Referenda zoeken de zwakte van de democratie op

De samenleving wordt niet beter van referenda over complexe zaken. Beter een beperkt aantal mensen afvaardigen die betaald worden om zich daarmee bezig te houden, zoals in onze vertegenwoordigende democratie. Laat kiezers maar achteraf oordelen.

De uitslag van de brexit maakt de discussie over de zin van een referendum weer actueel. Tegenstanders stellen dat een beleidsvraag zoals een exit uit de Europese Unie maar moeilijk via een referendum kan beslecht worden. De vraag is te complex en burgers informeren zich te weinig om er zinnig over te kunnen oordelen. Het resultaat is dat er meer met de buik dan met het hoofd wordt gestemd. Het zou dan ook beter zijn dat het volk vertegenwoordigers verkiest die betaald worden om zich over die netelige kwesties te buigen. Het parlement dus.

Voorstanders stellen echter dat men het volk niet moet onderschatten: de kiezer kan ook complexe kwesties aan. En zelfs als dat niet het geval zou zijn, en de kiezer effectief ongeïnformeerd met de buik kiest, wat is dan het verschil met het verkiezen van volksvertegenwoordigers? Gebeurt dat dan wél geïnformeerd en met het hoofd? Deze laatste redenering werd in De Morgen verdedigd door Joël De Ceulaer, journalist De Morgen, en Carl Devos, politicoloog van UGent.

Bovendien is een (bindend) referendum de meeste pure vorm van democratie en tegenstanders van referenda lijken dan ook tegen de democratie te zijn.

Doel van de democratie

Maar wat is het doel van de democratie? Waar zit de legitimiteit van deze bestuursvorm? Waarom is een democratie beter dan andere bestuursvormen?

Mijn stelling is dat we de bestuursvorm moeten kiezen die leidt tot een samenleving die de meeste vrijheid, rechtvaardigheid en welvaart kan opleveren voor iedereen. En het lijkt inderdaad zo dat enkel een bestuursvorm die op één of andere manier democratisch is tot een vrije, rechtvaardige en welvarende maatschappij kan leiden.

Maar de vraag is of meer democratie, en uiteindelijk de meest zuivere vorm ervan, ook tot meer welvaart, vrijheid en rechtvaardigheid leidt. Met andere woorden, is een democratie welvarend, vrij en rechtvaardig, omdat het volk regeert? Of is er een andere reden waarom een democratie zo goed functioneert?

Karl Popper, een liberaal filosoof uit de 20ste eeuw, gaf inderdaad een heel andere reden waarom een democratie te verkiezen is boven anderen bestuursvormen: het grote voordeel van een democratie is niet dat er geregeerd wordt door het volk, maar dat de regerende klasse zonder bloedvergieten –namelijk door een eenvoudige stemming- kan afgezet worden, wanneer het beleid tegenvalt. Dat is niet het geval in een dictatuur of in een aristocratie. Het betekent ook dat als de kiezer zich vergist heeft door een slechte heerser of regering aan te stellen, wat zeker het geval kan zijn, deze een paar jaar later gewoon kan weggestemd worden. Er worden geen fouten gemaakt voor het leven.

Het zou best kunnen dat dit element van de democratie, namelijk de vredelievende machtsovergang, veel belangrijker is in het tot stand komen van welvaart, vrijheid en rechtvaardigheid dan het feit dat de samenleving geregeerd wordt door het volk. Een pleidooi voor referenda, want democratischer, verliest dan zijn grond.

Less is more

Het is in deze context dan ook interessant om te weten dat nu al in onze huidige bestuursvorm een belangrijke rem wordt gezet op de democratie. De belangrijke individuele vrijheden, zoals bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting, zijn immers afgeschermd van het democratisch oordeel. Dat betekent dat zelfs indien het hele parlement stemt om de vrijheid van meningsuiting sterk in te perken, een rechter deze wet ongeldig zou verklaren. De individuele grondrechten zijn immers onvervreemdbaar: ze behoren toe aan het individu. De rest van de samenleving, meerderheid of niet, heeft hier niets over te zeggen. De tirannie van de meerderheid wordt zo vermeden.

De individuele grondrechten vormen dus een sterke beperking op de macht van het volk. En die inperking van de democratie, hoewel weinig gekend, is minstens zo belangrijk, zoniet belangrijker, dan het democratische aspect van onze huidige bestuursvorm. En goed om weten: net die inperking van de democratie zorgt dat we meer vrijheid en rechtvaardigheid kunnen creëren voor iedereen. Conclusie: minder democratie leidt in dit geval dus tot een betere samenleving.

De massa: zowel de sterkte als de zwakte van de democratie

Een essentieel kenmerk van een democratie is dat bij meerderheid wordt beslist. Dat betekent dus ook dat de massa moet gaan stemmen, zodat zich een meerderheid kan vormen. Dat betekent dat men de wisdom of the crowds kan gebruiken om beleid te bepalen.

[Indien een minderheid voldoende zou zijn om bij stemming te beslissen zou dat een onstabiele bestuursvorm opleveren, omdat er telkens wisselende beslissingsmeerderheden zouden kunnen gevormd worden. De stabiliteit die de meerderheid levert is cruciaal en is ook de sterkte van een democratie.]

Maar net in die nood aan een meerderheid, en dus de massa, zit ook de grote zwakte van de democratie. Immers, doordat duizenden en miljoenen mensen gaan stemmen, verwatert de impact van de stem van een individuele burger. En die burger is niet dom: zij weet maar al te goed dat de kans dat haar stem doorslaggevend is verwaarloosbaar is. Waarom zich dan de moeite getroosten om zich te informeren over zulke complexe zaken als de gevolgen van een exit uit de Europese Unie: mijn individuele stem zal toch nooit doorslaggevend zijn.

Het is dus rationeel dat de burger zich de moeite bespaart om zich grondig te informeren. De individuele kiezer is rationeel onwetend. Maar wat rationeel is voor die ene individuele kiezer, is natuurlijk rationeel voor alle andere individuele kiezers. Het gevolg is dat de massa die gaat stemmen zich niet informeert.

Het bovenstaande is een stelling uit de economische theorie van de politiek, beter bekend als “public choice” theorie. Onderzoek na onderzoek bevestigt dat mensen, zowel laag- als hoogopgeleid(!), zelden goed geïnformeerd zijn over het politieke reilen en zeilen. En deze stelling werd nog maar eens bevestigd door de Britten: zonder gêne werd de slogan breed uitgesmeerd dat er wekelijks 350 miljoen pond naar de Europese Unie vloeide. Dat ze daar een groot deel van terugkrijgen, drong onvoldoende door. En dat een land als Noorwegen, dat ook buiten de Europese Unie zit en als voorbeeld voor het VK kan dienen, per hoofd méér betaalt aan de EU dan het VK was al helemaal geen element in het debat. Je zou voor minder het citaat van Winston Churchill bovenhalen die stelde dat een kort gesprekje met een gemiddelde kiezer het beste argument is tegen de democratie.

Referanda zoeken de zwakte van de democratie op

Maar, zo stellen De Ceulaer en Devos, als dat het argument is tegen een referendum, dan geldt dat tegen de hele democratie. Het feit dat één stem nooit doorslaggevend is, geldt immers ook bij een gewone verkiezing waarbij volksvertegenwoordigers worden gekozen. En dus zullen mensen zich ook bij gewone verkiezingen niet informeren.

Dat klopt natuurlijk: ook bij een gewone verkiezing wordt de impact van de verkiezingsprogramma’s van de verschillende partijen weinig of niet geanalyseerd door de kiezers. Maar je kan een verkiezing ook anders bekijken, namelijk als een evaluatie van de voorbije regeerperiode. Popper noemt een verkiezingsdag dan ook ‘Judgement Day’. En dan zijn mensen plots wél geïnformeerd, zonder dat ze zich er de moeite voor moeten getroosten. Ze kunnen gewoon bij zichzelf te rade gaan en nagaan of hun leven erop vooruit gegaan is de voorbije jaren, en of de regering daar voor iets tussen zit. En is dat bij een meerderheid het geval, dan is de kans groot dat de regering mag blijven zitten.

Door een referendum te organiseren wordt echter net de zwakte van de democratie opgezocht, namelijk het feit dat het rationeel is om onwetend te zijn. Referenda gaan immers uitsluitend over beleidsmaatregelen die in de toekomst moeten gebeuren en waarbij een individuele kiezer zich vaak niet kan informeren door de eigen situatie te analyseren. Meer nog, referenda worden soms misbruikt om het beleid van de huidige regering te beoordelen. Het referendum wordt dan een ‘Judgement Day’, wat niet de bedoeling van het referendum is.

Een verkiezingsdag bekijken als ‘Judgement Day’ is dan ook correcter om de democratie te omschrijven. Het is als een patiënt die oordeelt of zijn huisdokter goed is. De patiënt informeert zich weinig of niet over het feit of de diagnose en behandeling wel correct zijn, maar kan wel oordelen of hij zich beter of slechter voelt. En of hij niet beter van dokter verandert. Dat oordeel is lang niet perfect, want je kan ook om verkeerde redenen van dokter veranderen, maar geaggregeerd en over langere periode zullen de slechte dokters minder patiënten krijgen en de goede meer. Of dat is toch de hoop die we kunnen koesteren, omdat patiënten (en kiezers) over hun eigen toestand wel geïnformeerd zijn.

In deze context wordt het duidelijk dat een referendum niet past in deze omschrijving. We kunnen niet over nog te nemen maatregelen het track record oderzoeken. Het is dan alsof we aan de patiënt zelf vragen welke diagnose en behandeling hij wenst.

Doel = betere samenleving

De vraag is dus of we de samenleving beter maken door het organiseren van referenda over complexe zaken. Ik ben van mening dat mensen laten kiezen over iets waarvan het rationeel is dat ze zich er niet over informeren geen goede bestuursvorm is. Het is beter om een beperkt aantal mensen af te vaardigen die betaald worden om zich hiermee bezig te houden, zoals in onze representatieve democratie. Laat kiezers hier achteraf dan over oordelen.

Tot slot. In het parlement zelf wordt het werk verdeeld over gespecialiseerde commissies. Voor elke partij zitten hoogstens een paar parlementsleden in elke commissie. Hun voltijdse job is om zich in te werken in een paar domeinen en zo expertise te verwerven. In die commissies bepalen ze dan ook vaak het beleid van hun partij en hún stem kan wel degelijk soms doorslaggevend zijn, zeker als ze een goede reputatie opgebouwd hebben door zich goed te informeren. Ze worden er ook op aangesproken, omdat ze voor dat bepaald thema optreden als spreekbuis van de partij. Ze hebben er dus alle belang bij om zich te informeren. Vergelijk dat met een referendum waarbij een massa mensen, die vaak al een druk familiaal en professioneel leven hebben, gevraagd worden om zich te beraden over een complexe vraag, waarbij ze zelf weten dat hun stem nooit doorslaggevend zal zijn. Kan een bestuursvorm nog inefficiënter georganiseerd worden?

Dit is een uitgebreide versie van de tekst die in De Tijd verscheen.

Kloof tussen burger en politiek is onoverbrugbaar

Begin juli mocht ik voor Open VLD een lezing geven over de theorie van de public choice, in aanloop van het ideologisch congres half november. De public choice-theorie is onder meer door James Buchanan, een Amerikaans econoom, ontwikkeld. Buchanan heeft er een Nobelprijs Economie voor gekregen.

De titel van de lezing was ‘De enige goede overheid is geen overheid?; de slides van de lezing vindt u hier. De lezing, zeker het theoretische luik, was grotendeels gebaseerd op het handboek ‘Public Choice III’ van Dennis C. Mueller, en dat gebruikt werd door prof. Erik Schokkaert in zijn lessen ‘Economische theorie van de politiek’.

Hieronder vindt u de uitgeschreven tekst van een deel van de lezing. Let wel, dit is niet letterlijk, want pas achteraf uitgeschreven. Ik beperk me ook tot het theoretische luik van de lezing, namelijk het deel over de rationele kiezer, een belangrijk concept binnen public choice.

Inleiding

De theorie van de public choice heeft een totaal andere benadering van de overheid. Vóór de theorie van de public choice werd er niet zoveel aandacht gegeven aan de problemen die een overheid met zich meebrengt; de overheid werd algemeen bekeken als een benevolente, of goedbedoelende actor die het algemeen belang nastreeft. Als dat je visie op de overheid is, dan zal je aannemen dat er weinig of geen kosten verbonden zijn aan een tussenkomst van de overheid.

De public choice-theorie breekt hier radicaal mee. Zij bekijkt de overheid niet als een monolithisch geheel, maar als een verzameling van individuen die elk hun eigen nut trachten te maximaliseren. Dit is een economische visie op de overheid, en public choice wordt dan ook soms omschreven als de economische theorie van de politiek.

De nutsmaximalisatie van die veelheid van individuen die een overheid telt, stemt vaak niet overeen met het algemeen belang. Als dit je visie op de overheid, dan zal je aannemen dat er wél grote kosten kunnen verbonden zijn aan een overheidstussenkomst. Je kan dan pleiten tegen overheidsinterventie, zelfs als het in theorie gewenst is dat een overheid zou tussenkomen.

Rationele kiezer

Een fundament van de public choice theorie is de rationele kiezer. Public choice bekijkt niet enkel de overheid als een verzameling van individuen die hun voordeel trachten te maximaliseren, maar de hele samenleving. Dus ook de burgers die in een democratie mogen (moeten) gaan stemmen.

Een belangrijke assumptie is dat voor de meeste burgers geldt dat hun ideeën of wat ze doen geen impact heeft op de massa. Dat geldt misschien niet voor bekende mensen, zoals de BV’s, maar die zijn natuurlijk maar met zeer weinig.

De economische theorie stelt dat een individuele burger zich zal informeren en zal stemmen indien dat een groter verwacht nut oplevert voor die individuele burger in vergelijking met de kost om zich te informeren en te gaan stemmen. Het nut voor een individu is de kans dat zijn of haar individuele stem het verschil maakt en effectief het beleid oplevert dat een voordeel geeft aan die individuele burger (P), vermenigvuldigd met het nut of voordeel dat het beleid oplevert voor die individuele burger (V). De kost (K) is niet enkel de moeite om te gaan stemmen, maar ook om zich te informeren zodat je weet welk beleid het meeste oplevert voor jezelf.

Volgens de public choice theorie zal je dus gaan stemmen als P*V > K. We weten dat P, de kans dat jouw ene stem het beleid bepaalt, verwaarloosbaar klein is. Nooit heeft één stem het beleid bepaald, en dat zal in de toekomst zeer waarschijnlijk ook niet gebeuren. Daar is genoeg empirisch onderzoek naar. Dat heeft als gevolg dat het onnuttig is om je te informeren en te gaan stemmen: of je dat nu doet of niet, het beleid is toch net hetzelfde. De kost K om te gaan stemmen is dan ook steeds groter dan het verwachte voordeel P*V. Een burger die rationeel is, informeert zich dus niet en gaat niet stemmen.

[Er is één uitzondering: als je toevallig sterk geïnteresseerd bent in politiek en het maatschappelijke reilen en zeilen, dan vervalt de kost om zich te informeren. Het wordt dan een hobby. Maar dat geldt dus enkel voor zij die toevallig deze interesse hebben. En dat aantal is laag. Ook al zal de lezer van deze blog in zijn omgeving heel wat mensen kunnen opnoemen die ook van nature geïnteresseerd zijn in een politiek. Dat is dan de typische selection bias: mensen zoeken andere mensen op met dezelfde interesse en creëren, bewust of onbewust, een bubbel die niet overeenstemt met een willekeurige steekproef van de maatschappij. Als je wél denkt dat jouw kennissenkring een goede proxy is voor de gemiddelde burger, dan zit je waarschijnlijk goed fout.]

Rent-seeking

Een tweede belangrijk concept is rent-seeking, gedefinieerd als het manipuleren van de sociale en/of politieke omgeving voor het gewin van een kleine groep (lobby) ten koste van een grote groep (kiezer/consument), zonder dat hierdoor extra welvaart gecreëerd wordt.

Rent-seeking is volgens mij zeer moeilijk uit te roeien, omdat het grote voordelen oplevert en er weinig tegenactie is. Dat komt door een ongelijke kostenverdeling en door free-riding (of vrijbuitersgedrag).

De ongelijke kostenverdeling is goed te illustreren met het huidige landbouwbeleid van subsidies en quota. Quota leiden tot hogere prijzen voor producent en consument. De producent, de boer, zal dus pleiten vóór quota; de consument, wij allemaal, tegen.

Public choice bekijkt dit opnieuw vanuit het standpunt van het individu. Een individuele boer zal actie ondernemen opdat er quota zouden komen, indien het verwachte voordeel of nut voor de boer groter is dan de kost van de actie. Het verwachte voordeel is de kans (P) dat het lukt, vermenigvuldigd met het voordeel (Vquota) dat het de boer oplevert indien zijn actie lukt. Hetzelfde geldt voor de consument, waarbij een gelukte actie betekent dat er geen quota zijn (voordeel = Vgeenquota).

Stel dat de boer het pleit wint, dan gaan de prijzen van landbouwproducten naar omhoog. Die prijsstijging wordt betaald door alle consumenten aan alle boeren. Stel dat alle Belgische consumenten samen door de ingevoerde quota 100 miljoen euro per jaar meer betalen voor hun landbouwproducten, en dat die 100 miljoen euro gaat naar de Belgische boeren (voor de eenvoud van de argumentatie). Die 100 miljoen euro moet dan verdeeld worden over 11 miljoen consumenten, of minder dan 10 euro per consument. Echter, de 100 miljoen euro die de boeren extra ontvangen door de quota moet verdeeld worden over slechts 80.000 boeren, of 1.250 euro per jaar.

Wie zal er actie ondernemen om quota in te stellen of af te blokken? Alvast niet de consument, want het levert nog geen 10 euro per jaar op. De boer, daarentegen, heeft heel wat meer te winnen per jaar.

En dat is nog niet het einde van het verhaal. Deze dynamiek wordt nog versterkt door free-riding of vrijbuitersgedrag. Stel dat ik zo irrationeel ben dat ik voor 10 euro per jaar wél actie wil voeren tegen landbouwquota. En stel dat ik met mijn tegenlobby er effectief in slaag om de quota af te blokken. Dan zal ik inderdaad 10 euro minder moeten betalen. Maar 11 miljoen andere consumenten zullen ook 10 euro minder moeten betalen. Dus waarom zou ik überhaupt actie ondernemen, als ik gewoon kan meesurfen op de actie van iemand anders? Laat iemand anders maar de kastanjes uit het vuur halen…

Dat geldt natuurlijk ook voor de boer en zijn collega-boeren. Maar dat is nog een bijkomend gevolg van het feit dat er veel consumenten zijn en slechts relatief weinig boeren (naast de ongelijke kostenverdeling): het is gemakkelijker voor een kleinere groep om zich te organiseren dan voor een grote groep. Bovendien kan je in een kleinere groep gemakkelijker in het oog houden of iedereen zijn steentje wel bijdraagt: de sociale controle is er groter en vrijbuiters kunnen gemakkelijker geïdentificeerd en afgestraft worden. De groep is vaak ook homogener. Dat is bij de massa consumenten zeer moeilijk, zoniet onmogelijk. Daarenboven moet de massa consumenten zich op veel domeinen verdedigen tegen lobby’s, terwijl de boeren-lobby zich kan concentreren op landbouwbeleid.

Rationeel onwetend

Als het concept van de rationele kiezer gecombineerd wordt met dat van free-riding, dan moet je concluderen dat het voor een individuele kiezer rationeel is om zich niet te informeren. En dat blijkt ook het geval te zijn: de grote meerderheid weet weinig af van het politieke reilen en zeilen. Uit een enquête bij jonge mensen die een lerarenopleiding volgen bleek dat 30% niet weet dat Kris Peeters Vlaams minister-president is; meer dan de helft weet niet dat Wouter Beke een CD&V’er is en een kwart denkt dat de PS in Vlaamse regering zit.

Een geruststelling kan zijn dat de onwetende burgers door hun onwetendheid misschien wel foute keuzes maken, maar dat die fouten willekeurig zijn: als je ze allemaal samen neemt, dan compenseren de fouten elkaar. De ongeïnformeerde kiezers zorgen dan enkel voor ruis. Zij die zich wél informeren bepalen dan toch nog steeds het beleid; zij zijn dan het signaal in de ruis.

Rationeel irrationeel

Zo optimistisch is niet iedereen. Bryan Caplan, een Amerikaans econoom, schrijft in zijn boek ‘The Myth of the Rational Voter’ dat kiezers niet rationeel onwetend zijn, zoals de theorie van de public choice lang gesteld heeft, maar rationeel irrationeel.

Caplan stelt dat, aangezien één stem toch geen significante impact heeft op het beleid, de kost van een foute keuze nagenoeg nul is. Kiezers zullen zich dan laten leiden door ‘aangename’ keuzes, of ze nu juist zijn of niet. Meer nog, politici weten zelf wel wat de goede keuzes zijn, maar willen natuurlijk verkozen worden en volgen de keuzes van de burgers, ook als ze fout zijn.

Caplan zelf geeft onder meer het voorbeeld van vrijhandel, waar kiezers vaak tegen zijn, omdat ze denken dat vrijhandel de welvaart verlaagt, ook al is er weinig twijfel bij economen dat vrijhandel de welvaart verhoogt. Ze zijn dan vóór verstorende maatregelen zoals landbouwquota en subsidies, om de boeren te beschermen. Zelf zou ik het voorbeeld geven van een congestietaks, zeker in België: Brussel en Antwerpen zijn blijkbaar de steden met de meeste files. Elke econoom zou een congestietaks invoeren, maar de politiek is vooralsnog niet gevolgd. En Bruno Tobback heeft het als minister zelfs letterlijk gezegd: “we weten wat we moeten doen, maar dan geraken we niet herkozen”. Hij had het dan over klimaatbeleid.

Besluit

Er is dus een reden waarom er een kloof is tussen de burger en de politiek: het brengt de individuele burger niets op om geïnteresseerd te zijn. Is de burger wél geïnteresseerd in politiek, dan is dat louter toevallig zo, net zoals er mensen zijn die toevallig geïnteresseerd zijn in sport, de natuur, geschiedenis,….

Voor economisch gewin moet je je als individu niet interesseren in politiek, omdat het simpelweg economisch niets opbrengt. Je kan volgens mij de ongeïnteresseerde burger dan ook niets verwijten.

Zelf ben ik pessimistisch over de mogelijkheid om de kloof tussen burger en politiek te dichten. Het feit dat er geen economisch gewin te halen valt, de ongelijke kostenverdeling van het lobbyen, het free-rider probleem: het zijn allen zaken die moeilijk te verhelpen zijn.

Transparantie kan zeker helpen, zodat er tenminste controle kan zijn door de toevallig geïnteresseerde burger. En dat kan zelfs enigszins een impact hebben op de beleidsmakers, omdat ook zij (deels) in een bubbel leven, namelijk die van de geïnteresseerde burger.

Tot slot, er is volgens mij wel een belangrijk onderscheid te maken tussen de geïnteresseerde en de geëngageerde burger. De eerste werd in deze tekst gedefinieerd als iemand die het maatschappelijke debat opvolgt en een goed geïnformeerde stem kan uitbrengen bij de democratische verkiezingen. De geëngageerde burger zou ik definiëren als iemand die concreet wil meebouwen aan de samenleving en zich wil inzetten voor andere mensen. En daar heb je niet noodzakelijk kennis van politiek voor nodig: om een kansarm kind in je buurt te helpen met huiswerk of om jeugdtrainer te zijn bij de plaatselijke voetbalclub is het echt niet nodig te weten dat Wouter Beke de voorzitter is van CD&V.

Bescheiden in het weten, onbescheiden in het niet-weten

Over de liberale democratie, de essentie van de Westerse identiteit

Karl Popper heeft zijn magnum opus ‘De open samenleving en haar vijanden’ geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog, een tijd waarin totalitaire ideologieën zoals het communisme en het nazisme nog niet marginaal waren zoals dat nu het geval is. Deze soms erg verschillende maar totalitaire ideologieën spreken zich uit over elk aspect van het leven van de mensen. De overheid in een totalitair systeem is dan ook aanwezig op elk vlak, economisch, sociaal, religieus, politiek en cultureel.

Dat is echt wel een huzarenstukje: een overheid die op elk gebied van het leven en voor elk individu zegt te weten wat de juiste weg is, wat men als individu moet denken en doen. Dat is niet min. En dat is dus enkel houdbaar als men de mensen kan overtuigen dat de gekozen, totalitaire weg de énige mogelijke is die leidt tot een goede samenleving. En dat maakt dat totalitaire ideologieën allerminst bescheiden zijn. Zij, en zij alleen, hebben de waarheid in pacht en er zijn geen alternatieven. En ben je het niet met hen eens, dan ben je per definitie tegen hen en tegen de ‘goede samenleving’. Er is immers maar één mogelijke weg.

Bescheiden in het weten

Hiermee was Popper het uiteraard grondig oneens, maar in plaats van de toen vigerende totalitaire systemen frontaal aan te vallen, deed hij het grondiger, letterlijk radicaler: hij onderzocht op kritische wijze, als een echte filosoof, de wortel, de radix van dit systeemdenken. En dat is waarom Popper zo belangrijk is: het gaat hem niet om een specifieke aanval op het communisme of het nazisme as such. Nee, het is een aanval op de manier van denken dat deze totalitaire ideologieën mogelijk maakt, namelijk het denken in systemen en in noodzakelijke historische wetten. En dat is ook één van de redenen waarom Popper nog steeds actueel is. Het kan immers ook toegepast worden op andere, meer hedendaagse totalitaire ideologieën, zoals het religieus fundamentalisme.

Voor Popper is het onmogelijk dat een ideologie zou kunnen beweren dat zij de weg naar het goede leven kent en een accurate voorspelling kan doen van de toekomstige samenleving. Kennis is immers nooit af: die kan groeien (en kennis groeit ook nog steeds in onze samenleving, tot spijt van vooruitgangspessimisten); de huidige opvattingen zijn dus slechts hypotheses die aan de meest radicale kritiek blootgesteld moeten worden. Popper pleit dus voor het tegenovergestelde van totalitaire ideologieën, namelijk zeer bescheiden in het weten hoe een samenleving er moet of zal uitzien.

Dat maakt van hem een liberale filosoof: het liberalisme is immers de ideologie die geen invulling geeft of wil geven van wat men ‘het goede leven’ zou kunnen noemen. Liberalen erkennen ten volle dat ze niet weten hoeveel vormen van het ‘goede leven’ er wel zouden kunnen bestaan, laat staan wat deze vormen zouden moeten inhouden. Ja, het kan best zijn dat leven naar het voorbeeld van Jezus ‘het goede leven’ is. Maar het kan ook zijn dat dit niet zo is, of toch niet voor elk individu. Ja, het kan best zijn dat een hoofddoek dragen een vrouw gelukkig maakt, maar het kan ook zijn van niet, of toch niet voor elke vrouw. We weten het niet en we willen aan niemand keuzes opleggen, of toch zo min mogelijk. In het boek ‘Politieke ideologieën in Vlaanderen’ omschrijft professor Stouthuysen het liberalisme dan ook als een ‘meta-ideologie’: “Liberalen”, zo schrijft de professor, “spreken zich niet uit over de inhoud van de verschillende goede levens”[1].

Onbescheiden in het niet-weten

Het lijkt op het eerste gezicht wat vreemd om Popper bescheiden te noemen: hij gaat immers in zijn boek “De open samenleving en haar vijanden” meedogenloos te keer tegen drie grote filosofen (Plato, Hegel en Marx). Vooral Plato en Hegel krijgen ervan langs. Dat lijkt niet echt bescheiden, me dunkt. Alleen al zijn aanval op Plato, die door velen beschouwd wordt als de grootste filosoof aller tijden, getuigt van weinig bescheidenheid. En dat klopt ook: in dezelfde mate dat Popper, en bij uitbreiding liberalen, bescheiden zijn in het weten, zijn ze onbescheiden in het niet-weten. Ja, wij liberalen erkennen dat we het niet weten (en daar zijn onze ideologische tegenstanders doorgaans snel mee akkoord), maar we zijn niet te beroerd –en dat is een understatement- om tegen niet-liberalen te zeggen dat ze het ook niet weten (daar hebben ze natuurlijk wat meer moeite mee). Meer nog, onze strijd voor zoveel mogelijk vrijheid voor elk individu wordt juist door die onbescheidenheid in het niet-weten gefundeerd: wij weten het niet, maar iemand anders ook niet. En dus kan niemand ons opleggen wat we moeten doen om tot het goede leven of de goede samenleving te komen.

Die onbescheidenheid in het niet-weten zorgt ervoor dat Popper, en het liberalisme in het algemeen, niet in de val van het relativisme trapt. Alle culturen of samenlevingen zijn aan elkaar gelijk, ja dat klopt, op voorwaarde dat ze zoveel mogelijk vrijheid nastreven voor elk individu. En op dat laatste geeft een liberaal, onbescheiden als hij of zij op dit vlak is, geen millimeter toe.

Een belangrijk concept bij Popper is de ‘stapsgewijze vooruitgang’. De reden voor Poppers pleidooi hiervoor is simpel: er is geen andere weg dan ‘stapje voor stapje’, trial and error, of nog, in het Vlaams: ‘probeer ‘t eens en zie wat ’t geeft’. Waarom zo’n sterk pleidooi voor deze ietwat saaie methode? Gewoon, omdat we niet weten hoe we onmiddellijk tot het eindresultaat kunnen komen: er bestaan geen pasklare antwoorden.

Rorty en Mill

Het concept van bescheidenheid in het weten (“ik weet het niet”) en onbescheidenheid in het niet-weten (“maar jij weet het ook niet”) komt trouwens terug bij verschillende liberale filosofen, zij het in verschillende gedaanten. Ik noem er twee. Ten eerste, de liberale pragmaticus Richard Rorty. Hij stelt dat we er als privé-persoon moeten naar streven om een ‘liberale ironicus’ te worden, een idee dat toegankelijk en beknopt beschreven wordt in Peter Venmans’ boek ‘Over de zin van nut’ dat overigens door Liberales uitgeroepen werd als boek van 2008 (ik kan het boek aanraden, want Rorty zelf lezen is een pak moeilijker). De liberale ironicus, zo vat Venmans samen[2], is privé doordrongen van de contingentie of toevalligheid van zijn eigen overtuigingen (dat is het ironische aspect), terwijl hij maatschappelijk ageert tegen alle vormen van wreedheid (het liberale aspect). Het eerste, namelijk het ironische, is weerom de bescheidenheid in het weten: wat onze overtuigingen zijn, de gedachten die we hebben, zijn door toevalligheden bepaald en zijn dus niet noodzakelijk beter dan andere overtuigingen. Maar, dat betekent niet dat zomaar alles kan. Door het liberale aspect toe te voegen, het vermijden van wreedheid, ontwijkt Rorty het relativisme. Hijzelf sprak over “(d)e idee dat wij allemaal een doorslaggevende verplichting hebben om wreedheid te verminderen, om mensen voor wat betreft hun blootstaan aan lijden aan elkaar gelijk te maken”[3].

Ook John Stuart Mill, een belangrijke negentiende-eeuwse liberale filosoof, die trouwens lichtjes door de mangel gehaald wordt door Popper, was een adept van de trial and error methode. Om één voorbeeld te geven: Mill was in de 19de eeuw al een voorvechter van vrouwenrechten, zoals stemrecht voor vrouwen. Eén van zijn belangrijkste argumenten was dat we helemaal niet wisten of vrouwen te labiel waren om te kunnen stemmen (zoals toen vaak werd geargumenteerd). Zijn argument was simpel: we weten het niet, dus waarom proberen we het niet eens. Ik moet er wel bij zeggen dat Mill zelf overtuigd was dat gelijke rechten voor mannen en vrouwen een goede zaak zou zijn voor de samenleving. Mill spreekt van ‘een verdubbeling van de beschikbare voorraad geestelijke vermogens in dienst van de mensheid’[4].

Bescheiden wereldverbeteraars

Karl Popper zelf vat zijn theorie van de stapsgewijze vooruitgang mooi samen in het volgende citaat[5]: ‘Het streven om de mensheid gelukkig te maken is heel gevaarlijk zodra een aantal mensen het erover eens zijn over de manier waarop dat moet gebeuren. Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. Maar we moeten desondanks toch wereldverbeteraars blijven – maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij moeten we steeds de ogen open houden voor de onvermijdelijke ongewilde gevolgen van ons ingrijpen, die we nooit geheel kunnen voorzien en die maar al te vaak de balans van onze verbeteringen negatief doet staan.’ Dát is wat Popper bedoelde met een ‘stapsgewijze vooruitgang’: de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden en misstanden op te ruimen. Niet in één revolutionaire klap, maar stap voor stap, zonder te raken aan de menselijke integriteit.

Op basis van het bovenstaande durf ik iemand die zich een Popperiaan noemt met verwijzing naar de ‘stapsgewijze vooruitgang’ een liberaal te noemen, waarbij ik verwijs naar de ideologie en niet de politieke partij. De liberale ideologie die de vrijheid en de waardigheid van de mens centraal stelt.

En als zelfs je ideologische tegenstanders hoog oplopen met Popper en zijn verdediging van de liberale waarden, meer nog, zich zelfs Popperiaan noemen, dan is de liberale democratie, althans in België en de Westerse wereld, misschien toch het eindpunt van de geschiedenis, en zijn we met z’n allen, christen-democraat, liberaal, socialist of nog iets anders, zijn we met z’n allen –tot op zekere hoogte- liberalen, liberalen die op onbescheiden manier de liberale democratie verdedigen, om de eenvoudige reden dat enkel dit politieke systeem de bescheidenheid in het weten verankerd heeft in een grondwet.

 

Dit is een ingekorte versie van de inleiding die ik gaf bij de derde Karl Popper-lezing van Liberales in september 2009. Gastspreker was toenmalig Eerste Minister Herman Van Rompuy, die zich een Popperiaan noemt en de methode van de stapsgewijze vooruitgang hoog in het vaandel draagt. De tekst van zijn lezing vindt u op de Liberales-website.

 


[1] ‘Politieke ideologieën in Vlaanderen’, Luk Sanders en Carl Devos (red.), Standaard Uitgeverij, pg 96

[2] ‘Over de zin van nut’, Peter Venmans, Atlas, pg 251

[3] ‘Contingentie, ironie en solidariteit’, Richard Rorty, Ten Have, pg 154

[4] ‘De onderwerping van de vrouw’, John Stuart Mill, Boom, Meppel en Amsterdam, 1981

[5] ‘The Poverty of Historicism’, Karl Popper, Routledge, 2002

 

Over toeval, toplonen en Rawls

Een pleidooi voor een hogere belasting op toplonen en een lagere belasting op middenlonen

1. Inleiding

In een column voor Liberales en MO* stelde ik dat een marginale taks van 75% op inkomens boven 1 miljoen euro rechtvaardig is. Daar is heel wat reactie gekomen, zowel door leden van LVSV (zie de Facebook van LVSV Leuven), als binnen Liberales. Als reactie hierop onderbouw ik mijn stelling op een meer fundamentele manier.

Vooraf wil ik nog eens duidelijk maken dat mijn tekst ging over een budgetneutrale maatregel, met andere woorden als de belasting op inkomens boven 1 miljoen verhoogd wordt van de huidige 50% naar 75%, dan moet elders het tarief verlaagd worden. In België betalen we reeds het hoogste marginale tarief van 50% op alles wat boven een belastbaar jaarinkomen van ongeveer 35.000 euro ligt (de belastingschijven worden jaarlijks aangepast aan de inflatie). Letterlijk schreef ik in mijn column: “We aanvaarden een stijgende marginale taks tussen 0 en 35.000 euro, maar niet tussen 35.000 euro en één, twee of vijf miljoen. Waarom eigenlijk? Rechtvaardiger zou zijn om de 50% pas vanaf pakweg 70.000 euro te innen en vervolgens de belastingvoet gradueel te laten stijgen tot 75% vanaf één miljoen euro.”

Met andere woorden, gegeven dat de overheid een bepaalde hoeveelheid geld moet innen via belastingen, dan betoog ik dat dit rechtvaardiger kan door topinkomens zwaarder te belasten en tegelijk anderen minder te belasten.

Sommigen stelden dat ik ook over de inkomstenzijde van de overheid moet praten. Maar als je praat over de inkomsten en dus eerst wil bepalen hoeveel inkomsten een overheid nodig heeft, dan voer je een discussie over de kerntaken van de overheid. Dat lijkt me een zeer belangrijk debat, wat te weinig gevoerd wordt (zelf heb ik er hier, hier en hier over geschreven). Maar zelfs indien je het zou eens geraken wat de kerntaken zijn van de overheid, dan nog moet je daarna weer bepalen hoe die kerntaken gefinancierd worden. Je komt dus vroeg of laat in de discussie wat en tegen welk tarief je gaat belasten.

 

2. Het gedachte-experiment van Rawls

Bij de meer fundamentele onderbouw is mijn leidraad het gedachte-experiment van John Rawls dat hij in zijn boek A Theory of Justice (1971) ontwikkelde. In dat gedachte-experiment laat Rawls rationele individuen beslissen welke maatschappelijke regels ze willen. Belangrijk daarbij is dat de rationele individuen nog niet weten welke positie ze gaan innemen in de maatschappij. Ze weten dus niet of ze man of vrouw zullen zijn, rijk of arm, talentvol of niet, geboren in een kansarm of kansrijk gezin, enzovoort. Ze zitten als het ware onder de ‘sluier der onwetendheid’.

Volgens Rawls zullen de volgende maatschappelijke regels uit het gedachte-experiment komen (zie wikipedia):

  • Eerste principe – Aan iedere persoon komt een gelijk recht toe op een zo uitgebreid mogelijk totaalsysteem van gelijke basisvrijheden, dat in overeenstemming is met een gelijkaardig systeem van vrijheid voor allen.
  • Tweede principe – Sociale en economische ongelijkheden moeten zodanig worden ingericht dat ze zowel:
    1. in het grootste voordeel zijn van de minst gegoeden, en
    2. verbonden zijn met functies en betrekkingen die openstaan voor allen onder de voorwaarden van eerlijke gelijkheid van kansen.

Het eerste principe maakt dat men Rawls een liberaal noemt: hij geeft zoveel mogelijk vrijheden aan elke persoon, niet aan een groep of gemeenschap. Het tweede principe laat toe dat er sociale en economische ongelijkheden zijn, maar enkel als (1) deze ongelijkheden het meest  ten goede komen aan de minstbedeelden (maximaliseren van het minimum of ‘maximin’) en (2) als deze posities en ambten (die de sociale en economische ongelijkheden creëren) voor iedereen open staan onder voorwaarden van eerlijke gelijke kansen.

De voorwaarde van gelijke kansen moet eerst vervuld worden, en dan pas het verbeteren van de minstbedeelden: je kan dus de toegang tot een ambt of positie niet beperken, ook al zou daardoor de situatie van de minstbedeelden verbeteren. Bovendien is de gelijkheid van kansen geen formele eis, maar moet dit in de praktijk effectief gegarandeerd zijn.

Dit gedachte-experiment is zeer krachtig, omdat het louter op basis van rationele gronden zegt hoe een maatschappij rechtvaardig moet georganiseerd worden. Dat betekent niet dat hiermee de discussie over rechtvaardigheid definitief opgeborgen is, maar Rawls heeft zeker voor een cesuur gezorgd: als je na Rawls’ boek nog over rechtvaardigheid wil praten, dan moet je ook over zijn gedachte-experiment praten. Al is het maar om aan te geven waarom je er niet mee eens bent.

Zelf aanvaard ik de uitkomst van het gedachte-experiment. De kracht zit hem in de ‘sluier der onwetendheid’: mensen weten niet in welke positie ze gaan terecht komen. Daardoor wordt impliciet rekening gehouden met iets wat iedereen weet, maar velen toch negeren: dat de omgeving en de talenten die je krijgt bij de geboorte geen enkele individuele verdienste zijn: dat is puur toeval.

Sommigen gaan zelfs zo ver door te stellen dat de neiging om al dan niet hard te werken ook aangeboren is en/of door je omgeving bepaald. We komen dan in een situatie dat de vrije wil en de individuele verantwoordelijkheid naar nul gereduceerd worden. Dat is bijvoorbeeld de stelling van Jan Verplaetse in ‘Zonder Vrije Wil’; ook bijvoorbeeld Karel De Gucht zegt “vrijheid een nuttige illusie is”. Maar zelfs indien de neiging om hard te werken genetisch of door de omgeving bepaald wordt, dan nog is een belastingsysteem met de juiste prikkels nodig om mensen te doen werken.

In wat volgt ga ik eerst de positie van de minstbedeelden behandelen, daarna gelijke kansen en ten slotte de politieke vrijheid.

 

3. De minstbedeelden

Volgens Rawls vinden rationele individuen het niet rechtvaardig dat iemand de vruchten plukt van iets waarvoor hij geen enkele verdienste heeft en die hij louter op basis van toeval verworven heeft. Ze zullen ervoor kiezen om de zaken die zuiver op basis van toeval verdeeld worden, terug te herverdelen in het voordeel van de minstbedeelden (op voorwaarde dat dit in het voordeel van de minstbedeelden is – zie later). Als je aanneemt dat iemand die meer dan 1 miljoen euro verdient (de “topverdiener”) meer toeval gehad heeft dan iemand die meer dan 35.000 euro verdient (maar minder dan 1 miljoen – de “middenklasser”), dan is het volgens de rationele individuen rechtvaardig om de topverdiener meer te belasten.

Maar hoeveel meer? In eerste instantie zou je kunnen redeneren dat er moet herverdeeld worden tot “iedereen evenveel” heeft: op dat moment heeft de minstbedeelde zoveel als de meestbedeelde. Maar toch is dit niet in het voordeel van de minstbedeelde, omdat als er sowieso herverdeeld wordt tot “iedereen evenveel” heeft, niemand nog een prikkel heeft om zijn talent te ontwikkelen, om te werken noch om te ondernemen. En dan valt er niets te herverdelen, want niemand doet nog wat.

Dus zelfs als iemand geboren is met weinig talent, dan nog is het in zijn voordeel dat zij die wél met talent geboren zijn, prikkels krijgen om dit talent te ontwikkelen, te werken en te ondernemen. Meer nog, vooral zij die talent hebben moeten aangezet worden om zich te ontwikkelen en hard te werken. We willen dus een herverdeling voor de minstbedeelden, maar tegelijk hebben we sociale en economische ongelijkheid nodig. Het is dus in het voordeel van de minstbedeelden dat de juiste prikkels gegeven worden zodat er zoveel mogelijk welvaart gecreëerd wordt. De vrije markt blijkt daar een uitstekend instrument voor te zijn: talent dat schaarser is (en dus relatief meer nodig), wordt beter vergoed. Het geeft tegelijkertijd aan mensen die hun talent nog moeten ontwikkelen, een duidelijk signaal welk talent er goed vergoed wordt en dus zullen meer mensen eerder dat talent ontwikkelen dat het meest nodig is, waardoor er meer welvaart kan gecreëerd worden.

Om te herverdelen heb je een progressieve belasting nodig (een vlaktaks met belastingvrije som is ook progressief; een subsidie is een negatieve belasting). Een dergelijke maatschappij vindt een herverdeling die de inkomensongelijkheid vermindert in het voordeel van de minstbedeelden bijgevolg waardevol.

Ons huidig belastingssysteem heeft vanaf 35.000 euro een constante marginale taks van 50%. De vraag is of dit belastingsysteem de juiste prikkels geeft zodat de positie van de minstbedeelden gemaximaliseerd kan worden. Dit vraagstuk naar rechtvaardigheid wordt zo een vraagstuk naar efficiëntie:

  • als we de topverdieners sterker belasten (om te herverdelen naar de minsbedeelden toe), heeft dit dan een negatieve impact op de economische groei, waardoor de minstbedeelden uiteindelijke nog slechter af zijn: het stuk van de taart voor de minstbedeelden is wel relatief groter, maar de totale taart is kleiner, zodat hun stuk uiteindelijk kleiner is in absolute grootte?
  • Of omgekeerd: als we de topverdieners minder belasten (met minder geld om te herverdelen voor de minstbedeelden), heeft dit dan een positieve impact op de economische groei, waardoor de minstbedeelden uiteindelijk nog beter af zijn: het stuk van de taart voor de minstbedeelden is wel relatief kleiner, maar de totale taart is groter, zodat hun stuk uiteindelijk groter is in absolute grootte?

In het verleden zijn de marginale belastingsvoeten voor topverdieners in verschillende landen drastisch gedaald. Uit onderzoek van Pikkety et al (2011) blijkt dat de verlaging van de belastingen voor topverdieners geen significant effect heeft gehad op de groei. De onderstaande figuur komt uit hun onderzoek. De figuur toont op de verticale as de gemiddelde jaarlijkse economische groei van de jaren ‘70 tot de jaren 2000; de horizontale as geeft de verandering van de hoogste marginale taks voor dezelfde periode. We zien dat landen zoals de US en UK hun hoogste marginale taks drastisch verlaagd hebben, terwijl bijvoorbeeld Duitsland dit niet deed. Toch kenden US, UK en Duitsland ongeveer dezelfde economische groei. Het verlagen van de marginale taks heeft geen impact op de economische groei, dus zou het vice versa ook mogelijk kunnen zijn om de taks te verhogen zonder de economische groei te fnuiken (en zo de positie van de minstbedeelden te verbeteren).

Maar misschien zal de economische groei niet stijgen door de middenklasse minder te belasten zoals ik voorstel? Ik denk dat de belastingen op arbeid voor de middenklasse in België te hoog zijn en dat een verlaging de economische groei zou verbeteren. Een indicatie dat de belastingen te hoog zijn voor de middenklasse zijn de recente cijfers van de Oeso dat de inkomensongelijkheid in België de afgelopen 20 jaar niet gestegen is, maar tegelijk heeft de top1% een groter aandeel van het inkomen (van 6,3% naar 7,7%).

De onderklasse en de topklasse doen het dus relatief beter, wat erop wijst dat (een deel van) de middenklasse het relatief slechter doet. Een ander pijnpunt zijn de hoge loonkosten in België, veroorzaakt door de hoge RSZ-bijdragen en de hoge inkomensbelasting (met een marginale taks van 50% die reeds begint op 35.000 euro), in vergelijking met andere landen. Als hierdoor ondernemers effectief België links laten liggen of zelfs ontvluchten, dan is een verhoging van de belastingen voor deze groep uit den boze, want het zou de economische groei aantasten. Meer nog, gezien de relatief grote zwarte economie in België zou men moeten trachten de belastingen te verlagen voor deze groep.

Het bovenstaande zijn evoluties op macro-niveau. Maar ook op het individuele niveau is het duidelijk dat ons huidige belastingssysteem met een constante marginale taks van 50% vanaf 35.000 euro niet efficiënt en dus niet rechtvaardig is. En dat heeft veel met toeval te maken. Iemand die jaarlijks 35.000 euro verdient en een extra baantje neemt in het weekend om wat bij te verdienen kan met bijna 100% zekerheid zeggen hoeveel hij extra zal verdienen en dat zal quasi-volledig gelinkt zijn met hoe hard hij werkt, een beslissing die hij zelf in de hand heeft.

Het inkomen van een topverdiener, daarentegen, is veel meer variabel en veel meer onderhevig aan toeval. Dat de CEO zijn aandelenopties binnen vijf jaar 100.000 euro of 1 miljoen euro zullen zijn, kan misschien nog te danken zijn aan zijn inzet, maar of ze 1 miljoen, 2 miljoen of 136 miljoen euro waard zullen zijn, heeft hij veel minder in de hand. Om een jaarinkomen van 1 miljoen euro te verdienen moet sowieso hard gewerkt worden. Dat strookt met de vaststelling van Marc Buelens (Vlerick school) dat er nog nooit een verband is aangetoond tussen hoge lonen van CEO’s en betere prestaties van een bedrijf (link).

Maar wat met zij die een carrière als CEO of topverdiener ambiëren, maar het nog niet zijn? Deze markt is door de globalisering veel competitiever geworden, waardoor CEO’s en andere topverdieners in een winner-take-all-market terecht gekomen zijn (zoals de financiële wereld; zie het gelijknamige boek van Frank en Cook). In dit soort markten verdienen de mensen aan de top heel veel, in vergelijking met de mensen net onder hen. Toch zijn de kwaliteitsverschillen tussen de eerste en de tweede maar miniem. Dat lijkt op het eerste gezicht te wijzen op een slecht werkende arbeidsmarkt voor CEO’s, maar dat hoeft niet zo te zijn: volgens Frank en Cook is er een economische logica voor het grote loonsverschil tussen de eerste en de tweede. De CEO heeft door de globalisering ook een grotere verantwoordelijkheid (groter bedrijf, hardere concurrentie), dus een miniem verschil in talent kan wel wel degelijk een significante impact hebben. En ook al weet je dat niet zeker, er staat zoveel op het spel dat je liever het zekere voor het onzekere neemt.

Maar voor de talentvolle would-be-CEO’s is het onmogelijk om te voorspellen wie onder hen de race naar de top wint, zelfs als die selectie louter op basis van talent gebeurt, juist omdat de verschillen in talent zo klein zijn en het dan nog eens moeilijk te detecteren is wie dat extra talent dan wel heeft. Met andere woorden, de onzekerheid over het toekomstig inkomen van de ambitieuze CEO-in-wording (en ook voor de startende ondernemer) is groot. Met hard werk en veel talent is de kans groot dat deze persoon veel zal verdienen, maar of dat nu 200.000 euro of 500.000 euro is, is bijna niet te voorspellen, laat staan meer dan 1 miljoen. De link tussen inspanning en verloning valt weg vanaf een bepaald inkomensniveau. Enkel als kandidaat-grootverdieners hun kansen op mega-succes massaal zouden overschatten (en dus de toevalsfactor zouden wegrationaliseren), zal er een dalend effect zijn op de instroom van kandidaat-grootverdieners, maar als er een massale zelfoverschatting van succes is, impliceert dit ook een te grote instroom van kandidaten in de winner-take-all markten en dan is de arbeidsmarkt niet meer efficiënt. Het resultaat van een hoge marginale taks op grootverdieners heeft dan net een positief effect op de marktefficiëntie (dat is trouwens ook een veel gehoorde klacht over de financiële wereld: omdat er zoveel meer te verdienen valt dan in andere sectoren, trekt het een overmatig groot deel van de meest talentvolle werknemers aan, ten kost van de economische prestaties in die andere sectoren).

De link tussen hard werk en succes is veel sterker wat betreft de ‘gewone’ carrières van werknemers en ondernemers. De kans dat geschoolde werknemers een hoger loon dan gemiddeld krijgen is hoog (Cuhna e.a. tonen aan dat 60% van de variabiliteit in de opbrengst van een opleiding voorspelbaar is). De veel sterkere link tussen inspanning en beloning zorgt ervoor dat velen proberen te slagen in een opleiding. Dat een geschoolde werknemer meer verdient is immers niet zo toevallig.

Ons belastingssysteem met een constante marginale taks van 50% vanaf een jaarinkomen van 35.000 euro is dus niet rechtvaardig, omdat het niet de juiste prikkels geeft. Zowel voor iemand die een extra baantje wil als voor de aansporing om een opleiding te volgen om zo je productiviteit te verhogen, is deze belasting te hoog in vergelijking met dezelfde taks voor topinkomens waarbij de link tussen inspanning en loon minder sterk is vanaf een hoog inkomen.

Meer nog, een lagere belasting voor de middenklasse, gefinancierd door een hogere belasting op de topinkomens, zou het ondernemersschap zelfs kunnen stimuleren. Een cijfervoorbeeld: stel dat de kans dat een beginnende ondernemer slaagt 50% is. Als hij slaagt, verdient hij in 49,9 van de 50 gevallen 100.000 euro extra en in 0,1 op 50 gevallen verdient hij 2 miljoen euro extra (wat me nog zeer optimistisch lijkt). In het huidige scenario (met een marginale taks van 50% voor beide inkomens) is zijn verwachte winst = 0.499 * 50% * 100.000 + 0.001*50% * 2.000.000 = 25.950 euro. Als er echter een belasting van 75% wordt ingesteld voor inkomens boven 1 miljoen euro en met die opbrengst de marginale taks van 50% verlaagd wordt naar 49% is zijn verwachte winst hoger, namelijk 26.200 euro. Ja, zijn nettowinst is lager als hij echt heel succesvol wordt (veel meer dan 2 miljoen euro), maar die kans is verwaarloosbaar: de ondernemer zal vooral kijken naar de winst die hij redelijkerwijs mag verwachten indien hij succesvol is.

Gegeven dat de overheid een bepaald inkomen nodig heeft, is het bijgevolg rechtvaardiger om echt hoge inkomens (bijvoorbeeld boven 1 miljoen euro) meer te belasten en met die opbrengst de middenklasse minder belasten. Dat zal meer mensen aanzetten om hard te werken, zich te ontplooien en/of om risico te nemen, ook bij de onderklasse, omdat de winst van hard werk voor deze categorie ook hoger wordt indien de middenklasse minder belast wordt. Er zal ook wel een impact zijn op zij die meer dan 1 miljoen euro verdienen, maar door de grote onzekerheid van hun inkomen en de vereiste om sowieso hard te werken op dit niveau, zal de negatieve impact gecompenseerd worden door de positieve impact van de lastenverlaging voor de middeninkomens.

Voor de volledigheid: Diamond en Saez (pdf) hebben binnen de economische literatuur van de optimal tax theory een aantal effecten gekwantificeerd en komen voor de VS tot een optimale marginale taks van 78% op inkomens boven 400.000 dollar, als enkel rekening gehouden wordt met de reële economische impact (topverdieners gaan minder werken). Als je een meer realistische reactie van de topverdieners meerekent, waarbij dus ook een deel ontweken wordt ook al tracht de overheid dit tegen te gaan, dan kom je op 73%. Dat een hoog inkomen voor een groot deel door toeval verworven is, is op zich geen reden om dit te belasten. Zelfs als al het inkomen van succesvolle ondernemers toeval zou zijn, dan nog moet de ondernemer een groot deel van zijn inkomen kunnen behouden. De ondernemers hebben immers risico genomen en probeerden iets. Sommigen lukten, anderen niet. Trial and error dus, maar dat is wat we nodig hebben voor economische groei. Weinigen weten met zekerheid of iets zal aanslaan of niet en de vrije markt is de onverbiddelijke scheidstrechter. Dat is ook haar kracht: de vrije markt beslist wie met een goed product op de markt komt. Maar dat is zeer slecht voorspelbaar en dus moet er een grote beloning zijn als je durft en slaagt, al dan niet door toeval.

Tot slot, het thema van toeval en succes is zeer recent in de Amerikaanse actualiteit gekomen door een speech van Obama waarin hij zegt dat de succesvolle mensen steun gekregen hebben (leraars, ouders, overheidsinvesteringen in infrastructuur,…). Maar, zoals David Frum opmerkte, was dit eigenlijk niet zo controversieel omdat de meesten dit wel erkennen. Wat controversiëler is, is zijn uitspraak dat er veel hard werkende en slimme mensen zijn die niet zo succesvol zijn en dat je succes dus minstens deels verklaard wordt doordat je gewoon het toeval aan je kant had.

 

4. Gelijke kansen en sociale mobiliteit

Tot hier ging het over het maximaliseren van de positie van de minstbedeelden. Dat komt er grosso modo op neer dat je genoeg prikkels geeft aan mensen om te werken waarna je een herverdeling doet ten voordele van de minstbedeelden. Er is dan een trade-off: hoe meer je wilt herverdelen, hoe meer belastingen je moet heffen op de mensen met talent (de betere verdieners), waardoor deze minder gaan werken en er dus minder te herverdelen is. Er is ergens een optimum. Zoals hierboven gesteld ligt de optimale marginale belasting voor topverdieners hoger dan het momenteel is, maar voor gewone verdieners ligt het wellicht te hoog. Vandaar dus het pleidooi om de topverdieners meer te belasten en de middenklasse minder te belasten.

Maar dat pleidooi is gericht op de minstbedeelden. Uit het gedachte-experiment van Rawls volgt echter een nog belangrijkere regel, namelijk die van de fair equality of opportunity, of billijke gelijkheid van kansen. En voor Rawls is het niet voldoende dat er enkel in theorie gelijkheid van kansen is; de kansengelijkheid moet er ook in de praktijk zijn.

Hoe kunnen we weten of er in een maatschappij in de praktijk gelijke kansen zijn? Dat is -althans voor liberalen- vrij eenvoudig: we kijken in welke mate de positie van een individu bepaald wordt door zijn afkomst. En dat kan je meten aan de hand van hoeveel sociale (of economische) mobiliteit er is, namelijk de mobiliteit op de sociaal-economische ladder van een kind ten opzichte van zijn of haar ouders. Als die mobiliteit over alle klassen heen laag is, dan zijn er nauwelijks gelijke kansen; is de mobiliteit over alle klassen hoog, dan zijn er in hoge mate gelijke kansen.

Dat geldt natuurlijk enkel als je denkt dat er in alle individuen talent zit, ook al komen ze uit de lagere klassen. Liberalen, die de nadruk leggen op individuele verantwoordelijkheid, hebben een dergelijk mensbeeld. Vandaar dat in de mission statement van Liberales ook het volgende staat: “de leden (van Liberales) geloven in de kracht, de eigenheid en de zelfontplooiing van de mens om als ontvoogd individu zijn verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving“. Denk je niet dat elk individu de capaciteit en het talent heeft om zijn eigen leven vorm, dan is het liberalisme wel een heel wrange ideologie die mensen op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen.

Er zijn sterke aanwijzingen dat een stijgende inkomensongelijkheid een negatieve impact heeft op de sociale mobiliteit. In 2008 rapporteerde The Economist al over een Oeso-rapport dat concludeerde dat landen met een grotere inkomensongelijkheid ook een lagere sociale mobiliteit hebben (link) en begin dit jaar stond ditzelfde onderwerp centraal in een lezing van Alan Krueger, de hoofdeconoom van Obama (slides, tekst – zie ook de figuur). Krueger concludeert: “[T]he persistence in the advantages and disadvantages of income passed from parents to the children is predicted to rise by about a quarter for the next generation as a result of the rise in inequality that the U.S. has seen in the last 25 years. It is hard to look at these figures and not be concerned that rising inequality is jeopardizing our tradition of equality of opportunity. The fortunes of one’s parents seem to matter increasingly in American society.” (eigen onderlijning)

The GreatGastby Cruve – Uit de speech van de voorzitter van de Council of Economic Advisors, Alan Krueger, op 12 januari 2012 over ‘The Rise and Consequences of Inequality’

Er zijn al talloze studies gedaan naar de redenen van economische ongelijkheid. Het is onderhand duidelijk: talent drijft niet boven, maar moet actief opgezocht en gestimuleerd worden. De onderstaande figuur geeft een illustratie dat er geen gelijke kansen zijn. De gegevens betreffen Canada en Denemarken. Op de horizontale as is het percentielinkomen van de vader voorgesteld van hoog naar laag (volledig links de vader met het laagste inkomen van 100 vaders, volledig rechts de vader met het hoogste inkomen). De verticale as geeft het procentuele aantal zonen dat ooit in hetzelfde bedrif werkzaam was als de vader. Doorheen de hele inkomensverdeling schommelt dit rond de 40%, maar voor de topinkomens begint dit te stijgen, met een absolute piek voor de top1%-inkomens.

Een te hoge inkomensongelijkheid leidt dus tot sociale mobiliteit omdat de drempels te hoog worden voor wie vanonder moet beginnen. Dat betekent dat het talent uit de onderklasse niet of onvoldoende ontwikkeld kan worden, wat inefficiënt is. Dat is niet enkel onrechtvaardig voor de talentvollen uit de onderklassen, maar ook voor zij met veel minder talent (de minstbedeelden), omdat zo de koek te klein wordt. De Oeso heeft in haar rapport “Going for Growth” van 2010 dan ook expliciet opgenomen dat “Policy reform can remove obstacles to intergenerational social mobility and thereby promote equality of opportunities across individuals. Such reform will also enhance economic growth by allocating human  resources  to  their best use.

Bron: Corak 

En anekdotisch: het bovenstaande fenomeen van de zeer sterke link tussen het bedrijf van vader en zoon voor de topinkomens blijkt ook op te gaan voor de vader-zoon relatie in de Belgische toppolitiek: van de zes partijvoorzitters die het federale regeerakkoord onderhandelden en uiteindelijk goedkeurden, waren er drie wiens vader dit eerder gedaan hadden (De Croo, Michel, Tobback).

 

5. Politieke vrijheid

De politieke vrijheid van elk individu wordt bedreigd als er een grote concentraties is van macht en rijkdom. De elite heeft immers alle belang om de regels van de maatschappij zodanig te veranderen dat haar macht en rijkdom bestendigd blijft. Hoe groter die concentratie van macht en rijkdom hoe groter de prikkel om de wetten in hun eigenbelang te veranderen, maar ook hoe meer middelen ze hebben om dat na te streven. Progressieve belasting met een stijgende marginale taks voor hoge inkomens is een middel om dit gevaar te verminderen.

Deze gedachte is niet nieuw. In 1935 werd in de VS een marginale taks van 77% ingesteld. President Franklin D. Roosevelt verantwoordde dit door te stellen dat grote rijkdom betekent dat “great and undesirable concentration of control in relatively few individuals over the employment and welfare of many, many others.” Concentratie van rijkdom kan de vrijheid van anderen dus bedreigen.

In een democratie zou de concentratie van rijkdom niet mogen leiden naar concentratie van macht. Het median voter theorem stelt immers dat het de mediaan kiezer is die in een democratie de politieke agenda bepaalt, dus niet de extremen, of ze nu extreem arm of extreem rijk zijn.

Maar een andere theorie stelt net het omgekeerde, namelijk dat een kleine lobbygroep voordelen tracht te verkrijgen ten koste van een grote groep, zonder dat er extra welvaart gecreëerd wordt. Twee belangrijke recente voorbeelden zijn de brugpensioenregeling vanaf 52 jaar voor Bekaert en de Arco-deal waar elk modaal gezin ongeveer 500 euro voor zal betalen om de aandeelhouders van Arco te kunnen terugbetalen voor hun verlies (door de ondergang van Dexia – zie mijn column).

Deze vorm van diefstal, rent-seeking genoemd, is hardnekkig, juist omdat de lobbygroep relatief klein is waardoor de winst moet verdeeld worden onder een klein aantal, terwijl de kost wordt verdeeld over een grote groep, bij voorkeur de hele samenleving. Dat betekent dat de leden van de lobbygroep een sterke prikkel hebben om zich te organiseren en om lobbywerk te verrichten. En omdat de lobbygroep relatief klein is, is de organisatie bovendien nog eens gemakkelijker en kan je ook beter in het oog houden of iedereen zijn bedrage wel levert.

Voor zij die de kosten moeten dragen, namelijk alle belastingbetalers, zijn de kosten per individu vaak niet de moeite om er actie voor te ondernemen. En zelfs als het al gaat over redelijk wat geld per gezin, zoals de Arco-deal, dan nog heb je het vrijbuitersprobleem. Stel dat er iemand in slaagt om een betoging van 100.000 personen te organiseren tegen de Arco-deal en stel dat die deal door dit protest effectief wordt teruggedraaid, dan winnen alle deelnemers aan de betoging 500 euro. Dat is een mooie som geld om even te gaan betogen. Maar het probleem is dat alle andere belastingbetalers die niet aan de betoging hebben deelgenomen ook 500 euro winnen. Waarom dan gaan betogen? Laat de anderen maar betogen en als het lukt krijg ik wel een free ride.

Het is voor elk individu dus rationeel om niet te gaan betogen en te hopen dat anderen dat wel gaan doen. Maar als iedereen zo redeneert (en met de Arco-deal hebben we dat blijkbaar gedaan) dan doet niemand wat. Dit mechanisme werd al in 1965 beschreven door Mancur Olson, een Amerikaanse econoom, in zijn boek The Logic of Collective Action. Het is dus al decennia bekend en wel beschreven. Helaas is er niet zoveel aan te doen, tenzij een verplichting tot actie (of betaling) door de staat op te leggen. Maar in de voorbeelden die ik aanhaal is het net de staat die de rent-seeking toelaat.

Hoe meer rijkdom geconcentreerd wordt in een klein aantal personen, hoe sterker de prikkels van rent-seeking spelen: (1) hoe rijker, hoe meer er te winnen is (om bijvoorbeeld een belastingsvoordeel te verkrijgen), en (2) hoe kleiner het aantal mensen, hoe gemakkelijker het is om zich te organiseren en hoe kleiner het vrijbuitersprobleem speelt. Dit verhaal gaat niet over de top10%, of top1%, zelfs niet over de top 0,1%, maar wel over de top 0,01%. Het aandeel dat de top 0,01% naar huis neemt is in de VS de laatste 40 jaar vijf keer groter geworden (en hou er rekening mee dat de taart ook groter geworden is): Van 1970 tot 2010, Saez and Piketty tonen dat het aandeel van het totale inkomen dat naar

  • de top 1% gaat meer dan verdubbelde, van 9.03 naar 19.77 %
  • de top 0.1 % meer dan verdrievoudigde, van 2.78 naar 9.52 %
  • de top 0.01 % bijna vervijfvoudigde, van 1.00 naar 4.63 %.

In 2006 verdienden de 25 best betaalde hedge fund managers 13 miljard dollar, drie keer het inkomen van 80.000 leraars in de staat New York. In 2009 was dat al 25 miljard dollar (link).

Die machtsconcentratie heeft dan ook een impact op het politieke proces. Pikkety en Saez schrijven dan ook: “With higher income concentration, top earners have more economic resources to influence social beliefs (through think tanks and media) and policies (through lobbying), thereby creating some reverse causality between income inequality, perceptions, and policies.

Dat was onder meer duidelijk bij de Republikeinse voorverkiezingen in 2011 en 2012: meer dan de helft van de donaties kwam van 24 donors, in een land van 300 miljoen inwoners (link). En in totaal hebben tot nu toe 196 personen ongeveer 80% van het geld gegeven dat naar de super PAC’s gaat (politieke actie comité’s) (link). Eén donor, Sheldon Adelson, heeft al 10 miljoen dollar gegeven aan een pro-Romney comité en zou 100 miljoen dollar veil hebben om Obama te verslaan (link).

Het is moeilijk te bewijzen dat de grote donors effectief ook het beleid bepalen. Ik heb in ieder geval geen weet van rechtsreeks bewijs hiervoor. Wat deze donaties wél doen, is toegang kopen. De onderstaande figuur geeft het verband tussen de grootte van de donaties en de kans dat je in het Witte Huis ontvangen wordt. Dit verband is duidelijk: hoe meer je geeft, hoe waarschijnlijker het is dat je binnen mag.  

Bron: NYTimes

Deze politieke ongelijkheid kan al snel vervallen in een politieke onvrijheid. De economen Acemoglu en Robinson hebben er een heel boek aan gewijd (Why Nations Fail) en ze vatten het als volgt samen: “So here is the concern: economic inequality will lead to greater political inequality, and those who are further empowered politically will use this to gain a greater economic advantage by stacking the cards in their favor and increasing economic inequality yet further — a quintessential vicious circle.” (link)

Deze economen hebben het vooral over de VS waar de topinkomens gigantische proporties aannemen. Maar ook in België en vele andere landen heeft de top 1% een groter inkomensaandeel naar zich toegetrokken. De Oeso publiceerde onlangs gegevens (excel) waaruit blijkt dat het aandeel van de top 1% in België op minder dan 20 jaar met 23% is gestegen (van 6,3% naar 7,7% van het totaal inkomen).

Als er mogelijkheden zijn om de politieke ongelijkheid te verminderen zonder een grote marginale taks, dan vervalt dit laatste argument. Maar ik zie het niet.

Analyse van 9 jaar Vlaams begrotingsbeleid

In februari ontving iedere werkende Vlaming een extra loon van 250, de zogenaamde jobkorting. De eenmalige 250 euro is een niet verwaarloosbaar bedrag (voor lage lonen was dit zelfs 300 euro), maar de grootste impact ligt misschien niet op financieel vlak. Veel belangrijker is dat de Vlaamse regering met de jobkorting aangegeven heeft dat het mogelijk is dat de Vlaming significant minder belastingen betaalt, zonder dat hiervoor andere voorwaarden vervuld moeten zijn, zoals een verregaande staatshervorming. Naar aanleiding van de Vlaamse verkiezingen is dit geen onbelangrijk detail: beloftes voor lagere belastingen zijn plots een pak geloofwaardiger. Tevens wordt op een ander vlak een belangrijk signaal gegeven, namelijk de Vlaming beseft door de jobkorting beter hoeveel belastingen hij of zij wel betaalt. De belastingillusie, namelijk het feit dat men niet inschat hoeveel belastingen men betaalt, wordt door de jobkorting verminderd. De jobkorting in de huidige vorm kostte de Vlaamse regering 710 miljoen euro.

De maatregel is eenmalig, maar dat hoeft niet zo te zijn. Hieronder volgt een analyse van de publieke uitgaven door de Vlaamse overheid in de periode 1999-2008, met een aantal pistes hoe de belastingsdruk voor de Vlaming verminderd kon worden. Deze pistes zouden voor de komende legislatuur als leidraad kunnen dienen.

Het doel van deze analyse is vooral om aan te tonen dat het mogelijk is dat de Vlaming geleidelijk aan minder belastingen betaalt, zonder dat we moeten snoeien in essentiële zaken zoals gezondheidszorg of onderwijs.

 

Analyse van de totale uitgaven door de Vlaamse overheid in de periode 1999-2008

Figuur 1 geeft de evolutie van de uitgaven door de Vlaamse overheid in de periode 1999-2008, zowel in nominale termen, als in reële termen, dus gecorrigeerd voor inflatie. De reële uitgaven worden getoond met twee basisjaren, namelijk 1999 en 2008.

De totale uitgaven van de Vlaamse overheid bedroegen in 2008 22,5 miljard euro. Ten opzichte van 1999 is dat een nominale groei van ongeveer 47 %, de reële groei is 20%. In nominale termen betekent dit een meeruitgaven in 2008 van 7,2 miljard in vergelijking met 1999. In reële termen met prijzen van 2008 is dit in 2008 een meeruitgave van 3,7 miljard euro ten opzichte van 1999. Met andere woorden, op 9 jaar tijd geeft de Vlaamse overheid in reële termen jaarlijks 20% meer uit, of zo’n 3,7 miljard euro. Dit komt neer op 5,2 jobkortings.

Om rekening te houden met de inflatie, bekijken we de consumptie-index zoals berekend door de FOD Economie. Uit figuur 1 is af te leiden dat de reële uitgaven in 2008 gedaald zijn ten opzichte van 2007. Dat is waarschijnlijk voornamelijk te wijten aan de inflatie die in 2008 onverwacht hoog uitwam, namelijk 4,5%.

Figuur 1

 

Analyse van de uitgaven door de Vlaamse overheid per beleidsdomein in de periode 1999-2008

De uitgaven van de Vlaamse overheid worden opgedeeld per beleidsdomein. Er zijn in totaal 27 beleidsdomeinen [1]. Onderstaande figuur geeft de uitgaven in absolute waarde per beleidsdomein in 1999, 2004 en 2008 (balkjes – linkse as). Tevens is de totale nominale procentuele stijging voor de verschillende periodes uitgezet (rechtse as) [2].

Uit deze figuur is het overwicht van ‘onderwijs’ duidelijk: met een uitgaven in 2008 van 8,9 miljard is dit goed voor bijna 40% van de totale uitgaven door de Vlaamse overheid. Op de tweede plaats staat ‘welzijn en gezondheidszorg’, met uitgaven van 2,7 miljard, goed voor 12% van de uitgaven. De top vijf wordt vervolledigd met ‘lokale en regionale besturen’, ‘wegen en water’ en ‘werkgelegenheid’. Deze top 5 zorgt voor 71 % van de totale uitgaven. 19 van de 27 beleidsdomeinen geven jaarlijks meer dan 100 miljoen euro uit.

Figuur 2

Onderstaande tabel geeft aan van welke beleidsdomeinen de uitgaven het sterkst gestegen zijn. We beschouwen enkel de beleidsdomeinen met jaarlijks een uitgave van meer dan 50 miljoen euro.

Relatief gezien steeg de post ‘gemeenschappelijk vervoer’ in de periode 1999-2008 het meest, namelijk met 183%. Daarna volgen ‘gebouwen’ (169%), ‘sport’ (168%), ‘monumenten & landschappen’ (147%) en ‘land –en tuinbouw’ (105%). De tiende grootste stijger, werkgelegenheid, is nog steeds goed voor een stijging van 69%.

Wanneer we dezelfde oefening maken voor de top 10 van de grootste stijgers in absolute waarde komt op de eerste plaats ‘onderwijs’ met een absolute stijging van 2,6 miljard euro (41%). Op de tweede plaats staat ‘welzijn & gezondheidszorg’ met een stijging van 1,1 miljard euro (66%). De top vijf van de absolute stijgers wordt vervolledigd door ‘gemeenschappelijk vervoer’, ‘lokale en regionale besturen’ en ‘werkgelegenheid’.

De beleidsdomeinen in het geel gemarkeerd behoren zowel relatief als absoluut gezien tot de top tien van de grootste stijgers. Het zijn de beleidsdomeinen ‘gemeenschappelijk vervoer’, ‘cultuur en jeugd’, ‘huisvesting’ en ‘werkgelegenheid’.

 

 

Keuze van de essentiële beleidsdomeinen

Uit de analyse van de totale uitgaven blijkt dat de Vlaamse overheid in de periode van 1999 tot 2008 een uitgavegroei kende van 20% in reële termen (dus aangepast aan de inflatie), wat neerkomt op 3,7 miljard euro. Dat is het equivalent van 5,2 jobkortings per jaar dat de Vlaamse overheid in 2008 had kunnen uitdelen aan de Vlaming als zij de uitgaven in reële termen constant zou gehouden hebben.

Die stijgende uitgaven zijn politieke keuzes geweest die niet noodzakelijk verkeerd waren. Als liberalen pleiten wij ervoor dat de overheid zich bezighoudt met haar kerntaken, namelijk zaken die essentieel zijn om een goed leven te kunnen leiden. Daarbij is de stelregel dat ‘dure smaken’ niet door de gemeenschap moeten gefinancierd worden.

De 27 beleidsdomeinen worden hierna opgedeeld in essentiële en niet-essentiële beleidsdomeinen. Als we de essentiële diensten en goederen vertalen naar de 27 beleidsdomeinen dan zijn dat volgens mij volgende zaken. In eerste instantie ‘onderwijs’ en ‘welzijn & gezondheid’, niet toevallig ook de grootste uitgaven van de Vlaamse overheid. Verder selecteren we ‘wegen & water’, ‘milieu’, ‘wetenschappen’, ‘huisvesting’, ‘stedenbeleid’ en ‘energie’. Wat de uitgaven van deze essentiële beleidsdomeinen betreft, zullen we de stijging van de uitgaven in de periode 1999-2008 niet contesteren. Het gaat hier immers om essentiële zaken waarvan we aannemen dat de stijging verantwoord is.

Al de andere beleidsdomeinen worden als ‘niet-essentieel’ beschouwd. We gaan vervolgens na wat de impact zou geweest zijn op de uitgaven, indien in de periode 1999-2008 de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen in reële termen constant zouden gebleven zijn. We doen dezelfde oefening indien er een jaarlijkse reële uitgavedaling 1% of 2% zou geweest zijn in de niet-essentiële beleidsdomeinen.

De opdeling in essentiële en niet-essentiële beleidsdomeinen is niet vanzelfsprekend. Ten eerste, de afzonderlijke beleidsdomeinen omvatten brede taken, ook al zijn er 27, zodat sommige zaken binnen een essentieel beleidsdomein als niet-essentieel beschouwd kunnen worden en vice versa. Ten tweede, de keuze op zich van de beleidsdomeinen is te contesteren: dat is een complexe oefening waarin nagegaan moet worden wat echt nodig is om een goed leven te leiden en waarvoor het individu verantwoordelijk kan geacht worden. We gaan hier expliciet niet op in. Deze oefening is enkel bedoeld om aan te geven wat de mogelijkheden van de Vlaamse overheid waren en zijn.

Onderstaande tabel geeft de totale uitgaven, opgedeeld volgens essentiële en niet-essentiële beleidsdomeinen. De essentiële beleidsdomeinen waren in 2008 in totaal goed voor een uitgave van 15,1 miljard euro, wat neerkomt op 67% van de totale uitgaven. De uitgaven van de essentiële uitgaven kenden een nominale uitgavegroei van 41 % ten opzichte van 1999. De niet-essentiële uitgaven bedroegen in 2008 in totaal 7,5 miljard euro (33% van het totaal). Deze uitgaven kenden een nominale stijging van 62% tijdens de periode van 1999 tot 2008.

Vervolgens wordt de volgende simulatie uitgevoerd: we laten de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen dalen in reële termen met jaarlijks 0%, 1% of 2% tijdens de periode van 1999 tot 2008 en we berekenen welke minderuitgave we in 2008 zouden gehad hebben. Wat de essentiële beleidsdomeinen betreft behouden we de historische uitgavegroei. Dat geeft volgende gegevens:

Deze cijfers zijn opmerkelijk: als de Vlaamse overheid in 1999 gekozen had om de uitgaven in de ‘niet-essentiële’ beleidsdomeinen enkel te laten stijgen met de inflatie (reële nulgroei), dan zou ze 1,7 miljard minder uitgegeven hebben in 2008, het equivalent van 2,5 jobkortings. In de twee legislaturen van 1999 tot 2008 had ze in totaal bijna tien keer een jobkorting kunnen geven. Als ze daarenboven zou beslist hebben om de uitgaven in de niet-essentiële beleidsdomeinen in reële termen te laten dalen met jaarlijkse 1% dan had ze in 2008 om de vier maanden een jobkorting kunnen geven (3 per jaar). Met een reële daling van 2% is dit aantal nog hoger.

Het mag duidelijk zijn dat de bovenstaande simulatie geen revolutie betekent in de uitgaven van de Vlaamse overheid. In de simulatie behielden de essentiële beleidsdomeinen zoals ‘onderwijs’ en ‘welzijn & gezondheid’, samen goed voor twee derde van de uitgaven, hun historisch groeipad. In de andere beleidsdomeinen werd een simulatie uitgevoerd met een nulgroei, een jaarlijkse afname van 1% en een jaarlijkse afname van 2%, telkens in reële termen.

 

Efficiëntiegroei

Bovenop deze inhoudelijke keuzes in de niet-essentiële beleidsdomeinen, kan men ook een verhoging van de efficiëntie nastreven. Deze efficiëntieverhoging kan daarenboven in alle beleidsdomeinen: het verhogen van de efficiëntie hoeft geen impact te hebben op de hoeveelheid goederen en diensten die de overheid aanbiedt of subsidieert binnen een bepaald beleidsdomein.

Bij efficiëntieverbeteringen wordt steevast voor minder ambtenaren bepleit. Hoewel dit zeker een onderdeel vormt van een efficiëntere overheid, is dit niet het enige aspect. Daarenboven zou het aan de leidende ambtenaren moeten overgelaten worden hoe zij de efficiëntieverbeteringen zullen halen. Zij kennen immers hun beleidsdomein het best.

Daarom simuleren we een aantal niveaus van jaarlijkse efficiëntiedoelstellingen: 0% (het referentiescenario), 0,5%, 1% en 1,5%. Onderstaande tabel geeft de impact voor de verschillende jaarlijkse efficiëntieniveaus.

De resultaten zijn al even spectaculair als bij de vorige simulatie. Bij een jaarlijkse efficiëntietoename van 1% ten opzichte van de historische efficiëntie gedurende twee legislaturen, zou de Vlaamse overheid in 2008 bijna 2 miljard minder uitgegeven hebben, het equivalent van 2,8 jobkortings. In de twee legislaturen had ze in totaal meer dan 12 keer een jobkorting kunnen geven.

 

Combinatie van efficiëntiegroei en afname in niet-essentiële beleidsdomeinen

Wanneer we beide methodes combineren levert de simulatie volgende gegevens op. De eerste tabel geeft de minderuitgave door de Vlaamse overheid in 2008 , evenals de gecumuleerde minderuitgave in de periode 1999-2008 (in miljoenen euro’s). De tweede tabel geeft het equivalent aan jobkortings in 2008, evenals het gecumuleerde aantal jobkortings in de periode 1999-2008.

Uit deze simulatie blijkt dat wanneer men een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1% zou nastreven en een reële afname van 1% in de niet-essentiële beleidsdomeinen, kortweg de 1%-1% strategie, dan levert dit na 9 jaar (bijna twee legislaturen) een jaarlijkse winst op van 3,9 miljard euro, of het equivalent van 5,5 jobkortings per jaar. In die 9 jaar zal men een gecumuleerde besparing gerealiseerd hebben van 17 miljard euro, wat overeenkomt met 14 jobkortings.

Indien men zou kiezen om het budget van de niet-essentiële beleidsdomeinen gedurende 9 jaar jaarlijks te verminderen met 2% en daarbij een efficiëntieverhoging van 1% zou opleggen, dan kan er zelfs om de twee maanden een jobkorting uitgedeeld worden.

 

Verdeling van de winst

Als men een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1% zou nastreven in alle beleidsdomeinen en daarbovenop een reële afname van 1% in de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen, kortweg de 1%-1% strategie, dan levert dit na 9 jaar een jaarlijkse besparing op van 3,9 miljard euro. Gecumuleerd over 9 jaar is dit 17 miljard euro (of bijna 24 jobkortings). Dit geld hoeft natuurlijk niet alleen verdeeld te worden over de werkende Vlaming. Immers, ook de niet-werkende Vlaming zal nadeel ondervinden van de 1%-afname van de uitgaven in de niet-essentiële beleidsdomeinen, zoals duurder openbaar vervoer. Anderzijds zijn het de werkenden die de welvaart creëren.

Daarom zou kunnen geopteerd worden voor 50%-50%: de helft van de besparing wordt verdeeld over alle Vlamingen; de andere helft wordt verdeeld onder de werkende Vlamingen onder de vorm van jobkortings. Er waren in 2008 in het Vlaamse gewest 6,2 miljoen Vlamingen, waarvan er 2,8 miljoen werkten.

Wanneer we de besparing van de 1%-1%-strategie met deze verdeelsleutel zouden verdelen, zou de werkende Vlaming en de niet-werkende Vlaming in 2008 respectievelijk 1.006 euro en 313 euro ontvangen. Over 9 jaar zouden ze respectievelijk 4.400 euro en 1.360 euro gespaard hebben. Een typische huisgezin met twee werkende ouders en twee kinderen zou 2.640 euro ontvangen in 2008 en zou maar liefst 11.480 euro extra ontvangen hebben op die negen jaar. Zelfs een werkloos koppel met twee kinderen zou met deze verdeelsleutel 1.250 euro extra ontvangen hebben in 2008: een stijging van 100 euro per maand. Op negen jaar tijd zouden ook zij 5.450 euro extra ontvangen kunnen hebben.

Daarbij moet beklemtoond worden dat op de essentiële zaken zoals onderwijs en gezondheidszorg daarenboven niet bespaard zou geweest zijn.

 

Samenvatting

Door een jobkorting te geven heeft de Vlaamse regering duidelijk gemaakt dat minder belastingen mogelijk zijn. De politici die met de Vlaamse verkiezingen in het vooruitzicht opkomen voor een significante belastingverlaging worden plots een pak geloofwaardiger. De bovenstaande simulatie laat trouwens zien dat er effectief nog heel wat ruimte is voor belastingsverlagingen, zonder aan de basisvoorzieningen te moeten raken. Deze financiële ruimte werd in het verleden opgesoupeerd door de overheid. Het wordt tijd dat dit geld teruggegeven wordt aan de werkende en niet-werkende Vlaming.

Uit de analyse van de periode 1999-2008 blijkt het volgende. Wanneer men een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1% zou nastreven in alle beleidsdomeinen en daarbovenop een reële afname van 1% in de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen, kortweg de 1%-1% strategie, dan levert dit na 9 jaar (bijna twee legislaturen) een jaarlijkse besparing op van 3,9 miljard euro. Gecumuleerd over 9 jaar is dit bijna 17 miljard euro.

De helft van deze besparing kan verdeeld worden over alle Vlamingen; de andere helft wordt verdeeld onder de werkende Vlamingen onder de vorm van jobkortings. Op die manier zou de werkende Vlaming en de niet-werkende Vlaming in 2008 respectievelijk 1.006 euro en 313 euro ontvangen. Over 9 jaar zouden ze respectievelijk 4.400 euro en 1.360 euro extra ontvangen hebben.

Een typische huisgezin met twee werkende ouders en twee kinderen zou 2.640 euro ontvangen in 2008 en zou maar liefst 11.480 euro extra ontvangen kunnen hebben op die negen jaar. Zelfs een werkloos koppel met twee kinderen zou met deze verdeelsleutel in 2008 1.250 euro ontvangen: een stijging van 100 euro per maand. Op negen jaar tijd zouden ook zij 5.450 euro extra ontvangen kunnen hebben. We beklemtonen daarbij dat op de essentiële zaken zoals onderwijs en gezondheidszorg niet bespaard zou geweest zijn.

Met de huidige economische crisis zal de piste om het door de Vlaamse overheid bespaarde geld via jobkortings terug te geven misschien niet zo realistisch zijn. Recente cijfers wijzen erop dat de komende Vlaamse regering de volgende vijf jaar ongeveer 8 miljard euro minder middelen zal hebben. Deze analyse toont aan dat deze besparing zelfs met een bescheiden 1%-1% strategie kan doorgevoerd worden en dat er niet geraakt moet worden aan de essentiële beleidsdomeinen.

 

[1] in deze analyse negeren we de post ‘provisies’

[2] De basisgegevens van de Vlaamse begroting zijn te vinden op de website van de Vlaamse overheid:aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/begroting/uitgaven/FINAUITG002.xls

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Zonder sociale mobiliteit geen liberalisme

Deze tekst vormde de basis van de inleiding van de Liberales-studiedag over ‘sociale mobiliteit’ op zaterdag 18 oktober 2008 te Gent. Deze inleiding wil het begrip ‘sociale mobiliteit’ duiden, de relevantie ervan aantonen en enkele cijfers hierover geven.

Het concept ‘sociale mobiliteit’, namelijk de mate waarin de maatschappelijke positie van het kind bepaald word door die van de ouders, is niet echt gekend bij het grote publiek, zelfs niet bij de meer geïnsteresseerden in mens en maatschappij.

Sterk gerelateerde begrippen zoals gelijke kansen en inkomensongelijkheid, daarentegen, kent iedereen. In deze tekst wordt betoogd dat deze bekende begrippen echter ten dienste staan van, ja zelfs ondergeschikt zijn aan, het begrip ‘sociale mobiliteit’. De uiteindelijke maatstaf van een rechtvaardige maatschappij, zo moet duidelijk worden, is niet de inkomensongelijkheid, maar een optimale vorm van sociale mobiliteit.

 

A. De relevantie van het begrip ‘klasse’

A.1 ‘All looks fine’

Als we spreken over sociale mobiliteit, dan impliceert dit een opdeling van de maatschappij in verschillende klassen waarbij deze klassen een rangorde hebben. Immers, mobiliteit betekent dat je van de ene positie naar de andere beweegt, i.c. van de ene sociaal-economische positie naar de andere.

Op het eerste gezicht lijkt onze maatschappij niet meer sterk opgedeeld te zijn in verschillende klassen met een onderlinge rangorde. Als we in Vlaanderen rond ons kijken, dan zien we dat de overgrote meerderheid alles heeft om een goed leven te leiden: een huis, meerdere auto’s, een paar keer per jaar op vakantie, de meesten zijn gezond en leven in een veilige buurt. Over het algemeen toch.

Om dan een verhaal te brengen dat er te weinig sociale mobiliteit is, lijkt irrelevant. Als er grofweg maar één grote klasse is, namelijk de middenklasse (met daarboven en daaronder een te verwaarlozen top en bodem), dan is sociale mobiliteit niet nodig is: er is dan immers niets om naartoe te bewegen: de rangorde is immers weg.

Dat beeld is echter niet correct en wordt bij intellectuelen waarschijnlijk al te makkelijk in stand gehouden omdat hun omgeving inderdaad enkel bestaat uit een middenklasse.

Maar er zijn nog twee andere oorzaken die verantwoordelijk zijn voor dit beeld. Ten eerste, is er de democratisering in het bezit van consumentengoederen, zoals auto’s, computers, gsm’s en dergelijke. Door de globalisering kunnen dergelijke goederen tegen lage kosten geproduceerd worden in bijvoorbeeld China. Door de grote concurrentie op deze geliberaliseerde markten heeft de lage productiekost van deze goederen zich vertaald in lagere prijzen, waardoor veel meer mensen deze goederen kunnen kopen.

Ten tweede, komt daar, tenminste tot voor kort, nog de uitbreiding van de kredietmarkt bij. In een serie uit 2005 van The New York Times over sociale mobiliteit schrijft deze krant letterlijk: “Banks, more confident about measuring risk, now extend credit to low-income families, so that owning a home or driving a new car is no longer evidence that someone is middle class”[1]. De oorzaak van de kredietcrisis, namelijk krediet verlenen aan mensen die het zich eigenlijk niet kunnen veroorloven, was dus ook de oorzaak waarom voor vele mensen het thema van sociale mobiliteit niet belangrijk leek.

Op materieel vlak blijkt dat de klasse verdwenen is, maar zelfs dat zal veranderen, gezien de kredietcrisis en de stijgende voedsel- en energieprijzen, waardoor de lagere klassen het in de toekomst nog moeilijker zullen hebben en de oppervlakkige klasseverschillen terug opvallender zullen worden. Doordat de verschillen tussen de klassen zichtbaarder worden zal ook de mobiliteit (of het gebrek hieraan) zichtbaarder worden en dus zal het thema sociale mobiliteit aan belang winnen.

Toch zijn er nu al voldoende bewijzen dat er grote verschillen bestaan tussen mensen en dat het meritocratische aspect niet altijd is ingevuld.

 

A.2 Inkomensongelijkheid

Onderstaande figuur geeft het verloop van de Gini-coëfficiënt voor België [2], zowel vóór als na belasting van inkomens. De Gini-coëfficiënt is een maatstaf voor ongelijkheid en wordt voorgesteld door een getal tussen 0 en 1: hoe hoger, hoe ongelijker. De grafiek toont duidelijk een stijgende trend, wat betekent dat België volgens deze cijfers ongelijker wordt wat betreft inkomens.

 

Drie kritieken op de stijgende inkomensongelijkheid en hun wederwoord

1. Inflatie

Uit een studie van twee economen blijkt dat in de VS ongeveer 66% van de stijgende inkomensongelijkheid sinds 1984 in het verleden zou weggewerkt worden, als men rekening houdt met het bestedingspatroon van de verschillende inkomensklassen [3]. Zoals hierboven ook al gesteld zijn consumentengoederen, zoals GSM’s en wasmachines, relatief goedkoper worden door de toenemende globalisering. Dit zijn goederen waar lagere inkomens relatief veel geld aan besteden in vergelijking met hogere inkomens. Anderzijds zijn veel diensten, zoals bijvoorbeeld financieel advies, relatief duurder geworden. Dat zijn echter net de dingen die door hogere inkomens relatief meer gekocht worden.

In het verleden is de inflatie dus zachter uitgevallen voor de lagere inkomens, waardoor de stijgende inkomensongelijkheid overschat werd. Dat zal in de toekomst echter niet zo blijven, doordat de voedsel- en energieprijzen zullen stijgen (en al gestegen zijn). Dat zijn net producten waaraan een gezinnen met lagere inkomens procentueel meer inkomen aan besteden dan hogere inkomens, wat dus een versterkend effect op de inkomensongelijkheid zal hebben en dus op de klasse-indeling van de maatschappij.

De vraag blijft voorlopig open in welke mate de financiële crisis de inkomensongelijkheid zal beïnvloeden.

 

2. Meetfouten

De inkomenscijfers waarop de bovenstaande Gini-coëfficiënt gebaseerd is, wordt per gezin gegeven. Johan Albrecht, onderzoeker aan het Itinera Institute, heeft dit kritisch onderzocht en heeft de bovenstaande cijfers min of meer gerelativeerd [4]. De onderzoeker stelt zich de vraag of de toename van de inkomensongelijkheid te wijten is aan de sterke stijging van de fiscale aangiften in België: tussen 1999 en 2005 steeg het aantal aangiften van met ongeveer 1.200.000 eenheden.

Deze stijging van het aantal aangiften is onder meer te verklaren door de stijging van het aantal gezinnen bestaande uit één persoon van 31,4% in 1999 naar 38,5% in 2005. Tevens stijgt sinds 1991 het aantal éénoudergezinnen sterk. Ook de studentenarbeid stijgt, wat ook aanleiding geeft tot bijkomende aangiften. Het stijgend aantal aangiften in deze drie categorieën zijn voornamelijk lagere inkomens wat de de Gini-coëfficiënt doet stijgen.

Als het aantal éénoudergezinnen stijgt, dan stijgt dus ook de Gini-coëfficiënt, zeker als dit het gevolg is van een echtscheiding waarna er niet hertrouwd wordt: dan wordt waar vroeger één belastingaangifte aangegeven werd, er nu twee aangiftes gedaan. In die zin is de stijging van de Gini-coëfficiënt een statistische aangelegenheid: het voormalige gezin heeft nog steeds hetzelfde inkomen. Er is dan geen sprake van een asociaal beleid, of een economische ontwikkeling, zoals de globalisering of de kenniseconomie, die de inkomensongelijkheid in de hand werkt.

Echter, stel dat de inkomensongelijkheid volledig op het conto te schrijven is van meer echtscheidingen, dan nog is het louter statistische gegeven van de stijgende inkomensongelijkheid relevant vanuit het oogpunt van de sociale mobiliteit. De twee nieuwe gescheiden gezinseenheden verliezen immers een aantal schaalvoordelen. Er moeten nu twee woningen bekostigd worden, met elk zijn verwarmingskosten, verzekering, telefoon, tv, internet,… Verder is er ook nog het verlies van schaalvoordelen op het vlak van de spreiding van risico’s op het niveau van het gezin, zoals inkomensverlies en ziekte; een tweeoudergezin verzekert elkaar als het ware. Het inkomen van de voormalige gezinsentiteit blijft dus gelijk na een echtscheiding, maar de kosten en de risico’s stijgen, waardoor het te besteden inkomen verkleint en de kans op armoede stijgt.

Uit een studie naar echtscheidingen in de VS blijkt dat sinds de jaren ’70 het aantal echtscheidingen afneemt bij hoogopgeleide vrouwen, terwijl het al lager lag dan bij lager opgeleide vrouwen. Het scheidingspercentage bij middelopgeleide vrouwen bleef min of meer constant, terwijl dat van laagopgeleide vrouwen (minder dan high school) gestegen is en al het hoogste was in de jaren ’70 [5].

Uit dezelfde studie blijkt eveneens dat het percentage van kinderen die enkel door hun moeder opgevoed wordt, het hoogste is bij moeders die hun high school niet hebben afgemaakt. In alle opleidingsklassen is het percentage trouwens gestegen, maar is de stijging bij de hoogopgeleide vrouwen gestopt in het begin van de jaren ’80 (tot ongeveer 10%), terwijl het voor de overige opleidingsklassen sterk bleef stijgen tot in de jaren ’90 (voor de laagst opgeleide moeders gaat het om 35% van de kinderen in 2001).

Zoals gezegd zou een hoger echtscheidingspercentage op zich al voldoende zijn om een deel van de stijgende inkomensongelijkheid te calalogeren als een statistisch verschijnsel, echter met effectieve consequenties voor het besteedbaar inkomen, dat lager ligt voor gescheiden gezinnen. Als blijkt dat de scheidingspercentages echter hoger liggen en nog stijgen bij vrouwen met een laag opleidingsniveau dan wordt zowel het statistisch effect als effect van de verloren schaalvoordelen versterkt. Het is niet duidelijk of deze trends ook van toepassing zijn voor België.

Het is moeilijk en misschien ook niet wenselijk om het overheidsbeleid te richten op het stijgend aantal echtscheidingen, maar vanuit het oogpunt van de sociale mobiliteit is deze trend relevant: het kind dat in een éénoudergezin opgroeit, heeft alleszins materieel gezien het moeilijker dan een kind dat door twee ouders wordt opgevoed, wat de kansen van het kind negatief kan beïnvloeden.

 

3. Hard werk

Bovenop de discussie van de al dan niet stijgende inkomensongelijkheid, blijkt dat het aandeel van de verdiensten van de rijken sterk gestegen is. The Economist schrijft dat in de jaren ’70 de top 10% verdieners minder uren werkten dan de laagste 10%, terwijl nu het omgekeerde waar is. Daarenboven kwam in 1929 70% van het inkomen van de superrijken uit kapitaal, terwijl dit nu voor 80% komt van loon en aandelenopties [6].

In 1929 was het dus eerder een aristocratie, terwijl het nu echt een meritocratie is. In hetzelfde artikel uit The Economist werd echter ook gesproken van een inherited meritocracy: een overervingsmeritocratie. De topverdieners moeten ervoor werken en moeten de verdiensten hebben om deze lonen te verdienen, maar die noodzakelijke verdiensten worden door de rijke ouders aan hun kinderen doorgegeven.

A.3 Gezondheidsongelijkheid

Op basis van de gezondheidsongelijk is het ook mogelijk om aan te tonen dat klassen nog steeds bestaan. Hieronder ter illustratie twee geselecteerde figuren uit een recente studie van de de Christelijke Mutualiteiten [7].

Figuur 1 geeft het sterftecijfer volgens de vijf oplopende inkomensklassen. Hieruit blijkt dat het inkomen dat een persoon verdient zijn of haar sterftecijfers sterk beïnvloedt. De ongelijkheidsratio tussen het sterftecijfer van het hoogste quintiel (top 20%-verdieners) is lager dan het sterftecijfer van het laagste quintiel (bodem 20%-verdieners).

Figuur 1: sterftecijfer versus inkomensquintiel

 

 

Figuur 2 geeft onder meer de preventieve tandverzorging volgens diezelfde inkomensklassen. Ook hier wordt een sterk verschil gezien volgens inkomensklasse.

Figuur 2: tandverzorging versus inkomensquintiel

 

Deze cijfers worden enkel aangehaald om aan te tonen dat er nog steeds grote klassenverschillen zijn en dat het begrip ‘klasse’ nog steeds relevant is in onze maatschappij. Ze zijn hier niet bedoeld om na te gaan in hoeverre de indivduen uit de lagere inkomensklassen verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld hun tandverzorging.

 

 

B. Waarom is sociale mobiliteit belangrijk (voor liberalen)?

Liberalen leggen de nadruk op vrijheid, niet als een doel op zich, maar als een middel om een goed leven te kunnen leiden. Immers, we gaan ervan uit dat mensen in staat zijn om zelf de juiste beslissingen te nemen en dus moeten men mensen de ruimte, zeg maar de vrijheid, geven om die beslissingen te nemen.

Vandaar dat in de mission statement van Liberales ook staat dat “de leden (van Liberales) geloven in de kracht, de eigenheid en de zelfontplooiing van de mens om als ontvoogd individu zijn verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving”.

De kernleden van Liberales doen dus een beroep op de verantwoordelijkheid van het individu. Hij of zij moet zelf uitmaken wat ze met hun leven willen doen en niemand kan die keuze in hun plaats maken. Maar dat betekent ook dat wanneer het fout loopt, het óók de eigen verantwoordelijkheid is. De positie die je in de maatschappij behaalt is gebaseerd op je verdiensten of je merites of dat zou toch zo moeten zijn.

En dat is ook de reden waarom “voor liberalen” tussen haakjes staat in de titel: we leven namelijk allemaal in een meritocratie en daar zijn de meesten in onze maatschappij best tevreden mee: de overgrote meerderheid vindt dat wie hard werkt, meer mag verdienen en wie veel energie steekt in zware studies daar later voor mag beloond worden. En omgekeerd: iemand die liever lui dan moe is, moet niet klagen dat hij minder heeft dan een harde werkmier. De meritocratie heeft dan ook een sterke basis in onze samenleving.

Maar het appel aan de individuele verantwoordelijkheid wordt door sommigen toch gecontesteerd. Wat als zou blijken dat de meritocratie slechts schijn is en dat de ongelijkheid via weinig transparante mechanismen in stand gehouden wordt waardoor talentvolle individuen uit de boot vallen? Dat zou betekenen dat het liberale discours van de individuele verantwoordelijkheid onrechtvaardig is: roepen dat het individu zijn verantwoordelijkheid moet nemen, maar ondertussen via duistere mechanismen verhinderen dat datzelfde individu dat daadwerkelijk kan doen.

De uiteindelijke sociaal-economische positie wordt bepaald door drie zaken, namelijk het talent, de omgeving (of de afkomst zonder het genetische aspect) en de voorkeuren van het individu. Wat het talent en de voorkeuren van het individu betreft, willen of kunnen we als maatschappij moeilijk tussenkomen (tenzij voorkeuren ook bepaald worden door de omgeving).

Omhet liberale discours geloofwaardig en rechtvaardig te brengen, moeten we afkomst zo min mogelijk een rol laten spelen. “Zo min mogelijk” omdat er altijd een bepaald deel van iemands capaciteiten genetisch bepaald zal zijn, waardoor er altijd een zekere correlatie zal blijven tussen de capaciteiten van de ouders en die van het kind, zeg maar de minimale genetische correlatie.

Maar los van die genetisch correlatie is de consequentie van de meritocratie dat iemands positie in de maatschappij enkel mag afhangen van zijn verdiensten (waarbij dit zowel bepaald wordt door zijn capaciteit als door zijn voorkeur om die capaciteit te ontwikkelen en te gebruiken). Met andere woorden, iedereen moet gelijke startkansen krijgen om zijn talenten te ontwikkelen. In de mission statement van Liberales staat dan ook niet alleen dat we “geloven in de kracht, de eigenheid en de zelfontplooiing van de mens om als ontvoogd individu zijn verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving”, maar ook dat “wij ernaar streven dat er zoveel mogelijk gelijke startkansen zijn”.

Als het liberale mensbeeld klopt (namelijk dat in elke mens talent zit) en als er voldoende gelijke kansen worden gegeven, dan zou dit zich moeten uiten in sociale mobiliteit, namelijk de mobiliteit op de sociaal-economische ladder ten opzichte van je ouders. Als dit niet het geval is, dan is ofwel het liberale mensbeeld fout, ofwel zijn er onvoldoende gelijke kansen (ofwel beiden). De twee zijn immers nodig opdat individuen een sociaal-economische positie kunnen innemen die niet gekoppeld is aan hun afkomst, namelijk talenten die niet of slechts in beperkte mate zijn beïnvloed door hun ouders én de kansen om deze talenten te ontwikkelen.

Als we echter wél sociale mobiliteit zien, dan zijn we zeker dat het liberale mensbeeld klopt, namelijk dat iedereen ongeacht zijn afkomst het kan maken in het leven, als je er maar hard genoeg voor werkt (waarbij ik even abtractie maak van de factor geluk, die echter per definitie klasse-onafhankelijk is). Daarbovenop, als er veel sociale mobiliteit is, dan blijkt niet alleen dat er talent zit in alle maatschappelijke klassen, maar ook dat de werklust in al deze klassen aanwezig is.

En daarom is sociale mobiliteit zo belangrijk in een meritocratie zoals onze maatschappij: als die sociale mobiliteit er niet is of te weinig, dan is die maatschappij onrechtvaardig. Voor liberalen is sociale mobiliteit zelfs van levensbelang, want als zou aangetoond worden dat sociale mobiliteit erg laag is en dat daar niks aan te doen is (bijvoorbeeld doordat het genetisch minimum erg hoog is, of doordat de maatschappelijke krachten die de ongelijkheid in stand houden bijna niet te overwinnen zijn) dan verliest de liberale ideologie haar kracht. Immers, elke ideologie streeft ernaar om de maatschappij rechtvaardiger te maken. Als dat niet lukt, dan verlies je op ideologisch vlak en dat vertaalt zich onherroepelijk in een kwijnende aanhang, wat normaal is en helemaal niet te betreuren: ideologieën die een foutief mensbeeld hebben, moeten eruit.

Stel nu dat de de sociaal mobiele maatschappij een illusie zou zijn, doordat het genetische minimum erg hoog is. In dit geval moeten de liberalen het afleggen tegen de conservatieven. De mensen in de lagere klassen zullen daar ten eeuwigen dage blijven zitten en al het geld dat in deze mensen geïnvesteerd wordt is verloren, omdat ze gewoon de talenten niet geërfd hebben om vooruit te komen in het leven. Ook het paternalisme heeft dan een rechtvaardige grond: het is beter dat intelligentere mensen beslissen dan het over te laten aan mensen die eigenlijk niet in staat zijn om te beslissen.

Anderzijds, stel dat de scoiaal mobiele maatschappij een illusie zou zijn, doordat bepaalde onuitroeibare mechanismen in de maatschappij dit verhinderen, dan hebben de socialisten een rechtvaardige grond om te pleiten voor een betere herverdeling van de middelen zodat de uitkomsten (en niet de startkansen) gelijker komen. Immers, de uitkomsten zijn volgens een oneerlijk proces ontstaan en moeten dus herverdeeld worden. Elke mens is immers gelijkwaardig.

Het is dus niet overdreven om te stellen dat het liberalisme staat of valt met sociale mobiliteit. Immers, als we wél veel sociale mobiliteit zien, dan betekent dit dat er voldoende gelijke kansen zijn, én dat er talent zit in alle lagen van de bevolking, wat een bewijs vormt voor het liberales mensbeeld.

 

C. Enkele trends en bedenkingen

C.1 Inkomensmobiliteit

Gelukkig blijkt uit empirisch onderzoek dat er wel degelijk sociale mobiliteit mogelijk is en dat dit zelfs hoog kan oplopen. Het blijkt daarenboven dat het ene land beter scoort dan het andere.

De volgende figuren geven achtereenvolgens de correlatie wat inkomen betreft voor de Verenigde Staten, Finland en Denemarken [8]. Elk punt stelt een percentiel voor, dus het hele inkomenspectrum is opgedeeld in 100 inkomensklassen.

Op de horizontale as staat telkens het inkomen van de ouders; op de verticale as het inkomen van de zoon. Elk punt is dus een ouder-zoon-paar. Hoe meer het verband op een rechte lijkt, hoe meer dat het inkomen van de ouders dat van de zoon voorspelt en dus hoe lager de sociale mobiliteit.

Uit de figuur van de Verenigde Staten blijkt dat dit meer op een rechte gelijkt, dan voor Finland. Op de figuur voor Denemarken (en ook al wat Finland) lijkt dit voor lage inkomens niet op een rechte, maar voor hoge inkomens is dit wel meer het geval, vooral dan in Denemarken.

Figuren 3, 4 en 5: inkomensmobiliteit in VS, Finland en Denemarken

Dat is dan ook het voornaamste besluit van de onderzoekers: de correlatie tussen de inkomens van de vaders en de zonen is in Denemarken en Finland (en bij uitbreiding ook Noorwegen) zeer laag wat betreft de lage inkomens: de inkomensverwachting van zonen uit de laagste percentielen, zeg maar de 10% armste mensen, is ongeveer hetzelfde als die van de 15-20% armste mensen. Dit patroon contrasteert met de VS, waar de relatie tussen vaders en ouders meer een lineair patroon vertoont. Men kan dus in Finland, Denemarken en Noorwegen makkelijker uit de armoede geraken dan in de Verenigde Staten. Het beeld van The American Dream heeft dus nood aan bijstelling.

En dat is niet enkel voor de lage inkomens zo: uit de data blijkt ook dat de inkomensmobiliteit over het volledige inkomenspectrum in Finland, Denemarken en Noorwegen hoger is dan in de Verenigde Staten.

Toch zien we dat de linaire relatie in bv. Denemarken (en nog sterker in Noorwegen) wel goed opgaat: ouders uit hogere inkomensklassen slagen er blijkbaar in om dit inkomensniveau aan hun kinderen door te geven. En dat is volgens de onderzoekers een goede zaak: ouders moeten ervan overtuigd zijn dat investeren in hun kinderen zal opbrengen. Als ze zouden denken dergelijke investeringen niet of weinig opbrengen, zullen ze dat minder doen. Economen en sociologen stellen dan ook dat er een optimaal niveau bestaat van sociale mobiliteit: te laag is niet goed, maar te hoog kan ook nefast zijn voor de inspanningen die ouders doen voor hun kinderen.

Het zou trouwens niet alleen tegennatuurlijk zijn om ouders de mogelijkheid niet te geven om hun kinderen zo goed mogelijk op te voeden. Maar simpelweg ook uit efficiëntie-overwegingen is dit niet wenselijk: als de ouders minder zouden investeren in hun kinderen dan zou deze taak moeten overgenomen worden door de overheid, terwijl dat nu op de efficiënst mogelijke manier wordt gedaan, namelijk door de eigen ouders.

De onderstaande figuren geven dezelfde cijfers als hierboven, maar in een andere vorm. Deze figuren komen uit een artikel van prof. Paul De Grauwe over rigiditeiten in Scandinavische landen ten opzichte van de VS [9].

De eerste figuur geeft de kans dat een man geboren in het laagste inkomensquintiel (armste 20%) in dit laagste quintiel blijft. In Denemarken is deze kans het laagst (25%), terwijl dat in de VS het hoogste is (meer dan 40%). De tweede figuur geeft kans dan een man geboren in het laagste inkomensquitiel in het hoogste inkomensquintiel terecht komt. Ook hier scoort Denemarken het beste: de kans is meer dan 14%, terwijl weerom de VS het slechtst scoren, namelijk een kans van nauwelijks 8%.

Figuren 6 en 7: de inkomensmobiliteit van een individu geboren in het laagste quintiel.

De belangrijke conclusie is dat er soms grote verschillen zijn in inkomensmobiliteit. We gaan ervan uit dat de fysische overerving van eigenschappen van vader op zoon overal volgens dezelfde natuurkundige wetten verloopt, dus mogen we stellen dat zonen van arme vaders in de Verenigde Staten minder kansen krijgen om te stijgen op de inkomensladder dan wanneer diezelfde zonen in één van de onderzochte noordelijke landen zou wonen.

 

C.2 Opleidingsmobiliteit

De vorige sectie behandelde de inkomensmobiliteit, maar wellicht is de mobiliteit van het opleidingsniveau interessanter, aangezien in onze huidige Westerse samenleving het genoten opleidingsniveau waarschijnlijk de meest bepalende determinant voor iemands sociaal-economische positie.

De onderstaande figuren geven achtereenvolgens de correlatie wat opleidingsniveau betreft voor de een aantal ontwikkelde landen [10]. Als België wordt aangehaald, gaat het over cijfers in Vlaanderen.

Uit de figuur voor de VS blijkt dat de correlatie is toegenomen over de tijd, wat betekent dat de sociale mobiliteit is afgenomen. De gemiddelde correlatie voor personen tussen 20 en 69 is 0,46. Voor personen geboren in 1972 en 1977 ligt dit echter boven de 0,5.

Voor België is de correlatie min of meer constant gebleven, met een lichte variatie rond de 0,4. De gemiddelde correlatie voor personen in Vlaanderen tussen 20 en 69 is 0,41.

Nederland, Finland en Denemarken kennen allen een dalende trend in de correlatie, wat betekent dat deze landen sociaal mobieler zijn geworden wat betreft de onderwijsprestaties. Nederland kende zelfs een forse daling van de correlatie.

De gemiddelde correlatie voor personen tussen 20 en 69 in Nederland, Finland en Denemarken is respectievelijk 0,36 0,33 en 0,3. In Denemarken komt de correlatie voor mensen geboren in 1976 zelfs onder de 0,2: de helft in vergelijking met Vlaanderen!

 

Figuren 8-12: evolutie van de opleidingscorrelatie in de VS, België (Vlaanderen), Nederland, Finland en Denemarken

 

Hier is het dus duidelijk: studiemobiliteit kan ernstig verschillen van land tot land. Dat betekent dat in de landen met lage sociale mobiliteit duidelijk talenten niet ontwikkeld worden. En een hogere sociale mobiliteit hoeft niet negatief te zijn voor het algemene onderwijspeil: Finland, met een hogere sociale mobiliteit dan Vlaanderen, presteert altijd zeer sterk in de internationale onderwijstesten van de OESO, net als Vlaanderen, trouwens.

Uit een studie van London School of Economics blijkt dat de sociale mobiliteit al op zeer jonge leeftijd gefnuikt wordt, zoals te zien op onderstaande figuur. Kinderen worden opgedeeld volgens twee kenmerken op 22 maanden oud: de scores op bepaalde testen (Q) en hun sociaal-economische status (SES), wat vier categorieën geeft van kinderen (kortgezegd: slim+rijk, slim+arm, dom+rijk, dom+arm). Vervolgens worden de prestaties gemeten van deze kinderen nog drie keer gemeten. Wanneer deze kinderen 10 jaar zijn, hebben de zogenaamd domme en rijke kinderen de slimme en arme kinderen voorbij gestoken wat prestaties betreft. Uit deze studie is het duidelijk dat niet alle talenten van kinderen worden ontwikkeld, ook als die er duidelijk aanwezig zijn. Meer nog, uit deze figuur blijkt dat we de prestaties van zogenaamd domme kinderen fel kunnen optrekken.

 

Figuur 13: evolutie van prestaties van jonge kinderen, afhankelijk van hun sociaal-economische achtergrond

 

Een tip van de sluier dat een aanzet kan leveren om het mechanisme achter deze scores te begrijpen, is een enquête waarbij men naar de ambities van kinderen vroegen die goed presteerden (16/20) aan het begin van hun middelbare studies [12]. 65% van de goedpresterende kinderen van kaderleden en leerkrachten antwoordden dat ze er al eens aan denken om universitaire studies te doen, terwijl maar 35% van de goedpresterende arbeidskinderen die ambitie koesteren en slechts 25% van de goedpresterende kinderen wiens vader werkloos is.

 

D. Slot

Als de hierboven geciteerde cijfers en figuren objectief zijn, dan zou een liberaal moeten revolteren. Niet dat er iets mis is met een schrijnwerker of een loodgieter, maar het is duidelijk dat hier niet iedereen zijn carrièrepad kan kiezen dat het beste bij zijn of haar talenten past en dat dit blijkbaar wél door de afkomst wordt bepaald.

Liberalen geloven in de talenten van het individu en blijkbaar geven de cijfers ons gelijk om daarin te geloven. Als dan blijkt dat de ontwikkeling van die talenten reeds op jonge leeftijd gefnuikt wordt, op een leeftijd waarop die kinderen daar zelf niets aan kunnen doen, dan is dat niet alleen vanuit efficiëntie-oogpunt een verspilling, het is ook gewoon onrechtvaardig.

En, en dat is meer een strategisch punt, bovendien zorgt dit ervoor dat het liberalisme nog steeds moet vechten voor zijn plaats (en in deze barre financiële tijden, meer dan ooit). Nochtans zou meer sociale mobiliteit een verpletterend bewijs zijn voor het liberale mensbeeld en de consequenties ervoor. Meer sociale mobiliteit zou aantonen dat het liberalisme het gelijk aan zijn kant heeft.

 

Referenties

[1] Correspondents of The New York Times (2005), Class matters, Times Books

[2] N.N. (2007), Inkomens en inkomensverdeling, OASeS
(http://www.ua.ac.be/download.aspx?c=*OASES&n=21964&ct=016212&e=116189)

[3] N.N. (28 juli 2008), Cheap and cheerful, The Economist

[4] Albrecht, Johan (25 oktober 2007), Rijker maar ongelijker? Is de recente toename van de inkomensongelijkheid een statistische constructie?, Itinera Institute
(http://www.itinerainstitute.org/upl/1/default/doc/Memo%20-%2007-07%20-%20Rijker%20maar%20ongelijker.pdf )

[5] N.N. (24 mei 2007), The Frayed Knot, The Economist

[6] N.N. (14 juli 2005), Equality of opportunity is under threat, The Economist

[7] N.N. (2008), Gezondheidsongelijkheid in België, Christelijke Mutualiteiten
(http://www.cm.be/cm-tridion/nl/100/Resources/Gezondheidsongelijkheid_tcm24-52062.pdf)

[8] Bratsberg, Bernt; Røed, Knut; Raaum, Oddbjørn; Naylor, Robin; Jäntti, Markus; Eriksson, Tor; Österbacka, Eva (2007), Nonlinearities in Intergenerational Earnings Mobility: Consequences for Cross-Country Comparisons, The Warwick Economics Research Paper Series 782, University of Warwick, Department of Economics

[9] De Grauwe, Paul (2 juli 2007), Structural rigidities in the US and Europe, VoxEu.org
(http://www.voxeu.org/index.php?q=node/338)

[10] Hertz, Tom; Jayasundera, Tamara; Piraino, Patrizio; Selcuk, Sibel; Smith, Nicole and Verashchagina, Alina (2007), The Inheritance of Educational Inequality: International Comparisons and Fifty-Year Trends,The B.E. Journal of Economic Analysis & Policy: Vol. 7: Iss. 2 (Advances), Article 10.

[11] Blanden, Jo; Machin, Stephen (december 2007), Recent changes in intergenerational mobility in Britain,London School of Economics

[12] Hirtt, Nico; Nicaise, Ides; De Zutter, Dirk (2007), De school van de ongelijkheid, EPO

 

Deze tekst verscheen eerder als essay bij Liberales.