N-VA wint bij ‘zuivere’ kieskring

Het klinkt ongerijmd, maar het zou voor de N-VA nog zo gek niet zijn om het idee van een federale kieskring te steunen. Niet om zo 15 van de 150 Kamerzetels te verkiezen. Wel om dat te doen voor alle 150 zetels: een ‘zuivere’ federale kieskring dus.

Het ‘non’ van het cdH tegen de informateursnota van Bart De Wever (N-VA) was een verrassing. De nota was sociaaleconomisch gematigd. Bovendien stond er niets in over eventuele institutionele hervormingen. Nu blijkt dat dat laatste voor het cdH net het probleem was, uiteraard niet om België verder te ontmantelen, wel om het weer te versterken. Daarvoor verwees het cdH expliciet naar de invoering van een federale kieskring. De N-VA zou dat voorstel moeten steunen.

Maar voor de N-VA is dat onaanvaardbaar, wordt gezegd. Veel hangt echter af van hoe die federale kieskring wordt ingevoerd. Vaak wordt verwezen naar het voorstel van Pavia, een groep van Belgische politicologen. Hun voorstel komt erop neer dat 15 van de 150 Kamerzetels via een federale kieskring worden gekozen, waarvoor zowel Vlamingen als Franstaligen kunnen stemmen. Essentieel in hun voorstel zijn de quota: vooraf wordt bepaald dat zes zetels voor Franstaligen zijn en negen zetels voor Vlamingen.

Men kan echter veel verder gaan en alle 150 zetels via een federale kieskring laten verkiezen, zonder quota. Dat zou de ‘zuivere’ federale kieskring zijn, en hij zou sterk gelijken op het Nederlandse kiessysteem. Volgens mij kan de N-VA die zuivere federale kieskring paradoxaal genoeg wel eens steunen.

tabel

Uit een eigen simulatie blijkt dat een federale kieskring met 150 zetels zonder quota de traditionele families bij de jongste verkiezingen sterk benadeeld zou hebben, terwijl dat niet het geval zou zijn voor de N-VA. De tabel geeft in de eerste kolom het resultaat zoals het was. De tweede kolom geeft de gesimuleerde uitslag van één federale kieskring, waarbij alle partijen apart opkomen. De laatste kolom geeft het resulaat in het geval van lijstverbindingen, zoals in Nederland mogelijk is.

De liberale en socialistische families zouden bij één federale kieskring zonder lijstverbinding elk vier zetels verliezen. Ook de christen-democraten zouden één zetel verliezen. Dat verlies van de traditionele partijen is volledig toe te schrijven aan het verlies van de Franstalige partijen. Open VLD en de sp.a zouden zelfs elk een zetel winnen. De N-VA daarentegen zou stabiel op 33 zetels blijven. De winnaars zouden de PVDA/PTB en het Vlaams Belang zijn, met elke een winst van drie zetels.

Als de politieke families een lijstverbinding aangaan kan dat verlies getemperd worden: de liberale en socialistische families kunnen het verlies dan beperken tot elk drie zetels in plaats van vier.

Een federale kieskring zonder quota zou, op basis van de uitslag van 25 mei, de traditionele partijen verzwakken, terwijl de N-VA stabiel blijft. Dat komt neer op een relatieve winst voor de N-VA. De belangrijkste redenen voor dat resultaat zijn vrij technisch. Het is toe te schrijven aan het feit dat in Franstalig België meer kleine partijen opkomen, dat er meer blanco gestemd wordt en dat in een federale kieskring geen vast aantal zetels per provincie wordt toegekend. Combineer die factoren met het heterogene kiespatroon in Franstalig België, waarbij sommige provincies blauw kleuren en andere rood, en het is duidelijk dat de traditionele Franstalige partijen benadeeld zijn als één federale kieskring wordt ingevoerd. Vandaar dat het mogelijk is dat de N-VA een dergelijk voorstel zou steunen.

Maat het gaat om een simulatie. Als er een nieuw kiesstelsel komt, passen de politieke partijen hun gedrag aan. Voor de Franstalige partijen betekent dat in de eerste plaats dat ze de kleinere partijen aan zich gaan willen binden en zo veel mogelijk blanco stemmen trachten te vermijden. Dat zijn op zich al twee democratische doelen.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk bij De Tijd.

De “kamikaze-regering” is geen kamikaze-regering

Gisteren zei cdH ‘non’ op de nota van informateur Bart De Wever; cdH heeft centrumrechts, N-VA + CD&V + MR + cdH, dus (voorlopig?) afgeschoten. Daardoor zit de federale regeringsvorming in moeilijke papieren: geen enkele mogelijke coalitie lijkt realistisch. Toch zou centrumrechts kunnen voortleven in een andere coalitie, namelijk zonder cdH maar met Open VLD. Dat zou betekenen dat MR de enige Franstalige partij zou zijn in de federale regering, met N-VA, CD&V en Open VLD aan Vlaamse kant.

In een federaal land is dit legitiem: de federale regering moet een meerderheid krijgen in het federale parlement, ongeacht tot welke taalgemeenschap de parlementsleden van de meerderheid behoren. Toch wordt door opiniemakers en journalisten weinig geloof gehecht aan dit scenario en heeft deze mogelijke regering de bijnaam “kamikaze-regering” gekregen: MR zou zich immers kapot regeren in een dergelijke “pro-Vlaamse” regering die onvoldoende de Franstalige belangen zou kunnen verdedigen.

Ministerposten tellen (en verdisconteren)

Ik ben van mening dat de “kamikaze-regering” toch een realistische optie is voor MR en wel om twee redenen.

Ten eerste zal MR in een dergelijke regering 7 ministers mogen leveren. Men doet wat smalend over politieke partijen die achter ‘postjes’ jagen, maar volgens mij is dit tot op zekere hoogte heel normaal en zelfs gewenst voor een politieke partij: het is via ministerposten dat men kan wegen op het beleid en zo het eigen programma kan uitvoeren. Het najagen van postjes is pas ongewenst als een partij het eigen programma opgeeft of onnodig verzwakt om toch maar ministerposten binnen te halen. Maar dat zal in een “kamikaze-regering” voor MR net niet het geval zijn: met Open VLD en N-VA zal het regeerakkoord op sociaal-economisch vlak zeer liberaal zijn. Met andere woorden, MR zal met 7 ministerposten volop liberaal kunnen regeren. En welke MR-kiezer zal hiervoor de MR afstraffen?

De kans dat MR zich kapot regeert in een “kamikaze-regering” is volgens mij dus veel minder zeker dan wordt voorgesteld. Maar zelfs als MR in 2019 wél zou afgestraft worden, dan nog is het volledige plaatje voor MR voordeliger in een “kamikaze-regering” in vergelijking met een tripartite (wat wellicht het enige alternatief is, tenzij de Brazilië-coalitie mogelijk wordt).

En dat is de tweede reden: in het meest pessimistische scenario zou een “kamikaze-regering” er in 2019 toe leiden dat de MR in de oppositie zit: voor de twee legislaturen levert dit in totaal 7 ministerposten op: 7 in 2014 en 0 in 2019. De “tripartite” levert nu 3 ministers en levert, in een optimistisch scenario dat MR ook in 2019 in de regering zit, 3 ministers op. Over de twee legislaturen levert dit dus 6 ministers op, minder dan wat MR in een “kamikaze-scenario” heeft. En het is dan nog helemaal niet zeker of MR in 2019 wel in een regering zit als ze nu in een tripartite zit (en omgekeerd, na een “kamikaze-regering” kan MR misschien toch weer in een regering komen).

Bovendien is 2019 voor politici een eeuwigheid. We moeten dus verdisconteren: zelfs een 100% zekere ministerpost in 2019 weegt veel minder door dan een 100% zekere ministerpost in 2014. Daarvoor is politiek te volatiel en de individuele politici die nu in aanmerking komen voor een ministerpost zijn niet zeker of ze in 2019 nog aan de top staan. Als er gerekend wordt met een discontovoet van 5% per jaar (wat me zeer laag lijkt voor een politieke omgeving) dan is 1 ministerpost in 2019 evenveel waard als 0,78 ministerpost in 2014. Een discontovoet van 10% reduceert dat tot 0,62. Drie ministerposten in 2019 zijn dan minder waard dan 2 ministerposten in 2014.

Om die redenen is, althans uit hoofde van de MR, een “kamikaze-regering” volgens mij helemaal geen kamikaze-regering en zou MR bereid moeten zijn om in een dergelijke regering te stappen. Een belangrijke indicatie die deze stelling onderbouwt is de uitspraak van Kris Peeters dat een federale regering met MR als enige Franstalige partij niet lukt, zonder evenwel inhoudelijke argumenten te geven. Dat CD&V dit moet zeggen, wijst er op dat MR deze optie op zijn minst overweegt.

Federale vs. confederale logica

Tot slot nog iets over de logica van een federale regering. Het feit dat de federale regering volgens de wet geen meerderheid nodig heeft in elke taalgroep, impliceert dat deze regering regeert over Belgen, en niet zozeer over Vlamingen en Franstaligen. Dat er dus gezocht wordt naar een ideologisch coherente regering zonder rekening te houden met taalaanhorigheden is perfect legitiem. Als MR dus in de “kamikaze-regering” stapt, dan vormt ze zo een federale regering die het federale aspect in extreme mate invult en geeft ze -paradoxaal genoeg- het confederalisme van N-VA het nakijken.

Meer nog, veruit het grootste beleidsdomein waarover de federale regering en parlement haar zeg doet is de sociale zekerheid. En die regelt een interpersoonlijke solidariteit, namelijk een solidariteit tussen individuen onderling, weerom los van enige taalaanhorigheid: in België betaalt een rijke, gezonde, werkende Vlaming net evenveel aan SZ-bijdragen als een rijke, gezonde, werkende Waal. En een arme, zieke, werkloze Vlaming krijgt dezelfde uitkering als een arme, zieke, werkloze Waal. Dat er netto-transfers van Vlamingen naar Walen gaan is enkel omdat er relatief meer arme, zieke, werkloze Walen zijn.

In een confederale logica, die bijvoorbeeld N-VA volgt, is de solidariteit niet interpersoonlijk maar tussen groepen (of gemeenschappen.. Wat N-VA zou willen is weliswaar de solidariteit voor 20 jaar behouden, zij het degressief, maar tijdens die 20 jaar is het wel een solidariteit tussen de twee taalgemeenschappen, van Vlaanderen naar de Franstalige gemeenschap. In die constellatie is het dus goed mogelijk dat een arme, ziek, werkloze Waal minder krijgt dan een Vlaming in dezelfde situatie.

Dat de N-VA indertijd met scherp schoot op het feit dat de Vlaamse regeringspartijen in Di Rupo I een minderheid hadden, past dan ook in die confederale, Vlaams-nationalistische logica: eerst wordt gekeken tot welke groep/gemeenschap het individu behoort, dan pas naar de situatie van het individu. De groep primeert dus op het individu.

Partijen die een federale logica volgen, zoals Open VLD en – naar ik meen- de Franstalige partijen gezien ze de interpersoonlijke solidariteit willen behouden, kunnen niet tegen het principe van een Vlaamse of Franstalige minderheid zijn. Het argument dat MR in de “kamikaze-regering” in een ‘pro-Vlaamse’ regering zou zitten, is dan ook gelijkaardig aan wat N-VA aan de Vlaamse regeringspartijen aanwreef toen zij in DiRupoI zaten. Dat zou dus weinig consequent zijn.

Dat een liberale partij, zoals Open VLD, de confederale logica, die de groep vóór het individu stelt, verlaten heeft, is een terugkeer naar haar liberale roots: het individu primeert op de groep. Mensen zijn en willen in essentie hetzelfde, ongeacht de taal die ze spreken of de plaats waar ze geboren zijn. Het impliceert ook dat de banden met zusterpartij MR sterker kunnen en moeten worden.

De wil van de kiezer is onkenbaar

Menig opiniemaker sprak zich al uit over wat de kiezer nu eigenlijk heeft gekozen. Als hij heeft gekozen voor een centrumrechtse coalitie met de N-VA, dan is het zonneklaar dat de N-VA op zijn minst een eerlijke kans moet krijgen die op de been te brengen, klinkt de redenering. Maar weten waarvoor de miljoenen kiezers nu net gekozen hebben, is onmogelijk.

De ‘wil van de kiezer’ heeft meerdere dimensies. Bovendien zijn er miljoenen kiezers. Spreken over de ‘wil van de kiezer’ is dan ook populistisch in de letterlijke betekenis, namelijk de politieke stijl waarbij beweerd wordt in naam van het volk te spreken.

Je kan dus meerdere interpretaties geven aan de verkiezingsuitslag van 25 mei. Om dat te illustreren geeft de bijgaande figuur winst en verlies voor verschillende min of meer coherente groepen van partijen. Daaruit blijkt dat de Vlaamse federale regeringspartijen gewonnen hebben, en de Franstalige verloren. Dave Sinardet merkte eerder in De Tijd al op dat in Vlaanderen rechts verloren en links gewonnen heeft (in stempercentages); in Wallonië is het net omgekeerd. Bart Maddens stelde in De Tijd dan weer dat het Vlaams-nationalisme verloren heeft: Vlaams Belang, LDD en de N-VA, de V-partijen volgens Maddens, gaan meer dan 5 procentpunten achteruit. Over de grootste winnaar, het Waalse liberalisme dat er 6 procentpunten op vooruitging, hebben we verrassend genoeg helemaal niets gehoord.

winstverliesvk14

Bovendien kan kiesgedrag door verschillende thema’s beïnvloed worden, ook al waren die niet prominent aanwezig in de campagne. Het communautaire thema was absoluut niet de inzet, maar misschien hebben wel veel Vlaams Belang-kiezers voor de N-VA gestemd in de hoop dat de partij incontournable zou worden. En justitie, veiligheid, migratie en milieu lijken me steeds thema’s die kiezers sterk beroeren, of het nu een campagnethema is of niet.

Door die veelheid aan thema’s en individuen is het dus onmogelijk te weten wat nu net dat ene ‘signaal’ is dat de kiezers zondag 25 mei hebben gegeven. Elke kiezer heeft een bolletje gezet bij een partij of naam, en daar moeten we het mee doen. Men zou kunnen worden verleid om het kiessysteem aan te passen. Bijvoorbeeld door met meerdere ronden te werken waarbij telkens de zwakste partij afvalt, of door meerdere stemmen te geven met verschillende gewichten. Maar ook dat zou geen soelaas bieden. Meer nog, de Amerikaanse econoom Kenneth Arrow toonde al in 1951 aan dat er gewoon geen stemprocedure bestaat die de wil van de kiezers op een rechtvaardige en consistente manier kan uitdrukken.

Elke interpretatie van de wil van de kiezer is dus niet meer dan dat: een interpretatie. En dus zeer subjectief. Op zich is daar natuurlijk niets mis mee: iedereen mag zijn voorkeur voor een coalitie uitdrukken. Maar er mogen aan die interpretatie geen algemene conclusies verbonden worden, zoals dat de geloofwaardigheid van het systeem in gevaar zou komen als deze of gene coalitie geen eerlijke kans zou krijgen.

De enige objectieve regel na de verkiezingen is 50+1. Dat neemt niet weg dat de ene coalitie beter de wil van de kiezer zou uitdrukken dan de andere. Dat is goed mogelijk. Maar we kunnen het eenvoudigweg niet weten, omdat de wil van de kiezer onkenbaar is, welke stemprocedure we ook zouden instellen.
Als het een troost mag zijn: de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper interpreteerde het nut van een democratie helemaal anders. Dat nut lag niet in een beleid dat de wil van de kiezer zou moeten uitdrukken, wel in het feit dat een democratie – via verkiezingen – steeds voor een geweldloze overdracht van de macht zorgt.

Deze tekst verscheen eerst als column bij De Tijd.

Grootste partij uitsluiten is ook democratie

De verkiezingen van afgelopen zondag hebben in Vlaanderen van N-VA duidelijk de grootste partij gemaakt: in het Vlaams parlement haalt N-VA 43 van de 124 zetels wat neerkomt op 34,7% van de zetels. In de Kamer haalt de partij 33 van de 150 zetels of 22%. Als je vergelijkt met de 87 zetels in de Vlaamse taalgroep, dan is dit bijna 38% van de Vlaamse zetels in de Kamer.

Het lijkt dan ook zonneklaar dat N-VA in de volgende regeringen moet zitten. Dat lijkt alvast ook de mening van Isabel Albers, hoofdredactrice van de Tijd, die in haar krant het volgende schreef:

Gewoon doordoen met de klassieke zespartijenregering zou een bijzonder grote miskenning zijn van wat de Vlaamse kiezer gisteren heeft gezegd. In de grootste gemeenschap in dit land was het signaal bijzonder eenduidig: de N-VA moet aan zet. De Franstalige partijen zouden moeten beseffen dat ze paradoxaal genoeg om België te redden de N-VA beter alle kansen geven om een regering te vormen. Want de grootste partij van het land aan de kant schuiven, ondermijnt de credibiliteit van het hele Belgische systeem.

In het televisieprogramma Terzake van die maandag herhaalde Albers haar stelling en kreeg ze bijval van professor Carl Devos.

In de Tijd van woensdag deed Ignace Van Doorselaere, CEO van lingeriefabrikant Van de Velde, er een hele schep bovenop. Hij stelde dat zomaar wat zetels tellen niet volstaat, “je moet ook de ziel van de kiezer respecteren”. Vervolgens gaf hij in zijn opiniestuk zelf een interpretatie van die ziel, met onder meer deze opmerkelijke passage:

We moeten trouwens rekening houden met de groei van Groen. Uiteraard nooit om iets wat op vermogensbelasting lijkt in te voeren – goesting, ambitie en vertrouwen moeten gevoed worden, niet gestraft-, maar wél voor een forse omslag naar milieubelasting in plaats van loonbelasting.

Ik denk dat zowel Albers als Devos, en zeker Van Doorselaere, hier een loopje nemen met de basisbeginselen van de democratie door een speciaal statuut te geven aan de grootste partij, en wel om twee belangrijke redenen.

1. Elke stem is even veel waard

Als N-VA naar de oppositiebanken wordt verwezen, dan zal er met de stem van 1 op 3 Vlaamse kiezers geen rekening gehouden worden als het regeerakkoord wordt opgemaakt (of toch niet rechtstreeks). Maar dat is natuurlijk altijd zo in een democratie, waar er op voorhand wordt afgesproken dat een regering voldoende heeft aan 50+1. De meest krappe meerderheid zet zo 49,9% van de kiezers buitenspel. Dat is de regel die we in een democratie aanvaarden. Er wordt ook geen waarde-oordeel gegeven over hoeveel kiezers er uitgesloten worden: dat kunnen er 49,9% zijn of 10%.

Als N-VA met CD&V een Vlaamse regering zou maken, dan hebben ze samen bijna 56,5% van de zetels. Dat betekent dat 43,5% van de zetels buitenspel gezet worden, wat neerkomt op alle kiezers van sp.a, Groen en Open VLD, samen goed voor bijna 38% van de zetels en Vlaams Belang (5%).

Als er een klassieke tripartite zou gemaakt worden, dan zou die 51,5% van de zetels hebben. Dan worden de kiezers van N-VA en Groen buitengesloten, samen 42,7% en Vlaams Belang (5%).

Nu is de vraag simpel: als we in een democratie aanvaarden dat 49,9% van de kiezers kunnen uitgesloten worden, waarom is het dan onaanvaardbaar dat de kiezers van N-VA en Groen worden uitgesloten (met samen 42,7% van de stemmen) en is het wél aanvaardbaar dat de kiezers van sp.a, Groen en Open VLD (samen 38%) uitgesloten worden? In het tweede geval worden er minder kiezers uitgesloten, maar dat is dus geen criterium in een democratie: ook 49,9% van de kiezers mogen buitengesloten worden.

De ziel van de kiezer

De logisch inconsistentie dat N-VA niet mag buitengesloten worden, maar pakweg Open VLD en sp.a wel, kan enkel opgelost worden door naar iets vaag te verwijzen als “de credibiliteit van het Belgische systeem” of nog erger “de ziel van de kiezer”.

Op die manier wordt er lustig geïnterpreteerd dat de kiezer van N-VA een “signaal” gegeven heeft dat niet kan genegeerd worden.Maar dat zijn slechts interpretaties, die sterk gekleurd worden door de toevallige voorkeur van één of andere kiezer.

Ik geef u een willekeurige, andere interpretatie: de monsterscore van N-VA is ingegeven door een anti-campagne met een charismatisch leider; de meeste N-VA-stemmers doen gewoon mee met de grote hoop, puur kuddegedrag, zonder er goed bij na te denken. Langs de andere kant, hoe sterk moet je niet overtuigd zijn om na de barslechte sp.a-campagne met een voorzitter die pas de laatste drie weken van zijn zeilboot kwam, toch nog die stem aan sp.a te geven. Dat kunnen alleen rotsvast overtuigde stemmers zijn. Als de intensiteit, zeg maar de waarachtigheid, of nog beter, de ziel van de stemmen gemeten kon worden, dan hebben de N-VA-stemmen een score 1, en de sp.a-stemmen een score 100.

Voor alle duidelijkheid: deze interpretatie, die slechts bij wijze van voorbeeld gegeven wordt, is evenveel waard als de interpretatie als zou specifiek de N-VA kiezer een signaal hebben gegeven. Die waarde is nul (wat natuurlijk niet wegneemt dat mensen mogen interpreteren en die interpretatie kenbaar maken).

En de interpretatie van de “ziel van de kiezer” door Van Doorselaere is helemaal te gek om los te lopen: de groei van Groen wordt door hem niet geïnterpreteerd als een vraag naar een vermogensbelasting; wél naar eco-fiscaliteit. Ik doe mijn hoed af voor zoveel inzicht in “de kiezer” van Groen.

Coherente regering

Een ander argument waarom N-VA in de regering zou moeten zitten, is dat dit een centrum-rechtse regering oplevert, iets waar Vlaanderen voor gestemd heeft.

Ook dit is een interpretatie die alle kanten kan opgaan. Waarom zou een regering N-VA+CD&V beter zijn dan een tripartite? Alvast volgens Bart De Wever zitten ze toch allen in het N-VA-model, behalve Groen.

En momenteel wordt door sommigen geopperd om zelfs met Groen een coalitie te vormen, zodat we N-VA+Open VLD+Groen kunnen krijgen. Dat lijkt misschien wat ver gezocht, maar ik ken alvast heel wat liberalen die het “groen liberalisme”, waarbij via markt-gebaseerde en fiscale ingrepen een vergroening bekomen wordt, genegen zijn. Liberales heeft er in 2006 nog een succesvolle studiedag over georganiseerd.

Met andere woorden, een coherente regering kan allerlei coalities opleveren. De meerderheidspartijen zullen dan zelf op zoek gaan waar er een duidelijke overlap is en zullen de andere domeinen minder opzoeken. Om een historisch voorbeeld te geven: zo voorspelde Louis Tobback dat de paarse regeringen van Verhofstadt zouden eindigen in bont en blauw. Maar het is wel paars dat het homohuwelijk en de euthanasiewet gestemd hebben. Veel liberalen zijn hier nog steeds zeer trots op, en terecht volgens mij.

Interpretaties

Al die interpretaties, zij het van de “ziel van de kiezer” of een “coherent programma”, dienen enkel de individuele zienswijze op politiek. En uiteraard zal de ene interpretatie van wat de kiezers in een democratie écht willen correcter zijn dan een andere interpretatie.

Maar het probleem is dat we niet weten welke interpretatie beter is dan de andere. Dat is ook net het punt van verkiezingen: om te weten te komen wat de voorkeuren zijn van alle burgers. En is een democratie is er afgesproken dat die voorkeuren zich moeten uiten via een individuele stem voor partijen en kandidaten.

De interpretaties van de preferenties van de kiezers zijn dus steeds aanvechtbaar, omdat we de echte preferenties nooit kunnen kennen. Het enige wat telt na de verkiezingen is het aantal zetels en hoe de politici daar een meerderheid mee kunnen vormen. Na de verkiezingen heeft de burger zijn plicht gedaan door zijn individuele voorkeur te geven en zijn de politici aan zet, die natuurlijk naar hartenlust kunnen interpreteren en rekening houden met wat de burgers zouden willen. Maar die interpretatie kan dus afwijken van wat een specifieke burger wil.

 

2. Spelregels verander je niet tijdens het spel

Een tweede belangrijke reden is het veranderen van de spelregels tijdens het spel. Het is nu, na de verkiezingen, dat sommigen eisen dat de grootste partij in een regering moet zitten. Vóór de verkiezingen gold die regel alvast niet (en voorlopig gelukkig ook nu nog niet, alle zielen van de kiezer ten spijt).

Stel je eens voor dat de regel wél bestond vóór de verkiezingen: “de grootste partij moet in de regering”. Dat zou uiteraard het gedrag van de partijen sterk beïnvloed hebben. Groen zou quasi zeker een kartel vormen met sp.a. CD&V en N-VA zouden ook een kartel vormen; Open VLD zou zich daar willen tussen wringen. Of het zou helemaal anders kunnen uitdraaien. Maar in ieder geval zou er heel wat kartelvorming zijn, en uiteindelijk zouden we wellicht naar een tweepartijen-systeem overgaan.

Maar dat is natuurlijk niet gebeurd, net omdat de regel “de grootste partij moet in de regering” niet van toepassing is, niet vóór en niet na de verkiezingen.

Door echter ná de verkiezingen te eisen dat de grootste partij in de regering moet zitten, geef je aan N-VA (en PS) een voordeel dat alles behalve democratisch is: plots hecht je na de verkiezingen veel meer belang aan een stem voor de grootste partij dan voor een andere partij, zonder dat dat op voorhand afgesproken was. Je zou dus zo en cours du route de spelregels veranderen, en dat is vals spelen.

Dat N-VA als grootste partij als eerste mag proberen een regering te vormen wijkt trouwens niet af van één of andere regel, omdat dit door de andere partijen aanvaard wordt. Het is een gebruik, maar het zou even goed niet zo kunnen geweest zijn. En dan was dat ook democratisch.

De reden dat het toch vaak (altijd?) de grootste partij is die het initiatiefrecht krijgt, is waarschijnlijk ook pragmatisch ingegeven: de kans is wellicht groter dat er een snelle en stabiele coalitie op de been komt met de grootste partij.

 

3. Mars op Brussel tegen de samenstelling van een regering zonder N-VA

Tot slot nog iets over de Facebook-oproep om een mars op Brussel te organiseren als N-VA uit de federale regering geweerd wordt. De oproep stelt onder meer dat “een tweede N-VA-Exit niet democratisch te verantwoorden is”.

Hier wordt het speciale statuut van N-VA (en overigens niet van de PS) in het extreme doorgetrokken: de N-VA moet, als grootste partij, in de federale regering, anders is dit democratisch niet te verantwoorden.

Dat de N-VA zelfs in Vlaanderen geen meerderheid heeft, is blijkbaar van geen tel. De N-VA kiezers, die een minderheid vormen, moeten dan maar forceren dat N-VA toch opgenomen wordt in een regering. Dat is dan net het omgekeerde van democratie: de minderheid die, via de straat, eist welke partij in de regering moet.

De Facebook-groep telt momenteel 10.000 mensen die aangeven dat ze zullen meestappen. Het event is dus nog geen echte massa-beweging, maar moest dit werkelijk een grote beweging worden, dan is het in de eerste plaats aan N-VA om dit in de kiem te smoren, toch als ze beschouwd wil worden als een partij die de democratische regels respecteert.

Liberale democratie

De mars op Brussel verbieden kan niet. Niet omdat dit een democratisch recht is. Dat is het immers niet. Vrijheid van meningsuiting, via een mars of anderszins, is net géén recht dat je via een democratische meerderheid hebt. Het is een recht dat je als individu hebt, een recht dat onvervreemdbaar is, dat dus niemand van je kan afnemen, zelfs geen democratische meerderheid.

Die onvervreemdbare, individuele vrijheden zorgen ervoor dat we niet zomaar in een democratie leven, waar het effectief zou kunnen dat 49,9% van de mensen totaal aan de kant worden geschoven door een dictatuur van de meerderheid. Om dat tegen te gaan, hebben we een liberale democratie gecreëerd, waarbij het liberale aspect net die individuele onvervreemdbare vrijheden moet garanderen, onttrokken aan de democratische beslissingsbevoegdheid.

Ik schrijf het er in deze blogpost maar bij, omdat ik de indruk heb dat maar relatief weinig mensen de basisbeginselen van een democratie kennen, laat staan van onze liberale democratie.

Uw stem maakt het verschil niet

‘Elke stem telt.’ Alleen kluizenaars hebben dat niet te horen gekregen. Politici proberen zo de kiezer te motiveren voor hen te stemmen. Nochtans maakt een stem meer of minder niks uit. Zelfs een paar honderd of duizend stemmen meer of minder hebben geen relevantie voor de machtsverhoudingen. Voor een individuele kiezer is het duidelijk: stemmen heeft geen zin.

Dat één stem de verkiezingsuitslag significant beïnvloedt, is zeer onwaarschijnlijk. Om dat te illustreren heb ik op basis van de verkiezingsuitslag van juni 2010 met de methode D’Hondt berekend hoeveel extra stemmen er nodig zijn om één extra zetel ten koste van een andere partij binnen te halen. De grafiek geeft voor de vijf provinciale kieskringen aan hoeveel extra stemmen de partij die het dichtst bij een extra zetel zat daarvoor nog moest halen.

stemverschil

Dat varieert van 2.355 extra stemmen in Limburg tot 9.685 in West-Vlaanderen. De kans dat één stem het verschil maakt, is dus erg klein, zoniet verwaarloosbaar. Als je bedenkt dat in Limburg de kans op een significante individuele stem het grootst is, dan nog is dat enkel zo voor de Open VLDkiezers. En zelfs dat zou de machtsverhoudingen niet significant gewijzigd hebben: Open VLD zou dan 14 in plaats van 13 zetels gehad hebben. So what?

Het individuele kiesgedrag heeft geen significante impact. Er is wel een uitzondering: bekende mensen, en zeker bekende politici, kunnen wel een grote impact hebben op het stemgedrag van grote groepen mensen. Stel je voor dat Bart De Wever of Kris Peeters zouden aankondigen dat ze niet gaan stemmen, omdat het op die ene stem niet aankomt. Het gevaar is dat een groot deel van hun achterban hetzelfde doet. Dat heeft natuurlijk wel een effect. Maar voor de overgrote meerderheid van de kiezers is dat niet het geval: hun stemgedrag beïnvloedt geen grote groep kiezers, hooguit misschien een paar mensen uit hun directe omgeving, zonder een significant effect op de totaaluitslag.

Stemmen mag dan al geen nut hebben voor de individuele kiezer, de nutteloosheid ervan heeft wél een belangrijke invloed, maar dan op het stemgedrag van die individuele kiezer. Mensen beseffen – bewust of onbewust – dat hun stem niets uitmaakt. Je grondig informeren heeft dan ook geen zin. Dus gebeurt dat ook niet: de kennis van het politieke reilen en zeilen is bedroevend laag. Maar dat is rationeel gedrag. Economen spreken van rationele onwetendheid.

Bryan Caplan, een Amerikaans econoom, gaat nog een stap verder in zijn boek ‘The Myth of the Rational Voter’. Volgens Caplan zijn kiezers niet rationeel onwetend, maar rationeel irrationeel. Caplan stelt dat, aangezien één stem toch niet significant is, de kost voor het individu van een foute keuze nagenoeg nul is. Kiezers zullen zich dan laten leiden door ‘aangename’ keuzes, of die nu juist zijn of niet. Meer nog, politici weten zelf wel wat de goede keuzes zijn, maar ze willen natuurlijk verkozen worden en volgen de emotionele keuzes van de burgers, ook als die fout zijn. Het doet denken aan wat Bruno Tobback zei als minister: ‘We weten wat we moeten doen, maar dan geraken we niet herkozen.’

Caplan geeft het voorbeeld van vrijhandel. Kiezers zijn vaak tegen vrijhandel omdat ze denken dat die de welvaart verlaagt, ook al is er bij economen weinig twijfel dat vrijhandel de welvaart verhoogt. Zelf zou ik het voorbeeld geven van een congestietaks, zeker in België: Brussel en Antwerpen zijn de steden met de meeste files. Elke econoom zou een congestietaks invoeren, maar de politiek volgt vooralsnog niet.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Tijd.

Di Rupo I en Leterme deden financieringskosten België dalen

Afgelopen maandag werd in de kantoren van CEPS een conferentie georganiseerd over de duurzaamheid van de Belgische overheidsfinanciën. Het programma bestond uit een bespreking van de overheidsschuld, de pensioenen en over de staatshervorming (de slides vindt u hier). Hieronder bespreek ik het deel over de overheidsschuld.

Algemeen werd erkend dat België het de laatste 20 jaar zeer goed gedaan heeft wat betreft de staatsschuld: de schuld werd in de periode 1993-2007 afgebouwd van 134% naar 84%. Door de crisis steeg deze weer tot 100%, maar deze stijging was veel minder groot dan in de andere Europese landen, zeker in de eurozone, waardoor de kloof met de rest verminderd is (ik heb hierover al meermaals geblogd, zie bijvoorbeeld hier en hier).

Wat mij opviel was de presentatie van Peter Vanden Houte, hoofdeconoom bij ING, toen hij het “marktsentiment” vertolkte. We zijn het al min of meer vergeten, maar in november 2011 zag het er voor België echt niet goed uit: meer dan 500 dagen geen regering, een afwaardering van de kredietstatus door S&P en een rente op de overheidsschuld die piekte tot bijna 6%.

Dat gevaar is nu volledig verdwenen. De criticasters van de federale regering minimaliseren echter graag wat de impact is van de vorming van die regering op het huidige stabiele en relatief gunstige klimaat wat betreft de Belgische overheidsschuld. Ze stellen dat eind 2011 in meerdere landen van de eurozone de rente piekte, omdat het algemene economische klimaat negatief was. De terugkeer naar een normaler economisch klimaat is dus niet zozeer te danken is aan de vorming van de federale regering, maar aan factoren waar die federale regering geen vat op heeft.

Stabiele federale regering vermijdt hoge financieringskosten

Vanden Houte sprak dat in zijn presentatie impliciet tegen. Hij onderscheidt twee belangrijke zaken die eind 2011 de financiële markten bezighielden en die specifiek voor België negatief waren: (1) het feit dat België al 500 dagen geen regering had, met een afwaardering van S&P tot gevolg en (2) het feit dat het opbreken van België een realistisch scenario werd, waardoor de onzekerheid over het terugbetalen van de overheidsschuld steeg, en dus ook de risicopremie (en het rentepeil).

Er gebeurden twee zaken die dat beeld compleet veranderden: ten eerste was er de vorming van de regering Di Rupo in november 2011; ten tweede, werden de zogenaamde ‘Leterme-bons’, staatsbons voor de particulier, een groot succes. Daardoor drong het tot de financiële markten door dat de financieringsbehoeften van de Belgische overheden lokaal gefinancierd konden worden. De Belgische overheid kan dan wel armlastig zijn, de modale Belg zelf is rijk; en had blijkbaar voldoende vertrouwen in de terugbetaling van de schuld van zijn eigen overheid. Dat werd met de Leterme-bons ook voor de financiële markten duidelijk.

Deze twee gebeurtenissen hadden een grote, positieve impact op hoe België werd bekeken door de financiële marktspelers. Dat is te zien op de onderstaande figuur, uit de presentatie van Vanden Houte. De figuur toont de risicopremie specifiek voor België: vóór de regeringsvorming is deze positief en piekt ze eind 2011. Na de regeringsvorming (en de Leterme-bons) valt deze risicopremie sterk terug. En blijft ze gestaag dalen -omdat het duidelijk wordt dat Di Rupo I stabiel is?- en wordt deze halfweg 2012 zelfs negatief en verlaagt zo de rente die betaald moet worden.

riskpremium BE OLO10

Bron: ING (Peter Vanden Houte)

Los van wat de regering Di Rupo ook gedaan heeft, is de vorming van een stabiele regering op zich een besparing geweest, namelijk door lagere financieringskosten (en het vermijden van hogere financieringskosten). Ik heb eerder een poging gedaan om dat effect te kwantificeren: vanaf 2014 zou dat ongeveer 2,5 miljard euro per jaar opleveren. Deze berekeningen hebben een hoog ‘wat als’-gehalte, maar door de presentatie van Vanden Houte wordt deze analyse volgens mij ondersteund.

Lopende rekening en concurrentiekracht

Maar Vanden Houte had ook slechter nieuws over België. België mag dan wel de crisis goed doorstaan hebben, hij stelde zich vragen bij het teruglopende surplus op de lopende rekening. De onderstaande figuur heb ik gemaakt op basis van cijfers van AMECO en toont de balans van de lopende transacties met de rest van de wereld, in procent van het BBP (onder rubriek 10 van AMECO). De zwarte lijn geeft de evolutie voor België, de zeven andere landen zijn de buurlanden van België en 3 noordse landen.

balanceRoW

Hoewel enkel in 2012 er een licht negatieve balans werd genoteerd, is het duidelijk dat het surplus dat België historisch had, sterk is afgenomen. Vooral van 2007 op 2008 daalt deze sterk. Dat kan wijzen op een afnemende concurrentiekracht van België. In 2013 presteert België op hetzelfde niveau als Finland, beter dan Frankrijk en UK, maar slechter dan Duitsland, Nederland, Zweden en Denemarken.

Dat lijkt in tegenspraak met de eerdere vaststelling dat België de crisis relatief goed heeft doorstaan. Vanden Houte gaf als mogelijke verklaring dat België vooral jobs gecreëerd heeft in de publieke sector. Met de huidige crisis, die veroorzaakt wordt door een vraaguitval, zorgt dit er effectief voor dat België niet in een negatieve spiraal terechtgekomen is. Maar het zou op langere termijn wel kunnen leiden tot verlies aan concurrentiekracht.

Aantal ambtenaren stijgen bij regio’s en gemeenten

De figuur hieronder komt uit het recente jaarverslag van de Nationale Bank en toont de werkgelegenheid bij de overheid. De totale werkgelegenheid (gele lijn) is tussen 2005 en 2009 inderdaad gestegen met ongeveer 5%, maar daarna was de stijging van de totale werkgelegenheid bij de overheid nagenoeg nul.

De sterke afname van de balans van de lopende transacties gebeurt voornamelijk tussen 2007 en 2008 (zie bovenstaande figuur). Daarna kabbelt de balans wat voort, nog net positief (behalve in 2012).

werkgelegenheidoverheid

Bron: jaarverslag 2013 NBB

Uit de figuur blijkt bovendien dat het aantal ambtenaren van de federale overheid en de sociale zekerheid sinds 2009 sterk is afgenomen, met meer dan 5% (blauwe lijn). De toename zit dus bij de regio’s en de lokale overheid. Op basis van deze cijfers kan de huidige federale regering niet verantwoordelijk gesteld worden voor de afnemende concurrentiekracht, indien dit zou veroorzaakt worden door een stijging van het aantal ambtenaren.

Een andere verklaring zou kunnen dat er door de (federale) overheid veel werkgelegenheid gesubsidieerd wordt zonder dat deze werkgelegenheid bij de overheid geteld wordt. Het gaat dan -denk ik- vooral over de werkgelegenheid via dienstencheques. Maar dit debat wordt dan wel complexer, omdat er heel wat andere effecten relevant zijn, buiten de loutere overheidssubsidie: dienstencheques zorgen ervoor dat tweeverdieners makkelijker kunnen blijven werken, halen mensen uit de werkloosheid of halen ze uit het zwart circuit (met opbouw van sociale rechten). De netto-kost (of winst) is dan veel moeilijker te berekenen, ook al omdat de cijfers niet vlot beschikbaar zijn.

Conclusie

Mijn conclusie van dit deel van de studiedag is dan ook dat België de laatste jaren relatief goed gepresteerd heeft op economische vlak en op vlak van de overheidsschuld. De vorming van Di Rupo I en de Leterme-bons hadden een duidelijke, positieve impact op hoe de financiële marktspelers België percipiëren. Plots was er terug vertrouwen en keerde België terug in het clubje van de kernlanden. Het is een prestatie die niet mag geminimaliseerd worden.

De mogelijke afname van de concurrentiekracht moet zorgen baren, maar een stijging van het aantal ambtenaren lijkt me niet de oorzaak. Ik zeg hiermee niet dat het overheidsapparaat niet moet afgebouwd worden. Het lijkt me gewoon moeilijk hard te maken dat de lichte stijging van het aantal ambtenaren van de laatste jaren de concurrentiekracht significant zou verzwakt hebben (meer nog, sinds 2011 is er volgens de grafiek van de NBB een lichte daling van het aantal ambtenaren).

PS: Op de studiedag was er ook nog een deel over de vergrijzing en de betaalbaarheid van de pensioenen. Hier doet België het duidelijk veel minder goed dan andere landen. Ik heb hierover in het verleden al een paar keer geblogd (bijvoorbeeld hierhier en hier).

Di Rupo en zijn miljarden

Daan Killemaes, hoofdredacteur ad interim bij Trends, hakt fel in op Elio Di Rupo. Die zou gezegd hebben dat zijn regering de voorbije twee jaar voor 22 miljard euro bespaard heeft, de loonlasten met 4,7 miljard euro verlaagd en voor een daling van de rentelasten met 1,5 miljard euro gezorgd. In een opiniestuk verwijt Killemaes aan Di Rupo dat hij “zich gespecialiseerd (heeft) in het lanceren van miljardencijfers die kant noch wal raken.” Ik vind geen tekst op internet terug waar Di Rupo deze cijfers citeert, dus ik baseer me op wat Daan Killemaes schrijft. [update: in een Twitter-reactie verwees Killemaes naar een artikel uit De Tijd van 16/1 pg6. Ik vermoed dat het dit artikel betreft.]

Daarbij gaat Killemaes vooral in op de daling van de rentelasten met 1,5 miljard euro:

In de begroting voor 2014 staat nochtans zo’n 11,5 miljard euro aan rentelasten op de federale schuld ingeschreven, ongeveer evenveel als de voorbije jaren. Maar, redeneert de premier, zonder de installatie en het werk van de regering-Di Rupo was die rentelast al opgelopen tot 13 miljard euro op jaarbasis. Bij de vorming van de regering bedroeg de langetermijnrente 6 procent, terwijl ze sindsdien gedaald is tot 2,3 procent. Aangezien de federale overheid elk jaar 40 miljard euro moet vinden op de kapitaalmarkt, om het overheidstekort te financieren en de schulden te herfinancieren, levert een rentedaling snel vrij veel besparingen op. Een daling 6 naar 2,5 procent kan inderdaad in enkele jaren tijd 1,5 miljard euro op jaarbasis opleveren.

Dus indien men aanvaardt dat België zonder regering 6 procent zou betalen in plaats van 2,3 procent, dan heeft deze regering gezorgd voor een daling van 3,7 procentpunt. Op 40 miljard is dat inderdaad ongeveer 1,5 miljard dat de overheid per jaar minder moet betalen.

Maar, zo stelt Killemaes, het klopt helemaal niet dat België zonder regering nu nog steeds 6% zou moeten betalen:

Het genie van het cijfer van Di Rupo is natuurlijk de 6 procent als uitgangspunt te nemen, en te veronderstellen dat de dalende rentevoet volledig de verdienste is van de federale regering. Quod non. De rente piekte in november 2011 maar heel kort op 6 procent, en bovendien was die piek veel meer de vrucht van een escalerende eurocrisis dan van de Belgische politieke crisis.

Dus ja, de regering mag wel wat krediet nemen voor de daling van de rente, aldus Killemaes, maar het was toch vooral de crisis in de eurozone die de rente deed pieken (en daarna deed dalen).

Rentedaling niet typisch Belgisch

Deze discussie is niet zo gemakkelijk te beslechten, omdat het een sterk ‘wat als’ gehalte heeft. We kunnen niet weten wat er zou gebeurd zijn als er geen regering zou gevormd zijn in november 2011. We vermoeden dat de toestand zou verslechterd zijn, maar hoeveel slechter is moeilijk te zeggen. Dat de stemming over België niet optimistisch was, is een understatement: De Wever sprak in december 2010 van de zieke man van Europa; Thomas Leysen begin 2010 dat België het Griekenland aan de Noordzee kon worden. Het zijn uitspraken uit 2010, maar anderhalf jaar regeringsvorming en een stijgende rente zorgden in november 2011 niet voor veel meer optimisme.

Toch denk ik dat Killemaes hier een punt heeft: de daling van de rentelasten is voor een groot deel niet typisch Belgisch. De figuur hieronder toont de maandgemiddelden van de langetermijnrente van verschillende eurolanden van januari 2010 tot december 2013. Data komen van de ECB. De rente steeg in november 2011 scherp in België (oranje lijn), maar ook in Spanje (geel) en Italië (donkergrijs) en in mindere mate in Frankrijk en Oostenrijk. Echter niet in Duitsland, Finland en Nederland. Ierland en Portugal lijken een ander patroon te vertonen.

Na de piek in november 2011 daalt de rente overal, behalve in Portugal, waar hij nog even doorstijgt, om daarna ook te dalen. De Italiaanse en vooral de Spaanse rente stijgt nog in mei-juni 2012; een piek die België vermeden heeft, wat Killemaes ook erkent. Op dat moment neemt de ECB de beslissing om de eurozone te redden, whatever it takes. Waarna de rente nog verder daalt.

langetermijnrente

Wat de figuur ook duidelijk laat zien is dat België begin 2010 bij de kernlanden behoort, weliswaar aan de bovenkant. Spanje en Italië zitten net iets boven de kernlanden. Vanaf juni 2010 en doorheen 2011 betaalt België stelselmatig meer dan de overige kernlanden, en Spanje en Italië veel meer. Na november 2011 vermindert de kloof stelselmatig tot België eind 2012 terug bij de kernlanden behoort, zij het opnieuw aan de bovenkant. Spanje en Italië blijven echter ook eind 2013 een pak boven de kernlanden hangen.

Een Italiaans scenario geeft hogere interest (prijseffect)…

Wat volgens mij een goed ‘wat als’-scenario is, is België vergelijken met Spanje en Italië: indien er in november 2011 geen regering zou gevormd geweest zijn, dan is het realistisch te veronderstellen dat de Belgische rente naar Italiaanse en Spaanse niveaus gestegen zou zijn.

Maar dan moet de redenering doorgetrokken worden: dat betekent dan ook dat België ook zou genieten van het ECB-vangnet en dan zou de Belgische rente vandaag geen 6% zijn, maar wel iets meer dan 4%, het niveau dat Spanje en Italië nu hebben. Dat is ongeveer 1,7 procentpunt meer dan België in nu betaalt (en dus geen 3,7 procentpunt).

Op basis van data NBB moet België jaarlijks 75-80 miljard op de financiële markten ophalen (en geen 40 miljard zoals Killemaes beweert). België kiest om ongeveer de helft daarvan op de kortetermijnmarkt te financieren. Op de kortetermijnmarkt kan men tegen lager tarief financieren. Ik vind die tarieven echter niet terug op ECB.

Met een assumptie dat de spread onafhankelijk is van de looptijd (wat ik zelf betwijfel), betekent dit dat België 1,7 % * 75 miljard = 1,27 miljard minder aan rentelasten betaalt doordat het een Italiaans en Spaans scenario vermeden heeft (het vermijden van een Iers scenario betekent een lagere winst; het vermijden van een Portugees scenario een hogere winst). Als je aanneemt dat de spread halveert voor een korte looptijd (wat me realistischer lijkt: vergelijk hier de yield curve van AAA-bonds met die van ‘all bonds’), dan kom je tot 0,95 miljard euro winst in vergelijking met een Spaans of Italiaans scenario.

… én hogere schuld (volume-effect)

Dat is een pak lager dan de 1,5 miljard dat Di Rupo als winst beweert te hebben. Echter, dit is slechts een prijseffect. Er is ook nog een volume-effect. Indien België werkelijk een Spaans of Italiaans scenario zou gevolgd hebben, dan zou dat wellicht ook een minder sterke economische groei betekend hebben. Dus ook minder ontvangsten en meer uitgaven (aan bijvoorbeeld werkloosheid). De Belgische schuldratio zou dus zeer waarschijnlijk nog hoger opgelopen zijn.

Nu steeg de Belgische schuldratio van 2011 tot 2013 maar beperkt, namelijk met 2 procentpunt, van 98% tot ongeveer 100%. In Italië en Spanje is de procentpunt-stijging respectievelijk 12 en 24 procentpunt voor dezelfde periode (gegevens Ameco). Als België een Italiaans scenario zou gevolgd hebben, dan zou er op twee jaar dus nog eens 10 procentpunt schuld bij gekomen zijn, of zo’n 40 miljard euro (ter vergelijking: tijdens het Belgisch malgoverno van eind jaren 70 – begin jaren 80 kwam er jaarlijks 10 procentpunt schuld bij gedurende vier jaar). Die 40 miljard euro extra schuld zou dan gefinancierd moeten geworden zijn tegen de huidige Italiaanse rente of zo’n 4%, wat neerkomt op 1,6 miljard euro.

Dat bedrag moet dan geteld worden bij de 0,95 miljard euro van hierboven, wat een totale vermeden rentelast van 2,55 miljard euro oplevert. Volgens die berekening heeft Di Rupo zijn prestatie met 1 miljard onderschat.  En als een Spaans scenario wordt genomen, zou Di Rupo zijn prestatie met meer dan 2,5 miljard euro onderschatten.

Wat als…

Dit is uiteraard zeer speculatief. Zoals hierboven reeds gezegd: we weten niet wat er zou gebeurd zijn indien we geen regering zouden gehad hebben. Maar het is weinig waarschijnlijk dat België nu nog steeds 6% rente zou moeten betalen indien we nog steeds in lopende zaken zouden zijn. Anderzijds lijkt een Italiaans scenario in lopende zaken niet onrealistisch: beide landen hebben (of hadden ) een instabiel politiek klimaat en een hoge overheidsschuld.

Tot slot, waaraan al te gemakkelijk wordt voorbijgegaan is het risico dat België zou gelopen hebben zonder regering: nu weten we dat Mario Draghi in 2012 eindelijk deed wat een voorzitter van de ECB al lang had moeten doen: alles doen wat nodig is om de euro te redden. Maar in november 2011 was dat helemaal niet zo evident. Toen was een scenario van het opbreken van de euro realistisch, en het was al even realistisch te denken dat een België in lopende zaken dan niet tot de kernlanden zou behoord hebben, met alle economische gevolgen van dien.

De haalbaarheid van de besparingsplannen van Open VLD en N-VA

Vorig weekend hield Open VLD haar ideologisch congres. Daarbij werd het zogenaamde 5-5-5 plan bevestigd: tegen 2020 moet het overheidsbeslag met 5 procentpunt dalen. Dat is in geld van vandaag ongeveer 20 miljard euro. De helft ervan wordt gebruikt om het huidige begrotingstekort te dichten; de andere helft voor een daling van de loonkost (5 miljard voor werknemers, 5 miljard voor werkgevers).

De daling van het overheidsbeslag moet er komen door de overheidsuitgaven in reële termen constant te houden: de overheidsuitgaven mogen dus wel nog stijgen met de inflatie, maar niet meer. N-VA gaat nog een (hele) stap verder: voor haar moeten de overheidsuitgaven in nominale termen constant blijven: dus geen aanpassing aan de inflatie. Dat lijkt een detail maar het is een groot verschil: het maakt de besparingsinspanning bijna dubbel zo groot.

De plannen van de twee partijen zijn bedoeld voor de verkiezingen van 25 mei 2014. Ik ga er dus vanuit dat er pas een impact is vanaf 2015. Als de overheidsuitgaven dan reëel of nominaal constant moeten blijven, dan neem ik hiervoor de geschatte overheidsuitgaven voor 2014. Dat betekent dat de doelstelling van bijvoorbeeld Open VLD gehaald moet worden op 6 jaar: van 2015 tot 2020.

Om de haalbaarheid van de besparingsplannen van Open VLD en N-VA na te gaan, richt ik me enkel op de plannen van Open VLD: als die al ambitieus lijken, dan is dat a fortiori zo voor de N-VA.

Het doel van Open VLD om het overheidsbeslag met 5 procentpunt te doen dalen betreft een ratio: in de teller staan de overheidsuitgaven, in de noemer het BBP. De analyse van de haalbaarheid zal dan ook over deze twee macro-economische grootheden gaan. Ik begin met het BBP, daarna behandel ik de overheidsuitgaven.

Voor zover ik weet, hebben geen van de twee partijen al concreet aangegeven op welke overheidsposten men wil besparen. In deze analyse doe ik dus zelf een aantal voorstellen, rekening houdende met de historische groeivoeten en mijn eigen voorkeuren.

De data die ik in deze blogpost gebruik komen van Ameco en de Nationale Bank.

Daling overheidsbeslag: groei van het BBP (de noemer)

Op basis van cijfers van Ameco, wordt het BBP van België in 2014 geschat op 393 miljard (in euro’s van 2014). Het overheidsbeslag wordt geschat op 54,1%. De overheidsuitgaven worden voor 2014 dus geschat op 213 miljard euro.

Het overheidsbeslag moet volgens het plan van Open VLD dalen met 5 procentpunt op 6 jaar tijd (van 54,1% tot 49,1%). Dat moet gehaald worden via een bevriezing van de overheidsuitgaven in reële termen: in 2020 mag de overheid in reële termen niet meer uitgeven dan 213 miljard en mag dit niet meer zijn dan 49,1% van het BBP. Dat kan enkel gehaald worden als het reële BBP minstens 213/0,491 = 434 miljard is.

Het plan van Open VLD kan dus enkel werken als de economie op zes jaar reëel groeit van 393 miljard naar 434 miljard. Dat is een gemiddelde jaarlijkse reële economische groei van 1,65% voor de periode van 2015-2020.

Hieronder toon ik de reële groeivoeten sinds 1991 (oranje balkjes- rechtse as; 2014 en 2015 zijn uiteraard voorspellingen), evenals het reële BBP (blauwe lijn – linkse as). Let wel, dit is in euro’s van 2005: het BBP in 2014 in euro’s van 2005 is 331 miljard en niet 393 miljard als je het rekent in euro’s van 2014; dat is een verschil van meer dan 60 miljard en toont onmiddellijk het belang aan van rekenen met of zonder inflatie (daar heb ik al tot vervelens toe over geblogd).

Uit de grafiek blijkt dat een groeivoet van 1,65% historisch gezien niet uitzonderlijk is; anderzijds zijn er maar twee jaren sinds de crisis in 2008 uitbrak dat België een reële groei kende van meer dan 1,65% (in 2010 en 2011). Een gemiddelde groeivoet van 1,65% in de periode 2015-2020 lijkt dus niet onmogelijk, maar is evenmin gegarandeerd.

realGDPgrowth

Hieronder toon ik voor verschillende economische groeiscenario’s het verloop van het overheidsbeslag. De gele lijn geeft het verloop van het overheidsbeslag dat het scenario van Open VLD vanaf 2015 realiseert: nulgroei van de overheidsuitgaven en een economische groei van 1,65% per jaar. De groene lijn geeft het overheidsbeslag indien er vanaf 2015 een “inhaalgroei” zou optreden om zo het verlies van economische groei ten opzichte van de ‘trendgroei’ van vóór de crisis te compenseren. Het is een onwaarschijnlijk scenario. De rode lijn geeft aan wat het overheidsbeslag zou geweest zijn indien er geen economische crisis zou geweest zijn, maar indien de trendgroei zou aangehouden hebben. Dit is natuurlijk een fictief scenario (dat ook geen rekening houdt met het gewijzigde uitgavepatroon van de overheid juist door de crisis). De grijze lijn geeft het overheidsbeslag bij een scenario van lage groei. De figuur is louter ter illustratie.

overheidsbeslag

Daling overheidsbeslag: overheidsuitgaven constant in reële termen (de teller)

De figuur hieronder geeft de nominale uitgaven in 2012 van alle Belgische overheden samen, behalve de ‘inkomensoverdrachten’ en het ‘intermediair verbruik en betaalde belastingen’. Deze cijfers komen van de Nationale Bank. Wat onmiddellijk opvalt zijn de drie grootste uitgavenposten: beloning van werknemers (48,4 miljard), pensioenen (38,6 miljard) en gezondheidszorg (27 miljard). Deze drie domeinen zijn goed voor 58% van de primaire overheidsuitgaven (dus zonder rentelasten).

overheidsuitgaven2012

De bovenstaande figuur is belangrijk om de haalbaarheid van een nulgroei van overheidsuitgaven te kunnen evalueren. Zo is het bijvoorbeeld duidelijk dat de post van werkloosheidsuitgaven relatief klein is ten opzichte van bijvoorbeeld pensioenen: zelfs als je de werkloosheidsuitgaven zou kunnen halveren (-50%) dan nog kunnen de huidige pensioenen slechts met 9% stijgen. Hetzelfde geldt nog sterker voor brugpensioen en loopbaanonderbreking, een ander hot topic: als dat tegen 2020 volledig zou afgeschaft worden (-100%), kunnen de huidige pensioenen slechts met 6% stijgen. Dat is niet niks, maar ook niet spectaculair (en deze eenvoudige analyse houdt dan ook nog geen rekening met de stijging van het aantal gepensioneerden).

Bovendien ben ik van mening dat een evaluatie van de haalbaarheid impliceert dat enkel die uitgaven kunnen dalen waar dat maatschappelijk wenselijk is. Je kan misschien wel decreteren dat de totale pensioenuitgaven niet meer mogen stijgen, maar dat betekent op termijn een sterke verarming voor de gepensioneerden. Dat zijn in essentie politieke of ideologische keuzes. Ik maak hieronder zelf een aantal van die keuzes en geef een verantwoording hiervoor.

Voor deze oefening is het volgens mij ook belangrijk om de evolutie van de verschillende overheidsuitgaven te kennen. Ik heb daarvoor de gemiddelde reële groeipercentages van de periode 2001-2007 (vóór de crisis) en 2008-2012 (na de crisis) berekend (met GDP deflatoren van Ameco). Onder meer op basis daarvan stel ik voor elk uitgavedomein een groeipercentage voor voor de periode 2015-2020.

Ik behandel hierna een aantal uitgavenposten. Ik begin met de pensioenuitgaven en eindig met de verloning van de werknemers.

1. Pensioenen: De pensioenen zijn in reële termen met gemiddeld 2,4% per jaar gestegen in 2001-2007 en met 3,8% in 2007-2012. Dat de pensioenuitgaven gedurende 6 jaar (2015-2020) in reële termen niet kunnen stijgen lijkt me totaal onrealistisch. De pensioenen in België zijn immers al laag en de vergrijzingsgolf betekent dat het aantal gepensioneerden zal stijgen. Meer nog, de recente initiatieven om de pensioenen van de oudste gepensioneerden te verhogen (InkomensGarantie voor Ouderen) en het verhogen van het pensioen van zelfstandigen is iets waarop de federale regering volgens mij trots moet zijn.

Er moeten natuurlijk nog verder maatregelen genomen worden om mensen langer te laten werken, maar dat is een traag proces en een reële stijging van de pensioenuitgaven lijkt me dan ook onvermijdelijk. Een optimistisch scenario is volgens mij dan ook een reële groei die niet hoger is dan in de periode 2001-2007: een gemiddelde reële stijging met 2,4%. Dat is een daling met 1,4 procentpunt tegenover de periode 2007-2012. Zoals gezegd, optimistisch volgens mij. Dat scenario zou realistischer worden als men de (soms hoge) ambtenarenpensioenen in de discussie betrekt: deze zijn goed voor bijna 14 miljard, tegenover 24 miljard voor de private sector (cijfers NBB).

2. Gezondheidszorg: hier geldt hetzelfde verhaal als voor de pensioenen. De uitgaven voor gezondheidszorg zijn in reële termen met gemiddeld 2,8% per jaar gestegen in 2001-2007 en met 3,8% in 2007-20012. Hier lijkt het me minder onrealistisch te denken dat er gedurende 6 jaar (2015-2020) een reële nulgroei is, omdat er wellicht nog efficiënter kan gewerkt worden in de gezondheidszorg (maar vraag me niet hoe…). Toch wordt een stijging van de gezondheidskosten verwacht wegens technologische innovatie (en niet zozeer door de vergrijzing). Een realistisch scenario zou een reële groei kunnen zijn die niet hoger is dan in de periode 2001-2007: een gemiddelde reële stijging met 2,8%. Dat is een daling met 1 procentpunt tegenover de periode 2007-2012.

3. Bedrijfssubsidies: België geeft 2,5% van het BBP aan bedrijfssubsidies; Duitsland geeft 1%, Nederland 1,5% (zie ook een eerdere blogpost). Een halvering van bedrijfssubsidies is drastisch, maar zou ons ongeveer op het niveau brengen van Duitsland. Dat betekent een reële daling van 10% per jaar gedurende 6 jaar.

4. Brugpensioen en loopbaanonderbreking: een daling lijkt me hier wel realistisch. Ik neem arbitrair -3% per jaar, wat na 6 jaar een totale daling geeft van 17% (in reële termen). Voor deze uitgavepost maakt het in deze analyse weinig uit of het een procentpuntje meer of minder is, aangezien de totale uitgave voor deze post slechts 2,5 miljard euro is. Een te sterke daling lijkt me dan weer niet haalbaar, omdat er een zekere inertie zit in de uitgaven voor brugpensioen. Brugpensioen is goed voor 1,6 miljard euro, loopbaanonderbreking voor 0,8 miljard (cijfers NBB).

5. Ziekte en invaliditeit, werkloosheid, kinderbijslag, overige sociale uitgaven: voor deze uitgaveposten stel ik -arbitrair- een reële nulgroei voor. Ik denk dat dit voor ziekte en invaliditeit optimistisch is: we willen meer oudere werknemers aan het werk, maar die zijn vaker ziek. Deze uitgavepost steeg in de periode 2008-2012 in ieder geval gemiddeld met 6,7% per jaar; een nulgroei lijkt dus optimistisch. Voor werkloosheid en kinderbijslag weet ik niet of een nulgroei optimistisch is. Een grote onbekende voor mij zijn de “overige sociale uitgaven”, goed voor 10 miljard euro in 2012 (ik vermoed dat hier uitgavenposten zitten zoals ‘tegemoetkoming aan gehandicapten’ (1,8 miljard), ‘oorlogspensioenen’ (0,1 miljard), leefloon (0,8 miljard), IGO (0,45 miljard)). Als dat niet noodzakelijke extraatjes betreft, dan kan hier grondig in gesnoeid worden, maar aangezien ik het niet zeker weet, houd ik het op een nulgroei.

6. Kapitaaluitgaven: kapitaaluitgaven zijn in reële termen met gemiddeld 3,6% per jaar gestegen in 2001-2007 en met 6,5% in 2007-20012. Het gaat om investeringen door de overheid, iets wat meestal als positief gezien wordt. Ik behoud -opnieuw arbitrair- de reële groei van de periode 2001-2007 (3,6% per jaar).

7. Rentelasten: in de periode 2008-2012 zijn de rentelasten met gemiddeld 1,9% gedaald. Dat is voor mij een verrassing aangezien de schuldratio gestegen is in die periode. De daling van de interest heeft die stijging blijkbaar gecompenseerd (in nominale termen zijn de uitgaven in 2007 en 2012 nagenoeg gelijk). Als het begrotingstekort tegen 2015 kan weggewerkt worden, dan blijft de overheidsschuld vanaf dan in nominale termen constant. Als de rente niet stijgt, dan daalt de rentelast in reële termen evenredig met de inflatievoet. Een daling van 1,5% per jaar lijkt in dat scenario realistisch.

8. Verloning van werknemers: dit is veruit de grootste uitgavepost en deze is essentieel om de rekening te doen kloppen, namelijke een reële nulgroei van de totale overheidsuitgaven. Als de groeipercentages voor de andere uitgaveposten zich realiseren zoals hierboven beschreven, dan is er een reële daling nodig van de verloning van de werknemers met 3% per jaar of een daling van bijna 17% op zes jaar tijd. Dat lijkt realistisch, maar in de verloning van werknemers zit bijvoorbeeld ook de grote post van onderwijs, goed voor 19 miljard in 2011 of bijna 41% van de totale verloning van de werknemers van de overheid. Het lijkt niet realistisch om daarop sterk te besparen, dus moeten de besparingen nog veel meer elders gebeuren. Recreatie, cultuur en religie zijn goed voor 1,6 miljard in 2011 (meer details over verloning hier). In absolute (reële) termen bedraagt de besparingsinspanning voor de verloning van werknemers van de overheid ongeveer 8,5 miljard op een totaal van 48 miljard, en dat over een periode van 6 jaar (in euro’s van 2012).

De hamvraag voor mij is dan ook: is het mogelijk om de verloning van de werknemers jaarlijks met 3% in reële termen af te bouwen? Ik denk dat die besparingsoperatie in ieder geval vooral bij de gewesten en gemeenschappen en de lokale overheden moet gebeuren, aangezien de stijging van het aantal ambtenaren de laatste tien jaar daar het sterkst geweest is.

Samengevat geeft dat onderstaande tabel voor wat de reële groeiritmes betreft: de eerste twee lijnen van de tabel geven de historische groeiritmes, de laatste lijn geeft de groeiritmes die ik voorstel op basis van bovenstaande assumpties en keuzes. Alle groeiritmes zijn in reële termen.

Dit is volgens mij wel degelijk ambitieus, vooral de eerste drie kolommen: niet enkel de afbouw van het aantal ambtenaren (of beter: hun loonmassa) met 3% per jaar, maar ook de relatief lage groeiritmes voor pensioenen en gezondheidszorg in een periode waarbij de vraag naar deze uitgaven ongetwijfeld hoger zal zijn dan in het recente verleden.

Als deze groeiritmes, nodig voor de realisering van de plannen van Open VLD, een uitdaging worden, dan is dat zeker zo voor de plannen van N-VA.

groeipercentages

Historiek van de reële overheidsuitgaven

Historisch gezien is een reële nulgroei van de overheidsuitgaven gedurende een langere periode niet onmogelijk, maar wel uitzonderlijk. We moeten al tot de jaren ’80 teruggaan om een dergelijke periode te zien. De onderstaande figuur geeft het verloop van de reële overheidsuitgaven (in euro’s van 2005) en het overheidsbeslag (in % van het BBP).

evolutieoverheidsbeslag

Hieruit blijkt dat het overheidsbeslag in reële termen constant bleef vanaf ongeveer halverwege de jaren ’80 tot 1989. Let wel, dat was na het malgoverno van 1979-1983 waarbij de overheidsschuld steeg van 66% van het BBP naar 106% (in 1981 stegen de reële overheidsuitgaven nog met 12%). Het overheidsbeslag piekte in 1983 tot 62,2% en daalde vervolgens tot 52% in 1989. De afname van het overheidsbeslag met 10 procentpunt werd dus mede gerealiseerd door de reële nulgroei van de overheidsuitgaven, maar toch vooral doordat de economie in die periode sterk groeide met gemiddeld 2,7%, iets wat voor 2015-2020 wellicht onrealistisch is.

Tot slot nog een aantal disclaimers/nuances

Ten eerste betreft dit een analyse die zeer grof gemaakt is. Zo bijvoorbeeld heb ik wat betreft de pensioenen geen opdeling gemaakt tussen de pensioenen van ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Dat kan echter wel belangrijk worden om het groeipercentage van 2,4% niet te overschrijden. Ook over gezondheidskosten moet uiteraard een veel fijnere discussie gevoerd worden, omdat ik hier en daar al gelezen heb dat significante efficiëntieverbeteringen echt wel mogelijk zijn zonder aan de kwaliteit te raken.

Bovendien zijn mij een aantal uitgaveposten onbekend: waar zit de jaarlijkse dotatie van 3 miljard euro voor de NMBS en 1 miljard euro voor De Lijn? Waar zit in deze analyse de uitgavepost voor cultuursubsidies? En wat zit er onder de 10 miljard ‘overige sociale uitgaven’? Ik houd ook geen rekening met de ‘inkomensoverdrachten’ en het ‘intermediair verbruik en betaalde belastingen’ omdat ik niet goed weet wat deze inhouden, en ik dus ook hun ‘besparingspotentieel’ niet kan inschatten (hulp altijd welkom). Het zijn nochtans grote uitgaveposten (respectievelijk 10 en 13 miljard euro in 2012).

Ten tweede, de plannen van Open VLD en N-VA om de overheidsuitgaven reëel of nominaal te bevriezen zijn voor sommigen onaanvaardbaar omdat ze niet vertrekken vanuit de noden die er zijn, maar vanuit de middelen die men aan de overheid wil geven. Het getuigt van een wantrouwen ten opzichte van die overheid, waarvan men vreest dat ze alsmaar aangroeit. Het is een benadering die overeenkomt met wat de public choice theorie voorschrijft en die volgens mij verdedigbaar is.

Ten derde, zolang de vraag naar goederen en diensten zwak blijft, is het een delicate of zelfs onmogelijke(?) oefening om het overheidsbeslag te doen dalen zonder de economische groei te fnuiken. Meer nog, als we werkelijk in een ‘secular stagnation‘ zitten, dan is een Japan-scenario van decennia lage inflatie en lage groei realistisch en dan zou het afbouwen van het overheidsbeslag de economische groei nog verder kunnen fnuiken (tenzij het inflatiedoel wordt verhoogd, wat met Duitsland in de eurozone onmogelijk lijkt). Dat geldt a fortiori voor het N-VA-plan, waar de overheid dubbel zoveel moet besparen. Buiten een besparingsoperatie op de overheid, is economische groei van minstens 1,5% per jaar dan ook de inzet voor de komende jaren. De twee combineren wordt geen sinecure.

Tot slot, ik ben mij ervan bewust dat de bovenstaande analyse zeer aanvechtbaar is, zowel wat betreft de (ideologische) keuzes als wat betreft de grove benadering van de overheidsuitgaven. Het is dan ook geenszins bedoeld als een eindpunt van discussie, maar eerder als een vingeroefening om te tonen wat het betekent om op deze of gene uitgavepost te besparen, ook vergeleken met de groeiritmes in het verleden. Wil je meer besparen, zeg dan concreet op welke uitgavepost je dat zou doen.

Kloof tussen burger en politiek is onoverbrugbaar

Begin juli mocht ik voor Open VLD een lezing geven over de theorie van de public choice, in aanloop van het ideologisch congres half november. De public choice-theorie is onder meer door James Buchanan, een Amerikaans econoom, ontwikkeld. Buchanan heeft er een Nobelprijs Economie voor gekregen.

De titel van de lezing was ‘De enige goede overheid is geen overheid?; de slides van de lezing vindt u hier. De lezing, zeker het theoretische luik, was grotendeels gebaseerd op het handboek ‘Public Choice III’ van Dennis C. Mueller, en dat gebruikt werd door prof. Erik Schokkaert in zijn lessen ‘Economische theorie van de politiek’.

Hieronder vindt u de uitgeschreven tekst van een deel van de lezing. Let wel, dit is niet letterlijk, want pas achteraf uitgeschreven. Ik beperk me ook tot het theoretische luik van de lezing, namelijk het deel over de rationele kiezer, een belangrijk concept binnen public choice.

Inleiding

De theorie van de public choice heeft een totaal andere benadering van de overheid. Vóór de theorie van de public choice werd er niet zoveel aandacht gegeven aan de problemen die een overheid met zich meebrengt; de overheid werd algemeen bekeken als een benevolente, of goedbedoelende actor die het algemeen belang nastreeft. Als dat je visie op de overheid is, dan zal je aannemen dat er weinig of geen kosten verbonden zijn aan een tussenkomst van de overheid.

De public choice-theorie breekt hier radicaal mee. Zij bekijkt de overheid niet als een monolithisch geheel, maar als een verzameling van individuen die elk hun eigen nut trachten te maximaliseren. Dit is een economische visie op de overheid, en public choice wordt dan ook soms omschreven als de economische theorie van de politiek.

De nutsmaximalisatie van die veelheid van individuen die een overheid telt, stemt vaak niet overeen met het algemeen belang. Als dit je visie op de overheid, dan zal je aannemen dat er wél grote kosten kunnen verbonden zijn aan een overheidstussenkomst. Je kan dan pleiten tegen overheidsinterventie, zelfs als het in theorie gewenst is dat een overheid zou tussenkomen.

Rationele kiezer

Een fundament van de public choice theorie is de rationele kiezer. Public choice bekijkt niet enkel de overheid als een verzameling van individuen die hun voordeel trachten te maximaliseren, maar de hele samenleving. Dus ook de burgers die in een democratie mogen (moeten) gaan stemmen.

Een belangrijke assumptie is dat voor de meeste burgers geldt dat hun ideeën of wat ze doen geen impact heeft op de massa. Dat geldt misschien niet voor bekende mensen, zoals de BV’s, maar die zijn natuurlijk maar met zeer weinig.

De economische theorie stelt dat een individuele burger zich zal informeren en zal stemmen indien dat een groter verwacht nut oplevert voor die individuele burger in vergelijking met de kost om zich te informeren en te gaan stemmen. Het nut voor een individu is de kans dat zijn of haar individuele stem het verschil maakt en effectief het beleid oplevert dat een voordeel geeft aan die individuele burger (P), vermenigvuldigd met het nut of voordeel dat het beleid oplevert voor die individuele burger (V). De kost (K) is niet enkel de moeite om te gaan stemmen, maar ook om zich te informeren zodat je weet welk beleid het meeste oplevert voor jezelf.

Volgens de public choice theorie zal je dus gaan stemmen als P*V > K. We weten dat P, de kans dat jouw ene stem het beleid bepaalt, verwaarloosbaar klein is. Nooit heeft één stem het beleid bepaald, en dat zal in de toekomst zeer waarschijnlijk ook niet gebeuren. Daar is genoeg empirisch onderzoek naar. Dat heeft als gevolg dat het onnuttig is om je te informeren en te gaan stemmen: of je dat nu doet of niet, het beleid is toch net hetzelfde. De kost K om te gaan stemmen is dan ook steeds groter dan het verwachte voordeel P*V. Een burger die rationeel is, informeert zich dus niet en gaat niet stemmen.

[Er is één uitzondering: als je toevallig sterk geïnteresseerd bent in politiek en het maatschappelijke reilen en zeilen, dan vervalt de kost om zich te informeren. Het wordt dan een hobby. Maar dat geldt dus enkel voor zij die toevallig deze interesse hebben. En dat aantal is laag. Ook al zal de lezer van deze blog in zijn omgeving heel wat mensen kunnen opnoemen die ook van nature geïnteresseerd zijn in een politiek. Dat is dan de typische selection bias: mensen zoeken andere mensen op met dezelfde interesse en creëren, bewust of onbewust, een bubbel die niet overeenstemt met een willekeurige steekproef van de maatschappij. Als je wél denkt dat jouw kennissenkring een goede proxy is voor de gemiddelde burger, dan zit je waarschijnlijk goed fout.]

Rent-seeking

Een tweede belangrijk concept is rent-seeking, gedefinieerd als het manipuleren van de sociale en/of politieke omgeving voor het gewin van een kleine groep (lobby) ten koste van een grote groep (kiezer/consument), zonder dat hierdoor extra welvaart gecreëerd wordt.

Rent-seeking is volgens mij zeer moeilijk uit te roeien, omdat het grote voordelen oplevert en er weinig tegenactie is. Dat komt door een ongelijke kostenverdeling en door free-riding (of vrijbuitersgedrag).

De ongelijke kostenverdeling is goed te illustreren met het huidige landbouwbeleid van subsidies en quota. Quota leiden tot hogere prijzen voor producent en consument. De producent, de boer, zal dus pleiten vóór quota; de consument, wij allemaal, tegen.

Public choice bekijkt dit opnieuw vanuit het standpunt van het individu. Een individuele boer zal actie ondernemen opdat er quota zouden komen, indien het verwachte voordeel of nut voor de boer groter is dan de kost van de actie. Het verwachte voordeel is de kans (P) dat het lukt, vermenigvuldigd met het voordeel (Vquota) dat het de boer oplevert indien zijn actie lukt. Hetzelfde geldt voor de consument, waarbij een gelukte actie betekent dat er geen quota zijn (voordeel = Vgeenquota).

Stel dat de boer het pleit wint, dan gaan de prijzen van landbouwproducten naar omhoog. Die prijsstijging wordt betaald door alle consumenten aan alle boeren. Stel dat alle Belgische consumenten samen door de ingevoerde quota 100 miljoen euro per jaar meer betalen voor hun landbouwproducten, en dat die 100 miljoen euro gaat naar de Belgische boeren (voor de eenvoud van de argumentatie). Die 100 miljoen euro moet dan verdeeld worden over 11 miljoen consumenten, of minder dan 10 euro per consument. Echter, de 100 miljoen euro die de boeren extra ontvangen door de quota moet verdeeld worden over slechts 80.000 boeren, of 1.250 euro per jaar.

Wie zal er actie ondernemen om quota in te stellen of af te blokken? Alvast niet de consument, want het levert nog geen 10 euro per jaar op. De boer, daarentegen, heeft heel wat meer te winnen per jaar.

En dat is nog niet het einde van het verhaal. Deze dynamiek wordt nog versterkt door free-riding of vrijbuitersgedrag. Stel dat ik zo irrationeel ben dat ik voor 10 euro per jaar wél actie wil voeren tegen landbouwquota. En stel dat ik met mijn tegenlobby er effectief in slaag om de quota af te blokken. Dan zal ik inderdaad 10 euro minder moeten betalen. Maar 11 miljoen andere consumenten zullen ook 10 euro minder moeten betalen. Dus waarom zou ik überhaupt actie ondernemen, als ik gewoon kan meesurfen op de actie van iemand anders? Laat iemand anders maar de kastanjes uit het vuur halen…

Dat geldt natuurlijk ook voor de boer en zijn collega-boeren. Maar dat is nog een bijkomend gevolg van het feit dat er veel consumenten zijn en slechts relatief weinig boeren (naast de ongelijke kostenverdeling): het is gemakkelijker voor een kleinere groep om zich te organiseren dan voor een grote groep. Bovendien kan je in een kleinere groep gemakkelijker in het oog houden of iedereen zijn steentje wel bijdraagt: de sociale controle is er groter en vrijbuiters kunnen gemakkelijker geïdentificeerd en afgestraft worden. De groep is vaak ook homogener. Dat is bij de massa consumenten zeer moeilijk, zoniet onmogelijk. Daarenboven moet de massa consumenten zich op veel domeinen verdedigen tegen lobby’s, terwijl de boeren-lobby zich kan concentreren op landbouwbeleid.

Rationeel onwetend

Als het concept van de rationele kiezer gecombineerd wordt met dat van free-riding, dan moet je concluderen dat het voor een individuele kiezer rationeel is om zich niet te informeren. En dat blijkt ook het geval te zijn: de grote meerderheid weet weinig af van het politieke reilen en zeilen. Uit een enquête bij jonge mensen die een lerarenopleiding volgen bleek dat 30% niet weet dat Kris Peeters Vlaams minister-president is; meer dan de helft weet niet dat Wouter Beke een CD&V’er is en een kwart denkt dat de PS in Vlaamse regering zit.

Een geruststelling kan zijn dat de onwetende burgers door hun onwetendheid misschien wel foute keuzes maken, maar dat die fouten willekeurig zijn: als je ze allemaal samen neemt, dan compenseren de fouten elkaar. De ongeïnformeerde kiezers zorgen dan enkel voor ruis. Zij die zich wél informeren bepalen dan toch nog steeds het beleid; zij zijn dan het signaal in de ruis.

Rationeel irrationeel

Zo optimistisch is niet iedereen. Bryan Caplan, een Amerikaans econoom, schrijft in zijn boek ‘The Myth of the Rational Voter’ dat kiezers niet rationeel onwetend zijn, zoals de theorie van de public choice lang gesteld heeft, maar rationeel irrationeel.

Caplan stelt dat, aangezien één stem toch geen significante impact heeft op het beleid, de kost van een foute keuze nagenoeg nul is. Kiezers zullen zich dan laten leiden door ‘aangename’ keuzes, of ze nu juist zijn of niet. Meer nog, politici weten zelf wel wat de goede keuzes zijn, maar willen natuurlijk verkozen worden en volgen de keuzes van de burgers, ook als ze fout zijn.

Caplan zelf geeft onder meer het voorbeeld van vrijhandel, waar kiezers vaak tegen zijn, omdat ze denken dat vrijhandel de welvaart verlaagt, ook al is er weinig twijfel bij economen dat vrijhandel de welvaart verhoogt. Ze zijn dan vóór verstorende maatregelen zoals landbouwquota en subsidies, om de boeren te beschermen. Zelf zou ik het voorbeeld geven van een congestietaks, zeker in België: Brussel en Antwerpen zijn blijkbaar de steden met de meeste files. Elke econoom zou een congestietaks invoeren, maar de politiek is vooralsnog niet gevolgd. En Bruno Tobback heeft het als minister zelfs letterlijk gezegd: “we weten wat we moeten doen, maar dan geraken we niet herkozen”. Hij had het dan over klimaatbeleid.

Besluit

Er is dus een reden waarom er een kloof is tussen de burger en de politiek: het brengt de individuele burger niets op om geïnteresseerd te zijn. Is de burger wél geïnteresseerd in politiek, dan is dat louter toevallig zo, net zoals er mensen zijn die toevallig geïnteresseerd zijn in sport, de natuur, geschiedenis,….

Voor economisch gewin moet je je als individu niet interesseren in politiek, omdat het simpelweg economisch niets opbrengt. Je kan volgens mij de ongeïnteresseerde burger dan ook niets verwijten.

Zelf ben ik pessimistisch over de mogelijkheid om de kloof tussen burger en politiek te dichten. Het feit dat er geen economisch gewin te halen valt, de ongelijke kostenverdeling van het lobbyen, het free-rider probleem: het zijn allen zaken die moeilijk te verhelpen zijn.

Transparantie kan zeker helpen, zodat er tenminste controle kan zijn door de toevallig geïnteresseerde burger. En dat kan zelfs enigszins een impact hebben op de beleidsmakers, omdat ook zij (deels) in een bubbel leven, namelijk die van de geïnteresseerde burger.

Tot slot, er is volgens mij wel een belangrijk onderscheid te maken tussen de geïnteresseerde en de geëngageerde burger. De eerste werd in deze tekst gedefinieerd als iemand die het maatschappelijke debat opvolgt en een goed geïnformeerde stem kan uitbrengen bij de democratische verkiezingen. De geëngageerde burger zou ik definiëren als iemand die concreet wil meebouwen aan de samenleving en zich wil inzetten voor andere mensen. En daar heb je niet noodzakelijk kennis van politiek voor nodig: om een kansarm kind in je buurt te helpen met huiswerk of om jeugdtrainer te zijn bij de plaatselijke voetbalclub is het echt niet nodig te weten dat Wouter Beke de voorzitter is van CD&V.

N-VA niet bang van federale kieskring

Het thema van de federale kieskring lijkt terug wat in de actualiteit. Daarom kan het nuttig zijn om te weten wat N-VA van dit idee vindt.

Op het eerste gezicht lijkt een federale kieskring onaanvaardbaar voor de N-VA. Zo schreef Geert Bourgeois, de nummer twee van de N-VA, in oktober 2007 dat een federale kieskring “het probleem BHV de facto uitbreidt tot heel Vlaanderen”. Ook Bart De Wever sprak zich scherp uit tegen een federale kieskring. Tijdens zijn nieuwjaarstoespraak in 2008 zei hij: “Vanuit ons geloof in de Vlaamse evolutieleer, zullen wij nooit meestappen in het Belgisch creationisme. Met de N-VA komt er dus géén uitbreiding van Brussel en géén federale kieskring.” Die stelling zou ondertussen wat genuanceerder zijn: een federale kieskring mag er komen als de grondwettelijke beschermingen van de Franstaligen worden afgeschaft.

Maar diezelfde Bart De Wever zei ook dat hij niet gelooft dat een federale kieskring zijn belofte kan waarmaken, namelijk een Belgische esprit creëren. In Knack van 14 februari 2007 liet hij daarover in zijn kaarten kijken: “Wie vandaag, met de invoering van een federale kieskring, toch de illusie wil creëren dat er zoiets bestaat als een Belgische samenleving, verkoopt onzin. Maar ik ben helemaal niet bang voor de invoering ervan. Een federale kieskring zal het historisch proces alleen maar bevestigen: Franstalige partijen zullen in Vlaanderen bijna geen stemmen behalen, en omgekeerd. Het streven naar meer België zal paradoxaal genoeg bewijzen dat het land niet meer bestaat.’”

Het voorgaande bewijst mijns inziens dat de federale kieskring alles heeft wat het moet hebben: het is een belangrijke eis van de Franstaligen en een aantal Vlaamse partijen die vinden dat België nog een bestaansrecht heeft en op deze manier gered kan worden. Voor zij die van mening zijn dat België geen bestaansrecht heeft, kan de invoering van de federale kieskring beschouwd worden als een laatste stuiptrekking waarna “het historisch proces zal bevestigd worden”. Daarenboven heeft de federale kieskring het voordeel dat het kan voorgesteld worden als een toegeving van de Vlaams-nationalisten die zij dan aan hun achterban kunnen verkopen als een schijntoegeving. En nog belangrijk, Bart De Wever en de N-VA zouden ermee tonen dat het een partner is waarmee kan onderhandeld worden.

De toegeving op de federale kieskring door N-VA zal wel wrang smaken bij de voormalige kartelpartner CD&V en bij Yves Leterme omdat N-VA hierop niet wou toegeven tijdens de regeringsonderhandelingen van 2007 en zo de formatiepogingen van Leterme hielp mislukken.

De bovenstaande tekst werd grotendeels overgenomen uit een tekst van juni 2010 ‘De federale kieskring als pasmunt’.