onze identiteit zit. Wat een verschil met religieuze fundamentalisten of totalitaire ideologieën die haarfijn weten uit te leggen wie je moet lezen, hoe je je moet kleden en hoe je moet leven.

Die collectieve erkenning van het niet-weten hoe het goede leven eruit ziet, is in de westerse wereld verankerd in de grondwet en internationale verdragen. Voor de Amerikanen is dat de grondwet en haar amendementen. Voor ons is dat de Belgische grondwet en wellicht nog veel meer het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Wever vernoemt het EVRM echter niet één keer, terwijl hij in de context van de Verenigde Staten wel verwijst naar de “founding fathers” en de Amerikaanse grondwet.

Een repliek van De Wever en andere verdedigers van het belang om de Vlaamse identiteit te promoten en te koesteren zou kunnen zijn dat het misschien wel klopt dat het EVRM met onze individuele grondrechten de Westerse manier van leven bepaalt en beschermt en dus de kern van onze identiteitsbeleving zou moeten zijn, maar dat dit veel te abstract is om de grote massa warm voor te maken. Maar dat is dan een zeer pragmatisch argument, waarbij de Vlaamse identiteit als een handig instrument wordt gebruikt om zo de Westerse identiteit te versterken. De Wever verwijst hiervoor naar het laatste boek van Francis Fukuyama die het populisme wil bekampen met het cultiveren van nationale identiteiten die de integratie moeten bevorderen.

Met de Vlaamse identiteit wordt in ieder geval een beperkte ‘wij’ gecreëerd, namelijk de Vlaming, terwijl de ‘wij’ net uitgebreid zou moeten worden naar op zijn minst de andere Europese landen (en volgens mij ook naar alle liberale democratieën). De gedeelde identiteit is dan net die fundamentele vrijheden die onlosmakelijk verbonden zijn met elk individu. In Europa, verankerd in het EVRM; in de Verenigde Staten in de grondwet.

Hoe kunnen we de Westerse (of moderne) identiteit versterken?

Toegegeven, het EVRM is slechts beperkt aanwezig in het publieke debat in België en ik vermoed dat dat ook zo is in andere Europese landen. In de VS, daarentegen, speelt de grondwet wel een belangrijke rol in het publieke debat. De verwijzingen van Amerikaanse politici en opiniemakers naar the Consitution zijn dan ook legio. Zo ben ik nooit het optreden vergeten van een zekere Khizr Khan, een Amerikaan met Pakistaanse roots, die in 2016 op het podium van de Democratische Conventie zijn persoonlijk boekje met de Amerikaanse grondwet uit zijn binnenzak haalde om Trump de les te lezen over de kern van wat Amerika is. Dat is -helaas nog- ondenkbaar in België of zelfs Europa, denk ik.

Mijn indruk is dat veel meer Amerikanen weten dat de Amerikaanse grondwet cruciaal is voor de Verenigde Staten en hun manier van leven. Dat men beseft dat men de betekenis van een “constitutie” letterlijk mag nemen: iets wat constitueert, wat zichzelf vormgeeft. En De Wever lijkt dat goed te beseffen. Hij schrijft, met verwijzing naar De Tocqueville, het volgende (pg 129):

“De Amerikanen hadden een duidelijk beeld van zichzelf, ondanks hun verschillende achtergrond en afkomst, en zagen dit beeld van zichzelf gereflecteerd in de waarden en normen zoals die waren neergelegd in de grondwet. De kracht van het Amerikaanse systeem zat in de heterogeniteit die bij elkaar werd gehouden door een homogene kern.” (eigen onderlijning)

Hier zegt De Wever bijna letterlijk dat de Amerikaanse identiteit (= “beeld van zichzelf”) gereflecteerd wordt in de grondwet.

Wat Europa en Vlaanderen/België nodig heeft is een gelijkaardig besef dat ook onze identiteit, ons beeld van onszelf, gereflecteerd wordt door onze grondwet en nog meer door het EVRM. Op die manier creëer je een Europese identiteit op basis van de verlichtingswaarden, die ook al een juridische verankering heeft in het EVRM, naar analogie van de Amerikaanse identiteit die verankerd is in de Amerikaanse grondwet. En die Amerikaanse identiteit is in de essentie dezelfde als de Europese identiteit: elke burger zoveel mogelijk vrijheid geven om zijn of haar leven te leiden.

Als men de ‘ontwestelijking’ wil tegen gaan, dan denk ik dat het veel beter is om dit soort grondwetspattriotisme, dat door het EVRM onvermijdelijk Europees zal zijn, te promoten zodat burgers op die manier rechtstreeks herinnerd worden aan wat onze identiteit bepaalt: we geven zoveel mogelijk vrijheid aan elke burger, omdat we erkennen dat we niet weten hoe het goede leven eruit ziet. Een dergelijke identiteit gaat veel verder dan Vlaanderen en wordt gedeeld met iedereen die deze individuele grondrechten erkent en verdedigt. Op die manier wordt ook de val van het cultuurrelativisme vermeden: ja, alle culturen zijn evenwaardig, zolang ze elke mens zoveel mogelijk vrijheid geven. Doen ze dat niet, dan is die cultuur minder waard dan een cultuur die dat wel doet.

Dat De Wever het – volgens hem niet onrealistisch- gevaar van de ontwestelijking van Europa wil bekampen met een versterking van de Vlaamse identiteit is volgens mij dan ook niet consistent. Onze identiteit ligt in onze individuele grondrechten, niet in een Vlaamse identiteit die onder meer via TV en kranten toevallig vorm gekregen heeft.

BOEKBESPREKING – De Limieten van de Markt – Paul De Grauwe

limieten2Sinds het faillissement van de investeringsbank Lehman Brothers in september 2008 is de Europese economie er slecht aan toe: recessies worden afgewisseld met periodes van lage groei en recent is er zelfs de vrees voor deflatie. Daardoor dreigt er een Japan-scenario, waarbij lage groei en lage inflatie een paar decennia de toon zetten. Tegen deze achtergrond is het thema van de ongelijkheid naar voren gekomen. Dat leefde al een paar jaren in de Verenigde Staten waar het duidelijk is dat de top 1%, of beter, de top 0,1% of zelfs 0,01%, veel en veel rijker geworden is dan de modale burger en dat een gemiddelde economische groei niet iedereen beter maakt. Het is vooral dit thema dat de aanleiding vormt van het nieuwe boek van Paul De Grauwe De Limieten van de Markt. Zijn basisstelling is dat als de markt aan zichzelf wordt overgelaten, de markt onvoldoende goed het algemeen belang dient en dat niet iedereen een billijk deel van de economische groei en de welvaart krijgt dat de markt creëert. Dat kan de democratische steun voor een markteconomie ondermijnen, waardoor het op termijn zelfs kan verdwijnen. Een markt die niet beteugeld wordt leidt, tot een steeds groeiende ongelijkheid en verliest zo de democratische steun. Dat kan een tegenreactie oproepen waardoor de slinger plots de andere kant opgaat met een te grote impact van de overheid op die markt. Wil men dat vermijden dan is tijdig ingrijpen aangewezen.

Een overheid die ingrijpt kan dan efficiënt zijn omdat het een aantal marktfalingen remidieert. Voor De Grauwe is het dan ook duidelijk: er kan geen opdeling gemaakt worden tussen enerzijds de privé-sector die de welvaart creëert en anderzijds een overheidssector die enkel bij de gratie van de privé-sector kan bestaan. Overheid en privé staan op gelijke voet en hebben elkaar nodig. De beste voorbeelden zijn onderwijs en infrastructuur: zonder de grote investeringen die de overheid doet (of deed) in deze sectoren zou de privé-sector nooit op het huidige niveau welvaart kunnen creëren. Maar ook, zonder de welvaartscreatie van de privé-sector zou die overheidssector nooit kunnen investeren in onderwijs en infrastructuur. Ze hebben elkaar dus nodig en versterken elkaar.

Het boek gaat dan ook in essentie over de rol van de overheid en de markt en hoe we deze moeten afbakenen. De Grauwe geeft hierbij een aantal economische concepten die volgens mij essentieel zijn in deze discussie en die hij met eenvoudige voorbeelden illustreert. Zo refereert hij naar het bestaan van externe effecten, of externaliteiten: een activiteit kan effecten veroorzaken die de actor zelf niet significant beïnvloeden maar wel andere mensen die eigenlijk geen betrokken partij zijn. Die effecten kunnen positief of negatief zijn. Het beste voorbeeld van een negatieve externaliteit is vervuiling: de autobestuurder trekt zich weinig aan van de uitlaatgassen die hij veroorzaakt, maar andere mensen hebben hier wel last van. Het is dan aan de overheid om hier in te grijpen als die negatieve externe effecten te groot zijn.

Volgens De Grauwe weten we dikwijls heel goed hoe een overheid zou moeten ingrijpen. Politieke actie komt echter maar moeilijk van de grond. De overheid en de politiek werken immers niet steeds in het algemeen belang, net zomin als de markt. Mancur Olson beschreef in 1965 in The Logic of Collective Action al de mechanismes die verhinderen dat de politiek het algemeen belang dient. Het komt erop neer dat het voor een kleine groep mensen veel kan opleveren om bepaalde wetgeving, bijvoorbeeld inzake vervuiling, tegen te houden. De kost hiervan wordt verspreid over heel veel mensen waardoor de kost voor elk van die mensen klein is en dus niet de moeite om hiertegen te protesteren. Bovendien is het ook moeilijk om het protest te organiseren gezien het over een grote groep mensen gaat, in tegenstelling tot de kleine groep van lobbyisten.

De politiek wordt dus overspoeld door lobbyisten die steeds de belangen van kleine groepen verdedigen en de kosten willen uitsmeren over een grote groep mensen, meestal de belastingsbetaler. De Grauwe spreekt in dit geval van ‘vriendjeskapitalisme, waarin de politiek systematisch de belangen van de kapitalisten verdedigt’. Om dit tegen te gaan is er een cultuur nodig van de ‘rule of law’, waarin geen regels worden gemaakt op maat van de klant of lobbyist, maar waar elkeen op gelijke voet behandeld wordt en zich te houden heeft aan de wet. Het probleem is dat het dienen van de belangen van de machtigen en de vermogenden meestal goed uitdraait voor je carrière.

De ongelijkheid is vooral een probleem in de Verenigde Staten. Toch pleit De Grauwe ook voor België ononwonden voor een progressieve vermogensbelasting om onze sociale zekerheid te kunnen blijven financieren. Hij verwijst hiervoor naar Thomas Piketty die stelt dat het rendement op kapitaal wellicht groter zal zijn dan de economische groei, waardoor de kapitaalkrachtigen almaar rijker worden. Bovendien, zo stelt De Grauwe, worden die grote vermogens steeds minder vergaard door hard werken en risico nemen en steeds meer doordat je in een rijke familie geboren wordt en de rijkdom dus erft. Een concreet voorstel van De Grauwe is om vermogens tot 1 miljoen vrij te stellen en dan de vermogenstaks progressief te verhogen van 0,5% tot 3 à 4% voor de echt grote vermogens (10 miljoen euro of hoger).

Het boek behandelt nog veel meer thema’s, zoals de foute constructie van de eurozone en de hoge loonkosten (die volgens De Grauwe niet zo’n groot probleem vormen). Het is een ideologisch boek, omdat De Grauwe een believer blijft in de vrije markt: hij wil de overheid meer grip geven op de markt, net om de vrije markt te redden van haar ondergang. Maar het is tegelijk ook een pragmatisch boek, omdat de auteur stelt dat de mate van overheidsingrijpen geval per geval moet bekeken worden, op basis van goede analyses en onderzoek. Dat resulteert in een genuanceerde en onderbouwde visie op hoe markt en overheid zo optimaal mogelijk met elkaar interageren om zo de grootste welvaart te creëren die dan billijk kan gedeeld worden.

Paul De Grauwe, De limieten van de markt, Lannoo, 2014

‘De Limieten van de Markt’ is door Liberales gekozen als ‘Liberales-boek van 2014’

Deze boekbespreking verscheen eerst in de nieuwsbrief van Liberales.

Boekbespreking – ‘De Welvaart en Trots van Naties’ – Olivier Boehme

Het communautaire thema is sinds de federale verkiezingen in 2007 niet meer weg te denken uit de Belgische politiek. De Vlaams-nationalistische N-VA beleeft sindsdien de ene electorale overwinning na de andere en ook voor de komende verkiezingen in 2014 geven de peilingen nog maar eens een overwinning voor deze jonge partij. Natuurlijk wordt dit voor een groot deel verklaard door het politieke talent van haar leider Bart De Wever. Maar de N-VA bespeelt ook een gevoelige snaar in het federale België, namelijk de tweedeling tussen het rijkere Vlaanderen en het armere Wallonië.

Zelf zegt de N-VA dat ze de Vlaamse grondstroom vertolkt. Een grondstroom die “rechts” is, tegenover de grondstroom die in het Franstalige landsgedeelte “links” is. In zijn boek ‘De welvaart en trots van naties’ toont Olivier Boehme dat het Vlaams-nationalisme, en het nationalisme in het algemeen, niet per se links of rechts is. Het neemt als een kameleon de economische politiek aan die het best het nationalistische doel dient, zijnde de totstandkoming van de natie. De economische politiek is voor de nationalist dus geen middel om welvaart te creëren, maar een middel om de natie te creëren. Meer nog, een verarming is een prijs die een nationalist best wel wil betalen, als dat moet.

Dat is radicaal tegengesteld aan het huidige paradigma van de liberale economie, namelijk dat de economie de materiële welvaart moet verhogen, en niet de realisatie van één of ander politiek idee. Het politieke idee van de natie neemt als maatstaf per definitie een groep, in tegenstelling tot het liberalisme waar het individu centraal staat. De liberaal ziet de economie dan ook als interacties tussen individuen, waar ze zich ook ter wereld bevinden; grenzen zijn in principe irrelevant omdat individuen overal fundamenteel dezelfde drijfveren hebben. Het liberale wereldbeeld is dan ook kosmopolitisch.

De nationalisten noemen dat naïef en presenteren zich eerder als een realpolitik. Het gaat om nationale economische belangen en daarbij heeft men geen kosmopolitische of individualistische bril op. En dat kan ver gaan. Boehme geeft op het einde van het boek een interessant voorbeeld hoe ver het natiegevoel kan primeren op het individu. Toen Vlaanderen nog het arme deel van België was, werden Vlamingen die materieel vooruit wouden komen en het comfort en luxe van de Franstalige Belgen wou bereiken beschimpt als “arrivist”. Individuele Vlamingen werden dus sociaal afgestraft als ze vooruit wilden komen. Het is sterk te vergelijken met zwarte Amerikanen die willen opklimmen op de maatschappelijke ladder die van sommige andere zwarten te horen krijgen dat ze moeten stoppen met ‘acting white’ en dat ze hun ‘eigen mensen’ verloochenen. Het verschil met het nationalisme is de groep waarop men zich richt, maar het principe is hetzelfde: het groepsbelang heeft prioriteit.

Maar spreken over een groepsbelang of een nationaal belang is misleidend, omdat het eigenlijk gaat om “een nationalistische voorhoede die een deelbelang tot algemene doelstelling probeert te verheffen”, zoals de auteur opmerkt. Een volk, of gelijk welke andere grote groep mensen die men op basis van één of een paar kenmerken selecteert, is immers nooit een monolithisch blok. Dat blijkt ook als men nationale identiteiten probeert te definiëren. Die definities zijn ofwel te strikt ofwel te ruim, maar vaak beiden. Herinner u bijvoorbeeld nog het initiatief in 2010 van de toenmalig Franse president Sarkozy, die een Franse identiteit wou definiëren. Het is afgelopen met een sisser, ook omdat het debat al snel gekaapt werd door extreem-rechts, die veel minder problemen heeft met een te strikte definitie van identiteit.

Hoewel het liberale model het overheersende paradigma lijkt, geeft Boehme een aantal interessante voorbeelden waaruit blijkt dat het economisch nationalisme nooit ver weg is. Zo schrijft hij dat “in elk land wel ongenoegen leeft als een of ander bedrijf aan buitenlandse investeerders wordt verkocht, ook als die mopperende burgers daar nooit zelf belangen in hebben gehad”. Hij verwijst ook naar het feit dat nog veel Britten betreuren dat het Empire van weleer voorgoed verdwenen is, ook al zijn de Britten in absolute termen materieel veel beter af dan vroeger. Met die eenvoudige voorbeelden toont Boehme dat zelfs in ons huidige liberale economische model toch nog veel ruimte is voor een nationalistische economie, die ideeën boven materiële welvaart stelt; of hoe prestige voor een nationalist belangrijker kan worden dan het individu.

De centrale stelling in het boek is dan ook dat de economie voor de nationalist slechts een middel is. Om die stelling te onderbouwen bestudeert Boehme de geschiedenis van het economische nationalisme. Het is een overzicht van vele denkers die sinds de 18de eeuw school gemaakt hebben. Een belangrijk denker in dit rijtje is Friedrich List, die de auteur beschrijft als een realistisch kosmopolist, die het economisch nationalisme als een tussenstap zag naar een wereldeconomie. Toen, begin negentiende eeuw was het volgens List nog zo dat landen nog te veel van elkaar verschilden en dus was een verschillende nationale politiek nodig. Zo pleitte hij voor tijdelijke protectionistische maatregelen om pas ontluikende industrietakken de tijd te geven om competitief te worden. Het is een argument dat nu nog gehanteerd wordt en bekend staat als het beschermen van infant industries.

Het nationalisme bekijkt de economische kwestie dus opportunistisch en kan even goed het liberale model omarmen. Dat is wat de N-VA duidelijk doet. En daar is de N-VA heel eerlijk over. Olivier Boehme citeert Bart De Wever die in 2007 in een radioprogramma zegt dat omdat het splitsen van BHV, hoewel erg belangrijk voor N-VA, weinig mensen interesseert, er maar de nadruk gelegd wordt op het sociaal-economische omdat dat wel kiezers oplevert. En ook recenter, in een interview met De Standaard over ideologie zei Bart De Wever: “In een nationalisme dat opkomt tegen een fascistische dictatuur zullen alle schakeringen van links te vinden zijn. Bij ons is het logisch dat het nationalisme zich richt op Vlamingen die het PS-beleid niet langer lusten.” En ook Jan Peumans deed recent uitspraken in die zin. Het ondersteunt alleen maar de stelling van de auteur dat economie voor nationalisten een middel is, en dat ze desnoods een verarming willen slikken voor de realisatie van de idee van de natie.

De welvaart en trots van naties, Olivier Boehme,De Bezige Bij Antwerpen, 2013

Deze boekbespreking verscheen eerst op Liberales

Boekbespreking – ‘De Perfecte Storm’ – Koen Schoors en Gert Peersman

Al meer dan vijf jaar bevindt de wereldeconomie zich in een crisis. Het begon nog vrij onschuldig in de zomer van 2007 met een credit crunch in de financiële sector. Dat werd wat erger in de loop van 2008, maar in september van dat jaar werd door het bankroet van Lehman Brothers een ware ravage aangericht op de financiële markten. Daardoor sloeg de financiële crisis over op de reële economie met een grote wereldwijde economische recessie in 2009. In 2010 kwamen verschillende overheden, vooral in de eurozone, in de problemen, omdat ze hun bankensector moesten redden en sindsdien sukkelen we verder. Daarbovenop komt nog eens de vergrijzing die de overheidsfinanciën verder onder druk zet.

Over die drie crises, van banken, de eurozone en de vergrijzing, schreven Koen Schoors en Gert Peersman het boek ‘De Pefecte Storm’. De auteurs zijn beiden professor Economie aan de universiteit van Gent. Ze trachten op eenvoudige manier te verklaren wat de oorzaken zijn (het zijn er veel) en hoe de verschillende overheden en centrale banken hebben gereageerd.

Banken

Wat de bankencrisis betreft, vermelden de auteurs de gekende oorzaken zoals onder meer de deregulering en het falende toezicht, de rommelkredieten, de rol van de kredietbeoordelaars en de lage rente. Mijns inziens wordt bij deze opsomming twee zaken onderbelicht, ook door Peersman en Schoors. Ten eerste de rol van de kredietbeoordelaars. Deze instellingen zeggen hoe veilig een financieel product is. Zij hebben duidelijk gefaald: de rommelkredieten werden immers door deze instellingen veilig bevonden. Dat bleek achteraf totaal fout te zijn. Erger is dat hun beoordeling zeer waarschijnlijk positief gekleurd werd door een belangenconflict: immers, de kredietbeoordelaars werden door de bedrijven betaald om advies te geven over hoe men financiële producten moest structureren om een zo goed mogelijke beoordeling te krijgen… waarna diezelfde kredietbeoordelaars die producten moesten beoordelen. Het is exact hetzelfde belangenconflict dat in 20041 het faillissement van Enron, een Amerikaanse frauderende energiegigant, mogelijk gemaakt heeft: hier waren het de audit-bedrijven die de boekhouding moesten goedkeuren, maar tegelijkertijd door hetzelfde bedrijf werden ingehuurd als consultant. Als remedie heeft men toen de audit en consultancy opgesplitst (en één van de Big Five, de vijf grote consultancy firma’s, ging failliet). Dat is nog niet gebeurd bij de kredietbeoordelaars.

Een tweede onderbelicht punt is dat grote banken niet bankroet kúnnen gaan. Ze waren én zijn nog steedstoo-big-to-fail. Dat wordt uiteraard wel vermeld door de auteurs, maar volgens mij is het één van de belangrijkste fouten in ons systeem die nog steeds niet opgelost is. Een essentieel kenmerk van de vrije markt is immers dat verkeerd beheerde bedrijven bankroet gaan en dat de goed beheerde bedrijven het marktaandeel overnemen. Dat is een evolutief proces dat ertoe leidt dat de slechte bedrijven verdwijnen en de goede, performante bedrijven overblijven. De aandeelhouders van de slecht beheerde bedrijven spelen bovendien hun geld kwijt, wat een voldoende prikkel moet zijn om goede managers te kiezen voor het bedrijf. Niets daarvan in de wereld van de topbanken. Ondanks het overduidelijke slechte beheer bij de banken, ging enkel Lehman Brothers failliet. Meer nog, de crisis die het bankroet van Lehman Brothers veroorzaakte leerde vooral dat de overheden het geen tweede keer zouden aandurven om een grote bank failliet te laten gaan. Dat betekent echter dat het o zo belangrijke selectiemechanisme dat inherent is aan de vrije markt niet kan werken. En dat is meer dan zomaar een oorzaak: het is essentieel. Christine Lagarde, topvrouw van het IMF, zei het dan ook recent: The bottom line is that we have yet to fix ‘too-big-to-fail’.

Euro

Wat de eurocrisis betreft, wijzen de auteurs op de constructiefouten van de eurozone: een muntunie die gevormd wordt door landen waarvan de economieën onvoldoende goed op elkaar gelijken waardoor één enkel monetair beleid altijd voor bepaalde landen te streng en voor andere lande te laks zal zijn. Bovendien is er geen fiscale unie en is er een lage arbeidsmobiliteit. Dat zijn dan ook meteen belangrijke voorwaarden voor een goede werking van eurozone.

Waar de auteurs echter te gemakkelijk meegaan in het heersende verhaal is dat de eurocrisis veroorzaakt werd door overdreven overheidsconsumptie. Dat klopt niet. Martin Wolf, de bekende columnist van de Financial Times, schreef al in december 2011 dat de oorzaak eerder ligt bij onevenwichten op de lopende rekening: de periferie voerde veel meer in dan ze exporteerde. Het gaat dus eigenlijk om het monetair beleid van de Europese Centrale Bank dat te laks was voor de periferie en te streng voor de kernlanden, waardoor het geld zeer vlotjes zijn weg vond van de kern naar die periferie, om daar, zeker in Spanje, bijvoorbeeld tot een zeepbel in de bouwsector te leiden. De ontsporing van de overheidsbegrotingen is er pas gekomen doordat de bankensector in de problemen kwam (Griekenland is een geval apart).

Het hoofdstuk over hoe de centrale banken gereageerd hebben, en meer specifiek de ECB, vind ik persoonlijk het boeiendst. Het is ingewikkelde materie die ik nog steeds niet volledig denk te begrijpen, maar het wordt heel goed en eenvoudig uitgelegd. De auteurs behandelen onder meer de onafhankelijke rol van de centrale bank, de werking van de conventionele maatregelen, maar ook de meer ingewikkelde onconventionele maatregelen. Voor een goed begrip van de werking van een centrale bank is het hoofdstuk verplichte lectuur. Nergens heb ik een dergelijk toegankelijke uitleg al kunnen lezen.

Het oordeel van de auteurs over wat de centrale banken hebben gepresteerd is overigens positief. Zo schrijven ze: “Het kan niet genoeg benadrukt worden dat de nooit gezien interventies van de centrale banken het financiële systeem van de totale ondergang hebben gered.” Het is aan de centrale banken te danken dat we niet in dezelfde miserie terecht gekomen zijn als in de jaren ‘30.

Vergrijzing

Het laatste, kortere deel gaat over de vergrijzing. De auteurs beginnen met de vaststelling dat België de voorbije crisisjaren al bij al goed doorstaan heeft. Daarna vervallen de auteurs echter in dezelfde mantra als wat nu gebruikelijk is in de Vlaamse publieke opinie: de Belgische overheden lijden volgens de auteurs aan “consumptiedrift”. Het is zeker zo dat de Belgische overheidsuitgaven de laatste jaren sterk gestegen zijn. De vraag is of dit niet normaal is in een recessie en in welke mate België daarin verschilt van haar buurlanden of van de Scandinavische landen. Als je die oefening maakt blijkt België in de middenmoot te zitten. En bovendien kan men zich de vraag stellen of het niveau van de overheidsuitgaven op zich wel betekenis heeft (ik denk het niet). Ook de steeds maar pessimistische toon over de toekomst van de huidige generatie is misplaatst. De jongeren van vandaag zullen het zeer waarschijnlijk beter hebben dan hun ouders, ook na de gestegen herverdeling om de babyboomers een degelijk pensioen en gezondheidszorg te kunnen geven. Alle economen weten dit.

Maar dat betekent niet dat er geen problemen zijn voor de toekomst. Er moeten wel degelijk hervormingen komen, zeker in België, want wij hebben echt een probleem in onze arbeidsmarkt, vooral aan het einde van de loopbaan. De auteurs tonen aan dat we in België veel sneller stoppen met werken dan elders. Ze stellen een aantal hervormingen voor, zoals een verschuiving van belastingen op arbeid naar consumptie. Het is dit brede onderwerp van de vergrijzing en hoe ze te financieren dat ongetwijfeld de komende jaren centraal zal staan in het publieke debat. Daarom had het hoofdstuk over deze problematie wat mij betreft gerust wat meer uitgebreid mogen zijn. Misschien is dat iets voor een volgend boek.

Boekbespreking door Andreas Tirez

De Perfecte Storm, Koen Schoors en Gert Peersman, Borgerhoff&Lamberigts, 2012

Deze boekbespreking verscheen eerst in de nieuwsbrief van Liberales.

 

Boekbespreking ‘Identiteit’ van Paul Verhaeghe

In 2011 publiceerde Liberales in haar nieuwsbrief een lang essay van Paul Verhaeghe met de titel De effecten van een neoliberale meritocratie op identiteit. Daarin beschrijft Verhaeghe hoe de maatschappij in het verleden zeer statisch was en de carrières op voorhand vastlagen: de boerenzoon werd boer, de dokterszoon werd dokter. Na de Tweede Wereldoorlog zorgde de democratisering van het onderwijs voor een drastische ommekeer en maakte van de statische maatschappij een dynamische: plots kon je door hard werken en een dosis talent het ver schoppen, los van je afkomst. De auteur geeft in het essay zichzelf en de collega’s van zijn generatie als voorbeeld: zij konden snel professor worden door hard en met enthousiasme te werken. De overgang van een statische naar een dynamische maatschappij heeft in het verleden dus effectief tot een meritocratie geleid: de macht aan zij met de verdiensten, namelijk de talentvolle hardwerkenden.

Maar, zo stelt Verhaeghe, dat is slechts van korte duur geweest, want na een korte tijd herdefinieert de nieuw gevormde toplaag de criteria om aan die top te kunnen geraken zodat ze hun positie kunnen bestendigen. Daarmee vervalt de kortstondige dynamiek weer tot een statische maatschappij en is de periode van gelijke kansen en de daarbijhorende sociale mobiliteit maar van korte duur. Het essay is dan ook een vlijmscherpe kritiek op een maatschappij die zegt meritocratisch (lees: rechtvaardig) te zijn, maar dat niet is. Dat is essentiële maatschappijkritiek, omdat we er in de huidige maatschappij vanuit gaan dat talent wel bovendrijft: zij die aan de top staan verdienen het. En de kritiek van Verhaeghe gaat daar radicaal tegen in. Voor liberalen, die veel verantwoordelijkheid leggen bij het individu, gaat die kritiek dan ook recht naar het hart. Het essay werd door Liberales eind 2011 gelauwerd, wat volgens mij als een vorm van zelfkritiek mag beschouwd worden.

Concurrentie en samenwerking

In zijn boek ‘Identiteit’ werkt Paul Verhaeghe de idee van de schijnbare meritocratie, die Verhaeghe de neoliberale meritocratie noemt, verder uit. Het neoliberalisme bekijkt de mens als een competitief wezen dat vooral uit is op zijn eigen profijt (pg 116). En meritocratie -loon naar werken- wordt enkel in financiële termen gemeten: enkel als je verdienste een economische meerwaarde biedt, is het een verdienste, terwijl je vroeger ook status kon bereiken op politiek, religieus en cultureel vlak. Nu rest enkel nog het economische.

Verhaeghe ontkent niet dat mensen competitieve wezens zijn, en dat concurrentie positief kan zijn. Maar er is ook nog een andere kant van de mens, namelijk die van de empathie en de samenwerking. Ook dat zit diep ingebakken in de mens, wat onder meer blijkt uit het onderzoek van Frans De Waal. En welk aspect van de mens het meest naar voren komt, competitie of samenwerking, wordt bepaald door de context. De auteur telt dat onze neoliberale maatschappij de nadruk legt op het competitieve. Dat is dan ook zijn kritiek, niet zozeer op de concurrentie op zich, maar eerder op het feit dat concurrentie alles overheersend is en waardoor samenwerking minder mogelijk wordt.

Meten en willekeur

Onlosmakelijk verbonden met het competitieve neoliberalisme en met een meritocratie is het meten van verdiensten of prestaties. Want als je wil weten wie de competitie wint, dan moet je dat ook kunnen meten. Maar verdiensten meten is niet zo eenvoudig als het lijkt. Door expliciet te gaan meten, telt plots nog enkel dat wat men kan meten. De rest, hoe waardevol ook, is van geen tel: what gets rewarded, gets done. “Meten”, zo stelt Verhaeghe, “is dus niet zomaar passief registreren, het is wel degelijk actief ingrijpen in de praktijk.” Het is een fenomeen dat bijvoorbeeld ook in het onderwijs voorkomt, aangeduid met teaching to the test: scholen gaan zich richten op wat er op het einde van het jaar zal bevraagd worden in geüniformiseerde, landelijke testen, zodat de eigen school er goed uitkomt. Andere waardevolle, maar niet meetbare vaardigheden of kennis worden genegeerd.

De kritiek op het meten is volgens mij een essentieel punt bij Verhaeghe. Niet enkel wat ons mensbeeld betreft, maar ook in de sociale wetenschappen vindt hij dat de nadruk op meten te sterk is: de natuurwetenschappelijke principes en methodes, namelijk een theorie opstellen en toetsen door observaties (en dus meten), kunnen niet of beperkt toegepast worden in de sociale wetenschappen, omdat de invloedfactoren veel te talrijk en oncontroleerbaar zijn. Het is een kritiek waar ik niet mee akkoord kan gaan. Het kan best zijn dat bepaalde verdiensten of factoren moeilijk of (voorlopig) niet te meten zijn. Maar dan moet de discussie gaan over de mogelijkheid van betere meetmethodes, en niet over het aspect van meten zelf. En als er voorlopig geen betrouwbare meetmethodes te vinden zijn, dan moet men dat gewoon in alle bescheidenheid toegeven. De consequentie daarvan is wel dat men erkent dat men in het ongewisse blijft en dat toeval en willekeur hun rol zullen spelen. Want dat is het gevolg van niet-meten en dus niet-weten: willekeur en toeval.

Trouwens, onderzoekers lijken soms wél door te dringen tot de complexiteit en de veelheid van invloedfactoren. Zo bijvoorbeeld heeft de econoom (!) Erwin Ooghe (KULeuven) een onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het Vlaamse GOK-decreet dat meer gelijke onderwijskansen wil stimuleren. Volgens het GOK-decreet mogen de scholen autonoom beslissen waaraan ze de extra GOK-middelen besteden. Ze moeten wel kiezen tussen drie domeinen: de cognitieve achterstand wegwerken, de leesvaardigheid verbeteren of de “socio-emotionele vaardigheden” verbeteren, zoals het zelfbeeld en andere sociale vaardigheden. Uit het onderzoek van professor Ooghe blijkt dat scholen die zich op het derde, eerder vage domein richtten het gemiddeld op alle (cognitieve!) testen beter deden. Verrassend? Eigenlijk niet, want het is een bevestiging van het onderzoek van James Heckman, alweer een econoom en dan nog wel van de vermaledijde Chicago University, die tot net dezelfde conclusie komt. Tussen haakjes: Heckman heeft een Nobelprijs Economie op zijn naam staan voor zijn baanbrekend werk in de econometrie, zeg maar de “meet”-kunde die economen gebruiken.

Maar misschien is dit geen echte kritiek op Paul Verhaeghe, omdat hij zelf ook een paar pistes geeft om beter te meten. Zo verwijst hij naar zijn eigen universiteit, de UGent, die het personeelsbeleid drastisch omgooide en nu andere, ruimere bevorderingscriteria gebruikt, en dus niet louter op basis van het aantal internationale publicaties. Want, zo stelt Verhaeghe, evaluatie blijft nodig, alleen anders: meer kwalitatief onderzoek, meer naar de context kijken, meer bottom-up. Paul Verhaeghe lijkt meten dan toch belangrijk te vinden, maar wel met een beter meetsysteem.

Ook echte meritocratie heeft zijn losers

Maar stel dat we er effectief in slagen om een beter meet- en beloningssysteem uit te dokteren dat bijvoorbeeld ook de intrinsieke motivatie en samenwerking bevordert. En stel dat dit weerom leidt naar een echte meritocratie zoals we die na de Tweede Wereldoorlog gekend hebben. Is dan het probleem opgelost? Dat lijkt me een essentiële vraag in deze discussie, die Verhaeghe niet behandelt in zijn boek.

Alain De Botton, een hedendaags filosoof, doet dat in zijn boek Statusangst wel en zijn conclusie is niet opbeurend. Hij beschrijft hoe de manier waarop de gemeenschap armoede interpreteert en verklaart veranderd is. Vroeger werden armen niet verantwoordelijk gesteld voor hun situatie. Tot voor tweehonderd jaar was het eenvoudig: God had de maatschappelijke verdeling zo gewild. En ieder mens voelde zich nuttig in de rol die God himself voor hem had uitgedacht.

Door het invoeren van gelijke kansen is het duidelijk dat iemands sociale positie afhangt van zijn of haar persoonlijke kwaliteiten. Rijke mensen zijn niet alleen welgestelder, ze zijn waarschijnlijk ook beter! Armen worden niet meer omschreven als onfortuinlijk, maar als mislukt. Men spiegelt de mensen voor dat ‘als je maar hard genoeg je best doet, je kan bereiken wat je wilt’. En lukt het niet, dan heb je niet genoeg geprobeerd. Eigen schuld, dikke bult. En dat principe geldt dus ook wanneer we erin zouden slagen om gelijke kansen te creëren en dus tot een echte meritocratie te komen: er zou dan nog steeds een probleem zijn met de identiteitsvorming. Er is dus ook een keerzijde aan gelijke kansen en een echte meritocratie.

Dus de kritiek dat enkel een schijnbare of neoliberale meritocratie het individu op zijn of haar verantwoordelijkheid wijst voor succes of mislukking is niet correct. Ook indien de meritocratie wel goed werkt, heb je dat effect. Zo zullen bijvoorbeeld de collega’s van de ambitieuze en hardwerkende Verhaeghe die het niet gehaald hebben zich ook niet zo prettig gevoeld hebben. Gelijke of ongelijke kansen hebben daar weinig mee te maken: je succes of mislukking is je eigen verantwoordelijkheid. Meer nog, als je ervan overtuigd bent dat er geen gelijke kansen zijn, dan kan je de oorzaak tenminste daar nog leggen, en niet bij jezelf.

Voor Verhaeghe is de grote verantwoordelijkheid die bij het individu gelegd wordt voor zijn succes een deel van het nieuwe grote verhaal van het neoliberalisme. En dat nieuwe verhaal heeft een grote impact op de identiteitsvorming van individuen. Want, zo stelt Verhaeghe, de identiteit van het individu wordt niet enkel bepaald door de eigen genen, maar ook door de omgeving. Uiteraard zijn de genen belangrijk, maar het belang ervan wordt nu overdreven ten koste van de omgeving. Ik ben van mening dat Verhaeghe hier een belangrijk punt maakt, en één dat achteraf gezien overduidelijk is. Mensen zijn geen eilanden, dat weten we allemaal, maar dat heeft ook consequenties in de identiteitsvorming, over hoe mensen over zichzelf en anderen denken. En dat wordt te weinig erkend.

Kritiek

Het boek heeft al heel wat kritiek gekregen. Maar dat is waarschijnlijk altijd wel het lot van maatschappijkritische boeken, juist omdat maatschappijkritiek zo omvattend is en je steeds wel iets vindt dat niet klopt. Zo krijgt Paul Verhaeghe kritiek wegens zijn psychoanalytische achtergrond, die niet wetenschappelijk zou zijn. Zelf ben ik ook zeer sceptisch tegenover de verdiensten van de psychoanalyse en de delen over Lacan en Freud in het boek heb ik dan ook met weinig enthousiasme gelezen. Maar die stukken vormen, denk ik, niet het fundament van zijn betoog: als je die weglaat, blijft het boek overeind.

Een andere kritiek die moeilijker te weerleggen is, is het feit dat Verhaeghe onze maatschappij neoliberaal noemt. Critici wijzen op het feit dat in België het overheidsbeslag meer dan 50% van het BBP bedraagt. Verhaeghe kan makkelijk opwerpen dat het neoliberale verhaal ook in de overheid doordrongen is (bijvoorbeeld in het onderwijs), maar het neoliberalisme streeft ook naar zo min mogelijk overheid en daar staan we toch mijlenver vandaan. Zo zijn de sociale uitgaven in België de laatste tien jaar toegenomen en is België één van de meest herverdelende landen. Ook zijn verwijzing naar de ongelijkheid in de maatschappij die meer psychische stoornissen zou veroorzaken is niet onmiddellijk hard te maken voor België: uit cijfers(jawel) van de Oeso blijkt dat de inkomensongelijkheid in België niet is toegenomen. België is daarmee wel één van de uitzonderingen.

Ondanks deze kritiek is het boek belangrijk voor de maatschappijkritiek die het uit, vooral dan op het feit dat onze maatschappij als een meritocratie bekeken wordt waarin succesvolle en niet-succesvolle mensen het helemaal aan zichzelf te danken hebben. En Verhaeghe verwoordt die maatschappijkritiek op een genuanceerde manier, waarbij hij de individuele verantwoordelijkheid niet onder de mat veegt. Bovendien is de link die hij aanhaalt tussen de huidige maatschappijvisie, die hij neoliberaal noemt, en de identiteitsvorming van individuen logisch en onderbelicht.

 

Paul Verhaeghe, Identiteit, De Bezig Bij, 2012
Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘End this depression now!’ door Paul Krugman

 Sinds 2000 is Paul Krugman columnist voor de New York Times wat hem heel wat bekendheid opleverde, en dat verminderde natuurlijk niet toen hij in 2008 de Nobelprijs voor Economie kreeg. Hij is waarschijnlijk dan ook de bekendste econoom van deze tijd. In zijn columns en op de bijhorende blog,The Conscience of a Liberal, levert hij vlijmscherpe kritiek op andere economen en op beleidsmakers indien ze volgens hem verkeerde keuzes maken. Hij brak het beleid van Bush af en ook voor Barack Obama is hij niet altijd even positief, hoewel zijn kritiek op Obama veel minder scherp is. Hij krijgt het verwijt partijdig te zijn, wat dodelijk is voor de geloofwaardigheid van een columnist die beleid bekritiseert.

Krugman strijdt dit ten stelligste af en stelt dat hij zijn uitspraken doet op basis van economische hypothesen die met reële data geverifieerd worden op hun deugdelijkheid. En die data, zo stelt hij, blijken een liberal bias te hebben, waarmee hij bedoelt dat als je naar de feiten kijkt, je vanzelf een liberal wordt.

Sinds de financiële en economische crisis in 2007-2008 begon, heeft Paul Krugman in zijn bekende stijl van bij het begin een duidelijke positie ingenomen: dit is een crisis zoals in de jaren ‘30. Hij pleit dan ook al een aantal jaar voor de recepten die John Maynard Keynes naar voren schoof in zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money, zijn belangrijkste werk, uit 1936. Daarin stelde Keynes dat de economische depressie van de jaren ‘30 bleef voortduren door een gebrek aan vraag naar diensten en goederen. Gezinnen en bedrijven probeerden via extra sparen immers hun schuld af te betalen. Maar omdat ze dat allen tesamen deden, verminderde de consumptie waardoor bedrijven minder verkochten en werknemers werden ontslaan. Daardoor steeg de werkloosheid waardoor de consumptie nog verder daalde, meer mensen ontslaan werden, enzovoort. Om uit deze negatieve spiraal te geraken, moest de overheid volgens Keynes de vraaguitval compenseren door extra uitgaven te doen, in het economische jargon fiscal stimulus genoemd.

Paul Krugman is dus ook van mening dat de overheid in deze crisis extra moet uitgeven. Maar hij benadrukt herhaaldelijk dat dit enkel in deze extreme omstandigheden een goed beleid is. Het probleem is dat de overheden dit tijdens de crisissen van de jaren ‘70 ook gedaan hebben, met stagflatie tot gevolg, namelijk een stagnerende economie en een oplopende inflatie. Dat beleid zorgde ook in België voor een exploderende overheidschuld waar we nu nog steeds voor moeten betalen. Maar de crisis van de jaren ‘70 was volgens Krugman helemaal anders dan nu: in de jaren ‘70 werd de crisis veroorzaakt door een exogene schok, namelijk een drastische stijging van de olieprijs, wat sowieso de inflatie opdrijft. Als de overheden dan ook nog eens extra gaan uitgeven, trekt ze middelen weg uit de efficiënte private economie (het zogenaamdecrowding out) en bovendien versterkt dit de inflatie. Deze crisis is echter iets totaal anders, aldus Krugman. Er is nu geen olieschok die de productiekosten en dus de prijzen naar omhoog jaagt. Het probleem nu is dat plots de huizenprijzen in de VS begonnen te dalen en gezinnen daardoor op hetzelfde moment hun schulden trachten af te bouwen, en dus minder gingen consumeren en meer gingen sparen. Door het extra sparen, krijgen de banken extra deposito’s die ze in normale tijden uitlenen aan bedrijven om te investeren. Maar doordat de vraag naar goederen en diensten daalt, vrezen banken dat de bedrijven de leningen minder goed zullen kunnen terubetalen.

De banken houden het geld dus gewoon in hun kluis. Om de banken aan te zetten om dit extra geld toch uit te lenen, kan de centrale bank de kortetermijnrente verlagen waardoor de banken minder rente krijgen op hun geldreserves, desnoods tot een rente van 0%. Maar als de crisis, en vooral de vooruitzichten, dermate slecht zijn, dan zullen banken hun extra spaargeld nog steeds niet willen uitlenen, zelfs niet als de kortetermijnrente op 0 staat. Wat de centrale bank dan nog kan proberen is de langetermijnrente naar beneden krijgen door langetermijnobligatie op te kopen (waardoor de vraag naar deze obligatie stijgt, en de obligatierente daalt). En jawel, hoor, deze onconventionele manier van tussenkomen, het zogenaamdequantitative easing, werd door de centrale bank in de VS, de Federal Reserve, effectief tweemaal uitgevoerd.

Zonder groot effect, evenwel. De Amerikaanse werkloosheid zit nog steeds boven 8%, wat historisch hoog is. Volgens Paul Krugman is de verklaring eenvoudig: we zitten in een liquidity trap of liquiditeitsval. Dat komt erop neer dat banken hun extra geld pas zullen uitlenen als er negatieve rentes zijn. Dat is in de praktijk haalbaar door een hogere inflatie waardoor de nominale 0-rente in werkelijkheid een reële negatieve rente wordt, maar in een economische crisis met een vraaguitval zoals nu is dat net het probleem: er is eerder sprake van deflatie dan van inflatie. Als je in een liquidity trap zit dan heeft de centrale bank onvoldoende impact op de economie en moet de overheid tussenkomen door meer uit te geven en zo de vraaguitval te compenseren.

Dit klinkt te eenvoudig om waar te zijn: gewoon wat meer overheidsuitgaven en we zijn uit de crisis. Of zoals Geert Noels het placht te zeggen: de schuldencrisis kan je niet oplossen met meer schulden. Maar dat is net het punt van Krugman: het is echt niet moeilijker dan dit. Het gaat om eenvoudige economische principes die een eerstejaarsstudent economie begrijpt. En vandaar ook de titel End This Depression Now!: volgens Krugman kan de economische crisis eenvoudig en snel opgelost worden. En als de economie terug op normaal potentieel produceert, moeten de overheidstekorten omgezet worden in overschotten zodat de overheidsschuld afgebouwd wordt (en er bij een volgende gelijkaardige crisis terug kan ingegrepen worden).

Maar met extra overheidsuitgaven komen ook extra overheidschulden, waarop de overheid rente moet betalen. Als die overheidschulden te groot worden, dreigt er een rentesneeuwbal die de overheidsfinanciën onhoudbaar maken, nog voor de economie terug aantrekt. Dat is wat effectief in België gebeurd is tot Dehaene in 1992 zwaar begon te saneren. Krugman erkent dat te hoge overheidsschulden grote problemen geven, maar niet in een liquidity trap. Tenminste, dat is het verhaal voor de VS, de UK, Japan en alle andere landen die soeverein kunnen beslissen over hun monetair beleid. De centrale bank van die landen kan immers in uiterste nood steeds de overheidsschuld zelf opkopen door geld bij te drukken. Dat kan dan wel tot meer inflatie leiden, maar een wanbetaling is onwaarschijnlijk. Landen in crisis die geen eigen centrale bank hebben, zoals Griekenland, Ierland en Spanje die in de eurozone zitten en dus gebonden zijn aan de Europese Centrale Bank, kunnen wel in grote problemen komen en in wanbetaling gaan (zoals met Griekenland deels gebeurd is). Dat is een inzicht dat Krugman te danken heeft aan de Belgische econoom Paul De Grauwe, die daarvoor ook de nodig lof kreeg op Krugmans blog. Volgens De Grauwe is de oplossing dan ook dat de ECB aankondigt om onbeperkt overheidsobligaties op te kopen van zodra een bepaalde kritische drempel bereikt is.

Paul Krugman stelt terecht dat een discussie over economisch beleid moet beslecht worden op basis van data. En dan blijkt Krugman het in deze crisis meer dan eens bij het rechte eind gehad te hebben. Zo vreesden tegenstanders van het onconventionele beleid van de centrale banken dat dit zou leiden tot hyperinflatie. Volgens Krugman was dit onmogelijk in een liquidity trap en inderdaad, er is geen sprake van een oplopende inflatie. Ook werd gevreesd voor een stijgende interest op overheidsschuld van de VS door het extra lenen. Ook hier was Krugman duidelijk: daar is geen gevaar voor. En ook nu krijgt hij gelijk: de rente op overheidspapier van de VS staat historisch laag, zelfs na de afwaardering van de kredietwaardigheid door Standard & Poor’s in augustus 2011. Ten slotte heeft Krugman steeds gezegd dat de fiscal stimulusvan de VS onvoldoende groot en langdurig was om de werkloosheid terug op een normaal niveau te krijgen. En ook hier heeft hij gelijk gekregen: men spreekt in de VS zelfs van een economische herstel zonder jobcreatie.

Er is echter een blinde vlek in zijn betoog, vooral als het gaat over de eurocrisis, en dat is het probleem vanmoral hazard, of opportunistisch gedrag. Krugman klaagt de positie van Duitsland aan die weigeren om landen als Spanje structureel te helpen. Hij stelt terecht dat de Spaanse crisis niet veroorzaakt is doordat de Spaanse overheid op te grote voet leefde, maar dat betekent nog niet dat er geen belangrijke hervormingen nodig zijn in Spanje en de andere landen in de periferie. Zo is de Spaanse arbeidsmarkt sterk opgedeeld in twee lagen met enerzijds de insiders die een job hebben en enkel tegen hoge kosten ontslagen kunnen worden, en de outsiders die in het beste geval een interimjob kunnen doen. Dit probleem is al gekend van voor de crisis, maar bljkbaar geraakt dit maar niet hervormd. Indien Duitsland nu akkoord zou gaan om Spanje te helpen, dan zou de druk van de ketel kunnen gaan om grondig te hervormen. Vandaar ook de vraag van Duitsland om eerst een overdracht van soevereiniteit naar het Europees niveau door te voeren. En die overdracht van bevoegdheden zal verregaand zijn, onder meer ook over pensioenen. Het is een punt dat Krugman wat gemakkelijk over het hoofd ziet. Een verschoning daarvoor is het feit dat dit boek vooral voor de VS geschreven is, die de systeemfouten van de eurozone, zoals een lage arbeidsmobiliteit en het gebrek aan een fiscale unie, niet hebben.

Als top-academicus is Krugman gewend om harde discussies te voeren op basis van objectieve cijfers en dat verwacht hij ook van beleidsmakers. Dit boek, maar ook zijn blog en columns, tonen eens te meer dat als je wil mee discussiëren over hoe we deze crisis kunnen oplossen, je niet rond Paul Krugman heen kunt. Of je het nu met hem eens bent of niet. De feiten blijken in deze crisis een Krugman-bias te hebben.

Paul Krugman, End This Depression Now!, Norton, 2012

De NYTimes-blog van Paul Krugman: http://krugman.blogs.nytimes.com/

In augustus verscheen de Nederlandstalige versie bij uitgeverij Balans, onder de titel ‘Stop deze depressie nu’.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Red de vrije markt’ door Johan Van Overtveldt

De alsmaar aanslepende economische crisis is voor sommigen een uitgelezen kans om het kapitalisme, met haar vrije markten en private ondernemerschap, onder vuur te nemen. Ze gaan daarbij al te makkelijk voorbij aan het feit dat de overheid ook wel wat boter op het hoofd heeft. Daarvoor hoeven we in België zelfs niet ver te kijken: Dexia, een bank met de overheid als grootste aandeelhouder, is hét voorbeeld van hoe een bank niet geleid moest worden. En in België en daarbuiten hebben de regulatoren van de financiële markten ernstig gefaald. Voor Johan Van Overtveldt, hoofdredacteur van Knack en Trends, redenen genoeg om een boek te schrijven ter verdediging van de vrije markt.

De auteur gaat daarbij te rade bij Milton Friedman, Amerikaans econoom en Nobelprijswinnaar, die de vader is van het monetarisme. Dat is een economische stroming ontwikkeld aan de Universiteit van Chicago die stelt dat de economische cyclus geregeld moet worden via het geldbeleid, meer bepaald via intrestvoeten en de geldhoeveelheid. En het is niet de politieke overheid die dat geldbeleid moet voeren, maar de centrale banken, volgens duidelijke en vaste regels, zonder dat de overheid daar veel aan te zeggen heeft. Volgens het monetarisme is er dus geen plaats voor een Keynesiaans beleid waarbij de politieke overheid wel actief tussenkomt om de economische cyclus te regelen.

Maar Van Overtveldt laat zien dat dit genuanceerder is. Zo verwijst hij naar Jacob Viner, ook van de Chicago Universiteit en een bron van inspiratie voor Friedman. Volgens Van Overtveldt was Viner ‘Keynes avant la lettre’, omdat hij in 1933 reeds stelde dat de federale regering actief de vraag moest ondersteunen om uit de crisis te raken, desnoods via grotere budgettaire tekorten (naast een monetair beleid dat voldoende geld creëert). Dat is opmerkelijk, want de hedendaagse monetaristen gruwen van een dergelijk beleid. Hoe is dan te verklaren dat in de jaren ‘30 blijkbaar heel wat Chicago-economen het recept van Keynes wel zagen zitten? Dat komt, aldus Van Overtveldt, doordat de twee grote economen die aan de basis liggen van de twee rivaliserende stromingen, Keynes en Friedman, veel genuanceerder waren dan hun uiteindelijke volgelingen.

De fout, volgens de auteur, die de keynesianen maken is dat ze de theorie van Keynes, die ontwikkeld was voor extreme omstandigheden, namelijk de depressie van de jaren ‘30, ook willen toepassen in normaleomstandigheden. Maar Friedman is ook streng voor de eigen volgelingen, de latere monetaristen. Zij gaan uit van individuen die op elk moment alle beschikbare informatie kunnen verwerken en op basis daarvan rationele beslissingen nemen. Dat betekent dat het stimuleren van de vraag door de overheid zelfs op korte termijn geen effect kan hebben. Immers, de rationele individuen zullen anticiperen op de overheidsactie door minder te consumeren, omdat ze meer belastingen vrezen in de toekomst. Daardoor wordt de extra vraag die de overheid net gecreëerd heeft teniet gedaan (door het hogere spaargedrag). Friedman volgt deze theorie, maar hij stelt dat er op korte termijn wel een effect kan zijn, omdat consumenten nu eenmaal niet zo rationeel zijn dat ze onmiddellijk hun gedrag gaan aanpassen.

Wie echt zit te wachten op een boek dat de vrije markt verdedigt, zal echter op zijn honger blijven zitten. Ondanks de titel is dit immers geen boek dat alle argumenten tegen de vrije markt netjes oplijst en onderuit haalt. Het is ook geen boek over de terugkeer van Milton Friedman, want die is sinds 30 jaar nooit echt weggeweest. Dit is een boek over Milton Friedman zelf, over zijn persoon, zijn omgeving en natuurlijk ook zijn economische theorie. Maar dat maakt het boek niet minder interessant. De auteur heeft ook geen blind geloof in zijn economische idool, dat Friedman toch wel blijkt te zijn: in het laatste hoofdstuk stelt hij dat Friedman fout was om aan te nemen dat de financiële markten zichzelf kunnen reguleren (de auteur noemt het wat vergoelijkend ‘Miltons veronachtzaming’). Dat klopt niet, de overheid heeft hier wel degelijk een belangrijke rol te spelen.

Maar ook dan is de geest van Friedman volgens Van Overtveldt nooit ver weg. Het feit dat de financiële wereld overheidsregulering nodig heeft, is te wijten aan de grote machtsconcentratie die er in de financiële wereld heerst. En het is eigenlijk net die machtsconcentratie die Friedman altijd heeft bestreden. Machtsconcentratie is dan ook de ware vijand van de liberaal: zijn achterdocht, of zelfs vijandschap, tegenover de overheid zou daarvan slechts een afgeleide mogen zijn, want de overheid is inderdaad de plaats waar de macht vaak geconcentreerd is. Maar als je als liberaal consequent wil zijn, moet je machtsconcentraties bestrijden, en de paradox, zo laat Van Overtveldt ons zien, is dat de overheid daarbij soms je bondgenoot kan zijn.

Bovendien is het niet zo dat Friedman ontkende dat de vrije markt kan falen. Dat kan wel degelijk en dan is de normale reflex dat de overheid de marktfaling mitigeert. Met uiteraard ook een kost. Het probleem, aldus Friedman, is dat die kost altijd, of bijna altijd, groter is dan de kost die de marktfaling veroorzaakt. En dus kan je als overheid maar beter niets doen. Van Overtveldt stelt duidelijk dat dit met de financiële markten -achteraf gezien- niet het geval is: de kost van niet ingrijpen is gigantisch gebleken. En voor sommige believers in de zelfregulerende kracht van de vrije markt, zoals Alan Greenspan, was dat een koud ontwaken.

Een minpunt aan het boek is iets wat Van Overtveldt niet schrijft. Enerzijds zaten en zitten we in de ergste crisis sinds de jaren ‘30; in sommige landen, zoals de UK is het zelfs erger dan toen. En ook de VS zijn nog lang niet hersteld, om van een aantal Europese landen en de eurozone te zwijgen. Het is duidelijk dat het monetair beleid gedaan heeft wat Friedman en zijn aanhangers vooropstelden: verlaag de intrestvoeten en zorg voor genoeg geld, desnoods via onconventionele wegen. Maar zoals dus ook Chicago-econoom Viner zei, in extreme omstandigheden heeft het monetair beleid onvoldoende impact op de economie (omdat men in een liquiditeitsval zit). Dan moet de overheid gedurende beperkte tijd de vraag stimuleren zodat de economie een kick-start krijgt, desnoods met hogere budgettaire tekorten. Maar de auteur laat het na om dit onderwerp te bespreken en dat is een gemiste kans.


Johan Van Overtveldt, Red De Vrije Markt. De Terugkeer van Milton Friedman, De Bezig Bij, 2012

Ik heb het boek ook besproken voor Radio 1

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Hoe durven ze?’ door Peter Mertens

De Belgische PVDA is in het geheel niet te verwarren met de Nederlandse PvdA. De Belgische partij mag nog steeds beschouwd worden als een marxistische partij die de klassestrijd nog niet heeft opgegeven, terwijl de Nederlandse PvdA al lang geen marxistische of zelfs socialistische partij is, maar geëvolueerd is naar de sociaal-democratie die zich niet per se wil afzetten tegen de markt. Dat verschil uit zich ook in hun democratisch succes: terwijl de Nederlandse PvdA sinds haar oprichting in 1946 al een paar minister-presidenten en talloze minister mochts afleveren, heeft de Belgische PVDA nog nooit een gekozene gehad in het parlement.

De Belgische PVDA opereert dus volledig in de marge. Toch krijgt de partij relatief veel aandacht. Ze is goed vertegenwoordigd op de opiniepagina’s en in discussieprogramma’s. Dat heeft onder meer te maken met de nieuwe voorzitter, Peter Mertens. Sinds hij voorzitter werd in 2008 lijkt de partij iets gematigder en vooral realistischer. Deze imagoverandering wordt zonder twijfel voortgezet met het nieuwe boek dat de voorzitter schreef over de euro en de economische crisis. Het boek is goed op weg om een bestseller te worden. Alleen al daarom kan het niet zomaar aan de kant gezet worden, maar ook inhoudelijk slaat de marxistische voorzitter enkele spijkers met koppen. Althans als het over de analyse van de problemen gaat, die hij onderbouwt met data en referenties (zoals het hoort); over zijn voorstel tot oplossing, wellicht het marxisme, blijft hij veel te vaag.

Maar eerst over de sterke punten van het boek. Het belangrijkste is de stelling dat de winsten geprivatiseerd worden en de verliezen genationaliseerd, met name in de financiële sector. De banken hebben jaren grote winsten geboekt voor de aandeelhouders, maar verschillende banken moesten in deze aanslepende economische crisis met belastinggeld gered worden van het faillissement. De overheid was quasi verplicht de banken te redden, omdat ze te belangrijk zijn voor ons economisch systeem om failliet te laten gaan. De winsten die de banken in het verleden maakten konden echter niet meer gerecupereerd worden, omdat ze al aan de aandeelhouders uitgekeerd of terug geïnvesteerd waren. De auteur pleit er vervolgens voor om een publieke bank op te richten. Op het eerste gezicht is dat vloeken in de kapitalistische kerk, maar ook het liberale The Economist pleitte bij het uitbarsten van de bankencrisis ervoor om banken te nationaliseren, zij het tijdelijk.

Een permanente nationalisering is echter onzinnig. Kijk hoe de banken het in België vergaan is. Dexia, waar de gemeenten de hoofdaandeelhouder waren, is wereldwijd één van de banken die met de grootste problemen opgescheept zaten. Uit een Liberales-sessie met prof Koen Schoors over de financiële crisis bleek dat Dexia volop rommelkredieten aan het aankopen was toen voor vele andere marktspelers al duidelijk werd dat je moest uitstappen. En ook de regulatoren, een onderdeel van de overheid, hebben in België en daarbuiten ernstig gefaald. Dat neemt niet weg dat er een probleem is met het privatiseren van winsten en het nationaliseren van verliezen. Men zou ook een systeem kunnen opzetten waarbij banken wél failliet kunnen gaan. Dat is immers een essentieel onderdeel van het kapitalisme: slecht beheerde bedrijven gaan er via een faillissement uit, zodat betere bedrijven hun plaats kunnen innemen. Dat onverbiddelijke mechanisme zorgt er in theorie voor dat de productiviteit (en dus onze welvaart) stijgt. Maar het klopt dat men nog steeds niet de nodige maatregelen heeft genomen om banken failliet te kunnen laten gaan. En zolang dat niet kan, blijft het alternatief van de PvdA voor een permanente staatsbank valabel.

Een ander terecht punt is de stelling dat we nog steeds in een klassemaatschappij leven. De mensen uit de onderklasse hebben het niet gemakkelijk, aldus de auteur, en dat beseffen politici al lang niet meer. Ze staan wat betreft ideeën en materiële welstand ver van de onderklasse. En de politieke agenda wordt bepaald door de middenklasse die heel andere zorgen heeft. Zelf heeft Peter Mertens naar eigen zeggen een loon van ongeveer 1.500 euro per maand waardoor hij meer met zijn voeten op de grond staat en dus beter weet wat er leeft bij de lagere en de onderklasse.

En we leven inderdaad nog steeds in een klassemaatschappij. Dat kan eenvoudig geïllustreerd worden met de levensverwachting: een ongeschoolde man leeft 7,5 jaar minder lang dan een hooggeschoolde man (en 18,5 minder gezonde levensjaren!). En het klopt volgens mij dat weinig politici en, meer algemeen, mensen uit de middenklasse goed beseffen wat een leven in de onderklasse inhoudt. Toch is Mertens te negatief over de toestand in België: we hebben één van de laagste ongelijkheden van de ontwikkelde wereld (pdf) en die is de afgelopen jaren niet gestegen. België is ook het sterkst herverdelende land (pdf – slide 17).

En dat is een vaststelling die geldt voor het hele boek: er worden veel data gegeven over zaken die mislopen in onze kapitalistische wereld. Maar zelden gaat het over België. We hebben een goede gezondheidszorg, een goed onderwijssysteem en een sterk herverdelende overheid. Bovendien is het loonaandeel van de geproduceerde welvaart in België gestegen sinds de jaren ‘60, ten koste van het winstaandeel. Enkel de vermaledijde VS en de UK doen beter wat betreft deze maatstaf (maar die landen verdelen dat groot loonaandeel ongelijker). Kortom, alle verwijten die de PvdA het kapitalistisch systeem maakt op basis van cijfers over andere landen blijken vaak niet van toepassing te zijn voor België, of toch veel minder. Trouwens, we leven in de ontwikkelde wereld niet in een puur kapitalistisch systeem, maar in een gemengde economie, waarbij het overheidsbeslag in vele landen de 50% van het BBP benadert of overstijgt. Veel wat fout loopt kan vaak minstens deels aan de overheid toegeschreven worden.

De fundamentele kritiek op het kapitalisme is echter de idee van concurrentie. ‘Mensen worden in een kapitalistisch systeem tegen elkaar opgezet’ is een veel voorkomende gedachte. De auteur heeft een punt dat concurrentie bedrijven ‘tegen elkaar opzet’, maar die bedrijven zijn een groep mensen die samenwerken. En er zal wel concurrentie zijn binnen het bedrijf, maar veel bedrijven investeren in allerlei programma’s om hun werknemers juist beter te laten samenwerken, omdat dat de organisatie nu eenmaal productiever maakt. Bovendien maakt de auteur niet duidelijk wat het alternatief is voor concurrentie. Wellicht omdat het marxistische alternatief in het verleden onwerkbaar gebleken is.

Impliciet moet ook Peter Mertens vaststellen dat het kapitalisme nog zo slecht niet is: op pagina 290 stelt hij vast dat de wereld nog nooit zoveel rijkdom heeft gecreëerd als vandaag. En die rijkdom wordt sterk herverdeeld, althans in continentaal Europa. Toegegeven, er is nauwelijks herverdeling met de arme wereld buiten ons. Maar die arme landen hebben eerder een tekort aan kapitalisme, niet een teveel. Sinds China in de jaren ‘80 zijn handelsgrenzen op een gecontroleerde manier is beginnen openstellen, zijn letterlijk honderden miljoenen mensen uit de bittere armoede geklommen. China is natuurlijk geen puur kapitalistische economie, maar dat is onze economie, met een overheidsbeslag van meer dan 50%, evenmin.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.