Vlaktaks van 30 procent is cadeau voor hoogste inkomens

Open VLD publiceerde vorige week hun voorstellen voor het partijcongres van eind november. Een voorstel dat in het oog springt is een vlaktaks van 30 procent voor de inkomensbelasting. Open VLD zou de vlaktaks combineren met een verhoogde belastingvrije som, zonder deze te specifiëren. De vlaktaks zou in de plaats moeten komen van het huidige systeem waarbij de tarieven gestaag oplopen tot 50% voor een netto belastbaar inkomen boven 38.000 euro. Let wel, zowel de vlaktaks als het huidige systeem werken met marginale tarieven. Dat betekent dat je bijvoorbeeld in het huidige systeem enkel 50 procent betaalt op het deel dat boven 38.000 euro ligt. Voor het deel onder 38.000 euro betaal je minder belastingen. Je totale inkomensbelasting kan dus nooit hoger zijn dan 50 procent.

Het bestaande systeem, met haar oplopende marginale tarieven, leidt tot een progressieve belasting: de hoogste inkomens betalen effectief ook het hoogste tarief. Concreet betaalden in 2015 de laagste tien procent inkomens niets (ze kregen zelfs iets terug), terwijl de hoogste tien procent gemiddeld bijna 34 procent inkomensbelastingen betaalt. De rest zit daar tussen. Dus ondanks de veelheid aan bestaande aftrekken en belastingverminderingen wordt het progressieve karakter van de inkomensbelasting goed behouden. De reden is dat hogere inkomens weliswaar meer profiteren van de belastingverminderingen, maar dat ook middeninkomens er vaak baat bij hebben. Belangrijke verminderingen gaan immers over kinderen en het huwelijksquotiënt.

Met een vlaktaks van 30 procent, gecombineerd met een belastingvrije som, wordt de progressiviteit van de inkomensbelasting sterk verminderd. Als de inkomensbelasting budgetneutraal moet zijn, dan kan dit nagenoeg enkel als alle huidige belastingverminderingen worden afgeschaft en kan je maar een belastingvrije som van 5300 euro toekennen. Dat is gevoelig lager dan nu.

Dat is eenvoudig te simuleren met de publiek beschikbare Mefisto-rekentool die professor André Decoster (KU Leuven) en zijn onderzoeksteam hebben ontwikkeld. Deze tool simuleert niet enkel de impact op de totale belastinginkomens, maar ook de impact op het netto gezinsinkomen, per inkomensniveau. De resultaten voor de budgetneutrale vlaktaks zijn te zien op de bijgaande figuur (blauwe balkjes). Uit deze figuur blijkt duidelijk dat een budgetneutrale vlaktaks van 30 procent een cadeau is aan de 20 procent hoogste inkomens, gefinancierd door de rest.

tijdvlaktaks

Maar voor Open VLD mag de hervorming van de inkomensbelasting niet budgetneutraal zijn. Ze wil het overheidsbeslag, dat tegen 2019 zal gedaald zijn naar 50 procent, verder verminderen naar 45 procent. Dat geeft ruimte om bijvoorbeeld de belastingverminderingen in de inkomensbelasting toch te behouden en de belastingvrije som te verhogen naar pakweg 10.000 euro. Uit de Mefisto-simulatie blijkt dat een dergelijke belastinghervorming maar liefst 14 miljard minder belastinginkomsten zou opleveren (evenwel zonder rekening te houden met alle terugverdieneffecten, die sowieso moeilijk te voorspellen zijn).

Het klopt dat alle inkomens er dan bij winnen, maar dat is niet moeilijk als je sinterklaas kan spelen met 14 miljard euro belastingsverlaging. Het is niet te zien op de figuur, maar de simulatie toont dat 37 procent van de 14 miljard euro naar het hoogste inkomensniveau gaat (de tien procent hoogste inkomens) en 18 procent naar het tweede hoogste. De 20 procent hoogste inkomens krijgen zo meer dan de helft van de belastingsvermindering. Aftrekken afschaffen helpt daarbij niet echt, omdat, zoals gezegd, ook middeninkomens hier vaak baat bij hebben.

Het is dan ook moeilijk uit te leggen dat een vlaktaks sociaal kan zijn. Om met een vlaktaks toch de progressiviteit te behouden zou men per inkomensinterval een andere belastingvrije som kunnen toekennen. De vraag is dan of de vlaktaks met “variabele” belastingsvrije som niet complexer is dan het huidige systeem. Naar mijn mening zou het beter zijn om het huidige systeem te behouden, maar om de inkomensdrempels te verhogen waarop de marginale tarieven van toepassing zijn. Want we betalen in België inderdaad heel snel hoge inkomensbelastingen.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Minister Tommelein moet erfbelasting verhogen en arbeidsbelasting verlagen

De Tijd berichtte op 23 maart dat de Vlaams Minister van Begroting Bart Tommelein de erfbelasting wil hervormen. Hij wil dat erfgenamen, zoals broers en zussen, minder erfbelasting betalen. Dat ligt in het verlengde van een eerdere hervorming in Vlaanderen waarbij schenkingen minder worden belast.

De Tijd verwees in het artikel naar het gevoel van onrechtvaardigheid dat veel mensen ervaren als het over belastingen op hun erfenis gaat. Vaak wordt het argument gebruikt dat erfbelastingen een dubbele belasting zijn, omdat op dit vermogen al belastingen betaald zijn. Dat is technisch niet correct, omdat het niet de eigenaar van het vermogen is die belast wordt (want die is dood), maar wel de ontvangers van de erfenis. Bovendien zijn vele, zoniet alle, belastingen op geldstromen dubbele of meervoudige belastingen. Zo kan je bijvoorbeeld ook de BTW bekijken als een dubbele belasting, omdat ook je beroepsinkomsten, waarmee je aankopen doet, reeds belast zijn. En wat te zeggen van de belasting op dividenden, nadat de vennootschap reeds vennootschapsbelasting betaald heeft? Het is voor mij dan ook moeilijk te begrijpen dat het argument van de dubbele belasting überhaupt nog gebruikt wordt ter verdediging van lage erfbelastingen.

Ook ethisch is het verhogen van de erfbelasting relatief gemakkelijk te verdedigen. De erfenis-ontvanger heeft immers heel waarschijnlijk niets moeten doen voor het ontvangen van de erfenis. Toch denk ik dat dit argument weinig indruk maakt. Het is immers een zeer individuele kijk op erfbelastingen en dat botst bij veel ouders die hun kinderen vaak voor een stuk als een verlengde van zichzelf zien, en veel, zoniet alles, over hebben om hun kinderen te helpen. Deze gevoelens zijn zeer sterk en heel goed begrijpen. Dat verklaart volgens mij de enorme tegenkanting tegen hogere erfbelastingen, ondanks de hierboven aangehaalde argumenten.

Toch denk ik dat de erfbelasting moet verhoogd worden. Een hogere erfbelasting is niet alleen rechtvaardig, maar is ook voordelig voor de overgrote meerderheid van de bevolking (en de samenleving in haar geheel), op voorwaarde dat de opbrengst gebruikt wordt om de personenbelasting te verminderen.

Die vermindering van de personenbelasting kan significant zijn. In 2016 inde de Vlaamse overheid 1,3 miljard euro aan erfbelasting op een totaal van 10,5 miljard erfenissen, of een gemiddelde belastingsvoet van 12,4%. In Vlaanderen inde de federale overheid op basis van het inkomstenjaar 2014 29 miljard euro via de personenbelasting op een totaal van 122 miljard totaal netto belastbaar inkomen. Dat is een gemiddelde aanslagvoet van bijna 24 procent.

Indien Vlaanderen de erfbelasting op hetzelfde niveau zou brengen als de personenbelasting, wat gegeven de bovenstaande argumentatie het minimum minumorum zou moeten zijn, dan levert dit ongeveer 1,3 miljard euro extra op en kan de personenbelasting met 4,5 procent dalen. Als de erfbelasting op gemiddeld 50% wordt gezet, levert dit bijna 4 miljard euro op en kan de personenbelasting dalen met 13,5 procent.

Dat betekent dat ook arbeidsbelastingen, die het grootste deel uitmaken van de personenbelasting, met minstens 4,5 of 13,5 procent kunnen dalen. Dat zou voor de samenleving als geheel wenselijk zijn, omdat arbeid nu te veel belast wordt en de economische groei fnuikt. Bovendien is het ook rechtvaardiger, omdat bij het arbeidsinkomen de factor toeval veel lager ligt dan bij een erfenis: hier is het heel waarschijnlijk dat de ontvanger voor het inkomen heeft moeten werken.

En, ten slotte, bij een dergelijke taxshift van arbeid naar erfenissen, zal de overgrote meerderheid hier bij winnen. De inkomensverdeling is immers gelijker verdeeld dan de vermogensverdeling van 65-plussers, zoals te zien is op bijgaande figuur. De hogere percentielen hebben wat betreft vermogen een hoger aandeel in vergelijking met het inkomen. Dat betekent dat het voor de meerderheid van erfgenamen voordelig wordt indien ze meer belasting moeten betalen op hun erfenissen, op voorwaarde dat hun arbeidsinkomen minder belast wordt. Heel wat ouders die dan pleiten tegen hogere erfbelastingen en lagere personenbelasting, ageren dan tegen het belang van hun kinderen.

vermogens en inkomensverdeling

 

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Het leefloon houdt mensen in diepe armoede

Van zowat 800 euro kan je niet leven, maar dat is wel het leefloon. Dat bedrag optrekken tot de armoedegrens hoeft geen grote gaten in de begroting te slaan.

Het nieuwe TV-seizoen gaat van start met daarin ook de ‘Nieuwe Buren’, het nieuwe programma van Karen Damen. Daarin zal ze trachten rond te komen met een leefloon van 768 euro.

De reactie in De Morgen van Frederic Vanhauwaert, algemeen coördinator van het Netwerk tegen Armoede, was gemengd. Armoede is immers meer dan gebrek aan geld. Armoede gaat vaak gepaard met een onzekerheid over de toekomst en dus stress, een gebrek aan buffer voor tegenslagen, vaak ook een slechte gezondheid en een zwak sociaal netwerk. Het zijn zaken waar Karen Damen weinig last van heeft tijdens het programma, terwijl dat het leven in armoede extra zwaar maakt.

Anderzijds is een gebrek aan geld vaak ook de oorzaak van die extra problemen en stress. En kan meer geld die problemen indirect wel aanpakken. In die zin kan het programma wel helpen om de problematiek van het te lage leefloon op de kaart te zetten, aldus Vanhauwaert. Vijf, de tv-zender die het programma uitzendt, liet in een persbericht alvast weten dat het onmogelijk is rond te komen met zo’n budget.

Dat hoeft niet te verwonderen. Het leefloon lag in 2015 op 833 euro per maand voor een alleenstaande. De armoedegrens lag in 2015 op 1083 euro per maand. Dat betekent dat een alleenstaande 250 euro per maand onder de armoedegrens leeft, of 30 procent te weinig krijgt om niet in armoede te leven. Dat is niet net een beetje in armoede, maar er diep in.

Men probeert al jaren om het leefloon op te trekken tot de armoedegrens. Met de online simulatietool Flemosi van de KULeuven kan je makkelijk uitrekenen wat de kostprijs hiervan is: jaarlijks zou het optrekken van het leefloon tot de armoedegrens de overheid 0,7 miljard euro kosten. Dat lijkt veel, maar vergeleken met wat de overheid aan bedrijfssubsidies (9,5 miljard), de spoorwegen (3 miljard euro), cultuur (2 miljard), recreatie en sport (1,5 miljard), media (0.9 miljard) of religie (0.5 miljard) geeft, mag dat budgettair geen probleem zijn.

Ook macro-economisch zou het optrekken van het leefloon positieve effecten hebben. We zitten nog steeds in een laagconjunctuur, veroorzaakt door een vraaguitval. De Europese Centrale Bank tracht dat tegen te gaan door geld in de economie te pompen in de hoop dat de consumptie zal aantrekken. Dat gebeurt echter niet, net omdat we in een laagconjunctuur zitten en mensen en bedrijven onzeker zijn en dus minder consumeren en investeren. Maar dat geldt niet voor mensen die niet kunnen rondkomen: zij kunnen het bijkomende geld zeer goed gebruiken en dus uitgeven in de reële economie. Om het met economisch jargon te zeggen: de fiscale multiplicator van een hoger leefloon te geven, is zeer waarschijnlijk gevoelig meer dan 1.

Een negatief effect van een leefloon is dat de werkloosheidsval groter wordt: mensen die nu werken tegen een minimumloon zouden in de verleiding kunnen komen om te stoppen met werken en te leven van het hogere leefloon. Om dat tegen te gaan zou de werkbonus moeten opgetrokken worden en ook een aantal uitkeringen in de sociale zekerheid, wat een extra budgettaire kost heeft.

Ook kan er een aanzuigeffect gecreëerd worden wat vluchtelingen betreft. Dat zou tegengegaan kunnen worden door het hogere leefloon enkel te geven aan zij die al een paar jaar in België wonen. Dat is voor sommigen controversieel, maar kan wel belangrijk zijn om de negatieve effecten te beperken en zo het leefloon te kunnen verhogen.

Er zijn echter ook indirecte positieve effecten aan een hoger leefloon. Doordat mensen niet meer of nauwelijks nog in armoede leven, zullen veel andere maatschappelijke kosten die gelinkt zijn met armoede, zoals hoge uitgaven aan gezondheid, kunnen dalen.

Zowel het gedragseffect van de werkloosheidsval als de impact op de maatschappelijke kosten gelinkt aan armoede zijn niet exact te berekenen, omdat het over gedragseffecten in de toekomst gaat. Een mogelijke oplossing om budgettaire ontsporingen en andere onverwachte negatieve effecten te counteren is om stapsgewijs te werk te gaan. Een eerste stap kan zijn om de helft van de kloof met de armoedegrens te dichten en de werkbonus te verhogen. Vervolgens wacht men een paar jaar om de effecten te evalueren en bij te sturen. Indien de budgettaire en negatieve effecten beperkt blijven, kan men de volledige kloof dichten.

Het is dus realistisch dat de budgettaire netto-effecten beperkt zullen zijn. Dat betekent dat we tegen relatief lage kost mensen uit de diepe armoede halen. Vanuit ethisch oogpunt is er volgens mij dan ook weinig in te brengen tegen een stapsgewijze verhoging van het leefloon met als doel de kloof met de armoedegrens volledig te dichten.

Nog dit: zij die vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid pleiten voor een basisinkomen zouden volgens mij hun energie beter steken in het ijveren voor een hoger leefloon (en flankerende maatregelen, zoals hogere werkbonus en het verhogen van bepaalde uitkeringen in de sociale zekerheid), en wel om de volgende redenen:

  • Budgettair: de budgettaire impact van een hoger leefloon is veel beperkter dan van een redelijk basisinkomen. Een verhoging van het leefloon kost 0.7 miljard of 0.17% van het BBP. Een basisinkomen van 1000 euro kost volgens mijn ruwe schatting 4-8% van het BBP. Zelfs al zijn er extra kosten door een hogere woonbonus en hogere uitgaven in de sociale zekerheid en zelfs al zouden die niet gecompenseerd worden door lagere maatschappelijke kosten die gelinkt zijn met armoede, is de kostprijs van een decent leefloon wellicht nog steeds veel lager. En dus is de invoering ook veel realistischer.
  • Praktisch: het leefloon bestaat al en de verhoging van een leefloon en andere uitkeringen kan makkelijk in stapjes uitgevoerd worden om de effecten te evalueren en eventueel bij te sturen. Om een basisinkomen in te voeren zal je het systeem grondig moeten veranderen en zal je de effecten (zoals al dan niet minder werken en meer ondernemen) pas realistisch kunnen meten indien mensen geloven dat het geen tijdelijke maatregel is. De verhoging van het leefloon is dus veel makkelijker in te voeren. Je moet hiervoor geen zotte dingen doen. De invoering van het basisinkomen is volgens mij onnodig gokken met de sociale welvaartstaat.
  • Ethisch: een basisinkomen roept een aantal vragen op waarover maatschappelijk nog geen consensus bestaat. Mag de overheid de principiële keuze maken om aan iedereen zomaar geld te geven zonder dat er iets tegenover staat? En is het ethisch om aan iedereen net evenveel te geven, ook al zijn de reële noden van de mensen sterk verschillend? Die ethische consensus is er over het leefloon veel meer: weinig mensen zijn er tegen om mensen helemaal onderaan de inkomensladder te helpen. Je kan discussiëren over de armoedegrens, en of die relatief of absoluut moet zijn, maar een rijke maatschappij laat haar burgers niet diep in de armoede zitten, zeker niet als het budgettair makkelijk doenbaar is (wat dus voorzichtig kan getest worden door bijvoorbeeld in twee stappen te werken – zie punt hierboven)

Dit is een uitgebreide versie van de tekst die verscheen in DS Avond van De Standaard

Loontrekkende werknemer staat niet onder druk in België

Als het over de Belgische overheidsfinanciën gaat, is de discussie over de vermogensbelasting nooit ver weg. Deze discussies worden gevoed door de Piketty-theorie die stelt dat het rendement op kapitaal sterker groeit dan de economie en kapitaal dus een almaar groter aandeel zal krijgen in de economie ten koste van het loonaandeel. Daardoor neemt de ongelijkheid toe.

In de Verenigde Staten woedde de discussie al een paar jaren, omdat meer en meer duidelijk werd dat de mediaanlonen stagneren terwijl de economie groeit en de rijken rijker worden. De theorie van Piketty lijkt er dus bevestigd te worden door de feiten. In de VS pleiten sommigen, waaronder ook de steenrijke Warren Buffett, om de ongelijkheid in te dijken door inkomen uit vermogen of vermogen zelf sterker te belasten. Dat is dan ook een belangrijke voorstel dat Piketty als oplossing naar voren schuift tegen de gestegen ongelijkheid. Ook Paul De Grauwe bepleit dit in zijn boek ‘De limieten van de markt’.

De vraag is of de Piketty-theorie ook voor België en Europa geldt. De bijgaande figuur geeft het loonaandeel van België en negen andere landen in 2007 en 2015 weer. Deze jaren zijn geen (diepe) crisisjaren omdat dat de evolutie van het loonaandeel zou vertekenen. Tijdens economische crisissen daalt de bedrijfswinst immers veel sterker dan de lonen, waardoor het loonaandeel in de economie tijdens een crisis zou moeten stijgen. Uit de figuur blijkt dat er een duidelijke opdeling is. Alleen het loonaandeel de twee Angelsaksische landen (VK en VS daalt), terwijl het stijgt in de Scandinavische landen en continentaal Europa. Wat ook opvallend is (en niet te zien op de figuur) is het feit dat het loonaandeel tijdens de crisisjaren vanaf 2008 niet steeg in de VS, wat je normaal dus wel verwacht.

tijdloonaandeel

Een periode van acht jaar is natuurlijk te kort om de Piketty-theorie af te serveren voor continentaal Europa. Bovendien hoeft een stijgend loonaandeel niet in te gaan tegen zijn theorie, omdat Piketty zelf zegt dat een dalend loonaandeel en een stijgende ongelijkheid niet onvermijdelijk zijn: met passend beleid, zoals progressieve belastingen of sterke vakbonden, kan deze trend gecompenseerd worden. Het zou dus kunnen dat in continentaal Europa dergelijk beleid reeds voldoende geïmplementeerd is.

Een tweede opvallende conclusie is dat het loonaandeel in België het hoogste is van deze tien landen. We weten dat de lonen in België hoog zijn, met als gevolg –zou je kunnen afleiden- de relatief hoge werkloosheid in België. De vaststelling dat het loonaandeel in België zeer hoog is leidt dan tot de conclusie dat de hoogte van de lonen het lager aandeel werkenden ruimschoots compenseert. Als je de Belgische werknemers als één groep beschouwd, heeft die baat bij de hoge lonen, ondanks de lagere werkgelegenheid.

Er zijn wel wat kritische bedenkingen. Ik geef er alvast twee. Ten eerste zijn de cijfers over het loon- en kapitaalaandeel brutoc=ijfers: ze zeggen niets over de belastingen die betaald worden op het bruto-inkomen uit arbeid en kapitaal. Dat is relevant als de belastingen op arbeid en kapitaal significant veranderd zijn.

Een twee opmerking is dat een dalend kapitaalaandeel, zoals in België, niet noodzakelijk betekent dat de vermogensongelijkheid gedaald is. Zo stelt Piketty dat eerder grote vermogens een hoger rendement behalen, en niet zozeer de kleine vermogens. Dat mechanisme leidt tot een hogere concentratie van vermogen (en inkomen uit dat vermogen). Het is in principe dus mogelijk dat het kapitaalaandeel daalt terwijl de vermogensongelijkheid stijgt. Bovendien zit in het loonaandeel ook het loon van de CEO en andere grootverdieners.

Toch vind ik het opmerkelijk dat het loonaandeel zo hoog is in België en daarenboven gestegen is, ook in continentaal Europa. Terwijl de evolutie in de Angelsaksische wereld in tegengestelde richting gaat. Innovatie en globalisering zijn krachten die overal sterk spelen, dus moet de verklaring elders te vinden zijn. Het lijkt er in ieder geval niet op dat de werknemers in België en Europa onder druk staan.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

30-urenweek kan ongelijkheid doen toenemen

PVDA, maar ook andere organisaties zoals Femma vzw en Poliargus, hielden recent een pleidooi voor de 30-uren werkweek. Is dit een oubollig idee, onwenselijk en onhaalbaar, of net een visionaire visie op de toekomst?

Ik ga ervan uit dat de werkduurvermindering zonder loonverlies enkel realistisch is als ze geleidelijk wordt doorgevoerd zonder hogere kosten voor de werkgever en een constant rendement op kapitaal, zodat de concurrentiekracht behouden blijft. Die voorwaarden kunnen ingevuld worden als er productiviteitswinsten gerealiseerd worden. Een 40 urenweek verminderen naar een 30 urenweek staat gelijk aan een daling met 25% van het aantal gewerkte uren. Als je de loonmassa constant wil houden, moet het uurloon met 33% stijgen. Dat is realistisch als de arbeidsproductiveit, uitgedrukt in productie per gewerkt uur, ook met 33% stijgt, zodat de output per loonkost gelijk blijft.

Een stijging van de arbeidsproductiviteit met een derde is in principe geen onmogelijke opdracht: sinds 1970 is deze immers ruim verdubbeld. Echter, de stijging is sinds de crisis stilgevallen. Het moment om de arbeidsduur te verminderen lijkt dan ook slecht gekozen. We zullen moeten wachten tot de arbeidsproductiviteit terug stijgt.

Uit het verleden kan je bovendien redelijkerwijze afleiden dat een stijgende arbeidsproductiviteit gepaard moet gaan met meer kapitaalinvesteringen. Dat extra kapitaal moet dan adequaat vergoed worden, zoniet zullen de kapitaalinvesteringen niet of onvoldoende gerealiseerd worden, en zal de arbeidsproductiviteit niet stijgen of onvoldoende.

Doordat de totale kapitaalvergoedingen zullen stijgen, terwijl de loonmassa constant gehouden wordt, zal het loonaandeel in de economie relatief afnemen, ten voordele van het kapitaalaandeel. De kapitalist wordt dus rijker, terwijl de werknemer stagneert (maar zal wel minder moet werken). Het gevolg van een 30-urenweek is dan een stijgende ongelijkheid tussen werknemers en kapitalisten, ook al gaan de werknemers er in reële termen niet op achteruit.

Ik illustreer dat met een busbedrijf als voorbeeld voor de gehele economie. Stel dat een buschauffeur 2000 euro per maand verdient voor een 40 urenweek. De werkgever verdient 4000 euro per maand, als rente op het geïnvesteerd kapitaal. Een werkweek van 30 uren met behoud van loon is mogelijk als de chauffeur 33% meer mensen vervoert per uur. Maar daarvoor moet de werkgever een dubbeldekker aanschaffen en de gewone bus verkopen, wat in totaal zijn kapitaalinvestering verhoogt. Op die grotere investering eist de werkgever hetzelfde rendement, wat zijn inkomsten doet verhogen met 500 euro. De buschauffeur blijft 2000 euro per maand verdienen, maar de werkgever verdient nu 4500 euro. De ongelijkheid is dus gestegen.

Om de stijgende ongelijkheid te neutraliseren, zou de buschauffeur een loonstijging van 250 euro moeten krijgen. De werkgever zal dit weigeren, omdat zijn rendement dan afneemt, terwijl hij net meer investeert. Er is echter een oplossing, namelijk de dubbeldekker efficiënter te gebruiken waardoor de bezettingsgraad stijgt; met de extra inkomsten kan het maandloon van de buschauffeur verhoogd worden, zonder dat het rendement op kapitaal moet afnemen. Als dat lukt is de zogenaamde ‘totale factor productiviteit’ (TFP) gestegen. Met TFP wordt vaak innovatie bedoeld, maar is in de praktijk meer dan dat, zoals beter management of schaalvoordelen. De TFP-groei is dan  economische groei die “gratis” is, namelijk meer output zonder extra arbeid of kapitaal.

30urenweek

Men kan met de theorie van de groeiboekhouding afleiden hoe hoog de jaarlijkse TFP-groei van de totale economie moet zijn om de ongelijkheid niet te doen stijgen als er een 30-uren werkweek wordt ingevoerd. De hoogte van de TFP-groei hangt ook af van het tempo waarin de arbeidsduurvermindering gerealiseerd wordt. Als dat op 15 jaar zou gebeuren, dan is de noodzakelijke jaarlijkse TFP-groei minstens 1,2%, maar waarschijnlijk hoger dan 2%. Dat zijn niveaus die sinds de jaren ’70 en ‘80 niet meer gehaald worden in België, zoals te zien is op de bijgaande figuur. Een realistische arbeidsduurvermindering zonder stijgende ongelijkheid wordt zo een pak minder waarschijnlijk. De vraag is of dat maatschappelijk aanvaardbaar is.

Deze column verscheen eerst in De Tijd

Leeflonen worden beter automatisch toegekend

Vorige week was er commotie rond sociale fraude. De RVA moet nog 291 miljoen euro aan uitkeringen terugvorderen die onterecht zijn betaald, een bedrag dat gecumuleerd is over de jaren heen. Voor 2014 ging het om 139 miljoen euro nieuwe vaststellingen, waarvan al 70 miljoen euro terugbetaald is. Er moet voor 2014 dus nog steeds 69 miljoen euro terugvorderd worden.

Het totale uitkeringsbedrag is 11 miljard euro, dus de vastgestelde fraude is met 1% relatief klein. Toch raakt dit debat een essentieel deel van de sociale zekerheid, namelijk de doelmatigheid van het sociale beleid: in welke mate raken de middelen bij zij die het echt nodig hebben?

Dit betekent echter niet enkel dat er vermeden moet worden dat geld terecht komt bij zij die er geen recht op hebben, maar ook dat het geld daadwerkelijk terecht komt bij zij die er wel recht op hebben. Dat laatste aspect was afwezig in het debat van vorige week, terwijl dat probleem wel eens veel groter zou kunnen zijn.

Dat blijkt althans uit een publicatie in 2011 van Bouckaert en Schokkaert, twee economen van de KULeuven, over het leefloon in België. Volgens hun schattingen zou 24% van de individuen die een leefloon ontvangen er geen recht op hebben. Van de rechthebben zouden er echter 57% tot 76%, met als 65% als referentiewaarde. Dat betekent dat er voor elke rechthebbende die een leefloon ontvangt er bijna twee rechthebbenden geen leefloon ontvangen. De cijfers zijn maar schattingen en de auteurs van de studie drukken erop dat de percentages met voorzichtigheid geïnterpreteerd wordden. Anderzijds geven ze aan dat de percentages wel in lijn liggen van eerdere schattingen voor Duitsland en Nederland.

Indien de cijfers een goede schatting zijn van de werkelijkheid, dan geeft dit wel een opmerkelijk beeld. Van 100 leefloners zijn er 24 die fraude plegen en 76 die terecht het leefloon ontvangen. Er zijn er echter ook nog eens 141 die het leefloon niet onvangen maar er wel recht op hebben. De auteurs schatten ook de bijhorende bedragen die naar rechthebbenden en fraudeurs gegaan zijn; en welke er niet naar rechthebbenden is gegaan.

De grafiek geeft de geschatte bedragen uit de studie op basis van data voor 2006. In totaal werd 689 miljoen euro uitgekeerd, waarvan 106 miljoen euro onterecht, of 15% van het uitgekeerde bedrag. Dat is procentueel veel hoger dan het bedrag van de nieuw vastgestelde onterechte uitkeringen door de RVA in 2014. De schatting van het niet-opgevraagde bedrag door rechthebbenden is 258 miljoen euro, of 37% van het uitgekeerde bedrag. Dat is 2,5 keer groter dan de geschatte fraude.

tijdleefloon

Vanuit sociaal oogpunt zou het niet uitkeren van het leefloon aan rechthebbenden even nefast kunnen beschouwd worden als het leefloon uitkeren aan zij die er geen recht op hebben. Zeker wat het leefloon betreft, omdat het hier gaat over mensen die helemaal onderaan de inkomensverdeling zitten.

Het is dus duidelijk dat het leefloon niet terechtkomt bij zij die het nodig hebben. De grootste inefficiëntie zit echter niet bij fraude maar bij de rechthebbenden die het niet aanvragen. Er zijn allerlei redenen waarom mensen het leefloon niet aanvragen: ze kennen het niet, of ze weten niet dat ze er recht op hebben; ook kunnen er taal- of administratieve barrières zijn. Een andere belangrijke reden is het sociale stigma dat aan het leefloon kleeft, en dat bepaalde rechthebbenden absoluut willen vermijden.

De economen van de studie pleiten ervoor om het niet opnemen van het leefloon aan te pakken door de standaardoptie te veranderen. Nu krijg je enkel een leefloon als je het expliciet aanvraagt. Dat zou je kunnen omkeren door automatisch het leefloon uit te keren aan zij die er recht op hebben. Je kan afzien van het loon door dit expliciet aan te vragen. Het zou de doelmatigheid van dit belangrijk domein van het sociaal beleid ongetwijfeld sterk verhogen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Waarom kapitaalvriendelijke vakbonden nodig zijn

Voor De Tijd schreef ik een column waarin ik stelde dat het verhogen van de arbeidsproductiviteit minstens zoveel aandacht zou moeten krijgen als het verhogen van de werkzaamheidsgraad (ook al is die in België notoir laag). Het is immers vooral de gestegen arbeidsproductiviteit die in het verleden ervoor gezorgd heeft dat we nu per inwoner veel rijker zijn dan vroeger.

De overheid moet volgens mij dus ook een beleid voeren om die arbeidsproductiviteit te verhogen, zodat de automatisatie nog verder kan doorgevoerd worden met robots en intelligente algoritmes.

Ik kreeg op Facebook van Sara De Mulder de onderstaande vraag:

Metaalbedrijf gaat over tot collectief ontslag. Het bedrijf zal 5 miljoen euro die deze ontslagen arbeiders genereerden investeren in machines om het productieproces verder te automatiseren om meer winst te maken. Die winst zal gaan naar de eigenaar het bestuur en de aandeelhouder. Kan jij mij aan de hand van dit voorbeeld even uitleggen hoe dit de algemene welvaart en/of het aantal jobs zal verhogen? Tenzij natuurlijk met zeer hoge belastingen en radicale confiscatie van de winsten door de overheid die dan herverdeelt door middel van werkloosheidsuitkeringen? Alvast bedankt.

Het is iets waar –nog steeds- veel mensen voor vrezen: de robots zullen onze jobs afnemen en de kapitalisten (de rijken) alleen maar rijker maken. Hieronder probeer ik in te gaan op deze bezorgdheid. Het is een macro-economische benadering (in tegenstelling tot de vraag van Sara die gaat over het micro-economische niveau). Alle data voor de figuren komen van AMECO, een databank van de Europese Commissie.

Historische, macro-economische evoluties

De onderstaande figuur geeft de evolutie van de geproduceerde welvaart in België (BBP) in reële termen (in euro’s van 2010, dus aangepast voor inflatie) voor de periode van 1970 tot 2016; de laatste 2 jaren zijn een voorspelling. Op die bijna halve eeuw zal het BBP gestegen zijn van 150 miljard naar 386 miljard euro, of een stijging met 160% (of een factor 2,6).

evolutieBBP

Dat is een spectaculaire stijging. De vraag is hoe deze stijging er gekomen is. Daarvoor beschouwen economen (en de sociale partners) twee productiefactoren, arbeid en kapitaal, waarbij arbeid in gewerkte uren en kapitaal in euro’s wordt uitgedrukt.

De onderstaande grafiek geeft voor België de evolutie van het aantal gewerkte uren (arbeid of ‘labour’ – grijze lijn) en de evolutie van de hoeveelheid kapitaal (‘net capital stock’ – gele lijn) en vergelijkt dit met de evolutie van het BBP (blauwe lijn). Om die vergelijking te maken wordt alles herschaald waarbij de startwaarde in 1970 op 100 wordt gezet.

Wat uit de figuur onmiddellijk opvalt is dat de evolutie van het kapitaal nagenoeg hetzelfde verloop kent als dat van het BBP en dat de gewerkte uren nauwelijks veranderen .

evolutieLK

Om het eenvoudig te stellen: de stijgende welvaart is er niet gekomen omdat de werknemer meer uren werkte met het bestaande productiepark, of omdat de werknemer efficiënter omsprong met het bestaande productiepark. De welvaart is er gekomen omdat de werknemer een groter en beter productiepark tot zijn of haar beschikking had, en daar misschien ook wat efficiënter mee omsprong. Het zijn dus de kapitaalinvesteringen, per definitie door kapitalisten, die gezorgd hebben voor de stijgende welvaart.

Er zijn uiteraard nog wel andere verklaringen te vinden, zoals bijvoorbeeld productiviteitswinsten door schaalvoordelen door de meer doorgedreven specialisatie wat op zijn beurt mogelijk gemaakt is door globalisering. Ook is de kwaliteit van de arbeid toegenomen, aangezien de werknemers hoger opgeleid zijn (investeringen die vooral de overheid doet), wellicht ook nodig om de hogere kapitaalinvesteringen te laten renderen. Toch denk ik dat er consensus is dat de welvaartsgroei van de voorbije decennia (en eeuwen) gedreven is door technologische innovatie en dat je voor die innovatie vooral kapitaalinvesteringen nodig hebt, naast een aantal andere dingen zoals een grote markt waardoor er meer kan gespecialiseerd kan worden en een goed opgeleide beroepsbevolking.

De vraag is dan in welke mate de kapitalisten geprofiteerd hebben van hun enorm stijgende kapitaalvoorraad: hebben de kapitalisten dan ook alle productiviteitswinsten naar zich kunnen toetrekken?

Ook daar bestaan cijfers over: het loonaandeel (‘adjusted wage share’ in AMECO) geeft het percentage van het BBP dat naar lonen gaat; het overige deel wordt aangewend om het kapitaal te vergoeden (telkens vóór belastingen). De onderstaande figuur herneemt de eerste figuur met het BBP maar geeft nu ook aan welk deel van het BBP naar lonen gaat en welk deel naar kapitaal.

evolutieArbeidsaandeel

Zoals te zien op de figuur gaat iets meer dan de helft naar lonen, en die verhouding blijft min of meer constant. Het is dus helemaal niet zo dat het aandeel van het BBP dat naar kapitaal gaat veel sterker gestegen is dan het aandeel dat naar lonen gaat, ondanks het feit dat de kapitaalvoorraad meer dan verdubbeld is terwijl de arbeid (het aantal gewerkte uren) nagenoeg stagneerde. Meer nog, het loonaandeel is zelfs gestegen ten opzichte van 1970, van 55% in 1970 naar 60% in 2015.

Dat is op het eerste gezicht toch zeer opmerkelijk: blijkbaar zijn de werknemers er -alvast de voobije 45 jaar- in geslaagd om meer dan de helft van de productiviteitswinsten naar de werknemers te laten terugvloeien, ook al zijn die productiviteitswinsten naar alle waarschijnlijkheid in grote mate veroorzaakt door de enorme kapitaalinvesteringen, per definitie geïnvesteerd door de kapitalisten.

Uit het bovenstaande kunnen we ook de evolutie van het gemiddelde loon en het gemiddelde rendement op kapitaal afleiden (zie ook bijlage onderaan deze blog).

evolutiewr

Zoals te verwachten door de twee vorige figuren loopt de evolutie van het gemiddeld loon min of meer samen met de evolutie van het BBP, terwijl het gemiddeld rendement op kapitaal min of meer constant blijft. Dat geeft de volgende opmerkelijke conclusie:

–        Arbeid: de evolutie van het gemiddeld loon volgt het BBP, terwijl de gewerkte uren min of meer constant blijft.

–        Kapitaal: de evolutie van het gemiddelde rendement blijft min of meer constant, terwijl de netto kapitaalvoorraad het BBP volgt.

[In de jaren 1970 blijkt het gemiddeld loon wel sterker te stijgen dan het BBP, terwijl het rendement op kapitaal daalt.]

We kunnen zelfs stellen dat de hoge stijging van de kapitaalvoorraad sterk correleert met de hoge stijging van het loon. Voor de beschouwde periode is de correlatie 0,96. Dat is te zien op de onderstaande grafiek.

loon-kapitaal

Correlatie betekent nog niet noodzakelijk een oorzakelijk verband, maar in dit geval wijst alles er toch op dat het de kapitaalinvesteringen zijn die hogere lonen toelaten.

De reden waarom de kloof tussen werknemers en kapitalisten niet groter wordt, ondanks het feit dat er wel steeds meer kapitaal wordt opgebouwd en er niet meer uren gewerkt worden, is juist te verklaren omdat het rendement op kapitaal min of meer constant blijft en het loon per uur blijkt mee te stijgen met de economische groei.

Meer nog, het kan eenvoudig theoretisch afgeleid worden dat indien het arbeidsaandeel constant blijft en het aantal gewerkte uren niet stijgt, het loon de arbeidsproductiviteit zal volgen.

Hoe het macro-economische niveau (de economie) verzoenen met het micro-economische niveau (het bedrijf)?

De bovenstaande figuren gaan over de gehele economie. Deze figuren tonen duidelijk dat we meer kapitaalinvesteringen nodig hebben, en niet minder, als we de loontrekkenden rijker willen maken. Dus meer machines, robots en intelligente software.

Dat gaat volledig in tegen wat te zien is op het niveau van een bedrijf. Het voorbeeld van Sara De Mulder stelt dat heel scherp: door de kapitaalinvesteringen verhoogt de productiviteit, waardoor het metaalbedrijf meer winst kan maken door werknemers te ontslaan. Het gevolg is dat de kapitalisten rijker worden en de werknemers gemiddeld armer.

Hoe valt dit te rijmen met wat er op macro-economisch vlak te zien is? De theorie om dit te verklaren is de volgende. Stel dat er in de metaalsector maar 1 soort bedrijf en 1 soort werknemer is. Alle bedrijven in de sector maken evenveel winst en alle metaalwerknemers verdienen 20 euro per uur. Er is 1 bedrijf dat beslist om extra kapitaal te investeren om de productiviteit en dus de winst te verhogen. Hierdoor kan het bedrijf een aantal werknemers ontslaan. Na de investeringen zullen de de werknemers in de metaalsector gemiddeld armer zijn, omdat er een aantal onder hen werkloos geworden zijn. De werknemers die niet ontslaan zijn, zullen op korte termijn niets verliezen.

Op langere termijn, als blijkt dat het bedrijf effectief meer winst maakt, dan zullen de werknemers van dit bedrijf, als ze goed georganiseerd zijn, een deel van deze winst kunnen opeisen door een loonsverhoging te eisen (bijvoorbeeld 21 euro per uur). Indien eigenaars van het bedrijf hier niet op ingaan, staken de werknemers en verliezen de eigenaars (een deel van) de extra winst. Zorgt hun staking ervoor dat hun bedrijf failliet gaat, omdat de eigenaars blijven weigeren, dan kunnen de werknemers bij de andere bedrijven in de sector terecht, die het marktaandeel van het failliete bedrijf overnemen, tegen het gangbare loon van 20 euro per uur. De stakende werknemers hebben dus niet veel te verliezen. De eigenaars weten dat de stakende werknemers niet veel te verliezen hebben, en zullen, indien er werkelijk een extra winst wordt gemaakt, een loonsverhoging toestaan om een deel van de extra winst te delen.

Het metaalbedrijf in kwestie is nu productiever geworden. Meer nog, doordat het hogere lonen betaalt dan de concurrentie, kan het de betere werknemers aantrekken, wat het nog productiever maakt. De andere metaalbedrijven hebben dan de keuze: of ook de kapitaalinvesteringen doorvoeren, of overgenomen te worden door zij die de kapitaalinvesteringen doen. De golf van stijgende productiviteit is nu onvermijdelijk: investeer of ga failliet of wordt overgenomen. Na een tijdje is het eindresultaat dat de hele sector productiever is geworden, met extra winst tot gevolg. Indien de werknemers goed georganiseerd zijn, kunnen ze dan een deel van die extra winst opeisen.

Dat is exact wat er op macro-economisch vlak kan vastgesteld worden.

[De bovenstaande redenering is veel complexer in de realiteit. Ik geef alvast twee elementen:

  1. Je kan je afvragen waarom de werknemers niet in alle bedrijven staken om alsmaar hogere lonen te eisen, ook zonder kapitaalinvesteringen en extra winst. Als dat zou gebeuren dan komt er een punt waarop het bedrijf failliet gaat (of onvoldoende winst maakt om in business te blijven) waardoor het bedrijf stopt. De uitkomst van het geven of niet geven van een loonsverhoging is dan gelijk, wat niet het geval is als er extra winst gemaakt wordt.
  2. De productiviteitsstijging kan ook leiden tot lagere prijzen van het eindproduct, waardoor de vraag kan stijgen. Er is dan niet noodzakelijk extra winst voor de kapitalist of een loonstijging voor de werknemers, maar ook niet noodzakelijk ontslag van werknemers, omdat er meer geproduceerd kan worden.]

Maar dit betekent wel dat er telkens werknemers ontslagen worden. Zij missen niet alleen de loonsverhoging, maar vallen terug op de werkloosheidsuitkering. Dat is de prijs die we betalen voor de loonsverhoging. De grote uitdaging is dan om deze mensen zo snel mogelijk aan het werk te krijgen, waarbij ze op langere termijn overigens zelf zullen kunnen profiteren van de ondertussen afgedwongen loonsverhogingen. Een ander aspect is om het loonverlies door werkloosheid, zeker de eerste tijd, klein te houden, door een goede werkloosheidsverzekering. Op die manier wordt het risico van inkomensverlies door werkloosheid gesocialiseerd. Dat is efficiënt vanuit verzekeringsoogpunt, maar ook omdat werkloosheid door kapitaalinvesteringen inherent is aan het kapitalistische systeem, een systeem dat de loontrekkenden rijker maakt.

Belangrijk is wel dat het aantal jobs op peil blijft, zodat de ontslagen werknemers elders aan de bak kunnen. Dat is in het verleden steeds zo geweest: de werkloosheid is de laatste decennia niet gestegen, ondanks de grote productiviteitsstijgingen, en ondanks de emancipatie van de vrouw waardoor het aanbod van werknemers sterk steeg. Dat is te zien op onderstaande figuur. De grote stijging van de werkloosheid in de jaren 1970 is bovendien te verklaren door de grote loonstijging tijdens deze periode (zie supra), en niet door een te grote productiviteitstijging; die grote productiviteitsstijging  was immers ook in de jaren 1960 was en toch bleef de werkloosheid laag tijdens deze periode. Het is dus ook mogelijk dat werknemers te veel loon opeisen.

evolutieu

Conclusie: kapitaalvriendelijke vakbonden zijn nodig

Wat we dus nodig hebben als we de loontrekkenden rijker willen maken, zijn meer kapitaalinvesteringen. Dat betekent niet dat dit zonder problemen gaat. Die kapitaalinvesteringen leiden immers tot jobverlies in het bedrijf in kwestie, waardoor werknemers hun baan verliezen en op zoek moeten gaan naar een nieuwe job, op langere termijn overigens ook tegen een hoger loon. Dat is niet altijd evident, maar het is de prijs die we betalen om op langere termijn met zijn allen rijker te worden.

Mijn conclusie is dan ook dat de rol van de vakbonden cruciaal is, en wel op twee vlakken. Het is niet ondenkbaar dat zonder vakbonden het loonaandeel lager zou zijn dan het vandaag is. Als werknemers zich goed organiseren is volgens mij de kans groter dat het loonaandeel op peil wordt gehouden. Ten tweede, kunnen vakbonden ook mee de problemen oplossen die veroorzaakt worden op micro-economisch vlak (lees: mensen die door automatisering hun baan verliezen en opnieuw aan het werk moeten).

Maar vakbonden moeten ook kapitaalinvesteringen verwelkomen, ook al leidt dit op korte termijn in specifieke bedrijven tot jobverlies, omdat het de kapitaalinvesteringen zijn die op lange termijn iedereen rijker gemaakt hebben. Ik kan me vergissen, maar vaak lijkt die positieve houding ten opzichte van kapitaalinvesteringen en automatisatie te ontbreken bij de vakbonden. Dat is begrijpelijk als je enkel naar de effecten op korte termijn kijkt, maar onbegrijpelijk als je de effecten op lange termijn beschouwt.

Of ook in de toekomst kapitaalinvesteringen zullen leiden tot gemiddeld hogere lonen, is een open vraag. Het is net dat waarover Piketty zich zorgen maakt. Dat is voor een volgende blogpost.

 

Bijlage:

arbeidsaandeel + kapitaalaandeel = 100%

BBP = arbeidsaandeel * BBP + (100%- arbeidsaandeel) * BBP

=> BBP = totaleLonen + totaleKapitaalvergoedingen

=> gemiddeldLoon = totaleLonen / aantalGewerkteUren

=> gemiddeldRendement = totaalIngezetKapitaal / totale kapitaalvergoedingen

 

Meer sociale mobiliteit als antwoord op discriminatie

In de Terzake-uitzending van maandag 23 maart werd Bart De Wever geïnterviewd over de integratieproblematiek. In het interview was het vooral de volgende uitspraak van Bart De Wever die nadien alle aandacht trok (vanaf 5’33):

“Ik zeg dat er negatieve ervaringen bestaan die ook reëel zijn met bepaalde bevolkingsgroepen.” [“Wie dan?”] “Het gaat dan over mensen van Noord-Afrikaanse afkomst, vooral dan de Marokkaanse gemeenschap en vooral Berbers.  80 procent van de Marokkanen in Antwerpen zijn van Berberse origine. En we hebben het zeer moeilijk om daar sociale mobiliteit in te organiseren. Dat zijn ook heel gesloten gemeenschappen met wantrouwen tegenover de overheid, zwak georganiseerde islam, zeer vatbaar voor die salafistische stroming en dus ook voor die radicalisering en dat is natuurlijk ook geen reclame dat die mensen de televisie opzetten dag na dag en dan onthoofdingen zien en mensen die daarmee sympathiseren hier of zelfs naar daar vertrekken om daaraan deel te nemen. En racisme of afwijzing komt ergens vandaan.”

De reacties van oppositiepartijen en coalitiepartners en ook daarbuiten was er één van afwijzing. Sommigen gingen verder en noemden de uitspraken racistisch. Een week later diende een Marokkaanse organisatie zelfs een klacht in tegen De Wever wegens racisme.

Statistische discriminatie

Het interview met De Wever in Terzake bevatte echter nog heel wat andere interessante uitspraken. De volgende uitspraken zijn voor mij heel belangrijk om te kunnen inschatten hoe De Wever (en N-VA) aankijkt tegen de problematiek van discriminatie.

“racisme structureel aanpakken, denk ik, kan je alleen maar doen door sociaal-economische vooruitgang in die bevolkingsgroepen te realiseren, (…) een algemeen maatschappelijke taak die aangepakt moet worden” (4’40’’)

“sociale mobiliteit zal gevoelens van afwijzing en apartheid doorbreken” (11’35’’)

Deze uitspraken wijzen er volgens mij op dat Bart De Wever denkt dat veel discriminatie een specifieke, niet-racisistische vorm van discriminatie is, namelijk statistische discriminatie. Het is een economische theorie die stelt dat in een omgeving met onvoldoende informatie het rationeel is om gebruik te maken van stereotypen, waarbij dus groepsgemiddelden gebruikt worden. Ik geef drie voorbeelden om die theorie te illustreren.

  1. Stel dat je een babysit zoekt voor je kinderen. Je hebt een (irrationele?) angst dat je een pedofiel in huis haalt. Het is echter niet te zien aan mensen of ze je kinderen al dan niet zouden aanranden. Je weet dat bijna uitsluitend mannen pedofiel zijn. Het kan dan rationeel zijn om uitsluitend een vrouwelijke babysit toe te laten.
  2. Een groepje luidruchtige voetbalsupporters komt je tegemoet aan jouw kant van de straat. Je weet dat niet alle voetbalsupporters gewelddadig zijn, maar je hebt al genoeg verhalen gelezen en gehoord over hooligans en steekt voor alle zekerheid de straat over om het groepje te vermijden.
  3. Stel dat je een appartement wil verhuren. Eén van de grootste risico’s is het verhuren aan mensen die de huur niet (kunnen) betalen. Dat komt veel vaker voor bij mensen met een laag inkomen, maar het is niet altijd aan mensen te zien dat ze een laag inkomen hebben. Tegelijk weet je dat allochtonen veel vaker een laag inkomen hebben. Het kan dan rationeel zijn om niet te verhuren aan allochtonen.

De eerste twee voorbeelden zijn onschuldig en makkelijk herkenbaar. Het derde voorbeeld is veel belangrijker: uit recent onderzoek blijkt dat er bij 1 op 3 vreemde namen gediscrimineerd zou worden. Dat is maatschappelijk veel belangrijker, omdat een dergelijke discriminatie het allochtonen nog moeilijker gemaakt wordt, terwijl ze het al moeilijk hebben. Zo komen ze in een vicieuze cirkel terecht (en het gaat misschien ook knagen aan de zelfmotivatie en het zelfrespect, wat op zijn beurt weer negatieve gevolgen heeft).

Statistische discriminatie is dus wel degelijk discriminatie, met alle negatieve gevolgen voor zij die gediscrimineerd worden. Een dergelijke discriminatie is inderdaad, zoals De Wever impliciet aangeeft, op te lossen door sociaal-economische vooruitgang (of sociale mobiliteit) te realiseren bij allochtonen. Als allochtonen en autochtonen gemiddeld dezelfde sociaal-economische status hebben, dan geeft het al dan niet allochtoon zijn geen informatie over de inkomensklassen (wat nu dus niet het geval is).

Dat De Wever statistische discriminatie een belangrijk fenomeen vindt, blijkt ook uit het feit dat hij een aantal keren in het interview het belang onderstreept om positieve voorbeelden te tonen, verwijzend naar zijn eigen partij met politici van allochtone origine, om de negatieve stereotypering te doorbreken.

Statistische discriminatie betekent niet dat er geen discriminatie kan bestaan op basis van ras. De twee kunnen zeker naast elkaar bestaan. Het zou zelfs kunnen dat statistische discriminatie een voedingsbodem is voor “racistische discriminatie” doordat ze racisme maatschappelijk meer aanvaardbaar maakt. Daardoor zullen racisme en de kenmerken ervan meer voorkomen als er veel statistische discriminatie is. Het is heel moeilijk om de wisselwerking tussen deze twee vormen van discriminatie te begrijpen.

Zo blijkt ook dat hoogopgeleiden van vreemde origine minder snel uitgenodigd worden voor een job-interview. Op het eerste gezicht is hier geen sprake van statistische discriminatie, maar discriminatie op basis van afkomst. De vraag is dan in welke mate statistische discriminatie de “racistische discriminatie” in de hand zou kunnen werken. En omgekeerd, indien er geen redenen meer zouden zijn voor statistische discriminatie (omdat de allochtone groep gemiddeld dezelfde sociaal-economische positie heeft), zou er dan ook minder racisme zijn? Is hier überhaupt onderzoek naar?

Sociale mobiliteit is mogelijk

Een belangrijke voorwaarde om statistische discriminatie te bestrijden door sociale mobiliteit te realiseren is dat er voldoende talent aanwezig is in de sociaal-economisch achtergestelde groep. Voor een racist is het duidelijk: deze voorwaarde is niet vervuld (en dat is ook de basis van de rationalisatie van het racisme).

De Wever zegt hierover letterlijk het volgende:

“Maatschappelijk zijn we er alleszins niet in geslaagd om het talent dat in elke gemeenschap aanwezig is voldoende te exploiteren. Ik ben geen racist, dus ik ga ervan uit dat er in elke mens en elke gemeenschap evenveel talent zit” (6’56’’)

Deze uitspraak is radicaal tegengesteld aan wat een racist dus zou zeggen. Voor De Wever komt het erop aan om het aanwezige potentieel te ontwikkelen en dat potentieel is volgens hem niet bepaald door de gemeenschap waarin je geboren wordt. Bovendien is de maatschappij tekort geschoten om het aanwezige potentieel te ontwikkelen.

Conclusie: veel meer inzetten op sociale mobiliteit

Samengevat zegt De Wever dat hij wil inzetten op sociale mobiliteit en dat dit mogelijk is omdat er in alle groepen, ook bij allochtonen, evenveel talent zit. De maatschappij heeft gefaald om voldoende sociale mobiliteit te realiseren.

Dit was dan ook volgens mij de belangrijkste boodschap van het interview, en tegelijk een boodschap waar de hele politieke klasse mee akkoord gaat (behalve het Vlaams Belang). Bovendien is het ook zo dat het beleid dat sociale mobiliteit moet bevorderen onvoldoende gewerkt heeft. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel.

Er is een hele wetenschappelijke literatuur over sociale mobiliteit. Inburgeringscursussen zijn ruimschoots onvoldoende. Er moet meer aandacht, geld en middelen naar een breed opgezet gelijkekansenbeleid gaan, met focus op (zeer jonge) kinderen. En deze uitgaven moeten bekeken worden als investeringen waarvan de opbrengst pas binnen 10 of 20 jaar te zien zullen zijn.

Als N-VA het meent dat ze willen inzetten op sociale mobiliteit dan denk ik dat ze snel steun zullen vinden in de Vlaamse regering en weinig weerstand zullen ondervinden van de linkse oppositie.

 

BOEKBESPREKING – De Limieten van de Markt – Paul De Grauwe

limieten2Sinds het faillissement van de investeringsbank Lehman Brothers in september 2008 is de Europese economie er slecht aan toe: recessies worden afgewisseld met periodes van lage groei en recent is er zelfs de vrees voor deflatie. Daardoor dreigt er een Japan-scenario, waarbij lage groei en lage inflatie een paar decennia de toon zetten. Tegen deze achtergrond is het thema van de ongelijkheid naar voren gekomen. Dat leefde al een paar jaren in de Verenigde Staten waar het duidelijk is dat de top 1%, of beter, de top 0,1% of zelfs 0,01%, veel en veel rijker geworden is dan de modale burger en dat een gemiddelde economische groei niet iedereen beter maakt. Het is vooral dit thema dat de aanleiding vormt van het nieuwe boek van Paul De Grauwe De Limieten van de Markt. Zijn basisstelling is dat als de markt aan zichzelf wordt overgelaten, de markt onvoldoende goed het algemeen belang dient en dat niet iedereen een billijk deel van de economische groei en de welvaart krijgt dat de markt creëert. Dat kan de democratische steun voor een markteconomie ondermijnen, waardoor het op termijn zelfs kan verdwijnen. Een markt die niet beteugeld wordt leidt, tot een steeds groeiende ongelijkheid en verliest zo de democratische steun. Dat kan een tegenreactie oproepen waardoor de slinger plots de andere kant opgaat met een te grote impact van de overheid op die markt. Wil men dat vermijden dan is tijdig ingrijpen aangewezen.

Een overheid die ingrijpt kan dan efficiënt zijn omdat het een aantal marktfalingen remidieert. Voor De Grauwe is het dan ook duidelijk: er kan geen opdeling gemaakt worden tussen enerzijds de privé-sector die de welvaart creëert en anderzijds een overheidssector die enkel bij de gratie van de privé-sector kan bestaan. Overheid en privé staan op gelijke voet en hebben elkaar nodig. De beste voorbeelden zijn onderwijs en infrastructuur: zonder de grote investeringen die de overheid doet (of deed) in deze sectoren zou de privé-sector nooit op het huidige niveau welvaart kunnen creëren. Maar ook, zonder de welvaartscreatie van de privé-sector zou die overheidssector nooit kunnen investeren in onderwijs en infrastructuur. Ze hebben elkaar dus nodig en versterken elkaar.

Het boek gaat dan ook in essentie over de rol van de overheid en de markt en hoe we deze moeten afbakenen. De Grauwe geeft hierbij een aantal economische concepten die volgens mij essentieel zijn in deze discussie en die hij met eenvoudige voorbeelden illustreert. Zo refereert hij naar het bestaan van externe effecten, of externaliteiten: een activiteit kan effecten veroorzaken die de actor zelf niet significant beïnvloeden maar wel andere mensen die eigenlijk geen betrokken partij zijn. Die effecten kunnen positief of negatief zijn. Het beste voorbeeld van een negatieve externaliteit is vervuiling: de autobestuurder trekt zich weinig aan van de uitlaatgassen die hij veroorzaakt, maar andere mensen hebben hier wel last van. Het is dan aan de overheid om hier in te grijpen als die negatieve externe effecten te groot zijn.

Volgens De Grauwe weten we dikwijls heel goed hoe een overheid zou moeten ingrijpen. Politieke actie komt echter maar moeilijk van de grond. De overheid en de politiek werken immers niet steeds in het algemeen belang, net zomin als de markt. Mancur Olson beschreef in 1965 in The Logic of Collective Action al de mechanismes die verhinderen dat de politiek het algemeen belang dient. Het komt erop neer dat het voor een kleine groep mensen veel kan opleveren om bepaalde wetgeving, bijvoorbeeld inzake vervuiling, tegen te houden. De kost hiervan wordt verspreid over heel veel mensen waardoor de kost voor elk van die mensen klein is en dus niet de moeite om hiertegen te protesteren. Bovendien is het ook moeilijk om het protest te organiseren gezien het over een grote groep mensen gaat, in tegenstelling tot de kleine groep van lobbyisten.

De politiek wordt dus overspoeld door lobbyisten die steeds de belangen van kleine groepen verdedigen en de kosten willen uitsmeren over een grote groep mensen, meestal de belastingsbetaler. De Grauwe spreekt in dit geval van ‘vriendjeskapitalisme, waarin de politiek systematisch de belangen van de kapitalisten verdedigt’. Om dit tegen te gaan is er een cultuur nodig van de ‘rule of law’, waarin geen regels worden gemaakt op maat van de klant of lobbyist, maar waar elkeen op gelijke voet behandeld wordt en zich te houden heeft aan de wet. Het probleem is dat het dienen van de belangen van de machtigen en de vermogenden meestal goed uitdraait voor je carrière.

De ongelijkheid is vooral een probleem in de Verenigde Staten. Toch pleit De Grauwe ook voor België ononwonden voor een progressieve vermogensbelasting om onze sociale zekerheid te kunnen blijven financieren. Hij verwijst hiervoor naar Thomas Piketty die stelt dat het rendement op kapitaal wellicht groter zal zijn dan de economische groei, waardoor de kapitaalkrachtigen almaar rijker worden. Bovendien, zo stelt De Grauwe, worden die grote vermogens steeds minder vergaard door hard werken en risico nemen en steeds meer doordat je in een rijke familie geboren wordt en de rijkdom dus erft. Een concreet voorstel van De Grauwe is om vermogens tot 1 miljoen vrij te stellen en dan de vermogenstaks progressief te verhogen van 0,5% tot 3 à 4% voor de echt grote vermogens (10 miljoen euro of hoger).

Het boek behandelt nog veel meer thema’s, zoals de foute constructie van de eurozone en de hoge loonkosten (die volgens De Grauwe niet zo’n groot probleem vormen). Het is een ideologisch boek, omdat De Grauwe een believer blijft in de vrije markt: hij wil de overheid meer grip geven op de markt, net om de vrije markt te redden van haar ondergang. Maar het is tegelijk ook een pragmatisch boek, omdat de auteur stelt dat de mate van overheidsingrijpen geval per geval moet bekeken worden, op basis van goede analyses en onderzoek. Dat resulteert in een genuanceerde en onderbouwde visie op hoe markt en overheid zo optimaal mogelijk met elkaar interageren om zo de grootste welvaart te creëren die dan billijk kan gedeeld worden.

Paul De Grauwe, De limieten van de markt, Lannoo, 2014

‘De Limieten van de Markt’ is door Liberales gekozen als ‘Liberales-boek van 2014’

Deze boekbespreking verscheen eerst in de nieuwsbrief van Liberales.

Lang sparen en trouwen maken je rijk

In België is de inkomensongelijkheid relatief laag. Het vermogen daarentegen is ongeveer 45 keer ongelijker verdeeld dan het inkomen. Schokkend voor velen, maar er zijn enkele natuurlijke verklaringen. Die maken de ongelijkheid misschien wel onvermijdelijk.

Enkele weken voor de verkiezingen publiceerde de Universiteit Antwerpen een studie over de vermogensongelijkheid in België. De conclusie is duidelijk: de vermogensongelijkheid is vele malen groter dan de inkomensongelijkheid. De vraag is of dat niet voor een groot deel een volkomen natuurlijke situatie is, en dus onvermijdelijk.

De opbouw van een vermogen is een accumulatief proces, waarbij jaar na jaar gespaard wordt. De verschillen in inkomen worden jaar na jaar opgebouwd en uitvergroot in het vermogen. Dat leidt uiteindelijk tot verschillen die vele malen groter zijn dan de inkomensongelijkheid.

Een eerste simpele verklaring voor de grote vermogensongelijkheid is dan ook de leeftijd. Ouderen zullen gemiddeld tientallen keren meer vermogen hebben dan jongeren, omdat deze laatsten hun vermogen nog moeten opbouwen. Zelfs als de vermogensopbouw per leeftijds- categorie op een perfect gelijke manier zou gebeuren, dan nog zou de totale vermogensverdeling erg ongelijk zijn. Dat leeftijdseffect is er ook bij de inkomensverdeling, maar veel minder sterk. Dat is te zien op de grafiek die het jaarinkomen weergeeft per leeftijdscategorie voor koppels en alleenstaanden.

inkomenperleeftijd

De figuur toont nog een ander belangrijk element. Het inkomen van een gezamenlijke aangifte ligt ongeveer tweemaal zo hoog als van een individuele aangifte. Gemiddeld ligt het gezamenlijke inkomen zelfs iets lager dan het dubbele van het individuele inkomen, vooral in het begin en op het einde van het volwassen leven.

De inkomens van koppels en alleenstaanden liggen gemiddeld dus niet zo ver uiteen als dat per persoon wordt bekeken. Men zou dan ook verwachten dat iemand die samenwoont niet rijker is dan iemand die alleen woont. In de praktijk is dat echter wel zo, omdat koppels per persoon minder kosten hebben.

Een samenwonend koppel heeft immers schaalvoordelen. Vraag dat maar aan gescheiden koppels. Veel kosten zijn per persoon goedkoper voor samen- wonenden dan voor alleenstaanden: je hebt maar één keuken en badkamer nodig, of je nu alleen bent of met twee. Dat heeft ook een impact op de verwarmingskosten, de internetkosten, de meubels,… tot zelfs hotelvakanties toe. Door de lagere kosten per persoon kan de gemiddelde tweeverdiener veel meer sparen dan een alleenstaande.

Die schaalvoordelen hoeven niet zeer groot te zijn om te leiden tot een grote vermogensongelijkheid tussen samen- wonenden en alleenstaanden. Ik heb dat gesimuleerd op basis van de gegevens in de bovenstaande figuur. Ik ga uit van een spaarquote van 2 tot 15 procent voor de gemiddelde alleenstaande en van 2 tot 25 procent voor het gemiddelde koppel (naargelang het inkomen). Bij een reële rente van 2 procent per jaar resulteert dat in een gemiddeld vermogen van 143.000 euro voor een 85-jarige alleenstaande en van 587.000 euro voor een 85-jarig koppel.

Het koppel is dus ruim vier keer vermogender (rijker) dan de alleenstaande, wat per persoon neerkomt op ruim het dubbele, terwijl het inkomen van iemand die samenwoont ongeveer gelijk is aan dat van een alleenstaande, en gemiddeld er zelfs iets onder ligt.

Deze twee simpele aspecten tonen aan dat een groot deel van de zeer hoge vermogensongelijkheid verklaard kan worden door heel gewone omstandigheden, zoals trouwen/samenwonen en lang sparen. En dus niet zozeer door een los- geslagen kapitalisme of een asociale belastingpolitiek.

Deze tekst verscheen eerst als column bij De Tijd.