Vroegtijdige schooluitval aanpakken is belangrijker dan kortere werkweek

Het voorstel van PS-voorzitter Elio Di Rupo om de werkweek te verkorten zal de werkloosheid niet terugdringen. Het probleem ligt in de grote schooluitval.

Het nieuwe boek van Elio Di Rupo kreeg de afgelopen dagen heel wat aandacht, ook in Vlaanderen. Daar moest vooral zijn voorstel voor een vierdagenwerkweek om de werkloosheid te bestrijden het ontgelden. Academici zoals Stijn Baert (UGent) en Ive Marx (UAntwerpen) waren bijzonder scherp. Volgens de eerste is het duidelijk dat de PS geen moer om de werkgelegenheid in Wallonië geeft, de tweede stelde dat de socialistische partij de trappers helemaal kwijt is.

Het is inderdaad contraproductief om de hoge werkloosheid in Franstalig België aan te pakken door arbeid duurder te maken. Enkel als de arbeidsduurverkorting niet leidt tot duurdere arbeid, door bijvoorbeeld het loon constant te houden en productiviteitsgroei om te zetten in meer vrije tijd, is het voorstel realistisch.

Bovendien kan je je de vraag stellen of het gebrek aan jobs het grootste probleem is in Franstalig België. Is het wel zo dat mensen die nu geen werk hebben, de jobs zullen innemen die vrijkomen door een arbeidsduurverkorting (als er al veel vrijkomen)? Het is verre van zeker dat veel van de huidige werklozen daarvoor de juiste vaardigheden hebben.

Mocht dat wel het geval zijn, dan zou de arbeidsmobiliteit van Wallonië, met een werkloosheid van net boven 10 procent, naar Vlaanderen, met een werkloosheid van nog geen 5 procent, wellicht veel groter zijn. Brussel, met een werkloosheid van bijna 17 procent, heeft die arbeidsmobiliteit zelfs niet nodig omdat in Brussel veel jobs beschikbaar zijn. Helaas hebben vele Brusselse werklozen niet de juiste kwalificaties, waardoor veel Vlamingen en Walen pendelen naar een Brusselse job.

Een gebrek aan de juiste vaardigheden bij veel werklozen is een belangrijke verklaring voor de verschillende werkloosheidscijfers in België. De bijgaande figuur, over de vroegtijdige schooluitval van 18- tot 24-jarige jongens en meisjes in de drie gewesten, geeft daarvan een indicatie. Een vroegtijdige schooluitval betekent dat die jongeren de middelbare school niet afgemaakt hebben. Dat percentage is in Wallonië de helft hoger dan in Vlaanderen, in Brussel meer dan het dubbele. De kloof tussen meisjes en jongens is wel het grootst in Vlaanderen, ook hier is dus nog werk aan de winkel.

figuur

Het Franstalig onderwijs levert dus een minder gekwalificeerde uitstroom op, ook al is dat in de drie gewesten de jongste vijftien jaar aan het verbeteren. Professor Wouter Duyck (UGent) gaf aan dat een Franstalige 15-jarige gemiddeld zelfs een vol jaar cognitieve achterstand heeft op zijn Vlaamse tegenhanger. Dat dat zich uit in lagere tewerkstellingscijfers hoeft niet te verbazen in een economie die almaar betere cognitieve vaardigheden vraagt.

De sociaal-economische achtergrond van de scholieren speelt ook een rol in de verschillen tussen de gewesten, zeker in Brussel. Kinderen uit rijke gezinnen doen het overal beter en Franstalig België kent, onder meer door de hogere werkloosheid, meer arme gezinnen dan Vlaanderen. Maar zelfs als je corrigeert voor die achtergrond, doen de Franstalige scholen het gemiddeld minder goed.

Dat blijkt althans uit een paper van de economieprofessor Vincent Vandenberghe (UCL) uit 2010, waarin hij de oorzaken voor het kwaliteitsverschil in het onderwijs onderzoekt. Vandenberghe stelt dat er een relevant verschil is in het beheer van de scholen, wat een belangrijke oorzaak kan zijn van het kwaliteitsverschil – dat al midden jaren 50 zou ontstaan zijn, lang vóór de eerste staatshervormingen. In Vlaanderen is het vrije onderwijs – waar scholen veel autonomie hebben – dominant, terwijl het Franstalige onderwijslandschap diverser is, met minder autonomie en een hybridere beheersstructuur. De onderzoeker pleit er daarom voor om het schoolbeheer aan te pakken.

Een grotere vrijheid voor scholen zal in de strijd tegen werkloosheid ongetwijfeld meer nut hebben dan een vierdagenwerkweek, zelfs zonder loonbehoud.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minder werken met loonbehoud lijkt utopie

De vierdagenweek met loonbehoud lijkt utopie

PS-voorzitter Elio Di Rupo heeft een nieuw boek geschreven met daarin zijn ideeën om België te hervormen. Eén van de opvallende voorstellen is het invoeren van een werkweek van vier dagen, met loonbehoud. Het zou een oplossing zijn voor de hoge werkdruk van zij die werken en nieuwe jobs creëren voor zij die werkloos zijn. Vooral Franstalig België kampt met hoge werkloosheidscijfers, tot boven 10 procent, terwijl in Vlaanderen nauwelijks 5 procent werkloos is.

De reacties in Vlaanderen zijn overwegend negatief tot zeer negatief. Ik vind het voorstel wel interessant, maar niet als oplossing voor de werkloosheid. Een vierdagenwerkweek met loonbehoud maakt de arbeid immers net duurder, waardoor het aantal jobs daalt. Maar dit kan je oplossen door de vierdagenwerkweek slechts zeer geleidelijk in te voeren door de productiviteitsverbeteringen om te zetten in arbeidsduurverkorting, zodat een uur arbeid evenveel kost als oplevert in vergelijking met ervoor.

Dat zou ook al een breuk met het verleden zijn, omdat de voorbije decennia een hogere productiviteit nagenoeg volledig omgezet werd in hoger loon. In 1970 werkte een gemiddelde werknemer bijna 1900 uren per jaar. In 2016 was dat gezakt naar gemiddeld 1550 uren per jaar of een daling met 18 procent. Niet verwaarloosbaar, maar de gemiddelde compensatie voor de werknemer is in die periode in reële termen wel meer dan verdubbeld (berekend op basis van het loonaandeel). De arbeidsduur kon dus nog veel sterker verminderd worden zonder reëel loonverlies. Als je vergelijkt met 1990 kom je tot dezelfde conclusie. Kortom, werknemers hebben op de één of andere manier gekozen voor een hoger loon, niet voor meer vrije tijd.

Maar misschien vinden de meeste werknemers nu wel dat ze meer dan genoeg inkomen hebben en te weinig vrije tijd. Hebben de meesten onder ons het immers niet meer dan goed genoeg? Is er echt zoveel te bedenken wat we in 1990 niet hadden en nu wel én wat we echt nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden (en wat niet collectief gefinancierd wordt, zoals gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs)? Ik denk het niet en ik vind een expliciet debat over een maatschappelijke focus op minder werken relevant, waarbij ik ervan uitga dat niemand de concurrentiepositie van onze bedrijven wil ondermijnen. Simpel gesteld: willen we meer loon, of meer vrije tijd?

Ik weet echter niet of de gemiddelde werknemer liever meer tijd dan meer loon wil. Het betekent dat de gemiddelde werknemer niet rijker wordt. De aandeelhouder zal zijn inkomen echter wel zien aandikken. De reden is eenvoudig: de productiviteitsgroei komt er in grote mate doordat er in bijkomende kapitaalgoederen geïnvesteerd wordt en die bijkomende investering moet vergoed worden. De gemiddelde investeerder wordt dus rijker, maar de gemiddelde werknemer niet, waardoor de ongelijkheid stijgt.

Een remedie tegen die stijgende ongelijkheid is om het arbeidsaandeel te doen stijgen, namelijk het aandeel van de economische output dat naar de werknemers gaat, ten koste van kapitaal. Maar het arbeidsaandeel in België is al relatief hoog ten opzichte van de andere ontwikkelde landen (dit is wel vóór belastingen). Als je dat nog verhoogt, is het gevaar voor kapitaalvlucht reëel, wat op langere termijn dan weer nefast is voor de werkgelegenheid en productiviteitsgroei. Een andere oplossing is dat er in totaal meer gewerkt wordt, ondanks een daling van de gemiddelde arbeidsduur. Dat impliceert dat mensen die nu zonder job zitten massaal aan het werk gaan. Dat is een na te streven doel, maar dan denk ik dat maatregelen voor een beter onderwijs, minder schooluitval en langer werken effectiever zijn dan arbeidsduurverkortingen.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen.

Pas de pensioenen aan de productiviteitsgroei aan

In zijn column van vorige week ging Peter De Keyzer hevig te keer tegen de Vergrijzingscommissie. Hij vindt hun berekeningen van de toekomstige vergrijzingskosten onrealistisch, omdat ze gebaseerd zijn op veel te optimistische assumpties, vooral wat de toekomstige werkzaamheidsgraad en productiviteit betreft. Een griezelverhaal, aldus De Keyzer.

Ik deel die strenge kritiek op de Vergrijzingscommissie niet. Het klopt dat de productiviteitsgroei met 1,5 procent per jaar zeer hoog wordt ingeschat en dat dit een impact heeft op de betaalbaarheid. Maar de commissie doet ook een sensitiviteitsanalyse met lagere productiviteitsgroeivoeten waardoor de impact ervan kan ingeschat worden.

De echte kritiek moet elders gegeven worden, namelijk dat de productiviteitsgroei nauwelijks relevant zou mogen zijn voor de betaalbaarheid van de pensioenen. Dat kan door het pensioen afhankelijk te maken van de productiviteitsgroei: als die hoger is dan verwacht, kan je de gepensioneerden laten delen in die hogere welvaart en omgekeerd. Net zoals dat, alvast op langere termijn, bij lonen ook het geval is. Dit principe staat gekend als de Musgrave-regel, een aanbeveling van de pensioencommissie en ruimer uitgewerkt in het Leuvens Economisch Standpunt van april van dit jaar over de pensioenhervormingen. In dat Standpunt wordt trouwens opgeroepen om na de punctuele maatregelen ook structureel te hervormen. Daar maakt De Keyzer dus een belangrijk punt, maar dan eerder ten aanzien van de federale regering.

Werkzaamheidsgraad

De kritiek van De Keyzer op de toekomstige werkzaamheidsgraad vind ik dan weer te pessimistisch. De bijgaande figuur geeft voor de periode van 2000 tot 2035 de werkzaamheidsgraad per geslacht voor twee leeftijdscategorieën, evenals de totale werkzaamheidsgraad (aangeduid met de dikke zwarte lijn). De Vergrijzingscommissie rekent met een werkzaamheidsgraad die de komende tijd blijft stijgen tot ze in 2035 73% bereikt. In 2000 stonden we op 63.5%, in 2016 op 65.5%. In dit tempo komen we er dus inderdaad niet.

tijdwerkzaamheidsgraad

Maar de figuur toont dat alvast voor de 55-plussers het voldoende is dat de historische trend van de sterk stijgende werkzaamheidsgraad voor deze leeftijdscategorie zich gewoon moet doorzetten. Er zal geen “tandje moeten bijgestoken” worden. Dat geldt overigens ook voor vrouwen onder de 55 jaar: hun werkzaamheidsgraad heb ik moeten berekenen (omdat de Vergrijzingscommissie deze niet publiceert) en wordt door mij geschat op 68,4 procent in 2016, komende van 62.6 procent in 2000 of een stijging met bijna 6 procentpunt. In 2035 zou die op 72,4 procent moeten staan, of nog een stijging van 4 procentpunt. Er is dus meer tijd voor een kleinere stijging.

Het grote probleem zit bij de mannen jonger dan 55 jaar. Daar is de werkzaamheidsgraad sinds 2000 afgenomen van net geen 81 procent tot 75,6 procent nu. Die trend moet gekeerd worden, wat inderdaad niet evident is. Maar het is niet dat de Vergrijzingscommissie een mirakel vraagt. In haar voorspelling gaat ze -als mijn berekening correct is- uit van een werkzaamheidsgraad voor deze groep van net geen 79%. Dat is 2 procentpunt ónder de werkzaamheidsgraad in 2000.

Laaggeschoolde jongere mannen

Dat lijkt allemaal doenbaar, zonder dat ik wil zeggen dat dit vanzelf zal gaan. Zo wordt de dalende werkzaamheidsgraad van jongere mannen vooral veroorzaakt door de laaggeschoolden. En mannen zullen in de toekomst nog vaker laaggeschoold zijn dan vrouwen: een studie van het Vlaamse departement Werk en Sociale Economie toont dat de 25-jarige mannen driemaal(!) meer laaggeschoold zijn dan 25-jarige vrouwen: 19,5 procent tegenover 6,5 procent. Het wordt niet evident om al die laaggeschoolde mannen aan het werk te krijgen en te houden.

Wat de werkzaamheidsgraad betreft zijn de assumpties van de Vergrijzingscommissie realistisch. De productiviteitsgroei in het basisscenario is daarentegen te optimistisch. Maar het is vooral aan de federale regering om structurele maatregelen te nemen zodat de pensioenkost onafhankelijk wordt van de moeilijk te voorspellen variaties in de productiviteitsgroei.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

ING toont de schaduwzijde van het kapitalisme

Ook dankzij de mensen die afgedankt worden, zijn we met zijn allen de afgelopen decennia zo rijk geworden. De maatschappij draagt daarom een grote verantwoordelijkheid tegenover hen.

Tegen 2021 schrapt ING 7.000 banen, waarvan ongeveer de helft in België. Sommigen, onder wie sp.a­voorzitter John Crombez, vinden het schandalig dat ING mensen massaal op straat zet, terwijl het bedrijf winst maakt. Het is ook wrang, omdat die winst natuurlijk ook dankzij het personeel wordt gemaakt.

Nochtans zijn de ontslagen bij ING, en eerder bij bijvoorbeeld Caterpillar, eigen aan ons economisch, kapitalistisch model. Het management is enkel verantwoording verschuldigd aan de aandeelhouders en die willen meestal een zo groot mogelijke opbrengst voor het genomen risico. Als daarvoor mensen ontslagen moeten worden, dan is dat maar zo.

Bedrijven opereren bovendien in een competitieve omgeving. Dat betekent dat ze hun aandeelhouders voldoende rendement moeten bieden. Doen ze dat niet, dan zullen aandeelhouders wegtrekken. Dan vermindert de waarde van het bedrijf en komt het in problemen of wordt het overgenomen door een ander bedrijf dat wel zijn waarde kan behouden. In een competitieve omgeving moeten bedrijven dus efficiënt blijven om het rendement op peil te houden.

Het beoogde effect is dat er bij voldoende concurrentie enkel nog (relatief) efficiënte bedrijven overblijven. Dat is goed nieuws, want efficiënte bedrijven creëren meer welvaart met minder kosten dan hun inefficiënte concurrenten van weleer. Het kapitalistisch model levert dan ook een economie op waarin elke werknemer jaar na jaar efficiënter produceert. Dat is de afgelopen decennia gebeurd, zoals de grafiek toont. De economische output per werknemer steeg sinds 1960 van 26.000 euro naar 83.000 euro (in euro’s van 2010). Een stijging met 220 procent, een onvoorstelbare prestatie.

figuur

Wel valt in de grafiek op dat het proces van efficiëntieverbetering sinds de economische crisis van 2008 gestokt is. Er is zelfs een daling van de efficiëntie, omdat bedrijven in de crisisperiode relatief weinig afgedankt hebben, gegeven de economische omstandigheden. Wellicht omdat ze hoopten op betere tijden en hun personeel ­ waar vaak veel in geïnvesteerd is ­ niet zomaar kwijt willen. Het is een indicatie dat bedrijven niet lichtzinnig mensen ontslaan.

Begroting

Dat maakt de ontslagen bij ING natuurlijk niet minder bitter voor de betrokkenen. Zij zijn de pechvogels in ons kapitalistisch systeem. Mensen die ontslagen worden, massaal of niet, tonen de schaduwzijde van dat systeem. De drang naar efficiëntie, die ons zeer welvarend maakt, betekent dat er meer kan gedaan worden met minder. En dus dat soms mensen overbodig worden voor het bedrijf. Dat is hard, omdat een job in onze maatschappij veel meer is dan enkel een inkomen. Hij is vaak ook een groot stuk van je identiteit en je sociale leven.

De pechvogels zijn onvermijdelijk verbonden aan dit systeem, en een ontslag kan iedereen overkomen. De maatschappij heeft daarom een verantwoordelijkheid tegenover hen. We moeten in een vangnet en in ondersteuning voorzien opdat wie uit de boot valt zo snel mogelijk een zinvolle job vindt. Het is een kerntaak van de overheid om een kader te scheppen dat de opvang en indien nodig de omscholing van de pechvogels regelt.

En dat mag wat kosten. Ook dankzij de pechvogels zijn we met zijn allen zo rijk geworden. Als we het sociale en economische drama van ontslag niet zouden toelaten of te sterk zouden bemoeilijken, zouden we nooit zo rijk zijn geworden. Het zou bijzonder cynisch zijn, mocht er in de komende begrotingsronde net bespaard worden op de middelen die de schaduwzijde van het kapitalisme kunnen verlichten. Die middelen zijn broodnodig om het kapitalisme te kunnen verantwoorden.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Je kan België niet zomaar vergelijken met Nederland

Enige tijd terug herhaalde Luc Coenen in een Tijd-interview nog eens zijn oproep om dringend te besparen in de sociale zekerheid. Om zijn betoog kracht bij te zetten vergeleek hij het Belgische overheidsbeslag met dat van Nederland. Met een kloof van 8 procent van het BBP in het nadeel van België was het voor Coenen duidelijk: België heeft een inefficiëntieprobleem, en Nederland lijkt terug het gidsland.

Dat lijkt op het eerste gezicht overduidelijk. Echter, een vergelijking die iets meer in detail gaat, nuanceert dat sterk. De onderstaande figuur geeft de overheidsuitgaven van België en Nederland voor het jaar 2014, opgedeeld in tien domeinen. In totaal was het overheidsbeslag van België in 2014 bijna 9% hoger dan in Nederland, nog iets hoger dan Coenen vooropstelde dus. Drie domeinen springen hierbij in het oog: de sociale bescherming, de algemene publieke diensten en economische zaken. Opmerkelijk: wat betreft de gezondheidszorg is het overheidsbeslag in België en Nederland nagenoeg gelijk.

tijdBEvsNL

Sociale bescherming

Als de uitgaven voor sociale bescherming meer in detail bekeken worden (ook te vinden in de Oeso-databanken), dan blijkt dat België voor sociale bescherming vooral meer uitgeeft voor pensioenen: 10,8% in België tegenover 6,9% in Nederland of bijna 4% verschil.

Dat hoeft geen verrassing te zijn. Naast de grote overheidsschuld is hét grote probleem in België de veel te korte loopbaan. Het opkrikken van de pensioenleeftijd is dan ook zonder twijfel één van de grootste uitdagingen van ons land. Maar het verhogen van de pensioenleeftijd is een werk dat in stapjes gaat. Drastisch besparen op pensioenen is dan niet alleen moeilijk haalbaar, maar ook onwenselijk. Men kan de bestaande pensioenen, die al relatief laag zijn, niet zomaar verlagen zonder sociale drama’s te veroorzaken.

Bovendien is de kloof in de totale pensioenuitgaven veel kleiner dan deze cijfers tonen. In Nederland worden immers ook veel privé-uitgaven voor pensioenen gedaan, omdat ze een totaal ander pensioenstelsel hebben. Als je die uitgaven meetelt, verkleint de kloof tot minder dan 1% van het BBP.

Algemene publieke diensten

Een andere post zijn de algemene publieke diensten. Hier is de kloof met Nederland 3,2% van het BBP. Maar daar zitten 1,7% meer rente-uitgaven tussen. Ook hier kan de huidige Belgische overheid moeilijk met de vinger gewezen worden, gezien de hogere overheidsschuld vooral een gevolg is van het beleid in de jaren 70 en 80.

De overige meeruitgaven betreffen basisonderzoek en “algemene diensten”, beide goed voor 0,8 procent meeruitgaven. Dit vraagt meer analyse om deze verschillen te verklaren. Feit is wel dat Nederland minder kosten heeft aan ambtenaren, maar dat de overheid wel meer werk uitbesteed aan externe partners.

Economische zaken

Ten slotte is er de post “economische zaken” waar België 2,8 procent van het BBP meer uitgeeft dan Nederland, wat fors meer is. Hier is de boosdoener vooral de bedrijfssubsidies die België geeft, goed voor ruim 2 procent meer dan Nederland. Dat zijn in grote mate subsidies aan bedrijven, zoals kortingen op de RSZ en voor dienstencheques; het is niet zozeer de overheid die met dit geld werkt. De vraag is of besparingen op bedrijfssubsidies het begrotingstekort zullen verminderen. Immers, indien deze subsidies afgeschaft worden, zullen ze wellicht gecompenseerd moeten worden door een algemene lastenverlaging, zoniet wordt het ondernemen veel sterker belast.

Conclusie

Wat dus op het eerste gezicht een grote kloof lijkt, blijkt meer in detail vaak goed verklaarbaar, door bijvoorbeeld het type van pensioenstelsel of de schulderfenis uit het verleden. De bedrijfssubsidies verminderen zou dan weer wel het overheidsbeslag significant kunnen doen dalen, maar niet zozeer het begrotingstekort, omdat de lagere subsidies zouden moeten gecompenseerd worden door lagere algemene lasten. De enige post die in deze korte analyse vragen oproept zijn de hoge kosten van de algemene diensten, maar ook daar gaat het “slechts” over minder dan 1 procent verschil met Nederland. Kortom, het is best mogelijk dat België dringend moet besparen, maar een oppervlakkige vergelijking met Nederland is daarvoor ruimschoots onvoldoende als argument.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Het economisch groeipotentieel kan omhoog

De voornaamste maatregel om de economische groei te doen aantrekken moet er een zijn om de vraag te stimuleren, en minder om het aanbod te verbeteren.

Zowel de N-VA als CD&V hebben duidelijk gemaakt dat er nog grote begrotingsinpanningen aankomen. Slecht nieuws voor de burgers, maar ook de regeringspartijen hadden zich wellicht een gemakkelijker begrotingstraject voorgesteld. Dat het moeilijker is dan verwacht, is in grote mate te verklaren door de lage economische groei.

Die groei is sinds de financiële crisis van 2008 gedaald naar gemiddeld 0,7 procent per jaar. Een pak lager dan in de periode 1991-2007 toen het nog gemiddeld 2,2 procent was. Zelfs als het crisisjaar 2009 niet wordt meegerekend, is de gemiddelde economische groei de jongste jaren niet hoger dan 1,2 procent. Maar waarom is de groei gehalveerd? Die cruciale vraag wordt te weinig gesteld.

Voor de Europese Commissie is het simpel: de potentiële groei is ook gehalveerd. Onze economie kan dus gewoon niet veel beter. Dat toont de grafiek van het Belgische reële en potentiële bruto binnenlands product (bbp), zoals geschat door de Commissie. Beide lijnen liggen voor de beschouwde periode dicht bij elkaar, ook als na 2008 het reële bbp minder snel stijgt.

groei BBP

Het valt op hoe de potentiële economische groei na de crisis afneemt. Er is een enorm verschil met het trend-bbp, het bbp dat in hetzelfde tempo groeit als in de 15 jaar voor de start van de financiële crisis. Had die groei aangehouden dan lag het bbp nu 40 miljard euro of 10 procent hoger. De vraag is dan of het wel klopt dat de potentiële groei gehalveerd is. Misschien wordt de potentiële groei wel onderschat en moeten we blijven mikken op de historische trend-groei van 2 procent.

De potentiële groei kan niet geobserveerd worden, en wordt dus geschat. Dat gebeurt aan de hand van een model. Dat model is verre van perfect en kan niet alle situaties goed inschatten. Na de financiële crisis bijvoorbeeld kende de economie plots een lagere vraag, waardoor bedrijven minder gingen produceren. Het personeelsbestand en het ingezette kapitaal konden echter niet onmiddellijk verminderd worden. Dat heeft als opmerkelijk effect dat in het gebruikte model de potentiële groei daardoor lager wordt ingeschat.

Immers, zo stelt het model, arbeid en kapitaal worden verondersteld om efficiënt ingezet te worden. Dus als die ingezette productiefactoren minder produceren komt het model tot de conclusie dat men toch zo efficiënt mogelijk produceert, ook al is de productie afgenomen. De potentiële productie is dan volgens het model verminderd, maar in werkelijkheid is er gewoon een te lage vraag.

Als een groeivertraging veroorzaakt wordt door een te lage vraag, dan is de lagere inschatting van de potentiële groei verkeerd. Het probleem is dan niet dat de economie niet méér kan produceren (dat kan ze wel), maar dat niemand de producten wil kopen die ze zou kunnen produceren. Om dan de economische groei te stimuleren, moet men de vraag stimuleren. Dat kan via de overheid, door overheidsinvesteringen of lagere belastingen of meer herverdeling (lagere inkomens spenderen naar verhouding meer). Of het kan via de Europese Centrale Bank, met bijvoorbeeld helikoptergeld.

Er kunnen ook andere redenen zijn dat de economie minder produceert. De productiestijging kan verminderen omdat het personeel onvoldoende bijgeschoold wordt. Een hogere vraag doet dan de economie niet groeien, omdat men al aan de maximale capaciteit zit. Men moet dan eerder initiatieven nemen om personeel bij te scholen en onderwijs te stimuleren.

Ik denk dat het onderhand grotendeels aanvaard wordt dat de lage economische groei in grote mate veroorzaakt is door een lagere vraag. Dat zou kunnen betekenen dat de potentiële economische groei te laag ingeschat wordt. En dat de voornaamste maatregelen om de economische groei te doen aantrekken die zijn om de vraag te stimuleren, en dus minder om het aanbod te verbeteren.

Maar zelfs dat dat is niet helemaal zeker. Door een lange periode van lage vraag daalt de economische groei waardoor het aandeel van langdurig werklozen stijgt. Daardoor dalen de vaardigheden van deze groep werklozen, een fenomeen dat economen het ‘hysteresis-effect’ noemen. Dat effect doet op zijn beurt dan weer het potentiële groei van de economie afnemen. Dus iets wat initieel verkeerdelijk aanzien wordt als lagere potentiële groei, namelijk gewoon een lagere economische vraag, kan uiteindelijk resulteren in een effectief lagere economische groei. Met andere woorden, het zou al te laat kunnen zijn om de potentiële economische groei op te krikken door de vraag te stimuleren.

Deze tekst (zonder de laatste paragraaf) verscheen eerst als column in De Tijd.

Het effect van hysteresis wordt in deze paper uitgebreid beschreven (met dank aan Alex Van Steenbergen voor de link).

Peter De Keyzer is niet overtuigd dat het economisch groeipotentieel kan gestimuleerd worden via de vraag zijde. Hij verwees naar deze tekst.

 

De Belgische voedingsindustrie zal niet verdwijnen door minder landbouw

Ons land moet zijn landbouwoppervlakte geleidelijk aan afbouwen. Die stelling blijft overeind, ook na de misnoegde reactie van de Boerenbond.

In mijn vorige column pleitte ik ervoor dat België minder ruimte voor landbouw zou reserveren en meer voor natuur, wonen en economie. Landbouw neemt immers 44 procent oppervlakte in voor slechts 0,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2014.

Mijn pleidooi was niet naar de zin van Sonja De Becker, de voorzitster van de Boerenbond, de belangenorganisatie van de landbouwers. Ze erkende dat het aandeel van de landbouw inderdaad was teruggevallen tot 0,7 procent van het bbp, maar wees erop dat de landbouwsector voor een hefboomeffect van 10 zorgt in de voedingssector in termen van omzet en toegevoegde waarde. Wie de landbouwsector uitvlagt, vlagt ook de voedingsindustrie uit, was de conclusie. Ze noemde mijn voorstel ook een vorm van beggar-thy-neighbour.

Het is een belangrijk argument dat landbouw ook een positieve impact heeft op de voedingssector. Het hefboomeffect van 10 is wel overdreven: de voedingssector was in 2012 goed voor 2,1 procent van het bbp, of 2,5 keer het aandeel van landbouw. En ook het aandeel van de voedingssector is afgenomen: in 1995 was dat nog 2,6 procent van het bbp.

Als je de landbouw- en de voedingssector als één en ondeelbaar beschouwt, wat de voorzitster van de Boerenbond lijkt te beweren maar zeker niet volledig zo is, dan is het aandeel van die gecombineerde sector gedaald van bijna 4 procent van het bbp tot bijna 3 procent in 17 jaar. Dat is een daling van een kwart, terwijl het oppervlaktegebruik nagenoeg gelijk bleef op 44 procent. De grafiek bij de vorige column blijft dus gelden, ook als de landbouw- en de voedingssector worden samengenomen. En dus ook de bijbehorende stelling blijft overeind.

landbouwopp

Bovendien is mijn voorstel een geleidelijke vermindering van de landbouwoppervlakte van 44 naar 34 procent van de Belgische oppervlakte in de komende twintig jaar. Na die tijd blijft dan nog altijd meer dan driekwart van de oorspronkelijke landbouwoppervlakte over. Dat kan je bezwaarlijk omschrijven als ‘het uitvlaggen van de landbouw’, zoals De Becker deed.

Tijdens de geleidelijke overgang zullen de eerste vierkante meters landbouwgrond die worden afgegeven bijna per definitie de voor landbouw minst productieve gronden zijn, terwijl die gronden zullen worden ingenomen door de meest productieve activiteiten van natuur, wonen en economie. Minder landbouw kan inderdaad leiden tot een kleinere voedingsindustrie, maar dat zal niet een op een gebeuren. Landbouwproducten voor de voedingsindustrie kunnen worden ingevoerd, zoals nu al soms het geval. Bovendien zal de vrijgekomen oppervlakte ingenomen worden door andere functies die het verlies aan landbouw maatschappelijk meer dan genoeg compenseren.

In het begin zal die geleidelijke overgang dus grote maatschappelijke efficiëntiewinsten opleveren. Die zullen geleidelijk afnemen door de wet van de afnemende meeropbrengsten. Het is dan ook waarschijnlijk maatschappelijk niet optimaal de landbouw helemaal te laten verdwijnen. Wat ik wel weet, is dat een nagenoeg constant aandeel van 44 procent oppervlakte veel te veel is voor een (sterk) afnemende economische activiteit. Afbouwen moet, totaal verdwijnen niet.

Ten slotte begrijp ik niet wat de voorzitster van de Boerenbond bedoelt met beggar-thy-neighbour. Het begrip wordt gebruikt om beleid aan te duiden waarbij het ene land zijn economische problemen probeert op te lossen ten koste van een ander land. Zo’n strategie leidt vaak tot een zero sum game of soms nog slechter. Dat is met mijn voorstel absoluut niet het geval: de oppervlakte, die in België en zeker in Vlaanderen een schaars goed is, zal maatschappelijk efficiënter gebruikt worden, waardoor we uiteindelijk beter af zullen zijn.

Een belangenorganisatie als de Boerenbond heeft het recht op te komen voor de belangen van haar leden, maar ze kan daarbij niet blind zijn voor de belangen van anderen. Mijn voorstel is geen decimering van de landbouw, maar een geleidelijke afbouw van de oppervlakte met nog geen kwart. Dat lijkt me in een dichtbevolkt land als België een zeer redelijke vraag. Ik hoop dat de Boerenbond het voorstel ernstig overweegt.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minder landbouw kan natuur en economie laten groeien

Het transportbedrijf Essers in Limburg kan dan toch uitbreiden. Daarvoor moet een stuk bos verdwijnen. Het bos zal elders gecompenseerd worden, maar voor velen is het duidelijk dat natuur moet wijken voor de economische bedrijvigheid.

Het optimisme dat economie en natuur wél kunnen samengaan, botst hier letterlijk op zijn grenzen. Het lijkt onvermijdelijk dat in het dichtbevolkte Vlaanderen bedrijven en natuur op gespannen voet staan.

Dat hoeft echter niet zo te zijn. Wie Vlaanderen al eens op een stafkaart of vanuit de lucht bekeken heeft, merkt het grote lappendeken van open ruimte op: akkers en weiden lijken alomtegenwoordig. En dat zijn ze ook: in 2012 was 44 procent van de Belgische grondoppervlakte landbouwgrond (waarvan 62 procent akker- en teelgronden en 38 procent weiden en graslanden). Dat is maar een heel lichte daling tegenover 1980 en 1995, toen het nog respectievelijk 46 en 45 procent was.

In scherp contrast met het nagenoeg constante aandeel van de landbouw in het ruimtegebruik in België, staat het aandeel in de toegevoegde waarde die de sector jaarlijks creëert. Terwijl al in 1995 nog slechts 1,35 procent van het bbp van de landbouw kwam, is dat in 2012 nog verder teruggevallen naar 0,85 procent of een daling van 38 procent (zie grafiek). In 2014 is het aandeel zelfs teruggevallen naar 0,7 procent.

bbp landbouw

Landbouw legt dus beslag op 44 procent van het ruimtegebruik voor een economische activiteit van minder dan 1 procent. Dat is de olifant in de kamer als het over ruimtegebruik in Vlaanderen gaat, maar het is ook de sleutel om economie en natuur met elkaar te verzoenen. Door minder landbouwoppervlakte kan zowel natuur als economie groeien en kan men vermijden dat natuur moet wijken voor jobs.

Daarbij moet vooral worden ingezet op minder akker- en teelgronden, omdat die gronden een lagere natuurwaarde hebben in vergelijking met weide en graslanden. Die vermindering kan het best geleidelijk gebeuren, om de landbouwers de tijd te geven zich aan te passen of simpelweg met pensioen te gaan.

Zelfs als de landbouwoppervlakte met slechts een half procentpunt per jaar zou afnemen, komt er jaarlijks ongeveer 15.000 hectare vrij. Het is dan aan de politiek om die toe te wijzen aan natuur, economie of woongebied. Ik vermoed dat natuur de grote slokop zal zijn, ook omdat bedrijven en woongebied heel efficiënt met ruimte omspringen.

Dat betekent overigens niet dat de landbouw zal verdwijnen: met een jaarlijkse daling van een half procentpunt blijft er na 20 jaar 34 procent van de totale oppervlakte in België over voor landbouw. Dat is nog steeds gigantisch veel.

De grootste bezorgdheid is wellicht de voedselvoorziening. Het verminderen van landbouwproductie in eigen land maakt ons meer afhankelijk van invoer. Nochtans denk ik dat dat risico verwaarloosbaar is. Ten eerste wordt voedsel ingevoerd uit een waaier van landen. Er kan ook op heel veel plaatsen in de wereld aan landbouw gedaan worden, waardoor het wegvallen van invoer uit het ene land kan worden opgevangen door een ander land. Bovendien kan de verminderde landbouwproductie in België makkelijk opgevangen worden in andere Europese, stabiele landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk.

Ten slotte is het zo dat ook nu al veel wordt ingevoerd, maar – misschien verrassend – ook veel wordt uitgevoerd. België blijkt zelfs een netto-exporteur te zijn van landbouwproducten. Duitsland en zeker het Verenigd Koninkrijk zijn dan weer netto-importeurs. Overigens zonder voedselcrisissen.

Het is duidelijk dat het in een dichtbevolkt land als België inefficiënt is om bijna de helft van de oppervlakte voor landbouw te reserveren om zodoende netto-exporteur van landbouwproducten te worden. Het zou beter zijn de landbouwoppervlakte geleidelijk af te bouwen om zo meer ruimte te geven aan natuur, economie en wonen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Overheid gokt te zwaar op de trein

Honderd jaar geleden kende België een spoorwegennet van meer dan 5000 kilometer. Vandaag is dat 3600 km, een daling met 30%. Vooral in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werden veel spoorlijnen opgedoekt, lijnen die verlieslatend geworden werden door de massale komst van de auto en de vrachtwagen.

Er staat het spoor, en ander openbaar vervoer, een nieuwe technologische uitdager te wachten, namelijk de zelfrijdende auto. Verschillende autoproducenten verwachten, samen met Google, dat de zelfrijdende auto voor het publiek reeds binnen vijf jaar beschikbaar zal zijn. Volvo verklaarde recent zelfs al in 2019 klaar te zijn.

De komst van de zelfrijdende auto zal op vele domeinen een ingrijpende impact hebben, ook op het openbaar vervoer. Autodelen zal immers de norm worden. Uber, de Amerikaanse gigant in autodelen, kan niet wachten om de zelfrijdende auto in te voeren. Op die manier zullen Uber en haar concurrenten een soort “geïndividualiseerd openbaar vervoer” aanbieden dat sterk zal concurreren met het “collectief openbaar vervoer”. Als enige aandeelhouder van het collectief openbaar vervoer moet de overheid deze ontwikkelingen op de voet volgen en nagaan wat de risico’s zijn. Zeker voor investeringen die een zeer lange levensduur en ditto terugbetalingsperiode hebben is dit essentieel; dat is vooral zo voor het spoor.

De vraag is of de overheid die risico’s wel goed inschat. De vorige regering keurde in 2013 het meerjareninvesteringsplan van de NMBS-Groep goed. Het gaat om 26 miljard euro voor de periode 2013-2025, of 2 miljard euro per jaar. Dat zijn gigantische bedragen, waarvan men zich kan afvragen of deze verantwoord zijn. Te meer omdat het spoorvervoer voor “slechts” elf miljard reizigerskilometer instaat; dat is tien keer minder dan via de weg. En de zelfrijdende auto zal die discrepantie nog verhogen.

Om de geplande spoorinvesteringen goed te kunnen vergelijken met de overheidsinvesteringen in het wegennet moeten de investeringen per reizigerskilometer berekend worden; voor de weg schat ik de overheidsinvesteringen op 1,2 miljard euro per jaar dat aan personenvervoer kan toegewezen worden. Ik heb hiervoor enkel de snel- en gewestwegen beschouwd omdat treingebruikers ook de gemeentelijke wegen gebruiken.

De bijgaande grafiek geeft het resultaat van deze berekeningen. Als die correct zijn, dan zal de overheid jaarlijks gemiddeld 183 euro per 1000 spoorreizigerskilometer investeren en slechts 11 euro voor de weg, of bijna 17 keer minder. De cijfers moeten correct geïnterpreteerd worden; het gaat om overheidsinvesteringen. De totale investeringen in wegvervoer zijn veel hoger, omdat autogebruikers ook moeten investeren in hun auto. Maar dat is een keuze die elk individu zelf mag maken. Dat is niet het geval met het treinvervoer: hier is het de overheid die beslist en iedereen betaalt verplicht mee.

tijdtreininvesteringen

En die overheid zet dus zwaar in op investeringen in het spoor. Een beslissing die maar weinig individuele investeerders zouden maken, gezien de risico’s verbonden met de nakende komst van de zelfrijdende auto en de exponentiële stijging van het gebruik van mobiele apps voor autodelen.

Dat betekent niet dat er geen investeringen moeten gebeuren in het spoor; maar er is wel een rationalisatie van die investeringen nodig. 80 van de 550 spoorstations, zo’n 15%, zorgen voor 80% van de treinreizigers; de overige 470 voor nauwelijks 20%. In haar jaarverslag van 2013 geeft de NMBS zelf als reden onder meer de wijzigende mobiliteit. De kans is groot dat deze trend zich zal doorzetten.

Het beleid kan nu nog gekeerd worden. Er zou een investeringsplan moeten komen dat rekening houdt met de waarschijnlijke en snelle komst van de zelfrijdende auto en de mobiele apps, met al haar mogelijke implicaties. Wellicht resulteert een dergelijke oefening om de investeringen te concentreren op de meer rendabele trajecten tussen grote steden. Het zal eveneens waarschijnlijk resulteren in een verdere daling van het aantal spoorkilometers en sluitingen van stations, zoals 50 jaar geleden. Geen nood, de zelfrijdende Uber zal wel klaarstaan om in de mobiliteitsnoden te voorzien. De hierdoor uitgespaarde investeringen kunnen de discussie over taxshift en taxcut misschien wat smeren.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

30-urenweek kan ongelijkheid doen toenemen

PVDA, maar ook andere organisaties zoals Femma vzw en Poliargus, hielden recent een pleidooi voor de 30-uren werkweek. Is dit een oubollig idee, onwenselijk en onhaalbaar, of net een visionaire visie op de toekomst?

Ik ga ervan uit dat de werkduurvermindering zonder loonverlies enkel realistisch is als ze geleidelijk wordt doorgevoerd zonder hogere kosten voor de werkgever en een constant rendement op kapitaal, zodat de concurrentiekracht behouden blijft. Die voorwaarden kunnen ingevuld worden als er productiviteitswinsten gerealiseerd worden. Een 40 urenweek verminderen naar een 30 urenweek staat gelijk aan een daling met 25% van het aantal gewerkte uren. Als je de loonmassa constant wil houden, moet het uurloon met 33% stijgen. Dat is realistisch als de arbeidsproductiveit, uitgedrukt in productie per gewerkt uur, ook met 33% stijgt, zodat de output per loonkost gelijk blijft.

Een stijging van de arbeidsproductiviteit met een derde is in principe geen onmogelijke opdracht: sinds 1970 is deze immers ruim verdubbeld. Echter, de stijging is sinds de crisis stilgevallen. Het moment om de arbeidsduur te verminderen lijkt dan ook slecht gekozen. We zullen moeten wachten tot de arbeidsproductiviteit terug stijgt.

Uit het verleden kan je bovendien redelijkerwijze afleiden dat een stijgende arbeidsproductiviteit gepaard moet gaan met meer kapitaalinvesteringen. Dat extra kapitaal moet dan adequaat vergoed worden, zoniet zullen de kapitaalinvesteringen niet of onvoldoende gerealiseerd worden, en zal de arbeidsproductiviteit niet stijgen of onvoldoende.

Doordat de totale kapitaalvergoedingen zullen stijgen, terwijl de loonmassa constant gehouden wordt, zal het loonaandeel in de economie relatief afnemen, ten voordele van het kapitaalaandeel. De kapitalist wordt dus rijker, terwijl de werknemer stagneert (maar zal wel minder moet werken). Het gevolg van een 30-urenweek is dan een stijgende ongelijkheid tussen werknemers en kapitalisten, ook al gaan de werknemers er in reële termen niet op achteruit.

Ik illustreer dat met een busbedrijf als voorbeeld voor de gehele economie. Stel dat een buschauffeur 2000 euro per maand verdient voor een 40 urenweek. De werkgever verdient 4000 euro per maand, als rente op het geïnvesteerd kapitaal. Een werkweek van 30 uren met behoud van loon is mogelijk als de chauffeur 33% meer mensen vervoert per uur. Maar daarvoor moet de werkgever een dubbeldekker aanschaffen en de gewone bus verkopen, wat in totaal zijn kapitaalinvestering verhoogt. Op die grotere investering eist de werkgever hetzelfde rendement, wat zijn inkomsten doet verhogen met 500 euro. De buschauffeur blijft 2000 euro per maand verdienen, maar de werkgever verdient nu 4500 euro. De ongelijkheid is dus gestegen.

Om de stijgende ongelijkheid te neutraliseren, zou de buschauffeur een loonstijging van 250 euro moeten krijgen. De werkgever zal dit weigeren, omdat zijn rendement dan afneemt, terwijl hij net meer investeert. Er is echter een oplossing, namelijk de dubbeldekker efficiënter te gebruiken waardoor de bezettingsgraad stijgt; met de extra inkomsten kan het maandloon van de buschauffeur verhoogd worden, zonder dat het rendement op kapitaal moet afnemen. Als dat lukt is de zogenaamde ‘totale factor productiviteit’ (TFP) gestegen. Met TFP wordt vaak innovatie bedoeld, maar is in de praktijk meer dan dat, zoals beter management of schaalvoordelen. De TFP-groei is dan  economische groei die “gratis” is, namelijk meer output zonder extra arbeid of kapitaal.

30urenweek

Men kan met de theorie van de groeiboekhouding afleiden hoe hoog de jaarlijkse TFP-groei van de totale economie moet zijn om de ongelijkheid niet te doen stijgen als er een 30-uren werkweek wordt ingevoerd. De hoogte van de TFP-groei hangt ook af van het tempo waarin de arbeidsduurvermindering gerealiseerd wordt. Als dat op 15 jaar zou gebeuren, dan is de noodzakelijke jaarlijkse TFP-groei minstens 1,2%, maar waarschijnlijk hoger dan 2%. Dat zijn niveaus die sinds de jaren ’70 en ‘80 niet meer gehaald worden in België, zoals te zien is op de bijgaande figuur. Een realistische arbeidsduurvermindering zonder stijgende ongelijkheid wordt zo een pak minder waarschijnlijk. De vraag is of dat maatschappelijk aanvaardbaar is.

Deze column verscheen eerst in De Tijd