Waarom sneakers van 400 euro problematisch zijn voor wie voor kansarmen opkomt

Het is ondertussen een aantal weken geleden dat Conner Rousseau, de nieuwe sp.a-voorzitter, bij de koning langs mocht. Het leidde tot het relletje van de week, omdat Rousseau voor die gelegenheid sneakers droeg, een type van sportschoenen.

Het was niet zozeer het schoenentype dat de controverse stuurde, dan wel de kostprijs ervan. 400 euro zouden de schoenen gekost hebben. En toen zijn entourage de sp.a-voorzitter had gewezen op de mogelijke consternatie die dat teweeg zou kunnen brengen, zou hij naar verluidt geantwoord hebben dat hij eerst nog duurdere schoenen had willen aandoen.

Het was best komisch om de controverse op Twitter te volgen: rechtse twitteraars en trollen spraken er schande van. Linkse twitteraars en trollen hadden dan weer vaak begrip voor Rousseau, niet in het minst mijn favoriete linkse trol Pensioenspook.

Hieronder ga ik betogen dat het opzichtig dragen van dure schoenen problematisch is voor een politicus die wil opkomen voor mensen aan de onderkant van de inkomensklasse, die het moeilijk hebben om de eindjes aan elkaar te knopen.

Ik baseer me daarvoor op de redenering die de Amerikaanse econoom Robert Frank ontwikkelt in zijn boek Success and Luck. Good Fortune and the Myth of Meritocracy. Volgens mij is er ook een duidelijke link tussen het opzichtig dragen van dure schoenen en de armoedegrens, omdat deze grens in relatieve termen gedefinieerd wordt (doorgaans 60% van het mediaaninkomen). Die twee zaken starten immers van dezelfde premisse, namelijk dat mensen geen eilanden zijn en zich laten beïnvloeden door wat mensen uit hun omgeving doen.

Expenditure Cascades

Robert Frank begint zijn hoofdstuk 7 van Success and Luck met de vaststelling dat de kost van een huwelijksfeest, gecorrigeerd voor inflatie, in de VS gestegen is van gemiddeld 11.000 dollar in 1980 naar 30.000 dollar in 2014. Een huwelijksfeest moet “speciaal” zijn, en blijkbaar is de standaardkost van wat speciaal is verdrievoudigd op 35 jaar tijd.

Toch heeft die hogere gemiddelde kost voor een huwelijksfeest de trouwende koppels niet gelukkiger gemaakt. De reden waarom de standaardkost van een huwelijksfeest en, meer algemeen, de standaardkost van een gewoon leven, zo sterk gestegen is, is volgens Frank te verklaren doordat mensen kijken naar wat andere mensen doen. Als de absolute inkomenstop meer uitgeeft, dan zal de subtop ook meer uitgeven, gezien deze twee groepen met elkaar in aanraking komen. De middengroep, die ook de stijgende uitgaven ziet bij de subtop zal vervolgens ook meer uitgeven, waarna de lagere middenklasse en uiteindelijk de onderklasse meer willen uitgeven.

De impact van deze “uitgavencascade” wordt versterkt indien de inkomensongelijkheid stijgt en indien essentiële goederen en diensten privaat (en niet collectief) gefinancierd moeten worden, zoals degelijk onderwijs en gezondheidszorg. De impact van een uitgavencascade is dus sterker in een land als de VS dan in België.

Met andere woorden, indien het mechanisme van de uitgavecascade werkt, dan zal een hogere zichtbare(!) consumptie, zoals opzichtig dure schoenen of een duur huwelijksfeest, doorsijpelen naar de hele maatschappij. De sociale consumptienorm wordt bijgevolg door opzichtige consumptie opgehoogd.

Het ophogen van de sociale consumptienorm heeft een verspilling tot gevolg. Of je nu schoenen draagt van 150 of 400 euro zal wellicht niet zoveel impact hebben op de schoenervaring, net zoals een huwelijksfeest van 10.000 of 30.000 dollar het trouwende koppel gemiddeld niet significant gelukkiger maakt. Dat leidt tot een verspilling: je geeft meer uit, zonder dat er een hoger nut tegenover staat.

Robert Frank vergelijkt het met wat er kan gebeuren in een voetbalstadion: de eerste die gaat recht staan om een beter zicht te hebben zorgt ervoor dat de persoon achter zich minder goed kan zien, waardoor deze ook gaat rechtstaan, waardoor de volgende persoon ook gaat rechtstaan. Heel snel staat iedereen recht. Op dat moment hebben ze een even goed zicht op de wedstrijd als toen ze allen nog zaten. Alleen moeten ze voor datzelfde zicht nu de hele tijd rechtstaan. De kost is hoger, maar heeft niet geleid tot een hoger nut.

Het probleem is dus dat als schoenen van 400 euro of huwelijksfeesten van 30.000 dollar de norm worden, diegenen met schoenen van 150 euro of een huwelijksfeest van 10.000 dollar zich in een lagere positie voelen (of diegene die in het voetbalstadion halsstarrig blijft zitten en niets kan zien). En die ervaring van de veranderde relatieve positie zijn voor de menselijke natuur erg moeilijk te negeren, “since relative position was always by far the best predictor of reporductive success”, dixit Frank.

Mensen die opzichtig consumeren, liggen dus mee aan de basis van een consumptiewedloop, te vergelijken met een wapenwedloop tussen twee rivaliserende landen, of wat Frank de “positional arms race” noemt.

Relatieve armoedegrens

Je kan je afvragen of het wel klopt dat mensen de sociale consumptienorm zo sterk volgen, zoals Robert Frank aanhaalt. In een eerdere blogpost uit 2017 schreef ik over wat Johan Braeckman daarover te zeggen heeft: “In een prachtig interview in De Tijd van deze zomer riep Johan Braeckman, moraalfilosoof (UGent), op om het rustiger aan te doen. Hij pleit voor minder consumeren en trager leven. Blijf meer thuis en nodig mensen daar uit. Dat is goedkoper en minstens zo leuk, zo stelt hij. Teveel mensen laten zich meezuigen door de dwingende sociale norm, waardoor ze zichzelf dreigen voorbij te lopen. ‘Keeping up with the Joneses’ is wijdverspreid: als je buurman een grote auto heeft of naar dat nieuwe restaurant gaat, wil jij dat ook. En we gaan toch nog geen mensen uitnodigen vooraleer ons huis tip-top afgewerkt is?

De oproep van Braeckman is de logica zelve. Als het allemaal zo druk is, met stress en burn-out tot gevolg, waarom dan niet wat rustiger aan doen? We zijn toch rijk genoeg geworden? Maar we doen het niet. Of lang niet voldoende. Braeckman is de zoveelste in het rijtje die oproept om te ‘consuminderen’ en om meer te doen wat er toe doet. We lezen wel instemmend, maar gaan komende winter terug lekker gaan skiën, en klagen dat alles te druk is.

Mijn hypothese is dat het voor de overgrote meerderheid van de mensen erg belangrijk is om aan de sociale norm te voldoen. En dat geldt voor mensen in alle inkomensklassen. Zolang dit het geval is, is het logisch en consequent dat de armoedegrens gebaseerd wordt op de sociale norm, en dat de armoedegrens bijgevolg een relatieve grens is.”

Langs de ene kant heeft Braeckman gelijk: het zou inderdaad beter zijn om niet mee te gaan met de sociale norm als het over consumptie gaat die objectief gezien niet nodig zijn om een goed leven te kunnen leiden. Maar blijkbaar zitten mensen zo niet in elkaar: we laten ons sterk beïnvloeden door wat er in onze omgeving gebeurt, ook al is dat objectief gezien niet nodig om een goed leven te kunnen leiden. Gewoon het feit dat genoeg anderen die consumptienorm volgen maakt dat die consumptienorm (voor velen) nodig is om een goed leven te leiden.

Robert Frank gaat zelfs nog een stapje verder. Hij stelt dat het in realiteit geen optie is om de sociale consumptienorm te negeren. Hij is dan ook geen fan van de uitdrukking “keeping up with the Joneses”, omdat dat de indruk geeft dat jaloezie en afgunst de drijfveer zijn om meer te consumeren, wat moeilijk aanvaardbaar is. Volgens Frank is de drijfveer anders en ligt die veel dieper. We zijn als mensen voorgeprogrammeerd om als lid van de groep aanvaard te worden, omdat dat erg belangrijk was (en is) voor ons overleven. We zijn als mensen voorgeprogrammeerd om ons slecht te voelen als we niet aan de sociale norm kunnen voldoen. Om het kernachtig uit te drukken: tegen mensen zeggen dat je je moet onttrekken aan de sociale norm, is tegen mensen zeggen geen mens te zijn.

De link met het verdedigen van een relatieve armoedegrens is dan overduidelijk. De armoedegrens is zo gedefinieerd dat het bepaalt welk minimuminkomen je nodig hebt om op een menswaardige manier te kunnen leven. Als de sociale norm verhoogt, zal ook het inkomen dat je nodig hebt voor een menswaardig leven verhogen, omdat het des mensen is om aan de sociale norm te voldoen. De armoedegrens moet dan ook in relatieve termen gedefinieerd worden.

Links en rechts inconsequent

Tot slot en wat kort door de bocht: “rechts” valt doorgaans het relatieve karakter van de armoedegrens aan en pleiten eerder voor een absolute armoedegrens. Bij een relatieve armoedegrens blijft de armoedegraad dezelfde in het geval alle inkomens verdubbelen, wat deze critici een aberratie vinden. Sommigen van datzelfde “rechts” schreeuwden wel moord en brand toen Rousseau opzichtig dure schoenen droeg. Maar als er geen negatieve effecten zijn op de mensen aan de onderkant van de inkomensschaal, wat is dan het probleem?

Anderzijds is het zo dat “links” doorgaans wel een relatieve armoedegrens verdedigt. Toch waren er heel wat die Rousseau verdedigden en de hele hetze maar een storm in een glas water vonden. Hierdoor wordt het negatieve effect van opzichtig dure consumptie genegeerd of op zijn minst geminimaliseerd. Waarom dan nog pleiten voor een relatieve armoedegrens? Mensen kunnen volgens zij die dit minimaliseren zich blijkbaar wel onttrekken aan de dwang die zou uitgaan van een sociale norm.

Bij deze probeer ik dan ook een consequent standpunt te verdedigen. Ik ben ervan overtuigd dat de armoedegrens relatief moet gedefinieerd worden. Ik vind het dan ook problematisch dat een politicus die meent op te komen voor armen er geen graten in ziet om opzichtig te consumeren.

Geef mij dan maar Louis Tobback die in de jaren ’90 met zijn Peugeot 205 rond hoste.

Maaike Neuvilles kritiek op de politiek schiet compleet naast doel

In een opiniestuk in DeMorgen van ondertussen een week geleden vergelijkt Maaike Neuville, een Vlaamse actrice, de Vlaamse parlementsleden met spelende, joelende kinderen. Ze schreef haar opinie nadat ze getuige was geweest van het debat over de Vlaamse begroting in de plenaire zitting, met onder meer deze passage:

Ik zag hoe jullie, als kleine kinderen in een speeltuin, om de haverklap afgeleid waren, moord en brand schreeuwden als iemand iets van jullie dreigde af te pakken en vooral: hoe jullie systematisch weigerden te luisteren naar elkaar.

Ze doet in haar opiniestuk ook de volgende suggestie:

Is het niet eens tijd om na te denken over een politiek systeem waar niet partijen het voor het zeggen hebben, maar mensen? Nodig systematisch burgers uit, experten, mensen uit het veld, om mee in debat te gaan. Niet één keer. Maar elke zitting opnieuw.

Het zijn scherpe woorden van de Vlaamse actrice. Haar opinie getuigt volgens mij echter van een ernstig gebrek aan kennis van de werking van een parlement.

De plenaire zitting, de wekelijkse vergadering waar alle parlementsleden samenzitten, is inderdaad een vorm van toneel, waarbij de partijen (en eigenlijk eerder meerderheid tegenover oppositie) hun argumenten voor en tegen nog eens oplijsten, zonder de verwachting dat er nog standpunten gewijzigd worden. Het échte werk is dan immers al lang uitgevoerd. Een begroting komt immers pas naar de plenaire na een reeks voorbereidende parlementaire activiteiten, die de media vaak niet halen.

De precieze werkzaamheden die leiden tot de stemming van een begroting kende ik niet, maar een eenvoudige vraag op Twitter leerde mij dat de parlementaire voorbereidingen meer dan een maand in beslag nemen. Ondertussen wordt de klassieke agendacommissie opgeschorst. (zie tweets van Thomas Leys en Thijs Verbeurgt) Bovendien is er ook het advies van het Rekenhof. Men gaat dus niet zomaar over één nacht ijs. En het is niet verwonderlijk dat men na meer dan een maand debatteren de standpunten niet meer zal wijzigen wanneer in de plenaire zitting formeel gestemd wordt (in de commissies wordt ook gestemd, maar enkel de plenaire zitting kan wetten stemmen).

Zelf heb ik ook die ervaring als expert in energie, werkzaam bij de federale energieregulator. Wij worden als experts vaak uitgenodigd in de Kamercommissie over energie, dikwijls ver weg van camera’s en media, waar beslagen parlementsleden pertinente vragen stellen over een complex onderwerp. Maar natuurlijk worden wij nooit uitgenodigd in de plenaire zitting, omdat de uitwisseling van standpunten, tussen parlementsleden en met experts, dan al lang achter de rug is.

Het is zeker niet zo dat het parlement perfect werkt. Dat zal elke politicoloog of parlementslid u kunnen getuigen. Ja, er zijn veel te veel parlementsleden die onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen en vooral uit zijn op media-aandacht of zelfs dat niet. Maar meer fundamenteel is volgens mij dat veel decreten en wetten vaak niet voorbereid worden in de openbare parlementaire commissies, maar in interkabinettenwerkgroepen (IKWs), vergaderingen van kabinetsadviseurs van de verschillende betrokken ministers. Die zijn niet openbaar en erg gevoelig voor gelobby.

Als onze politieke besluitvorming ergens een zwakheid vertoont, dan zit het in die verdoken, weinig transparante manier van wetten voorbereiden door kabinetsadviseurs, omdat het gelobby verdoken kan gebeuren. Het leidt tot vriendjespolitiek en -naar mijn ervaring en wat ik her en der lees- tot het beschermen van de bestaande bedrijven en organisaties voor al te hevige concurrentie. Met andere woorden, de politiek verwart te vaak een beleid dat goed is voor de bedrijven met een beleid dat goed is voor de vrije markt en de consument. Zo zou volgens professor Gert Peersman te veel regulering en te weinig competitie een belangrijke verklaring kunnen zijn voor het achterblijven van de Belgische economische groei in de eurozone (zie ook zijn presentatie over de Belgische economische prestatie). Als dat aan de manier van besluitvorming ligt, dan betalen we dat cash met lagere economische groei.

Het mag dus duidelijk zijn dat onze politieke besluitvorming zeker nog kan en moet verbeteren. Maar de kritiek van Maaike Neuville op het politieke theater in de plenaire zitting is niet de essentie. Ze miskent met haar kritiek het vele en soms hoogstaande werk dat in de parlementaire commissies wordt uitgevoerd. En ze mist waar het echt aan schort in onze politieke besluitvorming: de weinig transparante manier waarop wetsontwerpen en koninklijke besluiten worden voorbereid door de kabinetten.

Andreas Tirez

De betaalbaarheid van de 30-urenweek

Sinds een aantal jaren wordt de eis voor een 30-urenweek op tafel gelegd. Femma, de vrouwenbeweging van de christelijke vakbond, is een vocale pleitbezorger en zal in 2019 de 30-urenweek invoeren, in samenwerking met de VUB om de effecten te onderzoeken. Olivier Pintelon, politiek wetenschapper, heeft hierover een boek gepubliceerd, De Strijd om Tijd, waarin hij de voordelen opsomt van de 30-urenweek. Ook andere vakbonden zijn het idee niet ongenegen. En de PS zou in Charleroi ook starten met een experiment met de 30-urenweek.

De eis van een 30-urenweek moet op zich niet controversieel zijn, ware het niet dat er ook loonbehoud geëist wordt. Minder werken en evenveel verdienen. Het klinkt te mooi om waar te zijn, maar voorstanders verwijzen steevast naar het verleden om de haalbaarheid ervan te verdedigen. We zijn immers geëvolueerd van een zesdagenwerkweek van 72u naar een vijfdagenwerkweek van 38 uur en zijn toch alsmaar meer gaan verdienen. Waarom dan niet naar een 30-urenweek? Alvast Pintelon lijkt daarin realistisch en stelt dat dit over een lange tijdsduur – van ongeveer 20 jaar – bekeken moet worden. In die periode moet de groei van de arbeidsproductiviteit geleidelijk aan omgezet worden in arbeidsduurverkorting. Dat betekent geen eis voor hogere lonen, maar wel voor kortere werkweken.

In zijn boek behandelt Pintelon de kwestie van de economische haalbaarheid slechts in beperkte mate, terwijl dit evident de noodzakelijke voorwaarde is om geloofwaardig te kunnen pleiten voor de 30-urenweek. Pintelon erkent wel dat de productiviteitsgroei een belangrijke voorwaarde is, maar gaat volgens mij niet diep genoeg in op het begrip ervan. Bovendien ziet hij de 30-urenweek als een middel tegen ongelijkheid, verwijzend naar correlaties tussen een korter wordende werkweek en een dalende ongelijkheid. Echter, hij maakt onvoldoende het onderscheid tussen twee verschillende vormen van productiviteitsgroei, noch erkent hij de mogelijkheid dat ongelijkheid kan stijgen door het invoeren van een kortere werkweek.

In deze blogpost ga ik dieper in op de economische haalbaarheid van een 30-urenweek, de twee verschillende vormen van productiviteitsgroei en de -volgens mij- waarschijnlijke stijging van de ongelijkheid door het invoeren van een 30-urenweek als de productiviteitsgroei, meer bepaald de TFP-groei, onvoldoende is.

Tot slot, en eigenlijk irrelevant voor deze blogpost, wil ik me bekennen tot een sympathisant van de 30-urenweek. De vele positieve aspecten die pleitbezorgers naar voren schuiven lijken me intuïtief correct (maar dat is meer opinie dan een feit). Het sluit goed aan bij wat professor Johan Braeckman vertelde in een uiterst interessant interview tijdens de zomer van 2017 in De Tijd en dat ik iedereen aanraad om te lezen: ‘Het is geen natuurwet dat je vijf dagen per week moet werken.’

Economische haalbaarheid

In deze blogpost ga ik me concentreren op de economische haalbaarheid. Ik zal daarvoor geen projecties geven over de toekomstige stijging van de arbeidsproductiviteit, omdat ik ervan overtuigd ben dat dergelijke projecties weinig waarde hebben. Niemand weet hoe dit zal evolueren.

Ik ga me daarentegen concentreren op de economische grenzen waarbinnen een 30-urenweek zich moet bevinden. Ik doe dat aan de hand van de theorie van de groeiboekhouding, waarbij de economische groei wordt verklaard door de twee productiefactoren, arbeid en kapitaal. De groei die het model niet kan verklaren eindigt in de ‘restterm’ en wordt vaak toegeschreven aan de technologische vooruitgang. In de theorie van de groeiboekhouding wordt deze ‘restterm’ ook aangeduid als de groei van de totale factorproductiviteit (TFP) en zou je ook kunnen bekijken als een maat voor het efficiënt inzetten van arbeid en kapitaal.

De theorie van de groeiboekhouding geeft geen verklaring hoe het komt dat arbeid, kapitaal en technologische vooruitgang zijn gegroeid zoals empirisch wordt vastgesteld. Men tracht ex-post enkel te berekenen welke factoren hoeveel hebben bijgedragen tot de groei. Toch is de theorie interessant om de grenzen aan te geven van de groei, meer bepaald hoe sterk bepaalde productiefactoren moeten groeien als we naar een 30-urenweek met loonbehoud willen.

Eenvoudig model: de fabrieksarbeider en zijn machinepark

Om de impact van een 30-urenweek te kunnen analyseren geef ik het voorbeeld van een fabrieksarbeider die toegevoegde waarde creëert met het machinepark dat hem of haar ter beschikking wordt gesteld. Het machinepark is gefinancierd door de aandeelhouder.

In jaar 0 constateren we het volgende:

  • L: de fabrieksarbeider werkt met zijn machinepark 40 uren per week, gedurende 50 weken. In totaal 2000 uren voor jaar 0 (aangeduid met L van labour).
  • Q: de fabrieksarbeider creëert in jaar 0 met zijn arbeid en machines een toegevoegde waarde van 100.000 euro (aangeduid met Q van quantity).
  • K: het machinepark heeft een waarde van 500.000 euro (aangeduid met K van kapitaal)
  • r: de rente die de aandeelhouder (of de bank) wil voor de investering in het machinepark is 8 procent.
  • rK: de kapitaalkost is bijgevolg 500.000 * 8% = 40.000 euro. Dit vertegenwoordigt 40 procent van de gecreëerde toegevoegde waarde Q. Die 40 procent is het kapitaalaandeel.
  • wL: de fabrieksarbeider krijgt 60.000 euro aan (bruto)lonen, wat overeenkomt met 30 euro per uur (aangeduid met w van wage). De totale loonmassa van 60.000 euro vertegenwoordigt 60 procent van de gecreëerde toegevoegde waarde Q. Die 60 procent is het arbeidsaandeel.
  • Q/L en Q/K: de boer creëert met 2000 arbeidsuren en 500.000 euro kapitaalgoederen een toegevoegde waarde van 100.000 euro. De arbeidsproductiviteit is bijgevolg 50 euro per uur (aangeduid met Q/L). Voor elke euro geïnvesteerde kapitaalgoederen wordt er 0.2 euro toegevoegde waarde gecreëerd (aangeduid met Q/K).

De onderstaande tabel vat het bovenstaande samen.

          

Verschillende scenario’s

Scenario 1: 20 procent minder werken

Het volgende jaar besluit de fabrieksarbeider om 20 procent minder te werken. Hij werkt nu nog 32 uren per week gedurende 50 weken of 1600 uren per jaar (L daalt met 20 procent). De aandeelhouder (of de bank) wil de rente van 8 procent op het geïnvesteerde kapitaal behouden (ik kom hier later op terug). Indien het machinepark niet wijzigt, blijft de kapitaalkost op 40.000 euro. We veronderstellen dat de arbeidsproductiviteit (Q/L) niet verandert. We noemen dit scenario 1 (sc1).

Doordat er nu slechts 1600 uren gewerkt wordt en de arbeidsproductiviteit constant blijft op 50 €/u wordt in dit scenario 80.000 euro aan toegevoegde waarde gecreëerd, of, zoals verwacht, 20 procent minder dan in jaar 0. Daarvan moet 40.000 euro uitgegeven worden om het kapitaal te vergoeden. Er blijft dan nog 40.000 euro om de fabrieksarbeider te betalen. Dat betekent dat de fabrieksarbeider 20.000 euro loon inlevert of 33 procent minder verdient door 20 procent minder te werken (en het uurloon daalt 30 €/u naar 25 €/u).

Deze scherpe vermindering van de loonmassa, en zelfs een vermindering van het uurloon, is nodig omdat het geïnvesteerde kapitaal nu minder efficiënt gebruikt wordt: elke euro geïnvesteerd kapitaal levert nu nog slechts 0.16 euro op, in plaats van 0.2 in het jaar 0. De TFP, een maat voor het efficiënt gebruiken van arbeid en kapitaal, daalt bijgevolg met 8 procent.

Dit scenario is niet realistisch, omdat de fabrieksarbeider nooit een dergelijk loonverlies zal slikken. Bovendien zijn de voorstanders van de 30-urenweek ervan overtuigd dat loonbehoud mogelijk is. Loonbehoud wordt dan ook de voorwaarde van het volgende scenario.

Scenario 2: productiviteitsgroei enkel door te investeren

De fabrieksarbeider werkt 20 procent minder uren, maar wil zijn loonmassa (wL) wel behouden op 60.000 euro. De evidente remedie, zoals bij arbeidsduurverkortingen in het verleden, is dat de fabrieksarbeider productiever werkt. Om terug 100.000 euro toegevoegde waarde te produceren met 20 procent minder arbeidsuren moet zijn arbeidsproductiviteit stijgen van 50 €/u naar 62,5 €/u, of een stijging met 25 procent.

Dat hoeft niet zo’n groot probleem te zijn. In het verleden zijn werknemers alsmaar productiever geworden. De onderstaande grafiek geeft de reële toegevoegde waarde per gewerkt uur voor België sinds 1970. In 1970 produceerde een werknemer gemiddeld 21 €/u (in euro’s van 2010); in 2020 wordt verwacht dat dit iets boven 55 €/u is. Dat is een stijging met 164 procent. De gemiddelde productiviteitsgroei die hiervoor nodig was is net geen 2 procent per jaar.

Tegen een dergelijk tempo is de nodige productiviteitsstijging van 25 procent binnen handbereik: nauwelijks 12 jaar is hiervoor nodig.

Met deze redenering zijn echter twee problemen. Ten eerste is de arbeidsproductiviteitsgroei de laatste decennia fors afgenomen. De onderstaande figuur geeft op basis van dezelfde gegevens van de bovenstaande grafiek per decennium de totale arbeidsproductiviteitsgroei. Hieruit blijkt duidelijk dat de totale arbeidsproductiviteitsgroei dit decennium niet boven 5 procent uitkomt. Momenteel stijgt de productiviteit van de werknemer op tien jaar dus even sterk dan in de jaren 1970 gebeurde op twee jaar. Tegen het huidige tempo zal het dus geen 20 jaar, maar eerder 50 jaar duren vooraleer de arbeidsproductiviteit gestegen is met 25 procent.

Pintelon verwijst naar de Studiecommissie voor de Vergrijzing die uitgaat van een stijging van de arbeidsproductiviteit van 1.25 procent per jaar. Tegen een dergelijk tempo zijn er inderdaad maar 18 jaar nodig om te komen tot een arbeidsproductiviteitsgroei van 25 procent. We kunnen alleen maar hopen dat dit inderdaad het geval is.

Echter, en dat is het tweede probleem, die productiviteitsgroei is voor een groot deel te verklaren door de bijkomende investeringen in kapitaalgoederen (zoals machines en computers). Indien de nodige productiviteitsgroei enkel door investeringen te verklaren is, dan moeten in ons voorbeeld de kapitaalgoederen stijgen van 500.000 euro naar 650.000 euro, of een stijging van 150.000 euro, om een arbeidsproductiviteitsgroei van 25 procent te realiseren (namelijk een stijging van 50 €/u naar 62,5 €/u).

Belangrijk is om op te merken dat deze investering ook terugbetaald moet worden. Onze assumptie is dat de kapitaalverschaffers 8 procent rente willen (ik kom hier later op terug). Als ze dit niet krijgen, dan zullen ze niet willen investeren. Doordat de kapitaalgoederen stijgen van 500.000 naar 650.000 stijgt het kapitaalaandeel dus navenant, van 40.000 euro naar 52.000 euro (=8%*650.000). Dat betekent dat er nog slechts 48.000 euro overblijft voor de fabrieksarbeider. De fabrieksarbeider is er dus beter aan toe dan in het vorige scenario (waar hij slechts 40.000 euro verdiende), maar moet nog steeds een loonverlies slikken, ondanks de stijgende arbeidsproductiviteit. Hierdoor stijgt de ongelijkheid tussen de werknemers (arbeidsaandeel) en de kapitaalverschaffers (kapitaalaandeel).

De onderstaande tabel vat dit tweede scenario, waarbij de productiviteitsgroei enkel gedreven wordt door bijkomende investeringen, samen. Merk op dat het arbeidsaandeel in jaar 1 fors daalt naar 48 procent, komende van 60 procent in jaar 0. De ongelijkheid tussen arbeider en aandeelhouder stijgt dus ook fors.

 

Scenario 3: productiviteitsgroei zonder te investeren

De fabrieksarbeider werkt nog steeds 20 procent minder uren, en wil nog steeds dat zijn loonmassa (wL) behouden blijft op 60.000 euro, wat niet gelukt is in het vorige scenario. Hiervoor moet nog steeds de arbeidsproductiviteit stijgen van 50 €/u naar 62,5 €/u, of een stijging met 25 procent.

Deze arbeidsproductiviteit wordt in dit scenario echter niet gerealiseerd met extra investeringen in het machinepark, maar door gewoon efficiënter om te gaan met bestaande kapitaal en de ingekorte arbeidsuren. Hierdoor groeit de toegevoegde waarde terug tot 100.000 euro. Deze economische groei kan het model niet verklaren en komt dus in de restterm terecht, wat aangeduid wordt met ‘totale factorproductiviteit’ of TFP.

Om in ons voorbeeld de toegevoegde waarde te behouden op 100.000 euro is een TFP-groei nodig van 12 procent. De onderstaande tabel vat de toestand samen.

Dit is het ideale scenario: de arbeider behoudt zijn loonmassa, de kapitaalverschaffer zijn kapitaalvergoeding en de ongelijkheid blijft constant. Er is echter één probleem: een stijging van de TFP met 12 procent lijkt op dit moment onhaalbaar. De TFP-groei is het laatste decennium immers nagenoeg stilgevallen (zie onderstaande grafiek). Het kent een gelijkaardig verloop als de groei van de arbeidsproductiviteit, alleen zijn de gerealiseerde groeicijfers nog lager. Dit decennium verwacht men een TFP-groei van nauwelijks 2 procent. Tegen dit tempo zal men ruim 50 jaar nodig hebben om de arbeidsduurverkorting te realiseren die men wil.

Voor de optimisten onder ons zou het ironisch genoeg wel eens zo kunnen zijn dat net een arbeidsduurverkorting de TFP opnieuw sterk doet groeien. Immers, door minder te werken per dag, zal je tijdens de uren dat je werkt productiever zijn. Zelf geloof ik dat ook graag, maar wil ik dat pas aanvaarden als een dergelijk effect goed gemeten en langdurig is. Het is immers niet ondenkbaar dat de arbeidsproductiviteit inderdaad initieel stijgt bij een verkorte werkdag, maar dat de werknemer zich na verloop van tijd aanpast aan dit nieuwe normaal en weer minder productief wordt.

Het is echter weinig waarschijnlijk dat de arbeidsproductiviteit enkel stijgt door een groei van de TFP. Het is aannemelijk dat er ook meer geïnvesteerd zal worden, waardoor de kapitaalvoorraad zal aangroeien. Dit wordt behandeld in het volgende scenario.

 

Scenario 4 en 5: productiviteitsgroei niet enkel door te investeren

Dit scenario is een combinatie van de vorige twee scenario’s: de groei van de arbeidsproductiviteit wordt gedreven door én investeringen én TFP-groei. Het is wellicht het meest realistische scenario en het klinkt ook als het beste scenario.

Dat de investeringen zullen blijven stijgen lijkt evident. De laatste 20 jaar is de reële netto kapitaalvoorraad in België gestegen met 36 procent. Indien we deze stijging toepassen op het machinepark in ons voorbeeld, stijgt de kapitaalvoorraad van 500.000 euro naar 680.000 euro. De rente stijgt navenant naar 54.400 euro.

Indien de arbeider zijn loonmassa wil behouden op 60.000 moet de toegevoegde waarde stijgen naar 114.400. Ook hier is dan een stijging van de TFP nodig met 12 procent. Wellicht wat optimistisch, maar niet onmogelijk.

Toch ligt er een adder onder het gras. In dit scenario stijgt de ongelijkheid immers fors: het arbeidsaandeel daalt van 60 procent naar 52.4 procent. Dus hoewel de arbeider ook bij de arbeidsduurverkorting zijn loonmassa kan behouden zal hij er toch op achteruit gaan in vergelijking met de aandeelhouder, die zijn vergoeding ziet stijgen van 40.000 euro naar 54.400 euro. In vergelijking met de aandeelhouder gaat de arbeider er dus op achteruit. De ongelijkheid stijgt.

Het is mogelijk om het arbeidsaandeel constant te houden op 60 procent, ook als de kapitalist 36 procent meer investeert. Daarvoor is een stijging van de TFP nodig met 34 procent. Dat is een enorm cijfer en nog maar weinig realistisch.

De onderstaande tabel geeft het resultaat van deze laatste berekening (zie laatste kolom ‘sc5’). Dit resultaat maakt duidelijk dat het loonbehoud bij een arbeidsduurverkorting niet voldoende is om de ongelijkheid constant te houden. Enkel een forse, historisch gezien weinig realistische, TFP-groei kan de ongelijkheid constant houden (en geeft een loonstijging als gevolg).

Dit punt wordt totaal niet behandeld door de pleitbezorgers van de 30-urenweek. Noch door Femma, noch door Olivier Pintelon in zijn boek ‘De strijd om tijd’.

Scenario 6: kapitaal laten betalen

Als laatste scenario zou men ook het kapitaal minder kunnen vergoeden als de arbeider beslist om minder te werken. Indien de rente kan dalen, dan is arbeidsuurvermindering waarbij de ongelijkheid niet stijgt veel makkelijker te behalen.

De onderstaande tabel geeft in de laatste kolom het resultaat voor een arbeidsduurvermindering met 20 procent en met een kapitaalgroei van 36 procent. De TFP groeit met een haalbare 8 procent (hoewel niet evident). Als voorwaarde wordt opgelegd dat het loonaandeel constant moet blijven op 60 procent (ongelijkheid tussen arbeid en kapitaal blijft dan constant ten opzichte van jaar 0), waardoor de loonmassa stijgt naar 66.000. Onder deze voorwaarden moet de rente op het kapitaal dalen van 8 procent naar 6.5 procent, of een daling met 19 procent. Dat is een forse daling.

Ik vermoed dat een dergelijke vermindering van de vergoeding van het kapitaal niet realistisch is. Zoals ook Pintelon aanhaalt in zijn boek, heeft de globalisering ervoor gezorgd dat kapitaal veel mobieler is. Als in België of Europa kapitaal minder vergoed zou worden, omdat de 30-urenweek moet gerealiseerd worden zonder dat de ongelijkheid stijgt, dan zou het kunnen dat de noodzakelijke investeringen niet in België of Europa gebeuren.

In ieder geval, als een daling van de rente op het geïnvesteerde kapitaal tot de randvoorwaarden van de 30-urenweek behoort, dan moet dit expliciet gesteld worden.

Conclusie

De 30-urenwerkweek met loonbehoud voorstellen als een haalbare kaart door te verwijzen naar het verleden is niet overtuigend. Het grote verschil met de voorbije 50 jaar is immers dat de productiviteitsgroei fors is teruggevallen. En net de productiviteitsgroei is broodnodig om het doel van minder werken met loonbehoud te kunnen realiseren.

Ook moeten de pleitbezorgers van de 30-urenweek het onderscheid maken tussen de twee belangrijke oorzaken van productiviteitsgroei. Als deze vooral gedreven wordt door meer investeringen, dan is loonbehoud weinig realistisch (of enkel op héél lange termijn), omdat die extra investeringen ook moeten vergoed worden, waardoor er te weinig overblijft om een significante arbeidsduurvermindering te realiseren met loonbehoud. Als de productiviteitsgroei ook door een efficiënter gebruik van arbeid en kapitaal gedreven wordt (de zogenaamde TFP-groei), is de 30-urenwerkweek wél realistisch op, zeg maar, 20 jaar tijd. Helaas stellen we vast dat die TFP-groei het voorbije decennium nauwelijks iets meer dan 2 procent was. En dat is niet per jaar maar over het hele decennium gerekend, terwijl we minstens 8 à 12 procent TFP-groei nodig hebben.

Ten slotte is het waarschijnlijk dat zelfs bij een hogere TFP-groei (en hogere arbeidsproductiviteit) dan we de voorbije 20 jaar gezien hebben, de ongelijkheid tussen arbeiders (werknemers) en aandeelhouders zal stijgen indien de 30-urenweek met loonbehoud gerealiseerd wordt. Indien we de ongelijkheid constant willen houden, dan zal de TFP onrealistisch sterk moeten groeien. Een alternatief is dat het kapitaal minder vergoed wordt. Maar in een sterk geglobaliseerde wereld, waar kapitaal erg mobiel geworden is, is ook dat wellicht weinig realistisch.

De 30-urenweek invoeren, zelfs op een termijn van 20 jaar, lijkt dan ook niet betaalbaar met de huidige groei van de arbeidsproductiviteit en de TFP.

Ik heb veel sympathie voor de pleitbezorgers van een 30-urenweek met loonbehoud, maar ik mis bij hen een grondige analyse van de grenzen aan de economische haalbaarheid van hun pleidooi, wat volgens mij essentieel is. Deze blogpost probeert deze grenzen te benoemen waardoor dit aspect in het publieke debat expliciet kan meegenomen worden.

 

 

Uitsmijter: over TFP-groei

Uit het bovenstaande blijkt dat TFP-groei de heilige graal is. Nochtans werd de TFP-groei niet echt duidelijk gedefinieerd: het is de economische groei die het model niet kan verklaren en dus verdwijnt in de restterm. Vaak wordt het toegeschreven aan technische vooruitgang, beter opgeleide werknemers en schaalvoordelen.

De oorzaak van de forse daling van de TFP-groei en van de arbeidsproductiviteitsgroei is voorwerp van debat onder economen. Sommigen beweren dat de grote disruptieve ideeën al een tijdje achter ons liggen en we dus niet meer hoeven te hopen op de grote groeicijfers van de jaren 1960 en 1970. Andere economen zeggen dat de grote arbeidsproductiviteitsstijging door de informatietechnologie en de robotisering nog aan het beginnen is. Zulke dingen vragen nu eenmaal tijd, zeggen ze. Meer nog, de arbeidsproductiviteit zal dermate stijgen dat robots onze jobs zullen afnemen.

Andere economen wijzen de toegenomen marktmacht van bedrijven met de vinger. Een belangrijke bijdrage in dit debat kwam vorig jaar van twee Belgisch economen, De Loecker en Eeckhout. Zij stelden dat de mark-up, wat bedrijven verdienen boven op hun marginale kost en wijst op marktmacht, de voorbije decennia sterk gestegen was. Dat zou verklaard kunnen worden doordat de verschillende industrietakken sterker geconcentreerd geraken, waardoor de competitie vervalt in een monopolistische competitie: grote jongens die met elkaar concurreren, maar liefst niet te hard, zodat ze de winsten kunnen opdrijven. Minder competitie kan leiden tot minder investeringen en minder productiviteitsgroei, ook van de TFP.

Onder economen is er nog geen consensus over wat de precieze oorzaken zijn van de dalende arbeidsproductiviteitsgroei en TFP-groei. De paper van De Loecker en Eeckhout, bijvoorbeeld, kreeg heel wat aandacht, maar daardoor ook wel wat kritiek.

Ik ben ervan overtuigd dat de pleitbezorgers van de 30-urenweek het debat over de arbeidsproductiviteit en de verschillende oorzaken ervan goed moeten opvolgen om te kunnen wegen op het juiste beleid om de arbeidsproductiviteit, en vooral de TFP, zo veel mogelijk te kunnen verhogen. Een forse TFP-groei is immers een win-win voor arbeid en kapitaal, zoals ook uit de bovenstaande analyse blijkt. Dan gaat iedereen erop vooruit. Een belangrijke voorwaarde om te komen tot een hogere TFP-groei is niet enkel inzetten op technologisch innovatie maar die ook daadwerkelijk en efficiënt inzetten. Dat betekent dat robotisering en automatisering moeten omarmd worden.

Als het pleidooi van de voorvechters voor de 30-urenweek beperkt zou blijven tot de roep dat het kapitaal of de overheid de 30-urenweek maar moet financieren, dan vrees ik dat we nog lang gaan mogen wachten op die 30-urenweek. Je vervalt dan immers in een zerosum-game, waar de ene wint wat de andere verliest.

De slimme kilometerheffing is noodzakelijk in Vlaanderen

De Vlaamse regering besliste net voor het zomerreces 2018 om een “slimme” kilometerheffing in te voeren. Het is weliswaar slechts een principebeslissing, waarbij de uitvoering naar de volgende legislatuur wordt doorgeschoven. Toch moet het beschouwd worden als een mijlpaal, omdat de drie meerderheidspartijen N-VA, CD&V en Open VLD gezamenlijk zeggen dit te willen invoeren. En ook Groen en sp.a zijn principieel voorstander. Dat maakt de kans groot dat de volgende Vlaamse regering het ook effectief zal invoeren.

Vlaanderen als fileregio

Het probleem dat een slimme kilometerheffing wil oplossen is genoegzaam gekend: Vlaanderen en Brussel kennen veel files. En die files blijven maar toenemen. De figuur hieronder geeft voor de voorbije zeven jaar het maandelijkse verloop van de gemiddelde filezwaarte per dag op de snelwegen tijdens een werkdag zoals gemeten door het Vlaamse Verkeerscentrum. De filezwaarte is het aantal kilometer files vermenigvuldigd met het aantal uren en wordt uitgedrukt in kilometeruren. De zwarte lijn geeft het lopend gemiddelde, telkens van de voorbije twaalf maanden. Uit de figuur is het duidelijk: de filezwaarte blijft toenemen, van gemiddeld iets meer dan 500 kilometeruren in 2011 tot bijna 800 kilometeruren in 2018, of een stijging met ruim 50% op zeven jaar tijd. Bovendien zijn Antwerpen en Brussel één van de steden met de grootste filedruk in Europa.

 

Waarom de overheid moet tussenkomen bij teveel files

Je zou je de vraag kunnen stellen wat bij files eigenlijk het probleem is. Niemand verplicht de filerijder om in de file te gaan staan. Mensen kunnen op zoek gaan naar alternatieven, zoals openbaar vervoer, de (elektrische) fiets, deels thuiswerken, verhuizen of veranderen van werk.

Het probleem is echter dat er ook mensen zijn die niet in de file staan en er toch hinder van ondervinden. Heel wat mensen doen al dan niet bewust geen verplaatsing omdat ze anders in de file zouden staan. Zo zijn er mensen die geen job aan de andere kant van Brussel aannemen of zelfs maar zoeken omdat ze dan te lang in de file zouden staan. Het zijn hindernissen die we vaak niet meer zien, omdat ze deel van de context geworden zijn.

De wachttijd die de filerijders veroorzaken voor deze mensen hebben een economische en sociale kostprijs die de filerijders zelf niet moeten dragen. De voor de hand liggende oplossing is om de filerijders toch te doen betalen voor deze externe kosten die ze veroorzaken. Dat is dan ook net wat de slimme kilometerheffing zou moeten beogen.

Files zijn tijds- en plaatsgebonden

Het is een open deur, maar files zijn tijds- en plaatsgebonden. Je hebt zelden ’s nachts lange files en ze doen zich meestal voor rond grote steden.

De bovenstaande grafiek toont dat de wegcapaciteit meer en meer ontoereikend is om alle verkeer efficiënt te laten passeren. Maar de figuur geeft ook aan dat dat niet overal het geval is: de laatste twaalf maanden (juli 2017 – juni 2018) was de gemiddelde filezwaarte 762 kilometeruren per werkdag. Antwerpen en Brussel staan in voor respectievelijk gemiddeld 367 en 305 kilometeruren per dag of samen 88 procent van de filezwaarte. Gent neemt nog 7 procent voor haar rekening en de rest van Vlaanderen 5 procent. De files zijn dus duidelijk geconcentreerd rond Brussel en Antwerpen.

Bovendien zijn deze files ook tijdsgebonden. De bovenstaande grafiek toont dat de zomermaanden minder filegevoelig zijn dan andere maanden. Bovendien zijn per definitie de spitsuren ’s morgens en ’s avonds filegevoelig, terwijl dit doorheen de dag minder het geval is en ’s nachts al helemaal niet.

De uitdaging van een slimme kilometerheffing is dan om het kilometertarief te laten variëren volgens plaats en tijd en net hoog genoeg opdat er net geen files zouden zijn.

Welke kilometerheffing?

Tranport & Mobility Leuven (TML) heeft in 2010 in opdracht van het Vlaamse Milieuagentschap een studie uitgevoerd over de internalisering van de externe kosten in transport. Ze heeft deze studie ondertussen geactualiseerd tot het jaar 2014. In de studie worden de externe kosten geschat van allerlei vervoersmodi, zoals de personenwagen, de fiets, de vrachtwagen en de trein. Het betreft niet enkel externe kosten door files, maar ook door ongevallen die personenwagens kunnen veroorzaken, geluidsoverlast en luchtverontreiniging (milieu). De externe kosten aan de infrastructuur van een extra auto worden in de studie van TML verwaarloosd.

In de onderstaande grafiek heb ik de externe kosten samengevat voor een diesel- en benzinepersonenwagen. De kosten worden gerekend in euro per 100 kilometer dat de wagen rijdt en zijn geschat voor de snelweg tijdens dal- en spitsuren en voor stads- en andere wegen tijdens de spits.

Er zijn een aantal interessante observaties te maken op basis van deze cijfers. Ten eerste is de filekost (gele balkjes) steeds veruit de grootste externe kost in de spits, dus groter dan de kosten door geluidsoverlast en luchtverontreiniging samen (let wel, de impact van dieselgate zou nog niet meegerekend zijn in deze cijfers). De filekost is dus ook tijdens de daluren op de snelweg hoger dan de andere externe kosten.

Ten tweede, en dit is in deze context essentieel, variëren de totale externe kosten sterk en wordt deze variatie nagenoeg louter gedreven door de filekosten. Zo is voor de periodes en plaatsen die in de figuur getoond worden de externe kost het grootste op de snelweg tijdens de spits en het laagst tijdens de daluren. Ook opmerkelijk is dat de “andere wegen” tijdens de spits nagenoeg dezelfde externe kost hebben dan de snelweg tijdens de daluren. Ik vermoed dat dit verklaard wordt doordat er heel wat “andere wegen” zijn in weinig filegevoelige gebieden zoals West-Vlaanderen en Limburg en deze dus relatief sterk doorwegen in de analyse van TML in vergelijking met de snelwegen die in grote mate door verkeer van en naar Brussel en Antwerpen gesatureerd raken. Het is dus best mogelijk dat een slimme kilometerheffing resulteert in een tarief voor een snelweg in de buurt van Brussel dat tijdens de middag hoger is dan een tarief voor een gewestweg in Limburg tijdens de spitsuren. Of dat zou toch moeten.

Bij de bepaling van de tariefstructuur zal er een afweging moeten gemaakt worden tussen enerzijds de eenvoud van het systeem, met zomin mogelijk verschillende tarieven, en anderzijds voldoende differentiatie zodat de externe kosten zo correct mogelijk worden geïnternaliseerd. Zelf zou ik denken dat de afweging eerder in de richting van veel gedifferentieerde tarieven zou mogen overhellen, gezien digitale toepassingen makkelijk voor elk traject en op elk moment de kostprijs kunnen berekenen.

Men zou zelfs kunnen overwegen om tarieven dynamisch aan te passen: als er bijvoorbeeld op een mooie zomerdag veel file verwacht wordt op de E40 naar de kust, zouden de tarieven kunnen verhoogd worden. In ieder geval moet het tarief idealiter zodanig gezet worden dat er net geen congestie is, zodat de capaciteit optimaal benut wordt. De hoogte van het tarief is dus een objectief gegeven en zou niet door politici mogen vastgelegd worden, maar door technocraten die na trial-and-error tot een optimale tariefstructuur komen.

 Winnaars en verliezers

Ten derde geeft de figuur ook de belastingen weer die betaald worden (zwarte streepjes). Deze variëren enkel volgens het type wagen, benzine of diesel, en zijn dus onafhankelijk van de plaats of het tijdstip. Opvallend is dan dat een benzinewagen nu reeds in een aantal situaties meer belastingen betaalt dan de externe kosten die ze veroorzaakt. Zowel voor de snelweg tijdens de daluren als de “andere wegen” tijdens de spits worden de externe kosten bovenmatig geïnternaliseerd voor de benzinewagen. Bij een slimme kilometerheffing zouden de belastingen zo goed mogelijk moeten samenvallen met de veroorzaakte externe kosten, wat betekent dat de benzinerijders in bepaalde situaties dan minder belastingen betalen dan nu het geval is. Zij zullen dan de winnaars van het systeem zijn. Dit geldt overigens ondertussen waarschijnlijk ook voor dieselrijders, gezien de kostprijs van diesel sinds 2014 sterk verhoogd is door een verhoging van de accijnzen  (geen idee of dit teniet gedaan wordt door dieselgate). Zij die veel files veroorzaken zullen dan uiteraard tot de verliezers behoren.

Maar globaal genomen zal een slimme kilometerheffing leiden tot een efficiënter gebruik van de transportcapaciteit. Dat komt ten goede aan iedereen. Schattingen lopen uiteen wat de economische kost is van files, maar een studie waarnaar de Oeso verwijst (Van Essen, 2011) schat dat files 1 à 2 procent van het BBP kunnen kosten. Een andere studie (Profillidis, 2014) komt op 200 miljard euro voor Europa of 1,65 procent van het BBP. België, met veel files, zal dus eerder tegen 2 procent economisch verlies aanleunen door de files, wat neerkomt op ruim 8 miljard euro. Dat is uiteindelijk de enorme bonus die we jaarlijks zullen krijgen als we de files oplossen door de autogebruikers correct te laten betalen voor de kosten die ze veroorzaken.

Sociale impact

Er is heel wat vocale tegenstand tegen een slimme kilometerheffing. Sommigen gaan ervan uit dat het zal neerkomen op een belastingsverhoging en zijn om die reden tegen, ook al wordt beweerd dat een slimme kilometerheffing budgetneutraal zal zijn. Maar de grootste tegenstand lijkt ingegeven door een gevoel van rechtvaardigheid. Enkel zij die congestietaks kunnen betalen zullen nog met de auto (tijdens de spits) naar het werk kunnen.

En dat klopt natuurlijk. Maar files wijzen op schaarste, in dit geval te weinig wegcapaciteit. En bij schaarste wordt er altijd een allocatiemechanisme gebruikt om te beslissen wie het schaarse goed krijgt en wie niet. Bij een slimme kilometerheffing wordt de wegcapaciteit toegewezen aan zij die het tarief willen en kunnen betalen. Zonder slimme kilometerheffing wordt de capaciteit ook volgens een bepaald principe toegewezen, namelijk aan zij die tijd kunnen en willen opgeven om in de file te staan.

Er zitten nu ongetwijfeld pendelaars in de file die met een kilometerheffing ander werk zullen moeten zoeken. Maar er zitten ook heel wat filerijders die veel tijd hebben en even goed hun uitje een uur later hadden kunnen plannen (en dat met een kilometerheffing zeker zullen doen). En wat met de drukke tweeverdieners met jonge kinderen? Die pendelen nu niet naar Brussel of Antwerpen, of zijn helemaal op van de stress als de file weer wat langer geworden is en ze alsmaar vaker te laat op school of de opvang zijn om hun kinderen op te halen.

Met andere woorden, nu wordt er voor de wegcapaciteit tijdens de spits betaald met tijd. Dat creëert een ongelijkheid tussen zij die tijd hebben en zij die deze niet hebben. Bij een kilometerheffing wordt betaald met geld. En ook dat creëert een ongelijkheid op gebied van betalingscapaciteit. Ik vraag me echter af in welke mate dat een probleem is in België waar de inkomensongelijkheid relatief laag is, waardoor marktgebaseerde allocaties makkelijker aanvaard zouden moeten worden.

Bovendien zullen de winnaars bij een slimme kilometerheffing door de toegenomen efficiëntie meer winnen dan de verliezers verliezen. Globaal is er dus winst, en dat betekent ook dat er ruimte is om de verliezers te compenseren. Erg doelgericht zal dit niet kunnen uitgevoerd worden, maar het is niet ondenkbaar om bij de invoering van de slimme kilometerheffing tegelijk een belastingverlaging door te voeren voor de laagste inkomens.

Tot slot, met de gele hesjes in het achterhoofd, nog dit: met een fijn genoeg tariefsysteem zullen mensen die de auto nodig hebben waar weinig openbaar vervoer is, en dus weinig alternatieven, wel eens mínder kunnen betalen, omdat ze per definitie in weinig filegevoelige gebieden rijden.

Geluk daalt bij de hoogste inkomens? Ongefundeerde stelling

Een paar weken geleden publiceerden de UGent en levensverzekeraar NN een nieuw luik van hun Nationaal Geluksonderzoek. De blikvanger was deze keer dat meer geld wel degelijk gelukkiger maakt, maar slechts tot een bepaald niveau. Vanaf een maandinkomen van 4000 euro wordt de Belg gemiddeld niet gelukkiger meer. Meer nog, vanaf 5000 euro en meer zou de Belg gemiddeld ongelukkiger worden. De onderstaande grafiek komt uit het persdossier van het onderzoeksteam.

Het is wellicht onnodig te zeggen dat de afname van geluk voor de hoge inkomens veruit de meeste media-aandacht trok. Voor professor Annemans (UGent), betrokken bij het onderzoek, bewijzen de cijfers dat we het economisch systeem moeten herdenken om het geluksniveau op te krikken.

Dat er een verzadingspunt en zelfs een terugval is, vind je ook terug in ander, internationaal onderzoek. Een artikel van uit Nature Human Behaviour (‘Happiness, income satiation and turning points’) van begin dit jaar kwam tot eenzelfde resultaat. In het artikel stellen de auteurs dat er een verzadigingspunt optreedt op 95.000 dollar per jaar wat betreft levenstevredenheid. Wat betreft emotioneel welzijn ligt het verzadigingspunt tussen 60.000 en 75.000 dollar. Nochtans, zo stellen de auteurs, zijn er andere onderzoeken die geen verzadiging of terugval vaststellen. De wetenschap is er dus nog niet uit.

In het artikel uit Nature Human Behaviour worden er een aantal redenen opgesomd waarom vorige studies die concludeerden dat er een verzadigingspunt is belangrijke beperkingen hadden. Zo gebruikte een belangrijke studie categorische variabelen voor de inkomens. Een andere beperking is de bron van data: gegevens uit bevragingen zijn minder betrouwbaar dan uit een fiscale inkomensdatabank.

Gebrek aan data

Ten slotte is er het gebrek aan data, waardoor sommige studies geen uitspraak kunnen doen over het feit of er een verzadiginspunt is in de relatie tussen inkomen en geluk. Dat komt omdat het verzadigingspunt erg hoog ligt. Dat geldt ook voor de Belgische studie. De geciteerde inkomens uit die studie zijn immers netto-inkomens en zijn genormaliseerd, wat wil zeggen dat ze rekening houden met het aantal volwassenen en kinderen per gezin. Een genormaliseerd netto maandinkomen van 4500 euro komt dan overeen met een netto inkomen van 9450 euro voor een koppel met twee kinderen. Met een dergelijk hoog inkomen zit je makkelijk in de top 1%.

En die top 1% participeert niet makkelijk in allerhande onderzoeken die ook peilen naar het inkomen. In het persdossier zat de onderstaande grafiek met daarin het percentage van de 3770 respondenten per inkomenscategorie: uit deze grafiek blijkt dat het aantal respondenten al afneemt voor inkomens vanaf 2500 euro.

Het is opmerkelijk dat deze slechts gegevens geeft tot 2.500 euro, terwijl de blikvanger van het onderzoek gaat over wat er gebeurt vanaf 5.000 euro; dat is precies het dubbele. Ik heb de data dan opgevraagd bij de persverantwoordelijke van het onderzoeksteam en zij gaf me de onderstaande grafiek mee.

Uit deze grafiek blijkt dat ook in dit onderzoek het niet goed gelukt is om voldoende respondenten te vinden in de inkomenscategorie waar het om draait, wanneer men een goed gefundeerde uitspraak wil over het al dan niet bestaan van een verzadigingspunt. Van de 3770 Belgen die aan het onderzoek deelnamen, had slechts 0.2% een genormaliseerd inkomen van 5000 euro of meer. Het gaat dus over 6 tot 9 personen op 3770. De opmerkelijke conclusie van het onderzoek dat een netto-inkomen van 5000 euro of meer ongelukkiger maakt lijkt dan ook op los zand gebouwd.

Bijkomende informatie over het onderzoek

Het bovenstaande had ik ook in een opiniestuk geschreven op vraag van De Morgen. De dag erna was er een reactie van professor Annemans die onder meer inging op het zeer beperkt aantal respondenten. Hij schreef het volgende: “Bij zo’n analyse dragen álle deelnemers bij aan het eindresultaat. Stel u voor dat de bevinding, met name dat de levenstevredenheid opnieuw licht daalt bij de hoogste inkomens, gebaseerd zou zijn op slechts een handvol waarnemingen, zoals Andreas suggereert. Onze analyses steunen op honderden, zelfs duizenden waarnemingen. Het gevonden verband was bovendien statistisch uiterst significant.”

Gezien deze uitspraken me nog nieuwsgieriger maakten naar de gebruikte methode nam ik contact op met professor Annemans met een aantal vragen. Uit zijn antwoord bleek dat de gegevens verzameld zijn door middel van een bevraging, waarbij de respondenten moesten aangeven in welke inkomenscategorie hun gezin zich bevindt (met intervallen van 500 euro). Deze inkomens werden vervolgens genormaliseerd volgens gezinssamenstelling.

De professor schreef ook dat de eigenlijke analyse gebaseerd is op een multivariate regressie, corrigerend voor o.a. leeftijd, geslacht, opleidingsniveau,… waarbij zoals in ander onderzoek de inkomensvariabele ook wordt gekwadrateerd om na te gaan of er inderdaad een kwadratische relatie is. De kwadratische term in de analyse was zeer significant (p-waarde 0.00003), aldus de professor.

Dat riep bij mij weer een aantal bijkomende vragen op. De professor verwijst naar een kwadratische term in de multivariate regressie. Dat betekent echter niet meer dan dat er getest wordt of het inkomen een andere dan een constante, proportionele relatie met levenstevredenheid heeft (in jargon: is de relatie lineair of niet). Uit ander onderzoek weten we immers dat de levenstevredenheid inderdaad stijgt met het inkomen, maar dat die stijging niet in dezelfde mate blijft toenemen, naarmate men een hoger inkomen heeft. Er is dus geen constant stijgende levenstevredenheid naarmate het inkomen toeneemt (het verband is niet lineair).

Om een rekenvoorbeeld te geven: stel dat we vaststellen dat als het inkomen van 2000 naar 2500 euro stijgt, de levenstevredenheid gemiddeld gezien stijgt van 6 naar 6.5. Dat betekent dat een stijging van 500 euro leidt tot een stijging van 0.5 punt op de schaal van de levenstevredenheid. De vraag is dan in welke mate de levenstevredenheid stijgt als het inkomen verder stijgt van 2500 naar 3000 euro en verder naar 3500, 4000,…. Als de levenstevredenheid dan ook stijgt van 6.5 naar 7, en verder naar 7.5, 8,… dan kunnen we stellen dat de relatie tussen inkomen en levenstevredenheid proportioneel (lineair) is. De proporties van de stijging met het inkomen zijn immers gelijk.

Echter, dit is niet wat wordt vastgesteld. Naarmate het inkomen stijgt, stijgt de levenstevredenheid wel nog, maar in mindere mate. Het verband is dus niet proportioneel (lineair) maar iets anders. Om na te gaan of iets wel of niet lineair is kan men een kwadratische term toevoegen.

Als de coëfficiënt bij deze kwadratische term significant is (en in dit geval moet deze negatief zijn om te wijzen op de afnemende stijgingen), dan mag je inderdaad concluderen dat de relatie niet lineair is. Deze statistische significantie geeft dan uitsluitsel dat een kwadratische verband beter is dan een lineaire verband om het verband tussen inkomen en levenstevredenheid weer te geven.

Maar er zijn nog veel andere manieren om te testen of het verband lineair is of niet. Een kwadratische term toevoegen is er maar één van. Zo wordt in dit type onderzoek vaak ook een logaritmisch verband getest. In deze discussie is dat geen wiskundige haarkloverij, maar essentieel. Een kwadratisch verband met een negatief teken bij de kwadratisch term stelt een omgekeerde parabool voor. Dat betekent dat een kwadratisch verband stelt dat de levenstevredenheid bij hogere inkomens terug afneemt, na een maximum bereikt te hebben (= de top van de omgekeerde parabool). De logaritmische functie kent echter geen maximum: die blijft doorstijgen.

De blauwe lijn op de onderstaande figuur toont een kwadratische functie, waarbij het maximum zich op x=3 bevindt. De oranje lijn geeft de logaritmische functie. Deze lijn stijgt in het begin sneller dan op het einde, maar kent geen maximum. De lijn blijft doorstijgen, zij het heel traag.

Een logaritmisch verband geeft dus ook aan dat het verband tussen inkomen en levenstevredenheid niet lineair is (de stijging neemt af bij hogere inkomens), maar waar bij een kwadratisch verband de levenstevredenheid uiteindelijk terug moet afnemen, is dat niet het geval bij een logaritmisch verband. Bij een logaritmisch verband blijft de levenstevredenheid stijgen bij hogere inkomens, hoewel de stijging (veel) minder snel gaat dan bij lagere inkomens. En dat is net de conclusie van een ander onderzoek, van Stevenson en Wolfers uit 2013, namelijk dat er een logaritmische relatie is tussen inkomen en welzijn (“well-being”). De fout die in het Belgische onderzoek dan ook gemaakt is, is dat er op voorhand een bepaalde functionele vorm gekozen is, namelijk een kwadratische functie.

Als je bovenstaande grafiek bekijkt, dan lijkt het bijna onmogelijk dat je je kan vergissen tussen een kwadratisch of logaritmisch verband, omdat het verschil aan de rechterkant van de grafiek overduidelijk wordt. Maar dat verschil is er nagenoeg niet als je enkel de linkerkant van de grafiek bekijkt, met name het gedeelte met de blauwe achtergrond (tot x=3). Dan lijken de logaritmische en kwadratische functie sterk op elkaar.

En dat is net wat er aan de hand is met de gegevens van professor Annemans. In zijn onderzoek vallen bijna alle gegevens in het blauwe gedeelte. De maximale levenstevredenheid wordt immers pas bereikt tussen 4000 en 5000 euro, daarna zou deze afnemen. Maar daarna zijn er slechts een handvol gegevens. Als je enkel een kwadratische functie test met 99,8% van je gegevens die op of vóór het maximum van de kwadratische functie liggen, gelijkaardig aan de blauwe zone in de bovenstaande figuur, dan kan je geen uitsluitsel geven of het nu een kwadratisch of een logaritmisch verband is. Wil je dat wel kunnen, dan moet je veel meer gegevens hebben na de blauwe zone (en boven 5000 euro). Heb je die gegevens niet, dan kan je daar geen uitspraak over doen.

Ik heb deze analyse aan professor Annemans voorgelegd en hij erkende dat ze te snel gekozen hadden voor de kwadratische functie en dat ze ook de logaritmische relatie hadden moeten testen. Hij erkende dan ook dat ze de conclusie niet hadden mogen trekken dat levenstevredenheid afneemt bij hoge inkomens.

Op dat punt zijn we het dus eens en zou en het is belangrijk dat professor Annemans dit erkent. Hij stelde echter dat er geen gebrek aan data is om deze conclusie eventueel te kunnen trekken; er moet gewoon ook nog eens getest worden of de logaritmische functie beter is dan de kwadratische functie. Dat is volgens mij opnieuw een sterk betwijfelbare stelling. Meer nog, ik durf nu al te zeggen dat de data voor de zeer hoge inkomens veel te beperkt zijn om op een wetenschappelijk zinvolle manier uitsluitsel te geven tussen een logaritmische en kwadratische functie. Ik schat dat er immers maar 6 tot 9 datapunten in de inkomenscategorie van 5.000 euro en hoger zitten. Deze zullen geen statistische significante keuze kunnen maken tussen de kwadratische en de logaritmische functie. De enige wetenschappelijk aanvaarde conclusie moet zijn dat we op basis van de gegevens van professor Annemans niet kunnen weten of levenstevredenheid afneemt bij zeer hoge inkomens. Die conclusie is uiteraard minder sexy dan te kunnen stellen dat levenstevredenheid afneemt voor de hoogste inkomens, maar wetenschap is nu eenmaal niet altijd sexy (voor de media).

Tenzij ik iets over het hoofd zie, moet dit dan ook rechtgezet worden.

Meer uitleg over de kwadratische en logaritmische functies en een aantal simulaties vind je onderaan deze tekst.

 

Meer objectiviteit in plaats van meer subjectiviteit

Dat neemt niet weg dat de conclusie juist kán zijn dat de levenstevredenheid afneemt vanaf een zeer hoge inkomen. Maar zelfs als die conclusie correct zou zijn, dan nog is dat geen reden om ons economisch systeem te herdenken om het gelukniveau op te krikken. De reden is eenvoudig: geluk is subjectief. Er zijn mensen te vinden die arm zijn, maar veel gelukkiger dan de rijkeluiszoon die doodongelukkig is omdat hij geen Porsche kreeg voor zijn achttiende verjaardag. Om het geluksniveau dan op te krikken, zou je de arme meer moeten belasten om de Porsche van de rijke te betalen.

Het is een voorbeeld dat geïnspireerd is op het bekende artikel ‘Equality of What?’ van Amartya Sen uit 1979. Sen stelde zich de vraag wat we nu eigenlijk gelijk willen. Hij kwam tot de conclusie dat het niet om geluk (of nut) gaat. Sen stelde dat waar het om draait, is of mensen de mogelijkheid hebben om het goede leven te leiden. Daarvoor heb je een aantal basiscapaciteiten of -functies nodig. En die zaken kan je min of meer objectief vaststellen (hoewel ze in de tijd en tussen landen kunnen verschillen). Het gaat om basisbehoeften zoals voeding, wonen en veiligheid, maar ook over kunnen lezen en schrijven, politiek kunnen deelnemen en, in een maatschappij als de onze, toegang tot internet. Voor Sen is het duidelijk dat een maatschappij pas rechtvaardig is als deze objectieve noden voor elke mens vervuld kunnen worden. Of elke mens er ook daadwerkelijk gelukkig van wordt, is niet de verantwoordelijkheid van de maatschappij, maar van het individu zelf.

Tot slot, er is een andere reden waarom we hoge inkomens meer moeten belasten en lage inkomens minder. Er zijn drie oorzaken waarom mensen rijk zijn en die meestal samen in het spel zijn: erg rijke mensen werken vaak hard, hebben vaak ook veel talent en hebben ook gewoon geluk. Aan die twee laatste factoren heeft de rijke zelf geen verdienste, en daarom is het moreel aanvaardbaar dat we hogere inkomens meer belasten. Maar ook weer niet teveel, of rijke mensen gaan minder hard werken, waardoor je minder kan belasten en herverdelen. Er is dus ergens een optimum. Waar dit optimum ligt, is volgens mij een vraag voor de econoom die zich bezig houdt met de theorie van de optimale belastingstructuur. Voor het herdenken van ons economisch systeem hebben we dus eerder een ‘belastingseconoom’ dan een ‘gelukseconoom’.

 

 

BIJLAGE

Enkele simulaties over het kwadratische of logaritmische verband tussen levenstevredenheid en inkomen

De onderstaande figuur simuleert de relatie tussen inkomen en levenstevredenheid, gegeven dat de laatste 7 datapunten (vanaf 5000 euro) effectief een dalende levenstevredenheid vertonen. In de simulatie is dan rekening gehouden met het aantal datapunten dat er beschikbaar was voor elk inkomensinterval. Het resultaat staat in de onderstaande figuur. Voor 500 euro gaat het om 777 datapunten, voor 1000 euro gaat het om 754, enzovoort. Voor 5000 euro gaat het om 3 datapunten, voor 5500 om 2 datapunten en voor 6000 of meer ook 2 datapunten. Ik heb wat ruis op de datapunten gezet.

Wanneer er een regressieanalyse wordt uitgevoerd op deze datapunten met als verklarende variabelen voor de levenstevredenheid het inkomen en het inkomen in het kwadraat, dan blijkt dat de coëfficiënt van de kwadratische term negatief is en dat dit resultaat zeer significant is.

Je kan op dezelfde data echter ook een logaritmische relatie testen. De coëfficiënt bij de verklarende variabele is positief en ook dit resultaat is zeer significant (met p-waarde = 0). Bovendien blijkt de verklarende kracht van deze functionele vorm zelfs hoger te zijn: de R² voor een logaritmische relatie is 0.644 tegenover 0.628 bij de kwadratische vorm. Dit zou opmerkelijk moeten zijn, omdat we in deze simulatie aannemen dat de levenstevredenheid afneemt bij zeer hoge inkomens. Maar de 3300 datapunten tot 4000 euro volgen eerder een logaritmische functie en overstemmen de 7-8 datapunten van 5000 euro en hoger.

Ik heb ook eens dezelfde simulatie gedaan, maar voor de laatste 7 datapunten (vanaf 5000 euro) heb ik een stijging gesimuleerd: in deze wereld blijft de levenstevredenheid stijgen, ook bij grote inkomens. Met een regressieanalyse met de kwadratische vorm bekom ik opnieuw dat de coëfficiënt bij de kwadratische term significant negatief is.

Deze simulatie toont onweerlegbaar aan dat de conclusie die professor Annemans trekt niet kan getrokken worden op basis van zijn gegevens. De simulatie toont immers dat zelfs bij een sterk stijgende levenstevredenheid, ook bij zeer hoge inkomens, de conclusie van de statistische analyse is dat de coëfficiënt bij de kwadratische term negatief is, en dat dit zeer significant is.

En natuurlijk kan je dit ook met een logaritmische vorm trachten te beschrijven, zoals in onderstaande figuur. De verklaringskracht van de logaritmische functie is -weinig verrassend- ook nu groter dan bij de kwadratische term.

De conclusie is volgens mij duidelijk: op basis van de gegevens die professor Annemans en zijn team verzameld hebben kan je niet zeggen dat de levenstevredenheid daalt bij zeer hoge inkomens.

Een alternatief voor de Bruulparking in Leuven

In een vorige blogpost probeerde ik de terugbetalingsperiode te berekenen voor een nieuw te bouwen ondergrondse parking in het centrum van Leuven. De blogpost kreeg wat aandacht, vooral toen bekend werd dat het Leuvense stadsbestuur nog geen business plan heeft opgemaakt en ook geen enkele inschatting van de verwachte opbrengsten en (operationele) kosten van de parking, ook al heeft ze de beslissing al genomen om de parking te bouwen.

Opportuniteitskosten

Het meest opmerkelijke in deze context is ongetwijfeld de uitspraak van huidig schepen Carl Devlies (CD&V) toen hem werd voorgelegd dat er een business plan ontbrak. Hij stelde dat een dergelijk plan niet nodig is voor de nog te bouwen Bruulparking, “omdat we niet van plan zijn om winst te maken. Een business plan is dus totaal overbodig.”

Dat is een zeer opmerkelijke uitspraak voor een politicus die een investeringsdossier wil verdedigen. Een business plan dient immers niet enkel om de eventuele winst te berekenen, maar ook om een inschatting te maken van kosten en inkomsten en om het risico op eventuele grote verliezen te kunnen inschatten. Ook voor een maatschappelijk relevant project (lees: waar er positieve externaliteiten zijn) is dat nodig. Schepen Devlies kan wel stellen dat hij de Leuvense benedenstad wil doen herleven, maar dat kan je op veel verschillende manieren doen. Zo kan je ook een plan bedenken om iedereen die in de Mechelsestraat wil komen winkelen een taxi aan te bieden.. Of waarom niet met een helikopter of via ondergrondse tunnels? Iedereen voelt direct aan dat dit veel te kostelijk zou zijn. Het kostenplaatje doet er dus wel toe. Een business plan is dan ook onontbeerlijk voor dergelijke investeringsprojecten, of je nu winst wil maken of niet.

Diezelfde redenering van opportuniteiten moet je ook toepassen op de financieringskosten. De stad zegt niet te zullen lenen, maar ook dan zijn er financieringskosten. De Bruulparking zou 29 miljoen euro kosten. Door te investeren in een ondergrondse parking, wordt die 29 miljoen euro voor minstens 30 jaar vastgezet. Als je met dat geld overheidsobligaties zou kopen, dan krijg je daar 1.6 procent rente op, een investering met bovendien weinig risico’s. De opportuniteitskost is dan minstens 1.6 procent van 29 miljoen euro of 464.000 euro per jaar. Dit is minstens je financieringskost, ook al leen je niet. Je zou bovendien kunnen redeneren dat een investering in een ondergrondse parking erg risicovol is, gezien je dan de facto een weddenschap aangaat tegen de zelfrijdende auto. Een investering die risicovol is, vereist dan ook een hogere rentevoet. Stel dat je genoegen neemt met 5 procent per jaar, dan loopt de opportuniteitskost van de financiering op tot bijna 1.5 miljoen euro per jaar.

Alternatief

Voor dergelijke investeringsprojecten is het eveneens belangrijk om te bekijken of er alternatieven zijn. De doelstelling van de politiek is immers niet de ondergrondse parking op zich, maar om de middenstand en de Leuvense benedenstad beter toegankelijk te maken.

Dat alternatief zou wel eens vrij eenvoudig en veel goedkoper kunnen zijn, gezien er een nieuwe parking aan de Vaartkom is, op 1 kilometer wandelafstand van het centrum. Het is een parking met 1000 parkeerplaatsen die in dienst genomen is in 2015. De bezettingsgraad van de parking is echter laag. De onderstaande figuur geeft het aantal uitritten volgens parkeerduur voor de maand april 2018. De parking wordt vooral gebruikt door auto’s die minder dan één uur parkeren.

Op basis van de gegevens uit de figuur kan het totaal aantal parkeeruren geschat worden. Voor april 2018 komt dit neer op 77.000 parkeeruren. April 2018 kent 24*30 = 720 uren, dus waren er gemiddeld 107 auto’s aanwezig per uur. Indien we aannemen dat een parking enkel overdag wordt gebruikt (bijvoorbeeld van 7u tot 19u, dus 12u per dag in plaats van 24u), dan verdubbelt het gemiddeld aantal auto’s per uur naar 214. Op een totaal van 1000 plaatsen resulteert dat in een gemiddelde bezettingsgraad overdag van 21,4 procent.

uitrittenVaartkomApril2018

De gemiddelde bezettingsgraad overdag is nog geen kwart van het totaal aantal plaatsen, wat betekent dat er gemiddeld meer dan 750 parkeerplaatsen onbenut. Dat is ruim voldoende om het niet bouwen van de Bruulparking, voorzien voor 600 plaatsen, op te vangen.

Het alternatief in de plaats van een nieuwe ondergrondse parking is dan evident. Met een shuttle bus ben je op 5 minuten van de Vaartparking in het centrum, waardoor je met 3 shuttles een aanbod om de 5 minuten kan doen. Het is een werkwijze die Mechelen al sinds een aantal jaren toepast met de gratis Shopping Shuttle. Om de vijf minuten vertrekt er een shuttle om twee randparkings te verbinden met het centrum, een traject dat iets langer is dan nodig zou zijn voor Leuven (er zijn dan ook vier shuttles). De shuttle rijdt enkel zaterdag en op een paar speciale dagen, zoals koopzondagen. De stad Mechelen zou hiervoor 80.000 euro in de jaarlijkse begroting inschrijven. Dat is nog geen 0.3% van de totale investeringskost en slechts 15 procent van de jaarlijkse financieringskost voor de nieuwe Bruulparking.

Tot slot

Tot slot, ik ben geen verkeersdeskundige. Ik weet dus niet of de nieuwe Bruulparking vanuit verkeerskundig oogpunt het beste project is. Maar ik weet wel dat je voor dergelijke investeringen rekening moet houden met eventuele alternatieven en met opportuniteitskosten. En er moet op zijn minst een inschatting gemaakt worden van de kosten en de opbrengsten (via een business plan). Kosten en alternatieven doen er toe, ook als je geen winst wil maken. Doordat de stad Leuven dat blijkbaar onnodig vindt, kan je onmogelijk zeggen dat dit een goed doordacht plan is. Voor een dergelijk groot project is dat onaanvaardbaar.

 

Naschrift

Ik ben op de middag van 5 mei, een zonnige zaterdag, een kijkje gaan nemen in parking de Vaartkom om de bezettingsgraad in te schatten. Deze eenmalige steekproef bevestigt de bovenstaande bezettingsgraad. Hieronder de foto’s die ik toen genomen heb.

Inrit Vaartkom. Opmerkelijk: geen aanduiding dat je met je ticket gratis de bus kan nemen naar het centrum.

tariefblad

Eerste verdieping: 150 plaatsen, naar schatting meer dan halfvol.

eerste verdieping

Tweede verdieping: 150 plaatsen, 7 auto’s.

tweede verdieping (2)

Derde verdieping: 150 plaatsen, 1 auto.

derde verdieping (2)

Vierde verdieping: 150 plaatsen, 0 auto’s

vierde verdieping

Kelderverdieping -1 (Lidl): was goed gevuld

kelder -1 (2)

Kelderverdieping -2: 60 plaatsen (schatting): 2 auto’s

kelder -2 (2)

Er staat nergens aangeduid hoe je een bus naar het centrum moet nemen, noch dat je parkeerticket geldt als busticket.

Google Maps toonde me de onderstaande mogelijkheden om tot in het centrum te raken (Vismarkt). Met de auto kan het in 5 minuten. Te voet is het 13 minuten. Met het openbaar vervoer minstens 12 minuten, waarvan telkens 7 minuten te voet naar de bushalte.

Hier is heel wat ruimte voor verbetering.

google maps

 

Een economische analyse van een nieuwe ondergrondse parking in Leuven

Op 2 mei 2018 is het testproject met een zelfrijdende auto in Leuven voorgesteld. Het is een prima gelegenheid voor het Leuvense stadsbestuur om de investeringsbeslissing in de ondergrondse Bruulparking te herbekijken.

Het huidig stadsbestuur van Leuven plant een nieuwe ondergrondse parking in centrum Leuven. De plannen liggen klaar en voorzien een parking tot 600 nieuwe wagens onder het huidige park De Bruul.

Het project zou onder meer de middenstand in het Leuvense centrum moeten ondersteunen, maar buurtbewoners zijn een tegenactie gestart onder de naam “De Bruul Brult” om de nieuwe ondergrondse parking tegen te houden.

De actiegroep heeft me gecontacteerd om hun zaak te ondersteunen gezien ik eerder al twijfels uitte over een dergelijke, grote parking (zie deze blogpost uit 2014). Mijn twijfels in die eerdere blogpost zijn gebaseerd op het economisch nut van een nieuwe grote ondergrondse parking in het midden van een centrumstad, gezien de komst van de zelfrijdende auto. Het was in 2014 al duidelijk dat het niet de vraag is of de zelfrijdende auto er zal komen, maar wel wanneer.

De belangrijkste impact van de zelfrijdende auto zal wellicht op de verkeersveiligheid zijn. Veruit de meeste ongevallen gebeuren door een menselijke fout, zoals verstrooidheid, snelheid of dronken rijden. Dat heb je niet met een zelfrijdende auto. Een ander belangrijk direct effect is de verhoogde mobiliteit van ouderen en jongeren.

In de context van een ondergrondse parking is de impact van de zelfrijdende auto op de nood aan autoparking evident: die nood zal fors verminderen door de zelfrijdende auto. Zelfrijdende auto’s zullen immers veel makkelijker gedeeld kunnen worden en kunnen zich na de spits buiten de stad gaan parkeren, waar oppervlakte en overlast minder duur is.

Hoewel Uber het imago van de zelfrijdende auto recent een deuk bezorgde, is het duidelijk dat de zelfrijdende auto nog sneller operationeel zal zijn dan ik in 2014 dacht. Zo kondigde Waymo, een deel van Google dat de zelfrijdende auto ontwikkelt, aan dat het in Phoenix, een stad in Arizona, in 2018 zal starten met een commercieel project van zelfrijdende taxi’s. Belangrijk element is dat in deze zogenaamde robottaxi’s geen menselijke chauffeur meer zou zitten die eventueel kan overnemen indien nodig. Google acht zichzelf anno 2018 dus klaar om een volledig zelfrijdende auto in te zetten. En Google is niet de enige. General Motors heeft van de ontwikkeling van de zelfrijdende auto een speerpunt van haar strategie gemaakt. Ze is op relatief korte tijd de eerste achtervolger op marktleider Google.

De innovatiestrijd tussen Google en GM is ook af te leiden uit de data die testrijders van de zelfrijdende auto publiceren, op vraag van de Californische overheid. De onderstaande grafiek geeft de evolutie per maand van het aantal keer dat een menselijke rijder moest tussenkomen (“disengagements”) tussen december 2016 en november 2017. De data moeten voorzichtig geïnterpreteerd worden, omdat het niet duidelijk is onder welke (weers)omstandigheden de zelfrijdende kilometers gereden zijn, maar het geeft toch een indicatie van de evolutie die GM en Google maken. Zo moesten de zelfrijdende auto’s van Google de laatste maand (november 2017) op 49.100 gereden kilometer slechts één keer tussen komen (of 0.2 overnames per 10.000 gereden kilometers). GM reed 29.800 kilometer met 4 overnames (of 1.3 overnames per 10.000 gereden kilometers).

disengagements

Deze cijfers en het feit dat Google al dit jaar een zelfrijdende taxi commercieel zal inzetten, zou het Leuvense stadsbestuur moeten aanzetten om haar investeringsbeslissing in een grote ondergrondse parking onder het Bruulpark te herbekijken. We staan immers aan de vooravond van een nieuwe revolutie in de mobiliteit. Een revolutie waar overigens ook de stad Leuven zelf aan meewerkt: op 2 mei werd immers een testproject met zelfrijdende auto in Leuven voorgesteld. De wagen is al te bewonderen geweest in het Leuvense centrum.

Dit alles betekent niet dat we binnen een paar jaren met zijn allen in het bezit zullen zijn van een zelfrijdende auto. Maar een ondergrondse parking bouw je niet voor een paar jaar, maar voor verschillende decennia. Alleen al tijdens de periode van de bouw van de ondergrondse parking zal de zelfrijdende auto enorme vooruitgang maken.

De vraag is dus in welke mate het nuttig is om nu een ondergrondse parking te bouwen in de wetenschap dat er binnen 5, 10 of 15 jaar overal te lande zelfrijdende auto’s rondrijden. Of in de wetenschap dat je nu al relatief goedkope zelfrijdende shuttles, die steeds hetzelfde traject doen, kan inzetten. Met de zelfrijdende auto/shuttle is er nu of op zijn minst in de zeer nabije toekomst een valabel alternatief.

Kortom, langs de ene kant steunt het Leuvens stadsbestuur terecht een testproject van zelfrijdende auto’s in Leuven. Langs de andere kant wil ze tientallen miljoenen euro’s investeren in een project dat nauwelijks nog een nut heeft als de zelfrijdende auto er daadwerkelijk is. Dat is geen consequente politiek.

Business Plan

Om de bovenstaande kritiek te kwantificeren moet de rendabiliteit van de ondergrondse bruulparking berekend worden. Dat kan eenvoudig door het business plan van de stad Leuven op te vragen en na te gaan hoe degelijk dat plan is. Gebruik makend van de wet op de openbaarheid van bestuur heb ik dan ook het business plan van de bruulparking opgevraagd bij de stad Leuven. Echter, tot mijn verbazing heeft het Leuvens stadbestuur nooit een business plan opgesteld. Inderdaad, voor een project van 22-29 miljoen euro (zie infra), dus een kost van ongeveer 1000 euro per modaal gezin in Leuven, blijkt de stad géén business plan opgesteld te hebben. Dit is moeilijk te aanvaarden.

De afrekening

De stad heeft me dan wel enkele andere cijfers bezorgd die ik in de berekening hieronder zal gebruiken. Ik heb ook aan de actiegroep “De Bruul Brult” gevraagd wat zij van de cijfers vinden en heb dat in mijn analyse meegenomen. Ik heb vervolgens zowel de actiegroep als het Leuvens stadsbestuur om een reactie gevraagd op de gebruikte cijfers.

Het grootste verschil in de cijfers van de actiegroep en de stad zit in de investeringskost. Stad Leuven zegt dat dit 22 miljoen euro is. De actiegroep “De Bruul Brult” beweert dat in een recente Leuvense gemeenteraad het cijfer van 29 miljoen euro gegeven is. Ik reken hierna met het tweede cijfer, waar ik ook BTW bijtel (stad Leuven heeft op mijn vraag of ze BTW moeten betalen geen antwoord gegeven). Dat geeft een investeringskost van 35 miljoen euro.

Gezien de stad geen schattingen heeft van de kostprijs of de verwachte bezettingsgraad, heb ik zelf een aantal aannames moeten doen. Zo ga ik uit van 500 wagens en een gemiddelde bezettingsgraad van 50% tijdens de piekuren. De parkeerprijs bedraagt 2 euro per wagen per uur en volgt de inflatie (2% per jaar). Er zijn 12 piekuren tijdens zes dagen per week (maandag tot zaterdag). De operationele kosten (personeel, onderhoud, verzekeringen, herstellingen, energiekosten,…) zijn de helft van de inkomsten en volgen dus ook de inflatie. De financieringskost wordt verondersteld 2 procent per jaar te zijn (de intrestvoet van de lening of de opportuniteitskost indien het uit eigen middelen gefinancierd wordt).

Met bovenstaande assumpties wordt de ondergrondse bruulparking terugbetaald na 38 jaar. Dat betekent dat, uitgaande van de indienstneming in 2020, de parking pas zal terugbetaald zijn in 2058. Als de financieringskost daalt naar 1 procent, dan verlaagt de terugbetalingsperiode naar 32 jaar (of terugbetaald in het jaar 2052). Als de financieringskost stijgt naar 3% dan stijgt de terugbetalingsperiode naar 48 jaar (of het jaar 2068). Als de bezettingsgraad verhoogt naar 60 procent, dan is de parking terugbetaald na 32 jaar (of het jaar 2052). Met een bezettingsgraad van 40 procent wordt dat 48 jaar (of het jaar 2068).

Het zou kunnen dat de stad beslist om de parkeerprijs laag te houden, om zo extra auto’s aan te trekken. Op die manier kan de stad het succes van haar beleid trachten aan te tonen. Als de parkeerprijs de inflatie dus maar voor de helft volgt (dus geen 2% stijging van de ticketprijs, maar slechts 1%), dan wordt de terugbetalingstermijn 48 jaar (of het jaar 2067).

Het mag duidelijk zijn dat volgens bovenstaande aannames de bruulparking pas zal terugbetaald zijn tussen het jaar 2052 en 2068 (32 tot 48 jaar). Men moet zich ernstig de vraag stellen of dit nog wel een rendabel project kan zijn met een dergelijke lange terugbetalingstermijn, te meer omdat de zelfrijdende auto echt niet zo lang op zich zal laten wachten.

Stad Leuven kan beweren dat de indirecte positieve effecten, zoals bijvoorbeeld op de middenstand in het centrum, de terugbetalingsperiode sterk inkorten. Dat is best mogelijk, maar dan moet ze die indirecte effecten ook becijferen en moet ze niet alleen de positieve, maar ook de negatieve indirecte effecten meerekenen. Met andere woorden, de stad Leuven moet dan een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitvoeren, waar het business plan dan een onderdeel van uitmaakt. Dat is er echter niet.

Besluit

De lange terugbetalingsperiode over meerdere decennia (32 tot 48 jaar) voor de ondergrondse bruulparking zou de stad Leuven moeten doen nadenken over de wenselijkheid van het project. Bovendien is de kans groot dat de komst van de zelfrijdende auto de nood aan parking reeds binnen vijf à tien jaar sterk doet afnemen en de extra ondergrondse parking overbodig maakt. Ten slotte tonen vele innovatieve projecten rond zelfrijdende mobiliteit, zoals ook in Leuven, waar de stad Leuven terecht aan meewerkt, dat er nu of in de zeer nabije toekomst reeds alternatieven aanwezig zijn, zoals zelfrijdende shuttles tussen de rand van de stad en het centrum van Leuven.

Deze tekst werd voor feedback over de gebruikte cijfers voorgelegd aan de actiegroep “De Bruul Brult” en aan de Leuvense schepenen Mohamed Ridouani (sp.a) en Carl Devlies (CD&V). De actiegroep reageerde en bevestigde de gebruikte cijfers (hoewel ze aangeven dat de investeringskost wellicht een onderschatting is). Van de schepenen heb ik geen reactie mogen ontvangen.

Over een zo rechtvaardig mogelijk asiel- en migratiebeleid

Met de getuigenissen over mishandeling van de door België teruggestuurde Soedanezen staat het asielbeleid opnieuw in het midden van de belangstelling. Het is weinig waarschijnlijk dat Theo Francken zal gedwongen worden ontslag te nemen, omdat niemand de regering wil doen vallen op dit thema. Iedereen vreest immers dat N-VA hier electoraal sterk mee zal scoren.

Die laatste afweging lijkt door niemand gecontesteerd te worden. De gevolgen ervan worden volgens mij echter niet doorgetrokken. Voor elk asiel- en migratiebeleid heb je democratische steun nodig. Internationale rechtsregels worden in binnen- en buitenland creatief ingevuld om toch maar niet electoraal afgerekend te worden.

In deze blogpost argumenteer ik dat het mogelijk is om een rechtvaardiger asiel- en migratiebeleid te voeren zonder de democratische steun te verliezen.

Niet rechtvaardig, maar wel zo rechtvaardig mogelijk

Wereldwijd zijn er ongeveer 60 miljoen mensen op de vlucht. Daarvan zijn er in 2015-2016 minder dan 2 miljoen naar Europa gevlucht. De grootste asiel- en migratiecrisis betrof dus nauwelijks 3% van de vluchtelingen. Het is een keiharde vaststelling: we laten vooral veel mensen die op de vlucht zijn niet toe.

Het is politiek en maatschappelijk onverdedigbaar om de grenzen open te zetten. Pleiten voor een opengrenzenbeleid is dan ook een zeer marginale positie in de publieke opinie. De reden is eenvoudig: het is politieke en maatschappelijke zelfmoord, omdat open grenzen de positie van de insiders (zij die reeds in het Westen wonen) sterk zou verslechteren.

Echter, ethisch is het maar zeer moeilijk te verdedigen om de grenzen niet open te zetten en mensen die hier niet geboren zijn buiten te houden. Waarom zou de plaats van de geboorte bepalen waar je wel en niet mag komen? Waarom heeft een Vlaamse baby veel betere toekomstperspectieven dan een Soedanese baby? Geen van beiden heeft ook maar één verdienste aan de aanwezigheid van een al dan niet goed functionerende staat die al dan niet veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs biedt. De Vlaamse baby heeft simpelweg een winnend lotje getrokken; de Soedanese baby een verliezend lotje. De ene heeft geluk; de andere brute pech.

Dat is ethisch moeilijk aanvaardbaar en het zou logischer zijn om op basis van deze ethische overwegingen te pleiten voor een opengrenzenbeleid. Het punt is echter dat enkel zij die een winnend lotje getrokken hebben het beleid in het Westen bepalen. Een Soedanees heeft hier geen stemrecht. En de insiders in het Westen willen dit natuurlijk zo houden. Het is een te verwachten en rationele behoudsgezinde reactie. Maar ethisch dus moeilijk verdedigbaar.

Geen open grenzen dus. En dus houden we de overgrote meerderheid van de tientallen miljoenen vluchtelingen buiten.

Hoe meer, hoe beter

Ik spreek dan ook bewust over een rechtvaardiger asiel- en migratiebeleid, omdat een asiel- en migratiebeleid dat in absolute zin rechtvaardig is politiek onmogelijk is.

Dat impliceert dat een asiel- en migratiebeleid rechtvaardiger wordt als je meer mensen in België en de rest van het Westen toelaat (ik ga ervan uit dat je ter plaatse de levensomstandigheden niet snel, significant en duurzaam kan verbeteren). En het zullen dus nooit genoeg vluchtelingen zijn die we toelaten om tot een echt volledig rechtvaardig beleid te komen. Maar de perfectie mag niet de vijand van het goede zijn. Dus: hoe meer vluchtelingen we toelaten, hoe beter.

De culturele angst is reëel, ook al is hij onterecht

Dat de insiders geen open grenzen willen is rationeel, ook al leidt het niet tot een ethische uitkomst. Maar het gaat verder dan dat. Zelfs bij een instroom van nog geen 2 miljoen vluchtelingen op twee jaar, wat neerkomt op minder dan 0.4% van de Europese bevolking, duikt het spook op van de culturele angst.

Het is iets wat N-VA goed lijkt begrepen te hebben: veel insiders zijn bang dat de nieuwkomers onze manier van leven gaan aantasten. Nieuwkomers, en zeker nieuwe moslims worden gezien als een bedreiging. Het zou bijvoorbeeld de gelijke behandeling van mannen en vrouwen onder druk kunnen zeten.

En ook al stelt ook de N-VA, bij monde van Bart De Wever in 2015, dat die culturele angst onterecht is, ze is wel reëel.

Het is dus belangrijk om aan de insiders duidelijk te maken dat de nieuwkomers geen bedreiging vormen voor de waarden van onze liberale democratie.

Controle…

De zomer en het najaar van 2015 gelden als de periode van de vluchtelingencrisis. Het was toen crisis, niet omdat er toen veel vluchtelingen waren (die zijn er nu nog), maar omdat er een grote instroom van vluchtelingen naar Europa was die de overheden maar moeilijk konden indammen.

Langs de ene kant was er de Conventie van Génève waardoor je elke vluchteling die gevaar loopt asiel moet geven. Langs de andere kant was er de culturele angst waardoor politici die veel vluchtelingen lieten opvangen dreigden weggestemd te worden.

Er was één belangrijke politica die stand hield: Angela Merkel. Duitsland, zo zei ze, kan deze instroom best wel aan. Wir schaffen das. En gelijk had ze. En gelijk kreeg ze. Ze werd niet weggestemd bij de Duitse federale verkiezingen van afgelopen september.

En toch is ook Merkel moeten bijdraaien. Eerst in 2016 door mee een deal te sluiten met Turkije om de vluchtelingen in Turkije te houden (waardoor de Conventie van Génève intact kon blijven; een knap staaltje van hypocriete realpolitik). Later, in oktober 2017, door een deal te sluiten met de zusterpartij CSU om een maximum instroom vast te leggen van 200.000 vluchtelingen per jaar. Een bovengrens die wel flexibel is, omdat ze kan verhoogd worden naargelang de internationale ontwikkelingen.

Het ordewoord is dus controle. Overheden moeten aan hun burgers tonen dat ze de situatie onder controle hebben. En de rechtsregels kunnen enkel verzoend worden met de democratische realiteit door een deal te sluiten met Erdogan.

…en selectie

Dat er een bovengrens aan de instroom wordt gesteld is een logisch gevolg van de culturele angst, ook al is die angst grotendeels onterecht.

Sommige opiniemakers vinden dat de politiek hier capituleert. Politici moeten leiderschap tonen in plaats van de bevolking naar de mond te praten. En dus zouden de politici moeten ingaan tegen hun burgers en hen uitleggen dat de culturele angst onterecht is.

Maar politici werken in een hoogst competitieve omgeving. Als de ene politicus de politieke moed toont om te zeggen dat de culturele angst schromelijk overdreven is, met de cijfers bij de hand, dan zal er rechts van hem een politicus opstaan die stelt dat dat naïef en wereldvreemd is. Want er zijn inderdaad voorbeelden te vinden die de culturele angst voeden, ook al is dat vaak anekdotisch. De moedige politicus belandt vervolgens op het politieke kerkhof. Zelfs de onaantastbaar gewaande Merkel heeft moeten plooien.

Het werkt dus niet als de politicus zegt dat de culturele angst onterecht is. Hij moet tonen dat hij de culturele angst begrepen heeft en er een antwoord op biedt. Theo Francken lijkt dat goed begrepen te hebben. Recent maakte hij bekend dat hij 150 humanitaire visa geeft aan Syrische vluchtelingen. De vluchtelingen zijn geselecteerd op hun “kwetsbaarheid”, namelijk gezinnen met kinderen, ouderen of mensen met een bijzondere medische problematiek. Bovendien zijn er verschillende geloofsgemeenschappen die zich zullen inzetten voor de opvang van deze vluchtelingen. Ze zullen niet aan hun lot overgelaten worden. Ten slotte zullen ze via het vliegtuig naar België komen, in plaats van een gevaarlijke overtocht te wagen in handen van mensensmokkelaars.

Hier wordt getoond dat de overheid de zaak onder controle heeft, omdat ze zelf selecteert. Bovendien gaat het om profielen die de culturele angst niet of veel minder aanwakkeren: gezinnen met kinderen, ouderen en zieken. Dus niet de 20-jarige alleenstaande man die wel de gevaarlijke overtocht durfde aan te gaan.

Een dergelijke selectie zou ook nog een tweede stap kunnen bevatten. Nadat de kwetsbare vluchtelingen zijn geïdentificeerd, zou binnen die groep moeten geselecteerd worden op integreerbaarheid. Daar kunnen verschillende criteria voor toegepast worden, zoals leeftijd en opleiding. Maar de overheid zou ook moeten selecteren op de overtuiging van de nieuwkomer ten aanzien van de waarden van de liberale democratie, zoals gelijkheid van man en vrouw, tolerantie ten aanzien van andersdenkenden en vrijheid van meningsuiting. Een neutrale staat mag actief de immigratie sturen.

Gezien er in de wereld 60 miljoen vluchtelingen zijn is er een overaanbod van kwetsbare vluchtelingen. Als er binnen die groep de best te integreren kwetsbare vluchtelingen geselecteerd worden zal de culturele angst bestreden worden.

Opnieuw: meer is beter

Ook al stelt Francken dat hij 8 keer meer humanitaire visa aflevert dan de vorige federale regering, toch is 150 vluchtelingen maar een schijntje. Als blijkt dat de opvang en integratie van de vluchtelingen vlot verloopt, is er geen enkele reden om de aantallen niet op te drijven tot tienduizenden per jaar, waarbij de selectiecriteria aangepast worden op basis van de opgedane ervaring.

Niets doen kan ook immoreel zijn

De focus van de kritiek ligt nu echter op het terugkeerbeleid (en eigenlijk is die al verschoven naar de politieke vraag of er gelogen is of niet en of er daarvoor ontslag genomen moet worden of niet). Ik denk dat de oppositie consequent is in haar kritiek op dit terugkeerbeleid. Ik denk echter ook dat het verhogen van het aantal vluchtelingen meer aandacht verdient. Dat is volgens mij het grootste onderbelichte mankement van het huidige asiel- en migratiebeleid.

Tienduizenden mensen per jaar niet helpen terwijl je dat wel zou kunnen is volgens mij dan ook erger dan het terugkeerbeleid naar een dictatoriaal regime waarbij je als overheid onvoldoende geverifieerd hebt of er niet mishandeld of gefolterd wordt. Het ene krijgt terecht aandacht, het andere onterecht niet.

UPDATE (3/1/2018)

De voorbije week is het erg onrustig in Iran. Duizenden mensen protesteren tegen het islamitisch regime. Honderden zullen wellicht opgepakt en vervolgd worden. Velen anderen zullen willen vluchten. Mijn vraag: zou het onze liberale democratie niet net versterken als we dergelijke vluchtelingen makkelijker opnemen? Je hoeft het niet over alles met haar eens te zijn, maar Darya Safai, een Iraanse vrouw die rond 2000 naar België vluchtte, lijkt me een uitstekend antwoord op deze vraag.

Drie “waarheden” over het paars begrotingsparcours nader bekeken

De voorbije week was er weer wat commotie rond de sale-and-lease-back-operaties van de paarse regeringen (1999-2007). Bij die operaties werden overheidsgebouwen verkocht en onmiddellijk terug gehuurd.

Dat was genoeg om op Twitter opnieuw een debat te laten losbarsten over het paarse begrotingsbeleid tussen 1999 en 2007.

Mijn stelling is dat het paarse begrotingsbeleid goed tot zeer goed was. Het was ook niet perfect, meer bepaald op het einde van de paarse regeerperiode. Ik schreef er ook een opiniestuk over voor De Morgen.

Om mijn stelling te onderbouwen lijst ik hieronder mijn argumenten nog eens op. Ik doe dat aan de hand van cijfers die ik van Ameco haal, de databank van de Europese Commissie.

Deze blogpost is als volgt opgedeeld. Ik geef eerst wat cijfers die de schuldreductie onder paars weergeven. Vervolgens geef ik data die volgens mij drie zogenaamde “waarheden” moet ontkrachten of nuanceren die vaak over het paarse begrotingsbeleid gezegd worden, met name

  1. de impact van eenmalige maatregelen (zoals sale-and-lease-back),
  2. de zogenaamde hoogconjunctuur onder paars, en
  3. het “opsouperen” van het primair surplus door paars.

De schuldreductie onder paars

In de periode van eind 1999 tot eind 2007 heeft België de schuldratio gereduceerd met 27.5%. Nergens anders in de EU15 is er in die periode een grotere schuldreductie geweest dan in België. De onderstaande figuur toont deze cijfers.

fig1

Het is natuurlijk zo dat landen met een lage schuldgraad geen noodzaak zien om hun schuld sterk te verminderen. De figuur hieronder geeft daarom de schuldratio voor alle landen van EU15 van eind 1999 tot eind 2007. Ook hier blijkt dat België een sterke prestatie aflevert in vergelijking met een aantal andere landen met een hoge schuldratio.

fig2

[Let wel, het is een misvatting te denken dat het voor landen met een hoge schuldratio makkelijker is om de schuldratio te verminderen. Dat is net omgekeerd het geval, omdat een hoge schuldratio vaak samengaat met een hoge rentelast (tenzij de hoge schuldratio het groeipotentieel sterk verhoogd heeft).]

Bovendien, en moeilijker te zien op de bovenstaande figuur, is de kloof met de buurlanden onder paars sterk teruggebracht. Terwijl eind 1999 de schuldration in België nog 54 procent van het BBP hoger was dan in Duitsland en Frankrijk, zakte die kloof eind 2007 tot 23 procent, of een vermindering van de kloof met 31 procent. Ook met het VK zakte de kloof met bijna 30 procent (van 75 tot 45 procent). Met Nederland zakte de kloof ook, maar slechts met zo’n 11 procent (van 56 procent naar 44,5 procent).

fig3

Kortom, onder paars zakte de schuld nergens zo sterk en zakte de kloof met de meeste buurlanden navenant.

 

3 “waarheden” ontkracht of genuanceerd

“Waarheid” 1: zonder de eenmalige paarse begrotingsmaatregelen zou de schuldreductie veel minder geweest zijn

De kritiek op de eenmalige maatregelen onder paars is ondertussen gemeengoed geworden in de Vlaamse publieke opinie. Dát er eenmalige maatregelen werden genomen is op zich niet vreemd: dat werd ook onder de vorige regeringen gedaan. De cruciale vraag is hoeveel eenmalige maatregelen er onder Verhofstadt genomen zijn. Enkel zo kunnen we nagaan of de afbouw van de schuldratio onder Verhofstadt significant werd beïnvloed door eenmalige maatregelen.

Eenmalige maatregelen, zoals de sale-and-lease-back, hebben uiteraard een positieve impact op de begroting. De vraag is hoe groot die impact is. In een blogpost uit 2014 heb ik de eenmalige maatregelen berekend. Ik heb getracht het te herrekenen, maar de data op Ameco die ik daarvoor nodig heb lopen nu maar terug tot 2010. Ik ken de reden hiervoor niet. In 2014 kon ik data terugvinden tot 2003. (er zijn ondertussen ook data over de schuldgraad herzien)

De berekening resulteerde in onderstaande grafiek inzake de grootte van de eenmalige maatregelen tegenover de schuldreductie in dezelfde periode. Hieruit blijkt dat de netto impact van de eenmalige maatregelen (waar overigens ook tegenvallers bijzitten) op de schuldratio miniem is: 1,24 procent van het BBP tegenover een schuldreductie van 20% (de impact is dus ruim minder dan een tiende).

Als er iemand betere cijfers heeft, dan lees ik dat graag.

fig4

Voor alle duidelijkheid: de stelling dat de eenmalige maatregelen een minieme impact hebben op de schuldreductie is niet hetzelfde als het verdedigen van de eenmalige maatregelen.

 

“Waarheid” 2: paars beleefde een hoogconjuctuur en dus was schuldreductie makkelijk

Of een economie het goed doet of niet kan erg bepalend zijn voor de schuldreductie. De schuld wordt immers uitgedrukt in procent van het BBP. Als het BBP sterk groeit, dan is schuldgraad verminderen ook veel makkelijker. Hierbij is het belangrijk op te merken dat de nominale groei moet bekeken worden (dus niet gecorrigeerd voor inflatie).

De grafiek hieronder geeft de jaarlijkse nominale groei van het BBP voor België, evenals een (niet-gewogen) gemiddelde van de EU15 en van de 7 buur- en/of toplanden (NL, DL, FR, VK, DK, ZW, FI). Uit de figuur blijkt dat België vaak minder snel groeit dan het gemiddelde van de beschouwde landen (behalve de eerste drie jaren na de financiële crisis).

fig5

Om relevante periodes beter te kunnen onderscheiden heb ik de gemiddelde nominale groei onder de vier regeerperiodes onder Dehaene en Verhofstadt getoond. Uit deze figuur blijkt dat zeker de eerste paarse regering helemaal geen periode van hoogconjunctuur was, noch in vergelijking met de periodes onder Dehaene, noch in vergelijking met EU15 en de 7 buur- en/of toplanden. Dat is in grote mate veroorzaakt door de dotcom-crisis in 2001. Enkel tijdens de tweede paarse regeringsperiode stijgt de nominale groei sterk, tot net boven 5%. Daarmee deed België het dus beter dan de drie eerdere regeerperiodes maar ten aanzien van de andere Europese landen was het maar gemiddeld.

fig6

 

“Waarheid” 3: paars heeft het primair surplus dat eerder was opgebouwd opgesoupeerd.

Misschien wel de belangrijkste claim van zij die het paars begrotingsbeleid afbranden is de bewering dat onder paars het primair saldo is weggesmolten. Het primair saldo is het begrotingssaldo zonder intrestbetalingen op de overheidsschuld.

De onderstaande grafiek geeft de evolutie van dat primair saldo sinds 1995 voor België, de EU15 (gewogen gemiddelde) en de 7 buur- en/of toplanden (niet gewogen gemiddelde).

fig7

De evolutie is als volgt:

–        Onder Dehaene is het primair saldo met zware saneringen tot boven 6 procent gebracht, ver boven wat de andere beschouwde landen doen.

–        Onder de eerste paarse regering is het primair saldo hoog gehouden tot en met 2002, ondanks de dotcom-crisis. In de andere beschouwde landen zakt het primair saldo door de crisis echter snel weg (tot een half procent in 2003).

–        Pas in 2003 zakt het primair saldo net onder 4 procent om in 2004 terug te stijgen tot 4,6 procent. In de rest van de beschouwde landen blijft het gemiddeld rond 1 procent of lager.

–        In 2005 was het primair saldo initieel 4 procent, maar is dat achteraf door de Europese Commissie herzien naar 1,6 procent omdat de NMBS-schuld (goed voor 2,3 procent van het BBP) door de overheid was overgenomen (een eenmalige tegenvaller voor paars)

–        In 2006 en 2007 blijft het primair saldo op 4 procent. Maar de economie trekt aan, waardoor in de rest van de beschouwde landen het primair saldo wél stijgt, tot gemiddeld boven 3 procent in 2007.

Het is dus duidelijk dat het primair saldo tot 2002 rond 6 procent blijft, waarna het zakt tot rond 4 procent (behalve in 2005 met de eenmalige kost). Het primair saldo blijft ook steeds hoger dan het gemiddelde in de beschouwde landen (weerom behalve in 2005).

Het is pas in 2006 en 2007 dat het primair saldo niet mee stijgt, terwijl dat door de aantrekkende conjunctuur (ook in ons land!) in de andere beschouwde landen wel gebeurt. Hier had paars meer kunnen doen. Maar dat gaat dan over 2 van de 8 jaar, waarvan het laatste jaar een verkiezingsjaar.

Conclusie

Het paarse begrotingsparcours was goed tot zeer goed. Zeer goed, omdat de schuldreductie van 27 procent op 8 jaar tijd, met onderwijl een dotcom-crisis, een zeer sterke prestatie is. Goed, omdat op het einde duidelijk is dat paars wel degelijk meer had kunnen doen. Dat zou extra schuldreductie opgeleverd hebben. Echter onvoldoende volgens mij om een slecht rapport te geven.

En dat was ook het oordeel van de Europese Commissie. In maart 2007 had de Commissie een aantal opmerkingen op het ingediende begrotingsplan voor de komende jaren. Maar globaal genomen prees ze België voor haar begrotingsparcours. De Commissie schreef letterlijk: Overall, the continued and significant reduction of the high debt stock provides an example of fiscal policies conducted in compliance with the Pact.”

Nationale Bank overdrijft Belgische gezondheidsuitgaven

Johan Swinnen, een bekend kankeronderzoeker van het UZ Leuven, stapt deze zomer te voet naar Compostela om geld in te zamelen voor de strijd tegen kanker. Bij zijn zoon Pieter werd zes jaar geleden een hersentumor ontdekt, toen hij 13 was. De Standaard deed vorig weekend een aangrijpend, maar tegelijk hartverwarmend interview met hen.

In dezelfde krant werd melding gemaakt van een studie van de Nationale Bank over de efficiëntie van de overheid. Dat zit volgens de Nationale Bank niet goed. Onder meer wat betreft gezondheidsuitgaven geeft België veel meer uit dan andere Europese landen zonder dat de kwaliteit erboven uitsteekt. Dat had Marcia De Wachter, directielid van de Nationale Bank, begin mei ook al verkondigd in Knack. Ze vergeleek de Belgische gezondheidsuitgaven met die in de buurlanden en de drie Scandinavische landen van de Europese Unie. “We geven pakweg 6 miljard euro teveel uit,” aldus De Wachter. Dat is zo’n 1,5 procent van het bruto binnenlands product (BBP).

Zes miljard is een fors bedrag. Het verraste me ook, omdat ik eerder al las dat België helemaal niet aan de kop zit wat betreft de uitgaven. Een snelle check met cijfers van de Oeso en Eurostat bevestigden mijn vermoedens: de cijfers van de Nationale Bank zijn hoogst merkwaardig en overschatten de Belgisch gezondheidsuitgaven (en die van Finland) en onderschatten de uitgaven onze buurlanden en van Zweden en Denenmarken.

De Nationale Bank baseert zich op cijfers van Eurostat. Ze berekent zelf de totale gezondheidsuitgaven door de uitgaven door de overheid (COFOG) en de gezinnen (COICOP) op te tellen.

Ik heb contact opgenomen met Eurostat om te vragen of de methode van de Nationale Bank kan toegepast worden. Eurostat antwoordde me dat ze daar niet op kunnen antwoorden, omdat dit geen officieel door Eurostat gebruikte methode is.

Meer nog, Eurostat meldde me dat in 2011 er internationaal een nieuwe methode werd opgesteld door Eurostat, de Oeso en de Wereldgezondheidsorganisatie dat resulteerde in the System of Health Accounts (SHA). Eurostat schrijft in hun mail het volgende:

“The SHA shares the goals of the system of national accounts (SNA): to constitute an integrated system of comprehensive, internally consistent, and internationally comparable accounts, which should as far as possible be compatible with other aggregated economic and social statistical systems.” (eigen onderlijning)

Eurostat publiceert met deze SHA-methode de totale gezondheidsuitgaven, die je dus internationaal kan vergelijken.

De Nationale Bank komt tot heel andere resultaten dan Eurostat, ook al baseert de Nationale Bank zich dus op cijfers van Eurostat. De oranje balkjes op de bijgaande grafiek geven voor 2014 de cijfers van Eurostat (SHA); de blauwe balkjes de cijfers van de Nationale Bank. Eurostat zet België in de middenmoot ten aanzien van de buurlanden en Scandinavische landen van de EU; Finland staat achteraan. De Nationale Bank zet België helemaal bovenaan, en Finland tweede.

figuur

Met deze bevindingen contacteerde ik de Nationale Bank. Ik vroeg hen of ze hun cijfers zouden aanpassen. Ze gaven toe dat hun methode mogelijks niet exhaustief was (“men kan niet uitsluiten dat sommige uitgaven niet opgenomen zijn”), maar verdedigden hun methode. Uit hun antwoord bleek dat de SHA-methode niet door de Nationale Bank gebruikt wordt.

Zij schreven onder meer het volgende: “Het grootste nadeel van deze alternatieve bron “SHA – System of Health Accounts” is dat de gegevens slechts tot 2014 beschikbaar zijn, met weinig historische gegevens.” Zo zijn de cijfers voor de periode 2000-2014 volgens Eurostat slechts beschikbaar voor drie landen.

Ik antwoordde hen dat hun reactie me nog meer overtuigde dat de Nationale Bank haar cijfers over de gezondheidsuitgaven moet aanpassen als ze een internationale vergelijking maakt. Het samentellen van COICOP en COFOG is niet verdedigbaar als de Nationale Bank tot een begrip wil komen van de ‘totale uitgaven’ en deze bovendien wil vergelijken met andere landen. Ik gaf daarvoor de volgende redenen:

1. Zoals de Nationale Bank zelf aanhaalt is de methode van de Nationale Bank mogelijks niet exhaustief (“men kan niet uitsluiten dat sommige uitgaven niet worden opgenomen”)

2. Eurostat heeft, na vier jaar werk, samen met de OECD en WHO in 2011 een nieuwe methode opgesteld om de gezondheidsuitgaven te berekenen. Uit de mail van de Nationale Bank kan ik opmaken dat de Nationale Bank deze cijfers niet gebruikt en mogelijks deze nieuwe methode nog niet kende. Eurostat schrijft zelf het volgende over het System of Health Accounts (SHA): “The SHA shares the goals of the system of national accounts (SNA): to constitute an integrated system of comprehensive, internally consistent, and internationally comparable accounts (eigen onderlijning) => voor internationale vergelijkingen moeten de SHA-cijfers gebruikt worden.

3. De voornaamste reden dat de Nationale Bank toch COICOP en COFOG wil gebruiken en niet SHA-cijfers is dat er onvoldoende data zijn om gemiddelden te nemen over de periode van 2000 tot 2014. Er zijn inderdaad niet van alle landen historische SHA-cijfers, omdat nog niet alle landen hun historische cijfers bijgewerkt hebben op basis van de nieuwe SHA-methode. Dat betekent simpelweg dat er nog geen betrouwbare, historische cijfers zijn voor alle landen en dat er dus gewoon geen cijfers kunnen gebruikt worden. Als reactie op het gebrek aan cijfers dan maar onbetrouwbare cijfers gebruiken kan natuurlijk niet. Overigens zijn voor 2014 SHA-cijfers voor alle landen gekend.

4. Er zijn wel al historische SHA-gegevens voor een aantal landen. België heeft SHA-cijfers sinds 2003 en ook Duitsland, Finland en Zweden hebben sinds minstens 2003 cijfers. De onderstaande tabel geeft de gemiddelde uitgaven voor de Nationale Bank-methode (COICOP+COFOG) en de SHA-Eurostat-methode voor 2003-2014 voor deze vier landen. De SHA-cijfers tonen dat de gemiddelde Belgische uitgaven voor deze periode lager liggen dan Duitsland en dicht bij die van Zweden, terwijl de Nationale Bank-cijfers heel andere conclusies geven (met een onderschatting van Duitse en Zweedse gezondheidsuitgaven en een overschatting van de Belgische en de Finse).

tabel1

5. De methode van Nationale Bank leidt tot inconsistenties. Zo komt de Nationale Bank tot cijfers voor België en Finland voor 2014 die hoger liggen dan de SHA-cijfers (ook al zijn de Nationale Bank-cijfers mogelijks niet-exhaustief). De Nationale Bank zet Zweden dan weer 2,5 procentpunt onder de SHA-cijfers (zie tabel voor 2014). Dit is inconsistent.

tabel2

6. De Nationale Bank schrijft zelf dat de cijfers van de gezondheidsuitgaven grondig zijn aangepast. Inderdaad, daarom was wellicht de vierjarige oefening door Eurostat, OECD en WHO inzake de SHA-cijfers noodzakelijk en leidde dit in 2011 tot de nieuwe methode van SHA.

Conclusie: op basis van wat Eurostat schrijft en op basis van de argumenten die de Nationale Bank zelf aanhaalt, is het duidelijk dat de methode van de Nationale Bank niet kan gebruikt worden. Tenzij de Nationale Bank zou kunnen aantonen dat de SHA-cijfers verkeerd zijn.

De discussie over deze verschillen in cijfers is niet onschuldig. De Nationale Bank stelt immers dat België ondanks de hoogste uitgaven niet de beste gezondheidszorg levert (gemeten volgens een door de Nationale Bank samengestelde index). Meer nog, zes Europese landen halen volgens de Nationale Bank een betere kwaliteit met –soms fors- minder middelen, waaronder Nederland, Zweden en Frankrijk. Grondige hervormingen en besparingen in de Belgische gezondheidszorg lijken dan onvermijdelijk.

De Nationale Bank berekende als reactie ook eens de efficiëntie met de cijfers van Eurostat.  Dan blijken er slechts drie landen (Oostenrijk, Italië en Spanje) het beter te doen met minder middelen. Zweden, Frankrijk en Nederland leveren wel betere kwaliteit, maar deze landen geven met de nieuwe cijfers gevoelig meer uit aan gezondheidszorg dan België. Denemarken en Duitsland geven evenveel of meer uit, maar leveren een lagere kwaliteit.

Met andere woorden, met de nieuwe cijfers verandert het plaatje grondig. Dat neemt niet weg dat de Belgische gezondheidszorg efficiënter kan, maar België bungelt niet hopeloos achteraan. We zitten eerder in de subtop. En het kan zelfs zinnig zijn om de gezondheidsuitgaven te verhogen, samen met de hervormingen die bezig en gepland zijn.

De publieke en politieke discussie over de gezondheidsuitgaven is letterlijk van levensbelang. Het interview van professor Swinnen en zijn zoon illustreert dat. Gezondheidszorg gaat over ziekte, leven en dood, over mensen die kwetsbaar zijn en soms wanhopig op zoek naar een behandeling, wat ook de kostprijs is. Toch is er ook een budgettaire realiteit waarbinnen de zorgverstrekkers moeten werken. Er moeten vaak harde keuzes gemaakt worden. Dan zijn correcte cijfers onontbeerlijk.

Wanneer de Nationale Bank gezondheidsuitgaven internationaal vergelijkt, moet ze de internationaal gangbare methode gebruiken. Concreet betekent dit dat ze haar gezondheidsuitgaven moet aanpassen. Doet ze dat niet, dan schiet ze tekort in haar opdracht om de politiek en het publiek correct te informeren.

Deze tekst is een uitgebreide versie van de column die in De Tijd verscheen