Maaike Neuvilles kritiek op de politiek schiet compleet naast doel

In een opiniestuk in DeMorgen van ondertussen een week geleden vergelijkt Maaike Neuville, een Vlaamse actrice, de Vlaamse parlementsleden met spelende, joelende kinderen. Ze schreef haar opinie nadat ze getuige was geweest van het debat over de Vlaamse begroting in de plenaire zitting, met onder meer deze passage:

Ik zag hoe jullie, als kleine kinderen in een speeltuin, om de haverklap afgeleid waren, moord en brand schreeuwden als iemand iets van jullie dreigde af te pakken en vooral: hoe jullie systematisch weigerden te luisteren naar elkaar.

Ze doet in haar opiniestuk ook de volgende suggestie:

Is het niet eens tijd om na te denken over een politiek systeem waar niet partijen het voor het zeggen hebben, maar mensen? Nodig systematisch burgers uit, experten, mensen uit het veld, om mee in debat te gaan. Niet één keer. Maar elke zitting opnieuw.

Het zijn scherpe woorden van de Vlaamse actrice. Haar opinie getuigt volgens mij echter van een ernstig gebrek aan kennis van de werking van een parlement.

De plenaire zitting, de wekelijkse vergadering waar alle parlementsleden samenzitten, is inderdaad een vorm van toneel, waarbij de partijen (en eigenlijk eerder meerderheid tegenover oppositie) hun argumenten voor en tegen nog eens oplijsten, zonder de verwachting dat er nog standpunten gewijzigd worden. Het échte werk is dan immers al lang uitgevoerd. Een begroting komt immers pas naar de plenaire na een reeks voorbereidende parlementaire activiteiten, die de media vaak niet halen.

De precieze werkzaamheden die leiden tot de stemming van een begroting kende ik niet, maar een eenvoudige vraag op Twitter leerde mij dat de parlementaire voorbereidingen meer dan een maand in beslag nemen. Ondertussen wordt de klassieke agendacommissie opgeschorst. (zie tweets van Thomas Leys en Thijs Verbeurgt) Bovendien is er ook het advies van het Rekenhof. Men gaat dus niet zomaar over één nacht ijs. En het is niet verwonderlijk dat men na meer dan een maand debatteren de standpunten niet meer zal wijzigen wanneer in de plenaire zitting formeel gestemd wordt (in de commissies wordt ook gestemd, maar enkel de plenaire zitting kan wetten stemmen).

Zelf heb ik ook die ervaring als expert in energie, werkzaam bij de federale energieregulator. Wij worden als experts vaak uitgenodigd in de Kamercommissie over energie, dikwijls ver weg van camera’s en media, waar beslagen parlementsleden pertinente vragen stellen over een complex onderwerp. Maar natuurlijk worden wij nooit uitgenodigd in de plenaire zitting, omdat de uitwisseling van standpunten, tussen parlementsleden en met experts, dan al lang achter de rug is.

Het is zeker niet zo dat het parlement perfect werkt. Dat zal elke politicoloog of parlementslid u kunnen getuigen. Ja, er zijn veel te veel parlementsleden die onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen en vooral uit zijn op media-aandacht of zelfs dat niet. Maar meer fundamenteel is volgens mij dat veel decreten en wetten vaak niet voorbereid worden in de openbare parlementaire commissies, maar in interkabinettenwerkgroepen (IKWs), vergaderingen van kabinetsadviseurs van de verschillende betrokken ministers. Die zijn niet openbaar en erg gevoelig voor gelobby.

Als onze politieke besluitvorming ergens een zwakheid vertoont, dan zit het in die verdoken, weinig transparante manier van wetten voorbereiden door kabinetsadviseurs, omdat het gelobby verdoken kan gebeuren. Het leidt tot vriendjespolitiek en -naar mijn ervaring en wat ik her en der lees- tot het beschermen van de bestaande bedrijven en organisaties voor al te hevige concurrentie. Met andere woorden, de politiek verwart te vaak een beleid dat goed is voor de bedrijven met een beleid dat goed is voor de vrije markt en de consument. Zo zou volgens professor Gert Peersman te veel regulering en te weinig competitie een belangrijke verklaring kunnen zijn voor het achterblijven van de Belgische economische groei in de eurozone (zie ook zijn presentatie over de Belgische economische prestatie). Als dat aan de manier van besluitvorming ligt, dan betalen we dat cash met lagere economische groei.

Het mag dus duidelijk zijn dat onze politieke besluitvorming zeker nog kan en moet verbeteren. Maar de kritiek van Maaike Neuville op het politieke theater in de plenaire zitting is niet de essentie. Ze miskent met haar kritiek het vele en soms hoogstaande werk dat in de parlementaire commissies wordt uitgevoerd. En ze mist waar het echt aan schort in onze politieke besluitvorming: de weinig transparante manier waarop wetsontwerpen en koninklijke besluiten worden voorbereid door de kabinetten.

Andreas Tirez

Een alternatief voor de Bruulparking in Leuven

In een vorige blogpost probeerde ik de terugbetalingsperiode te berekenen voor een nieuw te bouwen ondergrondse parking in het centrum van Leuven. De blogpost kreeg wat aandacht, vooral toen bekend werd dat het Leuvense stadsbestuur nog geen business plan heeft opgemaakt en ook geen enkele inschatting van de verwachte opbrengsten en (operationele) kosten van de parking, ook al heeft ze de beslissing al genomen om de parking te bouwen.

Opportuniteitskosten

Het meest opmerkelijke in deze context is ongetwijfeld de uitspraak van huidig schepen Carl Devlies (CD&V) toen hem werd voorgelegd dat er een business plan ontbrak. Hij stelde dat een dergelijk plan niet nodig is voor de nog te bouwen Bruulparking, “omdat we niet van plan zijn om winst te maken. Een business plan is dus totaal overbodig.”

Dat is een zeer opmerkelijke uitspraak voor een politicus die een investeringsdossier wil verdedigen. Een business plan dient immers niet enkel om de eventuele winst te berekenen, maar ook om een inschatting te maken van kosten en inkomsten en om het risico op eventuele grote verliezen te kunnen inschatten. Ook voor een maatschappelijk relevant project (lees: waar er positieve externaliteiten zijn) is dat nodig. Schepen Devlies kan wel stellen dat hij de Leuvense benedenstad wil doen herleven, maar dat kan je op veel verschillende manieren doen. Zo kan je ook een plan bedenken om iedereen die in de Mechelsestraat wil komen winkelen een taxi aan te bieden.. Of waarom niet met een helikopter of via ondergrondse tunnels? Iedereen voelt direct aan dat dit veel te kostelijk zou zijn. Het kostenplaatje doet er dus wel toe. Een business plan is dan ook onontbeerlijk voor dergelijke investeringsprojecten, of je nu winst wil maken of niet.

Diezelfde redenering van opportuniteiten moet je ook toepassen op de financieringskosten. De stad zegt niet te zullen lenen, maar ook dan zijn er financieringskosten. De Bruulparking zou 29 miljoen euro kosten. Door te investeren in een ondergrondse parking, wordt die 29 miljoen euro voor minstens 30 jaar vastgezet. Als je met dat geld overheidsobligaties zou kopen, dan krijg je daar 1.6 procent rente op, een investering met bovendien weinig risico’s. De opportuniteitskost is dan minstens 1.6 procent van 29 miljoen euro of 464.000 euro per jaar. Dit is minstens je financieringskost, ook al leen je niet. Je zou bovendien kunnen redeneren dat een investering in een ondergrondse parking erg risicovol is, gezien je dan de facto een weddenschap aangaat tegen de zelfrijdende auto. Een investering die risicovol is, vereist dan ook een hogere rentevoet. Stel dat je genoegen neemt met 5 procent per jaar, dan loopt de opportuniteitskost van de financiering op tot bijna 1.5 miljoen euro per jaar.

Alternatief

Voor dergelijke investeringsprojecten is het eveneens belangrijk om te bekijken of er alternatieven zijn. De doelstelling van de politiek is immers niet de ondergrondse parking op zich, maar om de middenstand en de Leuvense benedenstad beter toegankelijk te maken.

Dat alternatief zou wel eens vrij eenvoudig en veel goedkoper kunnen zijn, gezien er een nieuwe parking aan de Vaartkom is, op 1 kilometer wandelafstand van het centrum. Het is een parking met 1000 parkeerplaatsen die in dienst genomen is in 2015. De bezettingsgraad van de parking is echter laag. De onderstaande figuur geeft het aantal uitritten volgens parkeerduur voor de maand april 2018. De parking wordt vooral gebruikt door auto’s die minder dan één uur parkeren.

Op basis van de gegevens uit de figuur kan het totaal aantal parkeeruren geschat worden. Voor april 2018 komt dit neer op 77.000 parkeeruren. April 2018 kent 24*30 = 720 uren, dus waren er gemiddeld 107 auto’s aanwezig per uur. Indien we aannemen dat een parking enkel overdag wordt gebruikt (bijvoorbeeld van 7u tot 19u, dus 12u per dag in plaats van 24u), dan verdubbelt het gemiddeld aantal auto’s per uur naar 214. Op een totaal van 1000 plaatsen resulteert dat in een gemiddelde bezettingsgraad overdag van 21,4 procent.

uitrittenVaartkomApril2018

De gemiddelde bezettingsgraad overdag is nog geen kwart van het totaal aantal plaatsen, wat betekent dat er gemiddeld meer dan 750 parkeerplaatsen onbenut. Dat is ruim voldoende om het niet bouwen van de Bruulparking, voorzien voor 600 plaatsen, op te vangen.

Het alternatief in de plaats van een nieuwe ondergrondse parking is dan evident. Met een shuttle bus ben je op 5 minuten van de Vaartparking in het centrum, waardoor je met 3 shuttles een aanbod om de 5 minuten kan doen. Het is een werkwijze die Mechelen al sinds een aantal jaren toepast met de gratis Shopping Shuttle. Om de vijf minuten vertrekt er een shuttle om twee randparkings te verbinden met het centrum, een traject dat iets langer is dan nodig zou zijn voor Leuven (er zijn dan ook vier shuttles). De shuttle rijdt enkel zaterdag en op een paar speciale dagen, zoals koopzondagen. De stad Mechelen zou hiervoor 80.000 euro in de jaarlijkse begroting inschrijven. Dat is nog geen 0.3% van de totale investeringskost en slechts 15 procent van de jaarlijkse financieringskost voor de nieuwe Bruulparking.

Tot slot

Tot slot, ik ben geen verkeersdeskundige. Ik weet dus niet of de nieuwe Bruulparking vanuit verkeerskundig oogpunt het beste project is. Maar ik weet wel dat je voor dergelijke investeringen rekening moet houden met eventuele alternatieven en met opportuniteitskosten. En er moet op zijn minst een inschatting gemaakt worden van de kosten en de opbrengsten (via een business plan). Kosten en alternatieven doen er toe, ook als je geen winst wil maken. Doordat de stad Leuven dat blijkbaar onnodig vindt, kan je onmogelijk zeggen dat dit een goed doordacht plan is. Voor een dergelijk groot project is dat onaanvaardbaar.

 

Naschrift

Ik ben op de middag van 5 mei, een zonnige zaterdag, een kijkje gaan nemen in parking de Vaartkom om de bezettingsgraad in te schatten. Deze eenmalige steekproef bevestigt de bovenstaande bezettingsgraad. Hieronder de foto’s die ik toen genomen heb.

Inrit Vaartkom. Opmerkelijk: geen aanduiding dat je met je ticket gratis de bus kan nemen naar het centrum.

tariefblad

Eerste verdieping: 150 plaatsen, naar schatting meer dan halfvol.

eerste verdieping

Tweede verdieping: 150 plaatsen, 7 auto’s.

tweede verdieping (2)

Derde verdieping: 150 plaatsen, 1 auto.

derde verdieping (2)

Vierde verdieping: 150 plaatsen, 0 auto’s

vierde verdieping

Kelderverdieping -1 (Lidl): was goed gevuld

kelder -1 (2)

Kelderverdieping -2: 60 plaatsen (schatting): 2 auto’s

kelder -2 (2)

Er staat nergens aangeduid hoe je een bus naar het centrum moet nemen, noch dat je parkeerticket geldt als busticket.

Google Maps toonde me de onderstaande mogelijkheden om tot in het centrum te raken (Vismarkt). Met de auto kan het in 5 minuten. Te voet is het 13 minuten. Met het openbaar vervoer minstens 12 minuten, waarvan telkens 7 minuten te voet naar de bushalte.

Hier is heel wat ruimte voor verbetering.

google maps

 

Er is nooit een ‘Kamikaze-Michel’ geweest

Met het zomerakkoord op zak lijkt de federale regering haar tweede adem gevonden te hebben. In een interview met De Tijd van afgelopen weekend blaakte premier Michel van zelfvertrouwen. Niemand noemt dit nog een kamikaze-regering.

Dat was bij de vorming van Michel I wel anders. Veel waarnemers waren het eens dat de MR een groot risico nam om als enige Franstalige partij in een federale regering te stappen, gedomineerd door Vlaamse partijen. MR dreigde een paria te worden in het politieke landschap, één tegen allen, en dreigde bij de verkiezingen in 2019 afgeslacht worden. Politieke zelfmoord, klonk het onheilspellend.

Die doemberichten blijken nu onterecht, maar dat waren ze volgens mij al van bij de start van de regering in 2014. MR trad immers, als liberale partij, in een federale regering met twee andere partijen, N-VA en Open VLD, die op sociaal-economisch vlak minstens even liberaal zijn dan MR. Bovendien had de N-VA de communautaire eisen laten varen, net om te kunnen inzetten op sociaal-economische hervormingen. In 2014 gaven de Belgische overheden 55 procent van het BBP uit en ontvingen ze 52 procent van het bruto binnenlands product (BBP) aan inkomsten. In Vlaanderen was een afbouw van de overheid een duidelijk thema bij de regeringspartijen. Zouden de kiezers van MR hun partij werkelijk afstraffen als ze de overheidsuitgaven, de belastingen en het begrotingstekort zouden verminderen?

Want dat is wat deze regering doet. De Europese Commissie voorspelt dat de uitgaven in 2018 zullen terugvallen tot 52 procent in 2018, de inkomsten zullen dalen tot iets meer dan 50 procent, waardoor het tekort van 3 procent zal teruggedrongen worden naar 1,8 procent.

tijdkamikazemichel

Hoewel de trend van de overheidsfinanciën duidelijk is, is het minder spectaculair dan sommigen voorgespiegeld hadden. Maar spectaculaire veranderingen zijn ook niet gewenst. Het is een kunstig laveren om de overheidsuitgaven te verminderen zonder dat dit de groei al te zeer fnuikt en om tegelijk de belastingen te verlagen zonder dat het begrotingstekort stijgt. De regering zal, op basis van deze cijfers, hierin slagen. Dat de klus nog niet geklaard is, zal ongetwijfeld als argument gebruikt worden om een tweede termijn te vragen voor de regering Michel.

Bovendien wordt dit traject gerealiseerd in een context van stijgende sociale uitgaven, vooral in de pensioenen. Deze regering zal de vruchten nog niet kunnen plukken van de door haar besliste, broodnodige verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar. Die wordt in twee fasen ingevoerd, maar pas in 2025 en 2030.

Oppositie voeren tegen deze cijfers lijkt me zeer moeilijk. Het zal dan vooral gaan over de rechtvaardigheid. Zijn de inspanningen wel eerlijk verdeeld? En dat hangt af van je politieke voorkeuren. Deze regering gaat er prat op dat ze de werkenden wil ondersteunen, terwijl de oppositie de inspanningen oneerlijk verdeeld vindt. Beide standpunten zijn te verdedigen. Maar de kiezers van MR zullen hun partij allicht niet afstraffen voor de gekozen verdeling van de lasten.

Toegegeven, er zijn ook wel wat omstandigheden die onverwacht gunstig zijn voor Charles Michel en de MR. Zo bijvoorbeeld waren het vooral de Vlaamse partijen die met elkaar in de clinch gingen, wat communautair niet uitgespeeld kon worden. Ook de relatieve populariteit van Francken en Jambon in Franstalig België was van te voren niet verwacht. Ten slotte zijn er de schandalen die vooral de PS teisteren waardoor MR nu met cdH een medestander heeft in het Franstalige politieke landschap.

Het zijn stuk voor stuk onverwachte meevallers voor MR. Maar de fundamentele reden voor het succes voor MR ligt volgens mij dus elders: MR geeft met deze regering het sociaal-economisch beleid dat haar kiezers willen. En dat was al duidelijk bij de vorming van deze regering. Charles Michel is dan ook nooit een Kamikaze-piloot geweest.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

België kan ruim dubbel zoveel vluchtelingen aan

Afgelopen weekend won de CDU, de partij van Bondskanselier Angela Merkel, afgetekend de verkiezingen in Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen. De verkiezingsoverwinning is niet enkel belangrijk omdat de deelstaat met bijna 18 miljoen inwoners de meest bevolkte is, maar ook omdat Schulz, Merkels rivaal voor de nationale verkiezingen in september, hier geboren is en de socialisten er normaal gezien de plak zwaaien. Een week eerder had de CDU ook al gewonnen in Schleswig-Holstein, zij het minder sterk.

De verkiezingsoverwinningen bevestigen Merkels populariteit en geven haar criticasters het nakijken. En die waren talrijk na de ‘Wir Schaffen Das’-speech die Merkel eind augustus 2015 gaf en waarmee ze stelde dat Duitsland haar morele plicht om de vele vluchtelingen op te vangen aankon. Ook Bart De Wever leverde al snel scherpe kritiek op deze koers en ging een paar maanden later nog wat verder door te zeggen dat Merkels vluchtelingenbeleid onvermijdelijk haar ondergang betekende; het zou nog slechts een kwestie van enkele weken zijn.

Maar Merkel bleef. En nu wint haar partij verkiezing na verkiezing. Ook de gevreesde overrompeling door AfD, de euro- en islamkritische partij, blijft uit. N-VA en Bart De Wever weigeren echter toe te geven dat ze het bij het verkeerde eind hadden. Meer nog, zij stellen dat het Merkel is die haar beleid bijgesteld heeft.

En dat klopt: Europa sloot, met de steun van Merkel, half maart 2016 een akkoord met Turkije zodat de grenzen konden gesloten worden voor vluchtelingen. Open grenzen kunnen inderdaad niet de oplossing zijn als er tientallen miljoenen mensen op de vlucht zijn, omdat te veel vluchtelingen op korte tijd een samenleving kunnen ontwrichten waardoor ze zich volledig kan keren tegen het opvangen van vluchtelingen. Dat is ook de redenering van Bart De Wever: door te veel vluchtelingen op te vangen, gaan mensen zich afzetten tegen immigratie. Het leidt tot de opkomst van populisten en extremisten zoals Trump, Le Pen en Wilders. Dat is nefast, omdat het verouderende Europa net immigratie nodig heeft, aldus nog De Wever in De Tijd afgelopen weekend.

Die redenering houdt steek. De vraag is dan wanneer het ‘te veel’ is. En daar hebben N-VA en De Wever zich vergist. In 2015 en 2016 heeft Duitsland in totaal 1,2 miljoen asielaanvragen verwerkt, of bijna 15.000 per miljoen inwoners. In dezelfde periode waren er in België 63.000 asielaanvragen of 5.600 per miljoen inwoners. Verhoudingsgewijs heeft Duitsland 2,7 keer meer vluchtelingen opgevangen. De verkiezingsoverwinningen van Merkel tonen aan dat dit niet ‘te veel’ is. Waarom zou dat voor België anders zijn?

tijdmerkel

Merkel heeft getoond dat een rijk, Europees land niet in een extreemrechtse kramp schiet als het op twee jaar tijd het equivalent van 1,5 à 2 procent van zijn bevolking aan vluchtelingen opvangt.

Het is belangrijk om dat te erkennen, omdat de nood om kwetsbare vluchtelingen te helpen niet weg is. Zo werd een paar weken geleden een rapport bekend dat stelde dat er in Griekse en Italiaanse vluchtelingenkampen kinderen vreselijk misbruikt worden. Er zouden 23.000 onbegeleide minderjarigen in die kampen zitten. Wouter De Vriendt, parlementslid voor Groen, schreef een open brief aan Theo Franken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie voor N-VA, waarin hij vroeg om zo snel mogelijk 1.000 onbegeleide minderjarige vluchtelingen naar België te halen. Francken ging op deze vraag niet in en verwees onder meer naar de beperkte draagkracht van ons land.

Mij is het duidelijk dat de verkiezingsoverwinningen van Merkel aantonen dat er een veel groter draagvlak bestaat om mensen in nood te helpen dan sommige politici denken, en a fortiori als het om kinderen gaat. Hierbij steun ik dan ook de oproep van De Vriendt: haal zo snel mogelijk 1.000 onbegeleide kindvluchtelingen naar België. Wees gerust, daar is voldoende draagvlak voor.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Trump is breuk met verleden, zijn kiezers niet

De onverwachte overwinning van Donald Trump lijkt ons in een totaal andere wereld gebracht te hebben. Dat is waarschijnlijk correct als het over Trump als president gaat, maar is niet het geval wat zijn kiezers betreft.

Voor sommige waarnemers lijkt het alsof de Verenigde Staten na 8 november een totaal ander land geworden zijn. Plots is het onontbeerlijk dat er naar de stem van de laaggeschoolde blanke man geluisterd wordt. We zouden deze verliezers van de globalisering te lang genegeerd hebben waardoor het onvermijdelijk is dat populisten verkozen worden. Het zou ook een waarschuwing zijn voor Europa, waar Le Pen in Frankrijk, Wilders in Nederland met Wilders en AfD in Duitlsand dezelfde stunt willen uithalen.

Het is een te verdedigen stelling dat er meer aandacht moet zijn voor de verliezers van de globalisering, die, zeker in landen als de VS, te weinig gecompenseerd worden door de winnaars van de globalisering. Maar een overwinning van Trump voegt daar weinig aan toe: er werd soweiso voorspeld dat hij in de buurt van de meerderheid van de stemmen zou landen. Nu waren het een paar procentpunten meer of, misschien correcter, net in de juiste staten wat meer dan verwacht, zodat hij een meerderheid van kiesmannen achter zich kreeg. Die relatief nipte overwinning is niet relevant voor het belang van het maatschappelijk fenomeen. Zijn overwinning kan enkel gezien worden als een bijkomend ondersteuning  voor de stelling dat deze groep wat uit het ook verloren is.

Bovendien stemmen mensen om heel gevarieerde redenen voor een politicus. Economische stagnatie van een bepaalde groep door globalisering kan maar één element zijn, gezien Trump ook heel wat stemmen haalde bij de hogere inkomens, doorgaans de winnaars van de globalisering. Bovendien zijn niet alle redenen het waard om het beleid op af te stemmen. Trump heeft met zijn stigmatiserende uitspraken over Mexicanen en moslims zonder twijfel ook heel wat racisten aangetrokken.

Meer nog, Clinton won de popular vote; er zijn dus meer kiezers die op haar gestemd hebben dan op de winnaar. Dat betekent niet dat Trump zijn verkiezing gestolen heeft: de regels zijn de regels en zijn op voorhand gekend. Maar het betekent wel dat ook de kiezers van Clinton gehoord moeten worden, zoniet nog meer dan die van Trump. Het is dus verkeerd om de overwinning van Trump aan te grijpen om vooral de problemen van de blanke, laaggeschoolde man aan te pakken. Er zijn ook de minderheden en vrouwen die aandacht verdienen. Die maatschappelijke realiteit is niet van 7 op 8 november veranderd omdat Trump onverwacht een paar procentpunten meer gehaald heeft dan voorspeld.

Als het op de president aankomt, kan er wel gesproken worden van een breuk met het verleden. Het is uitzonderlijk dat een totale outsider de Amerikaanse presidentsverkiezingen wint. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn. De voorstanders van Trump vergelijken dan ook graag met Ronald Reagan die toen hij president werd ook als een outsider beschouwd werd. Reagan had als gouverneur van California wel al acht jaar bestuurservaring opgedaan; Trump nog helemaal niets.

Een aantal beleidsintenties van de toekomstige president worden positief onthaald, zoals zijn pleidooi voor meer investeringen in infrastructuur. Ook heeft hij zijn standpunt al bijgeschaafd wat betreft Obamacare, de Amerikaanse verplichte ziekteverzekering, waarvan hij een aantal belangrijke elementen zou willen behouden. En ook zijn kritiek op de globalisering en vrijhandel is een te verdedigen standpunt. Maar Trump houdt er ook standpunten op na die ver van het centrum staan en niet te verdedigen zijn. Zijn virulente kritiek op en stigmatisering van zowel Mexicaanse immigranten als moslims is ongezien voor een westerse machthebber en kan een cesuur worden voor de VS.

De vraag is dan of Trump deze zienswijze zal omzetten in beleid en in welke mate dit zal gebeuren. Het volgens mij in ieder geval een misvatting om er voetstoots vanuit te gaan dat de toon als president gematigd zal worden. Het is wat men dacht nadat hij de voorverkiezingen gewonnen had, maar wat niet gebeurde. Alvast de recente aanduiding van Steve Bannon, de voormalige baas van een extreemrechts online nieuwsmagazine, als chef strategie in het Witte Huis wijst in de richting dat zijn toon noch zijn beleid zal gewijzigd worden. Het wordt dus afwachten en met Trump lijkt het alle kanten te kunnen opgaan. En dus even goed de verkeerde kant.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Je kan België niet zomaar vergelijken met Nederland

Enige tijd terug herhaalde Luc Coenen in een Tijd-interview nog eens zijn oproep om dringend te besparen in de sociale zekerheid. Om zijn betoog kracht bij te zetten vergeleek hij het Belgische overheidsbeslag met dat van Nederland. Met een kloof van 8 procent van het BBP in het nadeel van België was het voor Coenen duidelijk: België heeft een inefficiëntieprobleem, en Nederland lijkt terug het gidsland.

Dat lijkt op het eerste gezicht overduidelijk. Echter, een vergelijking die iets meer in detail gaat, nuanceert dat sterk. De onderstaande figuur geeft de overheidsuitgaven van België en Nederland voor het jaar 2014, opgedeeld in tien domeinen. In totaal was het overheidsbeslag van België in 2014 bijna 9% hoger dan in Nederland, nog iets hoger dan Coenen vooropstelde dus. Drie domeinen springen hierbij in het oog: de sociale bescherming, de algemene publieke diensten en economische zaken. Opmerkelijk: wat betreft de gezondheidszorg is het overheidsbeslag in België en Nederland nagenoeg gelijk.

tijdBEvsNL

Sociale bescherming

Als de uitgaven voor sociale bescherming meer in detail bekeken worden (ook te vinden in de Oeso-databanken), dan blijkt dat België voor sociale bescherming vooral meer uitgeeft voor pensioenen: 10,8% in België tegenover 6,9% in Nederland of bijna 4% verschil.

Dat hoeft geen verrassing te zijn. Naast de grote overheidsschuld is hét grote probleem in België de veel te korte loopbaan. Het opkrikken van de pensioenleeftijd is dan ook zonder twijfel één van de grootste uitdagingen van ons land. Maar het verhogen van de pensioenleeftijd is een werk dat in stapjes gaat. Drastisch besparen op pensioenen is dan niet alleen moeilijk haalbaar, maar ook onwenselijk. Men kan de bestaande pensioenen, die al relatief laag zijn, niet zomaar verlagen zonder sociale drama’s te veroorzaken.

Bovendien is de kloof in de totale pensioenuitgaven veel kleiner dan deze cijfers tonen. In Nederland worden immers ook veel privé-uitgaven voor pensioenen gedaan, omdat ze een totaal ander pensioenstelsel hebben. Als je die uitgaven meetelt, verkleint de kloof tot minder dan 1% van het BBP.

Algemene publieke diensten

Een andere post zijn de algemene publieke diensten. Hier is de kloof met Nederland 3,2% van het BBP. Maar daar zitten 1,7% meer rente-uitgaven tussen. Ook hier kan de huidige Belgische overheid moeilijk met de vinger gewezen worden, gezien de hogere overheidsschuld vooral een gevolg is van het beleid in de jaren 70 en 80.

De overige meeruitgaven betreffen basisonderzoek en “algemene diensten”, beide goed voor 0,8 procent meeruitgaven. Dit vraagt meer analyse om deze verschillen te verklaren. Feit is wel dat Nederland minder kosten heeft aan ambtenaren, maar dat de overheid wel meer werk uitbesteed aan externe partners.

Economische zaken

Ten slotte is er de post “economische zaken” waar België 2,8 procent van het BBP meer uitgeeft dan Nederland, wat fors meer is. Hier is de boosdoener vooral de bedrijfssubsidies die België geeft, goed voor ruim 2 procent meer dan Nederland. Dat zijn in grote mate subsidies aan bedrijven, zoals kortingen op de RSZ en voor dienstencheques; het is niet zozeer de overheid die met dit geld werkt. De vraag is of besparingen op bedrijfssubsidies het begrotingstekort zullen verminderen. Immers, indien deze subsidies afgeschaft worden, zullen ze wellicht gecompenseerd moeten worden door een algemene lastenverlaging, zoniet wordt het ondernemen veel sterker belast.

Conclusie

Wat dus op het eerste gezicht een grote kloof lijkt, blijkt meer in detail vaak goed verklaarbaar, door bijvoorbeeld het type van pensioenstelsel of de schulderfenis uit het verleden. De bedrijfssubsidies verminderen zou dan weer wel het overheidsbeslag significant kunnen doen dalen, maar niet zozeer het begrotingstekort, omdat de lagere subsidies zouden moeten gecompenseerd worden door lagere algemene lasten. De enige post die in deze korte analyse vragen oproept zijn de hoge kosten van de algemene diensten, maar ook daar gaat het “slechts” over minder dan 1 procent verschil met Nederland. Kortom, het is best mogelijk dat België dringend moet besparen, maar een oppervlakkige vergelijking met Nederland is daarvoor ruimschoots onvoldoende als argument.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

De ene particratie is de andere niet

Het voorbije weekend werd bekend dat Hermes Sanctorum, Vlaams parlementslid voor Groen, uit zijn partij stapt en als onafhankelijke zal zetelen. Sanctorum ijvert voor een verbod op onverdoofd slachten en klaagt aan dat dit verbod er nog steeds niet is. De reden van zijn exit uit de partij is volgens Sanctorum niet zozeer gelegen aan de werking van Groen, maar wel aan de algehele politieke werking. Sanctorum laakt de macht van de partijen: zij zouden het vrije initiatief van de gekozen volksvertegenwoordigers teveel aan banden leggen, waardoor het parlement te vaak een gedrilde stemmachine is.

Het is een regelmatig terugkerende kritiek op ons politieke bestel: we leven niet in een democratie, waar het volk de macht heeft, maar in een particratie, waar de politieke partijen de macht hebben. De vorm van particratie die Sanctorum aanklaagt is echter onvermijdelijk en zelfs nodig in ons coalitiesysteem.

Een coalitie maakt bij de start een regeerakkoord dat in grote lijnen bepaalt welk beleid er zal gevoerd worden. Dat akkoord is steeds een compromis: niet met alles is elke partij of parlementslid van de coalitie even gelukkig. En dan worden partijdiscipline en particratie erg belangrijk.

Om dat te illustreren het volgende voorbeeld. Stel dat er drie serieuze kandidaten zijn om een regering te vormen: N-VA, Groen en CD&V. Elke partij heeft 25 parlementsleden en er zijn 50 zetels nodig om een regering te kunnen vormen. De drie partijen hebben elk één programmapunt dat voor hen heel belangrijk is (omdat het hen veel stemmen kan opleveren, aangeduid met een winst van 100), maar voor de andere partijen liever niet wordt uitgevoerd (omdat het hen een beetje stemmen kan kosten, aangeduid met een verlies van 25). Het is dan rationeel dat twee partijen een regering trachten te vormen en elk hun programmapunt kunnen realiseren, want dat levert de meeste winst op voor die partijen (elk 75). Dat is te zien op bijgaande tabel.

tijdparticratie

In dit voorbeeld is het voor een partij niet belangrijk met wie precies ze in zee gaan, als ze maar met één andere partij in de regering zitten. Wat echter wél heel belangrijk is, is dat het eigen programmapunt tijdens de legislatuur daadwerkelijk gestemd wordt. Stel nu dat N-VA overweegt een coalitie te vormen met Groen, maar twijfelt over de partijdiscipline van Groen. In dat geval zal N-VA nooit met Groen in een coalitie stappen. Er is immers maar één groene dissident nodig die niet wil meestemmen met het wetsvoorstel van N-VA, waardoor het regeerakkoord onderuit gehaald wordt. Groen zou door N-VA een onbetrouwbare partner genoemd worden.

Met partijen die niet geloofwaardig tonen dat er partijdiscipline heerst, kan je in een coalitiesysteem geen afspraken maken. Die partijen kunnen veel moeilijker tot de macht toetreden en dus ook moeilijker hun programma realiseren. Deze vorm van partijdiscipline is dan ook nodig en onvermijdelijk, wil je politieke macht verwerven en je programma uitvoeren.

Er is echter een andere vorm van particratie die wel kan vermeden worden en dat is de macht die politieke partijen hebben in andere domeinen van de maatschappij dan het zuiver politieke. Dat gaat dan om de veelheid van publieke en semi-publieke organisaties, waar politici te vinden zijn in raden van bestuur, zij het een telecombedrijf, de opera of de VRT. Aan deze praktijken kan wel paal en perk gesteld worden.

Het is immers niet de taak van de overheid om inhoudelijk te bepalen wat er bijvoorbeeld op cultureel gebied of in het medialandschap gebeurt. De overheid moet een kader voorzien en dat afdwingen, maar daarna moet ze het speelveld aan het vrije initiatief laten. Dat gebeurt nu niet waardoor de politiek, en dus de politieke partijen, veel meer aspecten van de maatschappij bepalen dan zou moeten. Dat wordt door sommigen eufemistisch “democratische controle” genoemd, maar het is niet meer dan een vorm van particratie die ongewenst en vermijdbaar is.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Vakbond heeft privileges nodig

De wilde stakingen van de voorbije week hebben het draagvlak voor de vakbonden danig aangetast, waardoor de tijd rijp lijkt om de macht van de vakbonden in te perken. Eén van de weinige verdedigers van de vakbonden in het Vlaamse opinielandschap is Joël De Ceulaer, journalist bij De Morgen. Hij stelt dat de middenklasse nog spijt zal krijgen als ze hun steun voor de vakbonden intrekt, omdat slechts weinig individuele werknemers sterk genoeg zijn om op gelijke voet met hun werkgever te onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden. Er is collectieve actie nodig.

De Ceulaer heeft een punt: zonder collectieve actie staat de overgrote meerderheid van de werknemers zwak tegenover de werkgever. De vraag is of er speciale regels nodig zijn voor de vakbond, zoals het gebrek aan rechtspersoonlijkheid of de bescherming tegen ontslag van de vakbondsafgevaardigde. Je zou kunnen stellen dat de grondwet voldoende garanties geeft opdat werknemers zich kunnen organiseren. Die speciale regels, noem het maar privileges, zijn dan onnodig.

De belangen van werknemers lopen immers vaak gelijk en dus kan men aannemen dat werknemers zich ook zonder privileges voldoende sterk zullen organiseren; net zoals de werkgevers dat overigens doen. Maar dat gaat voorbij aan de logica van collectieve actie, zoals in de jaren ‘60 beschreven door de Amerikaanse econoom Mancur Olson. Hij stelde dat collectieve actie een systeemfout heeft, namelijk het vrijbuitersgedrag of ‘free riding’. Het is immers rationeel om als individu de anderen de kastanjes uit het vuur te laten halen en mee te genieten van het resultaat, zonder zelf inspanningen te leveren.

Het gevaar van vrijbuitersgedrag is zeer groot bij vakbondsacties. Als er gestaakt wordt om betere arbeidsvoorwaarden te eisen, dan is het bekomen resultaat niet enkel geldig voor zij die gestaakt hebben, maar ook voor alle andere werknemers. Bovendien zijn werknemers doorgaans met relatief veel, waardoor een individuele werknemer zichzelf en anderen relatief makkelijk kan geruststellen dat één persoon meer of minder het verschil niet maakt en dat het dus niet erg is dat hij of zij niet meedoet. Maar die redenering geldt natuurlijk voor elke individuele werknemer, waardoor het risico bestaat dat uiteindelijk niemand nog kiest voor collectieve actie. En dan staat de werknemer plots alleen tegenover zijn werkgever, die doorgaans (veel) meer macht heeft, ook ten aanzien van de individuele werknemer uit de middenklasse.

Het gevaar van vrijbuitersgedrag geldt op macro-niveau ook voor werkgevers, maar het speelt er veel minder sterk dan bij werknemers. Dat komt simpelweg doordat het aantal werkgevers veel kleiner is. Door dat kleiner aantal is het makkelijker om elkaar in het oog te houden en de vrijbuiters op te sporen en aan te manen om hun steentje bij te dragen. Bovendien moet de winst van de collectieve actie door veel minder personen gedeeld worden, waardoor de inzet per individu veel groter is, wat sterker aanzet tot actie.

Er is dus een sterk onevenwicht in het vrijbuitersprobleem tussen werkgevers en werknemers. Als je dan wil dat ze op gelijke voet kunnen onderhandelen, dan moet het vrijbuitersprobleem voor de vakbond gemilderd worden. En dat is dan ook een solide economische argumentatie om vakbonden bepaalde privileges te gunnen om zo het vrijbuitersgedrag te milderen en de macht van de vakbond te vergroten. Want een vakbond moet macht hebben en heeft die vooral via collectieve actie.

Helaas, macht kan ook misbruikt worden, zeker in monopoliebedrijven. Ik denk dan ook dat dit de voornaamste kritiek is op de vakbond. Wat betreft de huidige staking door bijvoorbeeld de cipiers is het voor mij niet zo duidelijk of dit al dan niet terecht is, omdat ik hun situatie niet ken. Maar er zijn een aantal strijdpunten van de vakbond die volgens mij een redelijke grond missen, zoals de vaste benoeming bij het spoor, onderwijs en ambtenarij. Ook het halsstarrig bekampen van het langer werken kan ik maar niet begrijpen, omdat de nood aan langer werken resulteert uit het behoud van een billijk deel van de economische output voor de gepensioneerden (niet meer, maar ook niet minder).

Het zijn strijdpunten die volgens mij wijzen op het feit dat de vakbond haar macht op elk domein gebruikt om zoveel mogelijk binnen te halen, of het nu redelijk is of niet. Het is dan ook normaal dat een samenleving zich hier vragen over stelt. Maar zelfs al zijn er goede redenen om de regels voor de vakbond te verstrengen, ze zal altijd bepaalde privileges nodig hebben om het vrijbuitersgedrag tegen te gaan.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Don’t penalize people advocating for one kind of policy

In ‘Who Really Cares About the Poor?: A Socratic Dialogue’, Bryan Caplan, an American economist, let two characters, Glaucon and Socrates, discuss a public policy to help the poor.

Glaucon, a left-wing politician, wants to increase money transfers to the poor, paid by taxes, but was blocked by the right-wing majority. Glaucon complains about those uncaring right-wing politicians and claims that they are only voting for their self-interest.

But Socrates argues that it could well be possible that right-wing politicians just don’t believe the lift-wing policy would actually work. Maybe their opposition is genuine and not about their self-interest.

Moreover, Socrates argues that if Glaucon is sincere about the effectiveness of his proposed policy, Glaucon can still help the poor by giving away his own money to the poor. Surely, Socrates argues, it won’t cure poverty, but it will help at least some poor families.

This reasoning set out by Caplan is a classic argument against people wanting
a policy that needs extra taxes: why don’t they pay more taxes themselves? It was exactly the same argument against Warren Buffett when he said the US needs higher taxes on income from capital gains (the so-called Buffett rule): he could already do it himself.

Will Wilkinson argued against this kind of reasoning, referring to the fact we face a collective action problem: one individual giving extra money will not solve anything.

I think there is an additional argument against the reasoning of Caplan. If Caplan’s reasoning would be followed, then no one could advocate for a policy which increases taxes, without paying more taxes herself. This would impose an individual penalty on those advocating for higher taxes. Consequently, this would decrease the probability one would advocate for this kind of policies, whether the policy is good or bad.

A more striking example is the following: in Belgium, newspapers receive a lot of subsidies for physically distributing newspapers (about 400 million euro’s for a country of 11 million people, each year). Assume a newspaper is against these kind of subsidies, because they think there is no market failure that justifies the subsidy. Stopping these subsidies and, for example, lowering taxes on wages would be a much more efficient outcome.

Following Caplan’s reasoning, this newspaper could not accept the subsidies, because not accepting the subsidies would lead to lower unjustified subsidies. This would lead to lower taxes on wages, increasing overall welfare.

But not receiving those subsidies would lead to a much more expensive home-delivered newspaper compared to their competitors, putting themselves at a disadvantage. In a competitive environment, they would certainly lose market share or even go bankrupt. So following Caplan’s reasoning, not accepting subsidies would lead to fewer papers being sold that advocate for lower subsidies.

[You could also see this differently: the newspaper argues for a world where not one newspaper receives subsidies. They do not argue for a world where everybody is receiving subsidies, except one. To stretch the argument a bit: the true rational individual, but selfish position would be to argue for subsidies for oneself and for no one else. But knowing that this is never to be accepted, the second best is that no one receives subsidies.]

The goal should be to create an environment where the debate on policy is on the policy itself. For that to succeed, two conditions should be met:

  1. One point Caplan makes clear in his dialogue, is that you should not accuse political opponents of being morally inferior. Let us assume that in all political parties there will be more or less the same share of politicians who just want to make the world a better place for everybody. They just differ in the way to accomplish this.

  2. Don’t penalize people advocating for one kind of policy, because it creates a disadvantage for advocating that policy. For example, you cannot set a penalty on those wanting to increase taxes, because that would lead to less people willing to advocate for higher taxes, even though this could be the right policy.

To conclude, the political battle field should be: will your policy work the way you say? And what is your theoretical and empirical evidence to support your claim? Questions on the personal reasons why someone is arguing for a specific policy is an argument ad hominem, hindering an honest debate.

GASTPOST – First Past The Post: een ondemocratisch systeem?

In de dagen na de parlementsverkiezingen in het Verenigd Koninkrijk wordt traditioneel kritiek geleverd op het First-past-the-post (FPTP) kiessysteem, vooral dan door die partijen die zich erdoor benadeeld voelen. En ook buiten het VK klinkt verbijstering bij dat ondemocratische, winner-takes-all gebeuren – Hendrik Vos had het in de Standaard eerder deze week over de “kromme wiskunde” in Groot-Brittannië.

De critici komen overigens ook met feiten voor de dag. Op Twitter circuleerde een analyse uit de Nederlandse krant Trouw, die vergeleek hoe de zetelverdeling zou zijn geweest mocht ze volgens het Nederlandse systeem zijn gebeurd.

trouw

Ook de Electoral Reform Society (ERS), een pressiegroep die ijvert voor een meer proportioneel kiessysteem rekende uit hoe het parlement eruit zou kunnen hebben gezien als het D’Hondt systeem zou zijn toegepast.

dhondt

Maar is dat First-past-the-post systeem waarin de ene partij (UKIP) 170 keer meer stemmen nodig heeft dan de andere (SNP) om een zetel te bemachtigen, werkelijk zo ondemocratisch als wordt beweerd?

Een beetje geschiedenis

Laten we eerst het FPTP systeem nog even beschrijven. Het VK telt 650 kiesdistricten die elk één member of parliament (MP) afvaardigen naar het lagerhuis in Westminster. De kiesdistricten tellen gemiddeld ruim 70.000 kiezers. Het grootste is het eiland Wight met een electoraat van 108.000, en het kleinste de westelijke Schotse eilanden met bijna 22.000.

De oorsprong van het parlementaire stelsel situeert zich in en ver verleden: het Engelse House of Commons ontstond in de 13de eeuw uit de Great Council, een raad van kerkleiders en rijke landeigenaars die de koning adviseerde sedert de vroege middeleeuwen. In 1265 werd een parlement geïnstalleerd met vertegenwoordigers van de grootste steden in Engeland, en de decennia daarop werd dat uitgebreid naar de boroughs.

Aanvankelijk waren de afgevaardigden “knights of the shire” of “burgesses”, verkozen door inwoners van de respectievelijke gebieden die het stemrecht hadden (landeigenaars of, in sommige gevallen, gezinshoofden). Sedert 1535 was er in Wales precies één vertegenwoordiger per gebied, en sinds 1885 is dat zo voor het hele VK.

In de praktijk had dat (en heeft dat ook nu) twee belangrijke consequenties:

  1. elke kiezer weet precies wie hem of haar representeert in het parlement
  2. in welk gebied je ook woont, er is altijd iemand die dat gebied vertegenwoordigt

Dit gebruik heeft ertoe geleid dat de Britten het aldoor over “my MP” hebben. Ze schrijven of emailen gemakkelijk naar hun MP’s (die vaak ook zogenaamde surgeries houden waar ze hun kiezers ontmoeten). Het gaat hier niet om het dienstbetoon dat in België wel voorkomt, maar eerder  om problemen aan te kaarten (bijvoorbeeld rond zaken van ruimtelijk ordening) of om hun aandacht te vestigen op belangrijke thema’s (bijvoorbeeld ontwikkelingshulp). Door de bank genomen nemen die parlementsleden de belangen van hun constituents ook echt ter harte – tot en met het stellen van parlementaire vragen toe.

En het is precies die directe band met “hun” MP die de Britten zo waarderen. Wanneer je het klaarblijkelijke belang begrijpt voor de Britten om die ene vertegenwoordiger voor hun district te kunnen kiezen, wordt het al wat helderder waarom FPTP niet noodzakelijk ondemocratisch of onrechtvaardig is. Je kunt het systeem vergelijken met bijvoorbeeld het kiezen van een voorzitter in een vereniging: wie daar de meeste stemmen heeft wordt verkozen.

Het ene (on)democratische systeem is het andere niet

Stel een vereniging heeft vijf plaatselijke afdelingen,  elk met 30 leden. Er zijn vier groepen van leden: de Jongeren, de Ouderen, de Blauwogen, en de Bruinogen, die elk maximaal een kandidaat voorstellen voor het voorzitterschap van elk van de vijf afdelingen.  De uitslag is als volgt:

Ex1

In Antwerpen krijgt de Jongerenkandidaat de meeste stemmen, en die wordt daar dus voorzitter. In Brugge en in Brussel haalt de kandidaat van de Blauwogen  het, en in Gent en Hasselt wint de kandidaat van de Bruinogen. Geen van de kandidaten van de Ouderen haalt ergens de meeste stemmen, en zij leveren dus geen enkele voorzitter. In elk geval is iedere kandidaat democratisch verkozen in zijn eigen afdeling.

Wanneer nu de vijf voorzitters moeten samenkomen om het beleid van de vereniging te bepalen, is er protest vanwege de groep van de Ouderen: “Niet democratisch! Waarom mogen wij, met in totaal 20% van de stemmen, niet meepraten over het beleid, en de Jongeren met amper 10% van de stemmen wel?”

De Ouderen stellen voor de voorzitters toe te wijzen op proportionele basis naargelang het totale stemmenaantal. Ze hebben tenslotte bijna evenveel stemmen als de Bruinogen, en dus zou het rechtvaardiger zijn mochten ook zij een van de voorzitters mogen leveren. Die Bruinogen, sympathiek als ze zijn, gaan akkoord, en de voorzitter van de Hasseltse afdeling wordt dus een Oudere.

ex2

Nu is het echter de beurt van de Blauwogen om niet tevreden te zijn. Die stellen immers vast dat, als je dan toch naar het stemmenpercentage kijkt, er duidelijk een anomalie is: met slechts 15 stemmen hebben de Jongeren een voorzitter, en zij hebben er, met meer dan vier keer zoveel stemmen, slechts 2. “Ha neen! Als we dan toch democratisch willen zijn, laten we dan een echt democratisch systeem gebruiken: dat van de Belgische wiskundige Victor D’Hondt!”

ex3

Zo gezegd, zo gedaan. D’Hondt wordt toegepast, en nu blijkt dat de Blauwogen drie van de voorzitters mogen leveren, en de Ouderen en de Bruinogen elk één. De Jongeren kijken argwanend toe naar wat volgt: Hasselt houdt zijn Oudere voorzitter, Gent zijn Bruinogige, en Brugge en Brussel krijgen elk een Blauwogige voorzitter. En dus moet Antwerpen de derde Blauwogige voorzitter krijgen…

“Ondemocratisch!” klinkt het nu bij de Antwerpse Jongeren. “Hoe kan het nu dat de kandidaat die hier de minste stemmen haalde onze voorzitter wordt?” De Blauwogigen moeten toegeven dat die kritiek niet helemaal ongegrond is. Eén onder hen merkt op dat de Gentse kandidaat van de Blauwogen evenveel stemmen haalde als de Jongerenkandidaat in Antwerpen – misschien zou die dan voorzitter kunnen worden in Antwerpen? Maar nu wordt het protest nog luider, want ook de Ouderen en de Bruinogen roepen nu samen met de Jongeren: “Een voorzitter die niet uit Antwerpen komt? Kan het ondemocratischer? Over ons lijk!”

Wat blijkt? Op elk van de drie bekeken systemen kan wel iets worden aangemerkt. Een perfecte democratische oplossing bestaat dus niet, en naargelang wat je belangrijk vindt (naast natuurlijk het succes of gebrek daaraan van je geprefereerde kandidaat) ga je wellicht een voorkeur hebben voor één van de mogelijkheden. Dat betekent echter niet dat die meer democratisch is dan de andere.

En de Britten, zo blijkt, prefereren grotendeels het FPTP systeem. In 2011 werd, op aansturen van de Liberal Democrats die dat in het programma van de coalitieregering hadden weten op te nemen, een referendum gehouden rond het kiessysteem. De LibDems  voelden zich, als kleinere partij, immers benadeeld  door FPTP. De kiezer kon zich uitspreken over de vraag of het Alternative Vote systeem zou moeten gebruikt worden in plaats van het bestaande stelsel. Dat AV systeem verkiest weliswaar nog steeds één afgevaardigde per district, maar vermindert de tendens tot tactisch stemmen en leidt in de meeste gevallen tot een meer proportioneel resultaat. Het voorstel werd echter met een ruime tweederden meerdheid verworpen. Het is dus de vraag of nog een ander  systeem, zelfs gezien de luide kritiek die nu weerklinkt, een kans maakt. Voor wie het interesseert, John Rentoul zette afgelopen zaterdag de alternatieven op een rijtje.

Verloren stemmen

Een van de verwijten die het FPTP systeem krijgt is dat het aantal stemmen dat een partij nodig heeft om een zetel te behalen sterk uiteen loopt. The Economist wijst op de discrepantie tussen stemmenaantal en aantal behaalde zetels, en merkt op dat, omdat elk van de 650 districten onafhankelijk zijn, iedere stem die niet strikt nodig is om een zetel te winnen, eigenlijk een verloren stem is. Dat leidt dan tot berekeningen als deze van de ERS:

erstweet

De ERS deelt hier simpelweg het aantal nationaal behaalde stemmen door het aantal behaalde zetels. Dat drijft natuurlijk dat getal op voor partijen die in vele districten opkomen maar slechts weinig zetels halen (zoals UKIP die in 625 districten opkwam en maar één zetel behaalde), en houdt het laag voor partijen die slechts in een beperkt aantal districten kandidaten hebben (zoals de SNP, die 56 zetels haalde in de 59 Schotse districten waar ze aantraden).

Maar je kunt ook kijken naar het aantal stemmen dat elke partij haalde in districten waarin ze verloren, en je kunt daar zelfs nog de stemmen bijtellen die ze overhad nadat ze “past the post” was – als ze bijvoorbeeld een meerderheid heeft van 850 stemmen,  dan zijn 849 stemmen daarvan eigenlijk ook “verloren”, want niet nodig om de zetel te behalen. Dat levert dit plaatje:

lostvotes

De grote partijen blijken een veel groter aantal “verloren stemmen” te hebben dan de kleinere. Het is dus niet noodzakelijk zo dat enkel de kleine partijen door dit fenomeen benadeeld worden.

Het is evenmin zo dat alleen het FPTP-systeem zulke “verloren stemmen” oplevert . Ook in proportionele systemen als dat van D’Hondt zijn er stemmen die geen invloed uitoefenen op het uiteindelijke resultaat. Wat FPTP wel toelaat is precies te identificeren welke die stemmen zijn (en als je zou weten wie op welk moment komt stemmen zou je zelfs kunnen aanwijzen welke kiezers net zo goed thuis had kunnen blijven).

Alle macht aan 901 kiezers

Tot slot, een toemaatje. Een Britse blogger, Diamond Geezer, rekende uit dat de Conservatieven hun absolute meerderheid te danken hebben aan niet meer dan 901 kiezers in 7 districten. In Gower, de meest marginale zetel, haalden de Tories een meerderheid van krap 27 stemmen; mochten 14 Conservative kiezers voor Labour hebben gestemd, dan had Labour de zetel binnengehaald. Hetzelfde principe geldt voor zes andere districten, en dus kun je terecht besluiten dat het inderdaad zo is 901 mensen de uitslag van de verkiezingen hebben bepaald.

Het FPTP systeem is beslist niet ondemocratisch, maar het zorgt – meer dan welk ander stelsel ook – alvast voor bijzonder interessante invalshoeken en inzichten.

Deze gastpost werd geschreven door Koen Smets. Twittert onder @koenfucius.