Derek Parfit en toekomstige generaties

Twee dagen geleden, op 1 januari, is Derek Parfit overleden. Parfit is een Engelse filosoof die werkte rond identiteit en rationaliteit. Ik heb hem leren kennen tijdens de les moraalfilosofie. Dat heeft toen indruk op mij gemaakt en ik koos er indertijd voor om mijn scriptie te maken over het deel ‘Future Generations’ uit zijn boek ‘Reasons and Persons’ (1984).

Ik heb achteraf nog weinig gelezen over en van Parfit, dus ik ben absoluut geen kenner. Maar de naam en een paar van zijn opmerkelijke redeneringen zijn me altijd bijgebleven, omdat ze soms mijn hoofd deden tollen. Ik wil hieronder dan ook graag een dergelijke redenering delen.

1. We weten dat als de conceptie van een persoon niet zou plaatsvinden op het moment dat ze in werkelijkheid gebeurd is, dat deze persoon dan nooit zou bestaan hebben. We kunnen ons ook voorstellen dat dagelijks al dan niet bewust beslissingen worden genomen waardoor de conceptie van een persoon effectief wel of juist niet plaatsvindt.

2. Stel, we moeten nu kiezen tussen niets doen (laissez-faire) of drastisch ingrijpen (bijvoorbeeld voor klimaatverandering). Wanneer we voor laisser-faire kiezen, dan betekent dit dat we direct en indirect miljoenen en miljarden andere beslissingen nemen dan wanneer we voor het drastische beleid zouden kiezen. Op termijn zou dat verschil in beslissingen leiden tot een totaal andere toekomstige populatie.

3. Zelfs als de toekomstige populatie bij het drastische beleid veel en veel gelukkiger zou zijn dan de toekomstige populatie onder het laisser-faire beleid, dan nog maakt het niet uit welk beleid we kiezen, op voorwaarde dat de laisser-faire-populatie nog enigszins gelukkig is en hun leven nog net de moeite waard vinden. Immers, de laisser-faire-populatie heeft niets te klagen, want ze zouden er gewoon niet geweest zijn indien we voor het drastische beleid gekozen zouden hebben.

4. Dit is een vrijgeleide om beslissingen te nemen die in de eerste plaats goed zijn voor de huidige generaties (en die van de nabije toekomst), zolang de toekomstige mensen enigszins gelukkig zijn.

Bovenstaande redenering en conclusie gaan in tegen onze intuïtie. En net dat maakt ze zo interessant.

[Ik ben benieuwd of er Parfit-kenners in Vlaanderen zijn.]

De vage kritiek op globalisering en vrijhandel

Dit weekend reageerde Jonathan Holslag in De Morgen op de kritiek van onder meer Peter De Keyzer en mezelf op zijn eerdere, naar mijn mening, zeer negatieve opinie over globalisering, waarin hij de grote woorden niet schuwde. Het meest in het oog springende van dat eerste opiniestuk was volgens mij de volgende uitspraak van Holslag: “wees er maar zeker van: die middenklasse gaat eraan”, die ook door De Morgen als titel werd gebruikt.

Hieronder geef ik vier punten van commentaar op dit tweede stuk van Holslag, volgens oplopend belang.

1. Holslag vermijdt deze keer wél de grote woorden

Leg de opiniestukken naast elkaar en je zou je kunnen afvragen of ze door dezelfde persoon geschreven zijn. Er is niets in het tweede opiniestuk te vinden dat nog maar enigszins lijkt op een uitspraak als “de middenklasse gaat eraan” of “ik gruw van deze globalisering”. Integendeel, ook Holslag erkent dat de globalisering ons zeker baten heeft opgeleverd, maar hij wil gewoon nadenken om ze nog beter te maken.

Ik speculeer erop dat Holslag zich in het eerste opiniestuk even liet gaan, en dat hij in het tweede stuk terug de ratio liet spreken en zodoende heel wat gas terugnam.

[Ik ga er ook vanuit dat Holslag nooit de baten van globalisering ontkend heeft, maar het was volgens mij toch nuttig dat hij dit nog eens expliciet erkende.]

2. Holslag onderbouwt straffe stelling niet

Holslag erkent dat Chinezen en Koreanen nu een hoger inkomen hebben, maar “de prijs die ze daarvoor betalen is gigantisch: vereenzaming, stress, depressies, zelfmoordneigingen”. Ik heb hier nog niets over gelezen als zou dat een groter probleem zijn dan vroeger, maar ik ben ook geen expert terzake, enkel een geïnteresseerde leek. Als Holslag hierover cijfers of degelijke studies kent die inderdaad een negatieve evolutie kunnen aantonen, dan moet hij hiernaar verwijzen, eventueel heel kort. Zoniet, dan zou hij als wetenschapper die uitspraken niet mogen doen.

En zelfs al zouden depressies en stress en andere psychische ziekten toegenomen zijn, dan nog moet je dat afzetten tegen de baten die de sterk toegenomen welvaart gebracht heeft. Het is volgens mij een straffe stelling dat mensen die in bittere armoede leefden toch beter af zijn dan de huidige Chinezen en Koreanen. Ik kan dat maar moeilijk vatten.

3. Holslag creëert een stroman en valt die aan

Holslag vindt dat “we de discussie zo dogmatisch voeren”, verwijzend naar de kritiek van onder meer Peter De Keyzer en mezelf. “Alsof elk voorstel om de globalisering te verbeteren een populistisch plot is van de PVDA”, schrijft hij.

Dit verraste me ten zeerste. Zowel De Keyzer als ikzelf geven in onze kritiek immers duidelijk aan dat de huidige globalisering gebreken vertoont en geven beiden ook aan hoe we dit zouden kunnen verbeteren. Zo stelt De Keyzer bijvoorbeeld heel duidelijk dat er meer onzekerheid is omtrent jobs en dat mensen moeten geholpen worden om aan een job te geraken. “Ze verdienen de nodig zorg en aandacht”, schrijft De Keyzer.

Ik schuif dan weer naar voren dat externe kosten (zoals vervuiling) moeten geïnternaliseerd worden (wat ik hier ook al eens schreef, als reactie op een student van Holslag die ten strijde trok tegen geïmporteerde appels). Overigens pleit nagenoeg elke econoom voor het “internaliseren van de externaliteiten”.

Ik geef bovendien aan dat de verliezers van de globalisering moeten gecompenseerd worden. De titel van mijn opiniestuk, gekozen door DeMorgen, vatte dat goed samen: “Net méér globalisering is nodig, zolang iedereen kan meeprofiteren”.

Is dit het dogmatisch voeren van de discussie? Integendeel, De Keyzer en ik waren de nuance zelve, al zeg ik het zelf!

Meer nog, Holslag is het op dit vlak wellicht met ons eens, zeker als hij pleit voor het internaliseren van milieukosten. Maar nergens geeft hij aan dat de zogenaamde dogmatici daar ook voor pleiten. Het zou zijn stelling dat we het debat dogmatisch voeren dan ook onderuit halen.

Aan dit punt til ik persoonlijk relatief zwaar, omdat het creëren van een stroman neerkomt op het subtiel je tegenstanders bepaalde standpunten aanwrijven die ze niet innemen. Het is een oneerlijke manier van debatteren en is nefast voor het publieke debat. Anderzijds durf ik niet te beweren dat ik het nooit gedaan heb of nooit zal doen. Het is zeer menselijk om het te doen. Maar dat maakt het niet minder nefast.

4. Holslag blijft vaag over zijn essentiële kritiek

Het belangrijkste punt van kritiek is dat Holslag te vaag blijft over wat hij dan wel wil veranderen, buiten het internaliseren (of vermijden) van externe kosten. Holslag begint veelbelovend als hij aangeeft dat hij eerst wil verduidelijken wat hij bedoelt met een ‘betere’ globalisering. Ik citeer uitvoerig:

Maar laat me eerst verduidelijken wat ik bedoel met ‘beter’. Mijn uitgangspunt daarbij is altijd: hoe wil ik dat de wereld eruit ziet waarin ik zelf oud word en waarin ik mijn kinderen zie opgroeien? Cynische zielen zullen misschien aanvoeren dat dit een overweging is voor watjes, voor mensen zonder realiteitsbesef, mensen die niet doorhebben hoe darwinistisch deze wereld is. Wel, ik durf te stellen dat ik in mijn onderzoek steevast de vinger leg op het feit dat deze wereld een bijzonder akelige plek is en dat we moeten vechten om onze veiligheid, onze welvaart en onze waardigheid te handhaven.

Maar waar ik niet in meega, is dat we in die strijd onze menselijkheid moeten opofferen: dit is nét een strijd om meer menselijkheid. Dat is voor mij een rode draad door het werk van alle denkers over machtspolitiek heen, zoals Sun Tzu, Kautilya, Thucydides, Machiavelli: de leider mag nog zo schrander zijn in het bezigen van de macht, als hij het algemeen belang niet bevordert, het welzijn van zijn mensen, gaat hij eraan. Macht zonder doel is opportunisme.

Dit is geen verduidelijking. Het is vaagheid troef. Een betere globalisering betekent voor Holslag dat “we onze menselijkheid niet mogen opofferen”, en dat “we het algemeen belang moeten bevorderen”. Hey, dat vind ik ook allemaal; en alle mensen van goede wil samen met mij.

Op het einde gaat Holslag wel even in op de essentie van het verschil in visie op globalisering in vergelijking met Peter De Keyzer en mezelf, wanneer hij zich afvraagt waarom lokaal produceren zo slecht zou zijn en wanneer hij pleit voor een meer zelfredzame economie met kortere ketens. Opnieuw wordt er hier gebruik gemaakt van een stroman, gezien noch ik, noch De Keyzer tegen een lokale economie pleiten. Globalisering betekent immers niet dat het allemaal per se elders moet geproduceerd worden. Het betekent wel dat de barrières voor vrijhandel zoveel mogelijk weggenomen worden en dat het dus elders kan geproduceerd en ingevoerd worden of hier kan geproduceerd en uitgevoerd worden (en als de theorie van de comparatieve voordelen klopt, zal dat effectief ook deels gebeuren). Het is dan aan de markt, lees: de consumenten, om te kiezen, idealiter met alle externe kosten geïnternaliseerd, van wie ze koopt. Daar is geen waarde-oordeel over nodig.

Maar ook hier blijft Holslag veel te vaag. Hij schrijft: “De essentie is dus dat we opnieuw meer op eigen kracht voorzien in de essentiële behoeften en dat we met de globalisering vooral uitwisselen wat ons bijzonder maakt op het gebied van stijl, smaak, cultuur, wetenschap en technologisch vernuft.”

Het is één zinnetje, maar er schuilt volgens mij een grondig andere visie op globalisering achter, dan die van bijvoorbeeld Peter De Keyzer en mezelf. En dat is legitiem, zelfs interessant. Mijn kritiek is echter dat Holslag deze grondig andere visie niet uitwerkt. Het is dus voor mij gissen waarom hij die andere visie heeft, wat hij er precies mee bedoelt en hoe hij dat wil implementeren. Om een voorbeeld te geven: betekent dit dat we zelfredzaam moeten zijn wat betreft voedselproductie (toch een essentiële behoefte)? Zo ja, dan roept dit heel wat vragen op, zoals: is er geen of enkel beperkte invoer mogelijk (en welke producten wel en welke niet)? Ook geen uitvoer? Van wie wel en niet eventueel invoeren? Waarom is dit nodig? Hoe ga je dat in EU invoeren? Aantal antwoorden op deze vragen: nul.

Conclusie

Kortom, ik vind het debat over globalisering nuttig, omdat er effectief verbeteringen mogelijk en nodig zijn. Ik denk echter niet dat het debat goed gevoerd kan worden zoals Jonathan Holslag dit nu doet. Ik stel voor de grote woorden te schuwen, straffe stellingen beter te onderbouwen, geen stromannen te gebruiken en, vooral, precies aan te duiden wat je wil veranderen aan de huidige globalisering en waarom en hoe je dat wil. En wie weet geef ik Holslag aan het einde van de rit wel gelijk…

Cultuursubsidies verdienen betere argumenten

Op mijn opiniestuk in DeMorgen van 29 april kwam heel wat reactie. Er was het opiniestuk in de papieren krant van Peter de Caluwe, directeur-intendant van de culturele instelling De Munt, en twee online-opiniestukken van twee politici (Yamila Idrissi van sp.a en Bart Caron van Groen).

  1. Peter de Caluwe (directeur-intendant van het Brusselse operahuis De Munt)

Peter de Caluwe verwijst in zijn stuk naar het motto van mijn blog: opinion are cheap, facts are expensive. Zo stelt hij dat elke gesubsidieerde euro voor een instelling als de Munt 3,6 euro economische return oplevert. Ook stelt hij dat “de subsidie voor alles wat met cultuur gerelateerd is binnen het volledige federale domein (gemeenschappen én regio’s samen) de individuele burger pakweg tussen de 30 à 40 euro per jaar kost. De steeds krimpende cultuursubsidies maken minder dan 0,1 procent van het bnp uit”.

Alvast dat laatste is makkelijk te verifiëren door de gedetailleerde overheidsuitgaven die de Nationale Bank publiceert even te consulteren. Voor 2014 levert dit de onderstaande figuur op voor de beleidsdomeinen Recratie, Cultuur en Religie.

cultuur

Blijkbaar zijn de overheidsuitgaven aan cultuur een pak hoger dan de Caluwe naar voren schuift. In totaal 1889 miljoen euro voor “diensten op het gebied van cultuur”. Verder ook nog 63 miljoen euro voor onderzoek en ontwikkeling voor recreatie, cultuur en godsdienst en 183 miljoen euro voor “n.e.g.” wat staat voor “niet eerder genoemd”. Als we die laatste twee bedragen pro rata toewijzen aan cultuur komen we aan totale overheidsuitgaven voor cultuur in 2014 van net geen 2 miljard euro. Voor 11 miljoen burgers is dit 180 euro per burger per jaar, of 720 euro per jaar voor een gezin met twee kinderen. Dat is vijf keer meer dan Peter de Caluwe inschat.

Het is wel zo dat de Caluwe enkel over subsidies spreekt en die liggen inderdaad lager. Echter, de Nationale Bank rekent terecht alle uitgaven mee die de overheid maakt voor cultuur, dus ook bijvoorbeeld de lonen voor cultuurambtenaren. Ofwel heeft de Caluwe bewust enkel de subsidiekost meegerekend om zo de kost lager voor te stellen dan in werkelijkheid, wat zeer bedenkelijk zou zijn. Ofwel wist de Caluwe zelf niet wat de werkelijke totale overheidsuitgaven aan cultuur zijn. Als het dit laatste is, dan vraag ik me af of hij zijn mening herziet, nu blijkt dat de overheidsuitgaven voor cultuur vijf keer hoger zijn dan hij zelf dacht.

De stelling van de Caluwe dat één euro subsidie een economische return van 3,6 euro oplevert is moeilijker te verifiëren, ook omdat het niet duidelijk is wat de Caluwe verstaat onder “economische return. Ik heb hem alvast een mail gestuurd om meer uitleg te vragen. Ik wacht in spanning af.

Over de positieve effecten van een instelling als de Munt op de niet-gebruiker ervan (de zogenaamde positieve externaliteiten die subsidies kunnen verantwoorden) lees ik niets in het opiniestuk van de Caluwe. Enkel dat “cultuur vooral voedsel voor de geest (is) en bijgevolg slecht meetbaar. Haar volledige maatschappelijke impact zou pas zichtbaar worden in haar afwezigheid.” En dat moeten we dan maar aannemen. Het is niet aanvaardbaar om overheidsbeleid zo te verantwoorden.

  1. Yamila Idrissi (sp.a)

In hetzelfde bedje ziek is Yamila Idrissi. Zij zwaait met een Noors/Zweedse studie waaruit “(duidelijk) bleek dat deelnemen aan cultuur significant gerelateerd is aan een goede gezondheid, aan minder gevoelens van bezorgdheid, minder depressie en een hogere tevredenheid over het leven.”

Dat er een correlatie is tussen cultuurparticipatie en een goede gezondheid, is best mogelijk. Ook met andere positieve aspecten is een correlatie mogelijk. Het is zelfs waarschijnlijk. Cultuurparticipatie is immers iets wat veel frequenter gebeurt bij hogeropgeleiden, die vaak gezonder zijn en een hoger inkomen hebben.

De vraag is echter of er een oorzakelijk verband is met cultuurparticipatie. Via twitter heb ik een link naar de studie gekregen (en bevestigd door Idrissi). De studie geeft over het oorzakelijk verband helemaal geen uitsluitsel. Ik citeer uit de abstract: “Conclusions: More epidemiological and longitudinal studies addressing cause–effect relations and intermediary mechanisms are warranted as well as public health intervention studies.” Of cultuur de positieve effecten ook veroorzaakt moet dus nog onderzocht worden.

[Bovendien kan men zich de vraag stellen of de overheid moet investeren in cultuur als mensen zich beter voelen door cultuur. Zolang er geen positieve externe effecten zijn voor anderen die specifiek aan cultuur gerelateerd zijn, zijn subsidies dan nog steeds niet verantwoord. Dat is net ook één van mijn punten als ik vraag waarom culinaire restaurantbezoek of reisjes naar New York niet gesubsidieerd worden. Ook daar zouden mensen gelukkiger van kunnen worden (dat is zelfs heel aannemelijk; waarom doen mensen het anders?). Moet dit dan ook gesubsidieerd worden?]

Ook Idrissi bezondigt zich aan het lager voorstellen van de overheidsuitgaven voor cultuur, bewust of onbewust. Ze spreekt van 205 miljoen kunstensubsidies voor 2012. Ook dat kan best een correct bedrag zijn, maar er blijkt nog een ijsberg van kosten onder te hangen (zie boven).

  1. Bart Caron (Groen)

Bart Caron stelt dat ik het volgende beweer: “subsidies zijn overbodig omdat slechts een beperkt deel van de bevolking geïnteresseerd is in kunst en cultuur”.

Het klopt dat veel mensen hoegenaamd niet geïnteresseerd zijn. Maar dat is niet de voornaamste reden waarom ik tegen veel cultuursubsidies ben. Mijn punt is dat de niet-gebruiker geen baat heeft bij cultuur. Moest dat wel het geval zijn, dan zou de vaststelling dat slechts een beperkt deel geïnteresseerd is, irrelevant worden, omdat ze er onrechtstreeks toch baat bij hebben.

De rest van het betoog van Caron gaat in grote mate over de waarde van cultuur. Zoals ik al zo vaak heb gezegd: mijn kritiek op cultuursubsidies is géén kritiek op cultuur zelf. Ik spreek hoegenaamd niet tegen dat cultuur waardevol kan zijn, maar het feit dat iets waardevol is, is geen voldoende reden opdat de overheid het subsidieert. In De Morgen heb ik hierover al een heel opiniestuk geschreven.

Ook de domeinen die Caron, en vele anderen, opnoemen die ook door de overheid gefinancierd worden, tonen duidelijk dat Caron en anderen de essentie van mijn kritiek op cultuursubsidies niet (willen) begrijpen. Hij haalt gezondheidszorg, wegen en onderwijs aan. Dat zijn stuk voor stuk domeinen waar de marktfaling duidelijk is aangetoond (en waar ik dan ook voorstander van overheidsfinanciering ben). Voor veel cultuurdomeinen is de marktfaling niet aangetoond.

Tot slot schrijft Bart Caron dat kunst doet nadenken. Ik ben zeker niet de enige die vaststelt dat de inbreng van kunstenaars in het maatschappelijke debat zeer pover is. Tom Naegels sprak van een “miss België”-ethiek. Ook Peter Casteels was op dit gebied al erg kritisch.

 

Argumenten voor cultuursubsidies

Deze drie opiniestukken leggen vooral de povere verdediging van cultuursubsidies bloot. Men geeft een paar cijfers die al te makkelijk weerlegd kunnen worden, men zwaait met een nietszeggende studie of men betoogt netjes naast de kwestie. Cultuur, die zonder enige twijfel een grote waarde kan betekenen in het leven van veel mensen, verdient betere argumenten. Ik doe hieronder alvast zelf een eerste poging.

Ik denk dat er een aantal uitzonderingen op mijn algemene kritiek zijn, en dus een overheidsfinanciering kunnen verdienen. Ik som ze kort op. Ten eerste is er kunst en cultuur in het openbaar domein. Dit is een klassiek voorbeeld van een publiek goed in economische zin, wat op zich een duidelijke marktfaling is. Een publiek goed is zeer moeilijk via de markt te financieren en dus kan de overheid hier tussenkomen. Men kan er gemakkelijkheidshalve van uitgaan dat een overheid zal doen wat de burger wil en dus kunst in het openbaar domein financieren als de overheid denkt dat de burger dit wil (dit laatste is om meerdere redenen niet noodzakelijk het geval).

Ten tweede is er innovatie. De positieve externaliteiten zijn relatief makkelijk theoretisch aan te tonen. Immers, zij die een innovatieve voorstelling niet bijwonen kunnen later, als de innovatie geslaagd blijkt te zijn, toch de vruchten plukken van de eerste (dan nog innovatieve) voorstellingen. De positieve externaliteiten zijn dan op zijn minst theoretisch te onderbouwen. Of dit ook in werkelijkheid zo is, zou door meer onderzoek kunnen worden bekeken.

Sommige cultuurprojecten zijn specifiek gericht om de sociale uitsluiting van kansengroepen tegen te gaan. Hier en daar heb ik hierover al goede zaken gelezen, maar ik ken zelf geen concrete projecten, noch goede studies die de positieve aspecten aantonen. Maar ook hier is de theoretische argumentatie aanwezig om overheidsingrijpen op zijn minst te overwegen. Dergelijke projecten zouden dan wel eerder onder sociaal beleid vallen. Hun doelstelling is immers in de eerste plaats een sociale doelstelling (en de overheidstussenkomst wordt op gronden van rechtvaardigheid verantwoord).

Ten vierde is er cultuureducatie. Dit is zonder twijfel een belangrijke uitzondering. Kinderen en jongvolwassenen moeten in staat zijn zich ten volle te kunnen ontplooien tot autonoom denkende, goed geïnformeerde burgers die als volwassenen dan zelf hun keuzes kunnen maken. Daarvoor is het wel nodig dat ze weten wat er allemaal mogelijk is, en moeten ze dus ook voldoende vaak in aanraking komen met kunst en cultuur. Enkel op die manier kunnen ze voor zichzelf uitmaken of dit iets voor hen is. Maar ook belangrijk: eens volwassen, moet de overheid een neutrale houding aannemen ten aanzien van de keuzes van volwassenen. Dat betekent dus geen paternalisme.

Er is ten slotte de puur economische visie. Bepaalde culturele evenementen kunnen voor de lokale en zelfs nationale economie een positieve impact hebben. Als die effecten aangetoond kunnen worden (of als er op zijn minst indicaties zijn), dan kan overheidsfinanciering verantwoord worden. Ook negatieve effecten moeten dan in rekening gebracht worden (zoals het afsnoepen van bezoekers en toeristen van andere evenementen). Ook hier moet de overheid neutraal zijn. Dus ook evenementen die niet door de overheid als kunst of cultuur worden bestempeld komen dan in aanmerking voor “economische subsidies”. Hier moet dus voorzichtig mee omgesprongen worden of elke project, evenement of activiteit dient een subsidieaanvraag in.

Andere ideeën voor uitzonderingen zijn welkom.

 

Visie op overheidsingrijpen

Tot slot verwijs ik naar mijn blogpost eerder dit jaar over ‘Zwaartekrachtgolven, vuurtorens en cultuursubsidies’ waar ik mijn visie op ‘subsidies in het algemeen’ breder uitleg. Ik vermeld er ook waarom het mij niet zozeer om cultuursubsidies gaat, maar over een verantwoording van overheidsingrijpen. En daar is het me als geëngageerde burger eigenlijk om te doen.

Over zwaartekrachtgolven, vuurtorens en cultuursubsidies

De voorbije week werd bekend dat men voor het eerst zwaartekrachtgolven waargenomen heeft die Einstein voorspelde. Het is een belangrijke stap in het inzicht van de manier waarop het heelal in elkaar zit.

Felix De Clerck tweette de volgende vraag:

Staat ergens al een opiniestuk van @andreastirez over de positieve externaliteiten van fundamenteel onderzoek naar zwaartekrachtgolven ? 😉

— Felix De Clerck (@F3lixDeClerck) February 12, 2016

De tweet verwijst, met enige humor, naar mijn kritiek op cultuursubsidies, waar De Clerck dan weer een sterke voorstander van is. En mijn kritiek op cultuursubsidies is inderdaad dat er geen aantoonbare positieve externaliteiten zijn van cultuur, wat wil zeggen dat het volgens mij niet aangetoond is dat ook de niet-gebruiker baten heeft als iemand deelneemt aan cultuur. Zolang je die positieve externaliteiten niet kan aantonen zijn veel cultuursubsidies dan ook niet te verantwoorden.

Externaliteiten als marktfaling

Externaliteiten, of externe effecten, zijn een bepaalde soort van marktfaling, een mechanisme waarop de markt faalt om de uitkomst te bereiken die de maatschappij optimaal acht.

[Het erkennen van een marktfaling is het erkennen dat de onzichtbare hand van Adam Smith toch niet optimaal blijkt te werken. Alvast in mijn opleiding Economie werden marktfalingen uitvoerig besproken. Een goed begrip van marktfalingen is volgens mij essentieel om de rol van de overheid te begrijpen en te verantwoorden en onontbeerlijk in veel discussies over de overheid. Om het scherp te stellen: als je niet begrijpt wat marktfalingen zijn, kan je niet goed geïnformeerd discussiëren over de rol van de overheid (en dus ook niet over cultuursubsidies). En wees gerust, dat laat nog veel ruimte voor discussie, zowel over een juist begrip van de marktfaling (de theorie van de marktfalingen kan fout toegepast worden) als over het al dan niet wetenschappelijk bewijs over de aanwezigheid van marktfalingen (ik ken uiteraard niet alle wetenschappelijke papers hierover). Wikipedia heeft in ieder geval een goede pagina over marktfalingen.]

Externaliteiten kunnen positief en negatief zijn. Het klassieke voorbeeld van positieve externaliteiten is onderwijs: de persoon die studeert voor chirurg heeft daar zelf natuurlijk ook voordeel bij, maar ook de toekomstige patiënten hebben hier voordeel bij. Bovendien zal de student als chirurg later veel belastingen betalen waardoor iedereen er baat bij heeft. Er zijn dus ook heel wat aantoonbare voordelen voor de niet-gebruiker van de chirurgenopleiding, en bij uitbreiding hoger onderwijs. De economische theorie stelt dan dat indien de overheid hoger onderwijs niet zou subsidiëren er minder hoger onderwijs zou gevolgd worden dan voor de maatschappij optimaal is. De overheid kan dan tussenkomen om hoger onderwijs te subsidiëren. In economisch jargon: de positieve externaliteiten worden dan geïnternaliseerd, namelijk de gebruiker van hoger onderwijs krijgt (een deel van) de positieve effecten die hij of zij voor anderen veroorzaakt terugbetaald (onder de vorm van lagere studiekosten). De (potentiële) gebruiker van hoger onderwijs zal deze terugbetaling meerekenen in zijn of haar afweging om hoger onderwijs te volgen.

Het klassieke voorbeeld van negatieve externaliteiten is vervuiling. De fabriek stoot schadelijke gassen uit om zelf winst te maken. De gassen veroorzaken echter schade voor de niet-gebruiker van de fabriek. Dat is maatschappelijk niet optimaal. De overheid kan dan tussenkomen door bijvoorbeeld kosten aan te rekenen voor de uitstoot. In economisch jargon: de negatieve externaliteiten worden geïnternaliseerd, namelijk de veroorzaker van uitstoot moet (een deel van) de negatieve effecten die hij of zij voor anderen veroorzaakt betalen (meestal onder de vorm van belastingen). De (potentiële) vervuiler zal deze extra kost meerekenen in zijn of haar afweging om te vervuilen.

Mijn stelling ten aanzien van cultuursubsidies is dat de positieve externaliteiten van cultuur impliciet verondersteld worden, maar niet aangetoond zijn. Mijn kritiek is dus niet vaag, maar zeer precies: toon mij de voordelen voor de niet-gebruiker als iemand naar het theater of de opera of het ballet gaat. Als je zou kunnen aantonen dat ik als niet-gebuiker toch voordeel heb dat mijn buurman naar theather gaat, dan vervalt mijn tegenstand tegen cultuursubsidies. Meer nog, dan zou ik een voorstander van dergelijke subsidies worden!

Geen bewijs => willekeur

Dat “aantonen” van positieve externaliteiten en, bij uitbreiding, van de aanwezigheid van een marktfaling moet zowel theoretisch als empirisch gebeuren. Ten eerste moet aangetoond worden hoe het mechanisme van de positieve externaliteiten zou kunnen werken. Vervolgens moet dit dan bewezen worden met data. Dat alles moet via degelijke wetenschappelijke studies gebeuren waarbij de stelregel is dat één zwaluw de lente niet maakt.

[De vergelijking met de zwaartekrachtgolven gaat hier prima op: eerst kwam Einstein met zijn theorie, die pas echt aanvaard kan worden als hij meermaals bevestigd wordt door empirisch bewijs. Vandaar het grote nieuws dat zwaartekrachtgolven voor de eerste keer waargenomen zijn.]

Voor heel veel domeinen waar de overheid tussenkomt, zoals onderwijs, publieke gezondheidszorg, vervuiling, infrastructuur, sociale zekerheid en gelijke kansen, is de marktfaling met degelijk wetenschappelijk bewijs overvloedig aangetoond, zowel theoretisch als empirisch.

Er is bij mijn weten geen degelijk wetenschappelijk onderzoek (lees: meerdere peer-reviewed papers) over het bestaan van positieve externaliteiten van kunst en cultuur. Ik heb ook academici aangesproken, zoals Hans Abbing (gecontacteerd in 2014, kende geen peer-reveiwed papers) en Bart van Looy (gecontacteerd in 2012, die stelde dat er nog veel werk nodig was inzake externaliteiten, maar hij was vooral bezig met de alloctie van de cultuursubsidies, wat niet goed zou lopen). Ik heb in het verleden ook al heel wat links gekregen naar allerlei documenten en studies die de positieve externaliteiten zouden aantonen, helaas nooit naar peer-reviewed papers, soms zelfs totaal off-topic. Mijn stelling blijft dus dat het onvoldoende aangetoond is dat kunst en cultuur positieve externaliteiten heeft.

Het feit dat het bewijs ontbreekt, betekent niet dat de positieve externaliteiten niet bestaan. Het zou best kunnen dat de positieve externaliteiten van kunst en cultuur zeer moeilijk te meten zijn. Maar dat kan natuurlijk geen rechtvaardiging voor de subsidies zijn, want dan kan je alles waarvan de positieve externaliteiten (nog) niet zijn aangetoond subsidiëren. Waarom dan geen citytrips naar New York subsidiëren?

Deze vraag is niet bedoeld als een provocatie, maar om aan te tonen dat het pleiten voor subsidies voor bepaalde activiteiten ondanks dat de baten niet aangetoond zijn, maar niet voor andere activiteiten waarvan ze ook niet aangetoond zijn, is pleiten voor willekeur. Dat is totaal onaanvaardbaar: de hele rechtstaat hebben we opgebouwd net om willekeur te vermijden. Van Wikipedia: The rule of law is the legal principle that law should govern a nation, as opposed to being governed by arbitrary decisions of individual government officials. 

Bij gebrek aan bewijs van een marktfaling, is pleiten voor subsidies niet meer dan rent-seeking, namelijk het manipuleren van de sociale en/of politieke omgeving voor het gewin van een kleine groep (lobby) ten koste van een grote groep (kiezer/consument), zonder dat hierdoor extra welvaart gecreëerd wordt.

Publieke goederen als marktfaling

Onderzoek naar zwaartekrachtgolven heeft niet zozeer positieve externaliteiten als marktfaling (hoewel het zou kunnen), maar een andere, ook zeer gekende marktfaling, namelijk het feit dat (fundamenteel) onderzoek een publiek goed is.

Een publiek goed wordt in de economie gedefinieerd als een goed (of dienst) dat niet-uitsluitbaar en niet-rivaal is. Niet-uitsluitbaar betekent dat het moeilijk of onmogelijk is om mensen uit te sluiten om het goed te consumeren. Niet-rivaal betekent dat de consumptie van het goed er niet toe leidt dat er voor anderen minder overblijft.

Een voorbeeld dat zeker geen publiek goed is, is een brood: je kan makkelijk iemand de toegang ontzeggen tot een brood. Bovendien, als je er een stuk van consumeert, blijft er minder over voor anderen.

Kennis in het algemeen is niet-rivaal: als meer mensen iets weten, neemt de kennis niet af. Kennis kan wel uitsluitbaar gemaakt worden (bedrijfsgeheimen en patenten zijn soms heel veel geld waard), maar dat is dan weer moeilijk met (fundamenteel) wetenschappelijk onderzoek, waarbij je net moet publiceren om vooruitgang te kunnen boeken. Wetenschappelijk onderzoek kan je dus niet uitsluitbaar maken. Wetenschappelijk onderzoek kan dan ook beschouwd worden als een publiek goed.

Het grote probleem van publieke goederen is de financierbaarheid ervan. Een goed voorbeeld om dit te illustreren is het financieren van de bouw van een vuurtoren.

De financierbaarheid van de vuurtoren

Een vuurtoren is een klassiek voorbeeld van een publiek goed: je kan moeilijk iemand op zee uitsluiten te navigeren op de vuurtoren (niet-uitsluitbaar). Bovendien zal de vuurtoren niet minder nuttig zijn als er veel boten op navigeren (niet-rivaal).

Stel dat een vissersdorp 100 vissers telt. Alle vissers zouden graag een vuurtoren willen, omdat ze nu regelmatig averij oplopen als ze na zonsondergang gaan vissen. Elke visser zou dan 1000 euro moeten bijdragen, en elke visser is in principe bereid om die 1000 euro te betalen voor een vuurtoren. Elke visser weet echter ook dat als de vuurtoren er eenmaal staat, het quasi onmogelijk is om het gebruik van de vuurtoren uit te sluiten, ook al heb je niet betaald. Het is dus rationeeel voor elke visser om te gokken op een free-ride en te zeggen dat hij de vuurtoren niet nodig heeft en dus niet wil meebetalen, in de hoop dat het project toch doorgaat en hij kan meegenieten zonder de kost te betalen. Er moeten maar een paar vissers zijn die daadwerkelijk weigeren te betalen, en je krijgt een cascade-effect naar alle andere vissers toe. De vuurtoren komt er dus niet. Het resultaat voor het vissersdorp is niet optimaal: hoewel elke visser 1000 euro wil betalen opdat er een vuurtoren gebouwd wordt, zal er toch niets gebeuren en blijft hij zonder vuurtoren achter, met regelmatig averij als gevolg.

Dit is het moment waarop de overheid tussenkomt. De overheid, die we even als benevolent en goed geïnformeerd veronderstellen, weet dat het vissersdorp beter af zou zijn met een vuurtoren en dat de kostprijs van 1000 euro per visser aanvaardbaar is. De overheid verplicht bijgevolg elke visser een belasting van 1000 euro te betalen voor de vuurtoren. Iedereen blij.

Hetzelfde geldt voor fundamentaal onderzoek. In dit geval kunnen niet enkel burgers maar ook hele landen hopen op een free-ride in de hoop dat andere landen het onderzoek willen financieren terwijl hun burgers er dan achteraf van kunnen meeprofiteren zonder de kosten ervan te dragen. Om dat tegen te gaan wordt er gestreefd naar grote internationale onderzoeksprojecten waar (een groot deel van) de ontwikkelde landen een aandeel in de kosten betalen. Het CERN-project is een dergelijk internationaal project.

De voorwaarde is wel dat de politiek correct inschat dat voldoende burgers het fundamenteel onderzoek voldoende waarderen, zodat de subsidies verantwoord zijn. In een democratie kan je verwachten dat politici rekening houden met de wens van de meerderheid.

Er is dus een duidelijke marktfaling en dus kan de overheid hier tussenkomen. Let wel, het is geen plicht dat de overheid tussenkomt. Het kan even goed zijn dat de politiek beslist om fundamenteel onderzoek niet te financieren, ondanks de duidelijke aantoonbare marktfaling, omdat de politiek ervan uitgaat dat de (meerderheid van de) burgers dit niet wensen.

Kunst in het park

Er is overigens ook een bepaalde vorm van kunst en cultuur die dezelfde marktfaling kent, namelijk kunst en cultuur op het publieke domein, zoals bijvoorbeeld kunst in het park. Ook dit is een publiek goed, want moeilijk uitsluitbaar en niet-rivaal. In mijn discussies over cultuursubsidies heb ik hiervoor dan ook al duidelijk een uitzondering gemaakt: als de politiek kunst en cultuur in het publieke domein zou subsidiëren dan is dat te verantwoorden. We gaan er dan vanuit dat de politiek de wil van de burger volgt en deze graag kunst in het park wil.

Dat ik deze uitzondering maak voor kunst in het openbaar, zou moeten aantonen dat ik niet zozeer tegen cultuursubsidies ben (en al helemaal niet tegen cultuur), maar dat het me gaat over de verantwoording van de rol van de overheid.

Alternatieve en vrijwillige financiering van cultuur

Ik heb de laatste jaren al heel wat over cultuursubsidies gediscussieerd. En ik heb dus zelf ook al heel wat bijgeleerd en hier en daar mijn mening bijgesteld. Zo denk ik dat subsidies voor cultuurinnovatie verantwoord kunnen worden, met dank aan de discussie met Tom Potoms. Ook de link van Andreas Provo naar een studie die onder meer verwijst naar de waarde die sommige mensen zouden hechten aan de mogelijkheid om ooit cultuur te consumeren is interessant. Het geeft aan dat niet-gebruikers ook waarde kunnen hechten aan kunst en cultuur, omdat ze zichzelf zien als mogelijk gebruikers in de toekomst. Het is ook een argument dat Frederic Vermeulen (KULeuven) aanhaalt in deze opinietekst. Het heeft me aan het denken gezet om hiervoor een oplossing te zoeken.

Om te meten welke waarde mensen hechten aan een eventuele cultuurconsumptie in de toekomst wordt gebruikt gemaakt van enquêtes; het resultaat van deze enquêtes zijn dus stated preferences, geponeerde voorkeuren. Enig scepticisme is dan op zijn plaats: we willen liever the real stuff, want mensen kunnen zeggen wat ze willen dat ze zouden betalen. Het geeft immers een goed gevoel te zeggen dat je genereus bent. Het is echter pas als ze harde valuta op tafel leggen, dat we weten wat mensen echt willen betalen. Economen, en ik veronderstel iedereen, werken dan ook liever met revealed preferences.

Dit scepticisme kan echter ook ongefundeerd zijn. Het zou best kunnen dat mensen die zeggen dat ze nu willen betalen voor cultuur om er later eventueel gebruik van te kunnen maken, dit ook werkelijk willen doen. Maar hoe weten we dit?

De oplssing is relatief eenvoudig: geef cultuuropties uit, een soort van tegoedbon die mensen kunnen kopen en die ze later kunnen gebruiken om aan een culturele activiteit deel te nemen. Als er dan weinig cultuuropties verkocht worden, was het scepticisme over de stated preferences terecht en vervalt de verantwoording van cultuursubsidies wegens dit argument. Het scepticisme kan echter ook ongefundeerd zijn omdat mensen massaal cultuuropties kopen. Voor mij zou het eender zijn wie er gelijk krijgt. In beide gevallen zal kunst en cultuur gefinancierd worden door de gebruikers (uiteraard) en de niet-gebruikers die er ooit misschien gebruik van willen maken. Zij die totaal niet geïnteresseerd zijn, worden niet verplicht mee te betalen. Iedereen blij.

Niet enkel cultuur, ook recreatie, religie en sport, en bedrijfsubsidies

Om te eindigen nog dit: ik krijg regelmatig te horen dat mijn redenering over cultuursubsidies toch ook opgaat voor sport, religie en recratie. En dat beaam ik telkens. Ik heb dat zelfs al letterlijk geschreven. Ook over bedrijfssubsidies ben ik al zeer kritisch geweest (ze liggen in België veel hoger dan elders). Ik ben ook tegen de RSZ-korting die voetballers krijgen (als ik hier ooit goede data over vind, blog ik hier zeker eens over) en de financiering van voetbalstadions door de overheid. Het valt me echter op dat de tegenstanders zich niet laten horen als ik kritiek geef op subsidies voor recreatie en religie of bedrijven, of toch niet met dezelfde virulentie.

Mijn vermoeden is dat de cultuurlobby veel vocaler is dan andere sectoren, en volop in de tegenaanval gaat als je de subsidies in vraag stelt. Toen de Vlaamse regering eind 2014 met haar algemeen besparingsplan kwam, dus niet enkel voor cultuur, was ook toen de grootste tegenstand bij cultuur te vinden. Een krant als DeMorgen ging zelfs volledig in overdrive, met een volledige voorpagina gewijd aan de besparingen in de cultuursector en een apart katern met krantentitels als ‘There will be blood’ en ‘Paniek op de bühne’ (zie DM 25/9/2014). [En het was op hun vraag dat ik toen deze open brief schreef. Dat wordt me niet gevraagd als het over subsidies voor religie of recreatie gaat.]

Ook Tom Naegels als ombudsman van DeStandaard stelde de vraag in zijn stuk ‘Hebben de culturo’s een megafoon?’ of de redactie overmatig aandacht besteedde aan de beparingen op cultuur in vergelijking bijvoorbeeld met deze op onderwijs. Hij schreef onder meer:

Het valt op: de besparingen van de Vlaamse regering treffen tal van mensen en sectoren, maar de culturele sector protesteert het hardst. Of dat lijkt toch zo als je de opiniepagina’s leest. Tot en met gisteren verschenen in De Standaard dertien opiniestukken over de begroting van de regering-Bourgeois, waarvan er acht over cultuur gingen. Vier gingen over onderwijs en één over De Lijn.

Naegels concludeerde wel dat ondewijs en andere sectoren, zoals vakbonden, wellicht makkelijker via andere kanalen hun belangen verdedigen. Het lijkt me in ieder geval zo dat de culturele sector op het publieke forum veel lawaai maakt als er aan hun subsidies geraakt wordt, wat dus ook kan verklaren waarom ik me vaak tegen hun kritiek moet verdedigen. En waarom ik dan ook veel schrijf over cultuursubsidies, terwijl het me eerder gaat om het aantonen van marktfalingen in allerlei domeinen, ook buiten kunst en cultuur. En vandaar deze lange blogpost…

Conclusie

Als je pleit voor een overheidstussenkomst zoals subsdies, dan moet je de marktfaling aantonen (of aantonen dat de overheidstussenkomst de rechtvaardigheid verhoogt, iets wat ik in deze blogpost buiten beschouwing gelaten heb). Zoniet is pleiten voor subsidies niet meer dan rent-seeking. Marktfalingen kunnen echter meer zijn dan het bestaan van externaliteiten. Ook publieke goederen zijn marktfalingen, omdat de financierbaarheid zeer moeilijk te organiseren is. Onderzoek naar zwaartekrachtgolven is een dergelijk publiek goed, theatervoorstellingen zijn dat niet. Kunst in het park is dan weer wel een publiek goed.

Een goede discussie over de rol van de overheid betekent in ieder geval een goed begrip van de theorie en de empirie van marktfalingen. En ik denk inderdaad dat die kennis ontbreekt bij heel wat verdedigers van cultuursubsidies.

Nederlandse vluchtelingenplan: eerlijk, efficiënt en bijna rechtvaardig

Nederland lanceerde deze week haar Europees plan om de vluchtelingencrisis aan te pakken. Het houdt in dat er een veilige doorgang voor vluchtelingen wordt georganiseerd aan de buitengrenzen van Europa. Op die manier zouden per jaar 150.000 tot 250.000 vluchtelingen toegelaten worden. Nederland rekent op een kopgroep van tien landen die willen meewerken. Het zogeheten ‘plan-Samsom’ kreeg felle kritiek. Nochtans is het eerlijk, efficiënt en bijna rechtvaardig.

1) Eerlijk. Dat betekent dat er voor het eerst duidelijk over een bovengrens wordt gesproken. Momenteel is er inderdaad in principe geen bovengrens. Maar om te vermijden dat er massaal vluchtelingen via het vliegtuig naar Europa zouden komen, heeft Europa beslist dat vliegtuigmaatschappijen alle kosten moeten dragen als hun passagier teruggestuurd wordt. Hierdoor moeten vliegtuigmaatschappijen zelf op voorhand het onderscheid maken tussen echte en onechte vluchtelingen, wat onmogelijk is.

Het gevolg is een hypocriete situatie: Europa zégt wel dat er geen bovengrens is, maar maakt het de vluchtelingen moeilijk en onveilig om naar hier te komen, waardoor een formele bovengrens niet nodig is. Een veilige doorgang aanbieden gekoppeld aan een bovengrens vermijdt deze hypocrisie en is eerlijk.

2) Efficiënt. Een veilige doorgang is bovendien efficiënt. De huidige situatie is immers niet alleen onveilig, maar ook moeilijk en duur. Het creëert een crimineel netwerk van mensensmokkelaars die duizenden euro’s vragen voor een gevaarlijke overtocht. Het Nederlandse plan kan dat criminele netwerk onderuit halen.

Daarenboven kunnen de vluchtelingen hun euro’s houden om een goede start te maken in het land van aankomst. En doordat de overtocht veilig en gecontroleerd is, zullen ook de meer kwetsbare mensen, zoals alleenstaande vrouwen en gezinnen met jonge kinderen voor wie de huidige overtocht vaak te gevaarlijk is, een aanvraag kunnen doen. Door het verwachte overaanbod van asielaanvragen zou men ook kunnen selecteren om bepaalde binnenlandse noden of onevenwichten te beheren.

Een belangrijke voorwaarde is wel dat er niemand anders via illegale kanalen kan binnenkomen en blijven, zoniet wordt het onveilige en criminele circuit weer rendabel gemaakt. Dat betekent het bewaken van de buitengrenzen en het consequent terugsturen van mensen die illegaal binnenkomen of boven de bovengrens komen. Hoe het terugsturen gebeurt, met een veerboot of vliegtuig, maakt op zich niet uit, als het maar menselijk gebeurt.

3) Bijna rechtvaardig. Als de toegang tot Europa voor vluchtelingen makkelijker en veiliger wordt, is er ook een formele bovengrens nodig, omdat anders miljoenen vluchtelingen via de legale weg zouden binnenkomen. Wereldwijd zijn er zo’n 50 miljoen vluchtelingen: we willen en kunnen die niet allemaal opnemen op een paar jaar tijd. Pleiten voor veilige en gemakkelijke route zonder bovengrens is pleiten voor een opengrenzenbeleid voor vluchtelingen. Dit is politiek en maatschappelijk haalbaar noch wenselijk.

Het principe van een bovengrens is dus aanvaardbaar. Het enige wat er schort aan het voorstel is dat de bovengrens veel te laag is: 250.000 vluchtelingen per jaar is slechts 0.05% van de totale Europese bevolking. België zal op basis van de asielvragen in 2015 ongeveer 30.000 vluchtelingen opnemen of 0.27% van de Belgische bevolking. Ter illustratie: 0.27% komt overeen met 1 extra leerling op een school van 370 leerlingen.

Als we 0.27% extrapoleren naar de totale Europese bevolking zijn dat 1,3 miljoen vluchtelingen per jaar. Beperk je je tot de tien landen uit het voorstel van Nederland dan kom je nog tot ongeveer het driedubbele dan Nederland voorstelt. De bovengrens is dus pas ethisch aanvaardbaar als ze veel hoger is dan nu voorgesteld.

4) Niet wettelijk? Het grootste struikelblok van dit plan is echter iets helemaal anders, namelijk de wettelijkheid ervan. Experts zijn het erover eens dat een plan met een bovengrens, hoe hoog, efficiënt en rechtvaardig die ook is, niet wettelijk is, omdat ze ingaat tegen de Conventie van Genève. Maar het alternatief is de huidige situatie, die wel wettelijk is, maar duidelijk verre van optimaal.

Vluchtelingen via vliegtuig

Een snelle blogpost over een systeem dat ik totaal niet begrijp.

Hier is een filmpje van Hans Rosling dat uitlegt waarom vluchtelingen een gevaarlijke en dure overtocht maken met een gammel bootje, in plaats van een goedkoper en veiliger overtocht te maken met een vliegtuig.

Het komt erop neer dat een Europese wet (!) alle kosten voor repatriëring van uitgewezen asielzoekers bij de vliegtuigmaatschappijen legt, als die persoon met hen naar Europa gevlogen is. Een vliegtuigmaatschappij moet dus op voorhand het onderscheid kunnen maken tussen echte en onechte vluchtelingen, iets wat zij uiteraard niet kunnen, ook al zouden ze proberen.

De reden dat de EU deze wet heeft, lijkt me simpel: stel dat je dit niet zou doen, dan zou Europa overspoeld worden, ook met echte vluchtelingen. We zouden die dan volgens de Conventie van Genève allemaal moeten opnemen, wat we natuurlijk niet willen (en niet kunnen). Die conventie laat immers niet toe dat een land een bovengrens instelt voor vluchtelingen. Een echte vluchteling kan dus geen bescherming geweigerd worden.

En dus wordt het fysiek moeilijk gemaakt dat vluchtelingen naar hier komen. Maar ze blijven komen, met gevaar voor eigen leven. En rijke mensensmokkelaars.

De oplossing is volgens mij simpel: schaf die EU-wet af en stel per land een (hoge!) bovengrens in voor vluchtelingen.

Wat zijn goede tegenargumenten voor dit voorstel?

Brief aan Joël De Ceulaer

Beste Joël De Ceulaer,

In navolging van je Knack-collega Peter Casteels, die zich een paar weken geleden in een brief tot Tom Lanoye richte, richt ik me vandaag in deze brief tot jou.

Maar waar Casteels de euvele moed had om Lanoye aan te manen om te stoppen met zijn columns, schrijf ik jou om het omgekeerde te doen, namelijk terug aan het opinieschrijven te slaan. En ik acht mijn brief moediger dan die van Casteels. Het is immers een publiek geheim dat iedereen zat te wachten tot die vervelende Lanoye eens op zijn plaats zou gezet worden. Daarentegen zal iemand die een brief schrijft om Joël De Ceulaer terug aan het opiniëren te zetten, al te makkelijk weggezet worden als een vleier. Maar dergelijke hoon raakt me niet, omdat ik weet dat het voor de goede zaak is.

Het werd met veel bombarie aangekondigd, je hield er zelfs een interview aan over in De Morgen. En terecht. Joël De Ceulaer die zegt te stoppen met zijn gevreesde Lastpost en Twitteropinies. Je was het beu om je beperkt aantal opinies (3,5 om precies te zijn) te horen herhalen. Je vreesde een karikatuur van jezelf te worden.

Je had er goed over nagedacht, zei je, om ermee te stoppen. Maar niet goed genoeg, volgens mij.

Ik heb er uiteraard geen probleem mee dat je even een sabbatical neemt, ik gun het je zelfs. Reculer pour mieux sauter. To come back with a vengeance, zoals je het wellicht zelf zou benoemen. Maar het was meer. Je lijkt niet meer te geloven in het spuien van opinies, ook niet als ze goed onderbouwd zijn. Of toch maar een paar keer, daarna stop je er beter mee. En dat stoot me tegen de borst. Ideeën zijn immers heel belangrijk, zeker als ze goed onderbouwd zijn. En dan is herhaling noodzakelijk.

En als de opiniemaker openstaat voor discussie over zijn opinie, kan een doorgedreven Socratische dialoog ons (dichter) tot de waarheid brengen. Want Socrates wist het al: om over een bepaalde kwestie (dichter) tot de waarheid te komen, heb je enkel en alleen twee personen nodig die bereid zijn open en rationeel met elkaar in gesprek te gaan. Politici zijn daarvoor niet geschikt, niet omdat ze de intellectuele capaciteiten ontberen, maar omdat het veranderen van zijn of haar initiële positie de kiezer enkel maar in verwarring brengt. Als politicus kan je je dat slechts een paar keer in je carrière permitteren. En dát is de reden dat politieke debatten geen zoektocht naar waarheid zijn, maar eerder het overtuigen van kiezers van je eigen waarheid.

Daar is niets mis mee, maar het verhoogt het belang van de opiniemaker wel. Jouw capitulatie is dan ook een spijtige zaak, omdat je het belang van het herhaaldelijk spuien van goed onderbouwde opinies lijkt te negeren, of op zijn minst te onderschatten. Met andere woorden, je bent te bescheiden in je rol als lastpost-opiniemaker.

Anderzijds ben je niet bescheiden genoeg, op het arrogante af. En dan betreft het je ambitie. Hoe essentieel de rol van een opiniemaker ook is, de individuele opiniemaker zal met zijn opiniemakerij nooit een zichtbare deuk in een pakje boter slaan. Hij zal het in ieder geval niet merken. Daarvoor is de impact te vaag.

Laat ik mezelf als anekdote nemen om mijn punt te illustreren. In mijn twintigerjaren was ik getuige van de opkomst van het Vlaams Blok. Die ideologie kon mij helemaal niet bekoren, maar ik vond ook mijn gading niet in de tegenstem van de toenmalige, linkse, politiek-correcte kerk. Gelukkig was er Liberales, een kleine, niet-professionele groep van mensen die zich liberaal noemen en die in hun opinies zich duidelijk en ferm afzetten tegen het racistische discours, maar die tevens niet vervielen in de val van het cultuurrelativisme, waar links wel aan leek te lijden. Ik heb het hen nooit expliciet gezegd, maar de opinies van veel van de andere kernleden van Liberales waren in die tijd een verademing voor mij. Hetzelfde met Het Blauwe Boekje van Sven Gatz en Patrick Vankrunkelsven. Wellicht weinig mensen die het boekje nog kennen, maar hun visie op het liberalisme heb ik van a tot z gelezen. En zo zijn er nog veel meer, om jouw inteviews in Knack niet te vermelden, die de ideeën en opinies van mensen vormen. Die vorming is echter niet duidelijk afgelijnd en de feedback die een opiniemaker krijgt is dan ook vaag.

Jij lijkt echter net dat aan je hart te laten komen: telkens maar die 3,5 opinies debiteren zonder dat de publieke opinie lijkt bij te draaien, laat staan de politieke klasse: een mens zou er moedeloos van worden. Foei, Joël! Je ambitieniveau moet lager of op zijn minst anders. Streef niet naar een zichtbare impact, maar weet dat er impact is. Als één telg in een medialandschap van meer dan 6 miljoen mensen zet jij inderdaad niet de toon. Dat gebeurt collectief, en je bent er één stem in. Een relatief veelgehoorde stem, ja, maar niet de dominante. Die heeft niemand.

Vergeet ook niet dat een publiek dynamisch is. Wekelijks vallen er mensen weg en komen er nieuwe bij. Ja, ook bij de lezers van Knack. Per jaar worden er in Vlaanderen ongeveer 65.000 mensen geboren, of ongeveer 1200 per week. Dat is dan ook het gemiddelde aantal nieuwe potentiële lezers, gewoon door het demografisch effect, die jouw 3,5 opinies nog nooit hebben gehoord of gelezen.

En dan die tweet. “#notetoself Op de tanden bijten, kerel”, tweette je. Waarin je duidelijk aangaf dat je je moest inhouden om niet te opiniëren. Ik weet niet waarover, maar dat doet er nu niet toe. Het gaat ver als je je moet inhouden, koketterend of niet, om je opinie te geven. Laat je gaan. Het is ook máár Twitter. Dat je recent toch je opinie gaf om Karl Drabbe te steunen, die wellicht bij uitgeverij Pelckmans ontslagen is omwille van zijn Vlaams-nationalistische ideologie, gaat in de juiste richting.

Om af te sluiten, enkele vrijblijvende tips om terug volwaardig aan het opinieschrijven te gaan:

  • Geen wekelijkse column. Misschien zelfs geen vaste frequentie. Doe sporadisch, wanneer de gelegenheid zich aandient. Een journalist van jouw kaliber kan dat makkelijk afdwingen. Het is dat of niets. Oplages schieten zonder twijfel in de hoogte, telkens een column van je hand verschijnt. Wat je onderhandelingsmacht over je loon niet zal ondermijnen.
  • Begin een blog. Laat je ideeën de vrije loop; tweet al eens een gedachte in de hoop op zinnige reacties die je idee verder aanscherpen. Schrijf op basis van die kleine blogstukje en tweets een meer coherente opinie. Paul Krugman doet het zo, en waarom zou Joël De Ceulaer zich niet mogen spiegelen aan Krugman?
  • Ongetwijfeld onnodig te zeggen, maar het internet zit vol trolls, zowel ter linker- als ter rechterzijde. Ik vermoed dat je vooral last heb van de V’tjes. Negeer het. Draag het zelfs niet als ereteken.
  • Ga in discussie met mensen die inhoudelijke tegenargumenten hebben. Heb geen schrik van kritische vragen: beantwoord ze.
  • Een journalist mag opinies hebben. Elke journalist heeft een eigen mens- en wereldbeeld. Het is dan ook eerlijker als je ook kleur bekent, zoals jij doet.

Neem deze tips ter harte, stop het kokketerende gedoe en ga terug aan de schrijf. Elke goed onderbouwde, relevante opinie verdient het om uittentreure herhaald te worden tot de opinie in kwestie in al haar nuances tot het repertorium van de publieke opinie behoort.

En ik beloof je, ik zal enkel de Knack kopen als je Lastpost erin staat.

Met vriendelijke groet,
Andreas Tirez

Is Wallonië verantwoordelijk voor haar relatieve armoede?

Hoe komt het dat Wallonië relatief armer is dan Vlaanderen en Brussel? Indien de Waalse politici (en dus hun kiezers) effectief verantwoordelijk zijn voor de relatieve Waalse armoede, dan is het legitiem om een splitsing te eisen. Solidariteit met zij die minder rijk zijn wordt aanvaard, is zelfs gewenst, indien deze situatie buiten hun wil om gebeurt, maar niet als het een vrije keuze is. Als Wallonië zelf kiest voor een beleid dat bijvoorbeeld meer gelijkheid brengt, maar een algemeen lagere welvaart, dan is dat de uitdrukking van hun politieke keuze. Maar dan moeten ze daar ook de (economische) gevolgen van dragen.

De vraag is echter of het om een keuze gaat. Hierna tracht ik aan te tonen dat er sterke aanwijzingen zijn dat de relatieve armoede in Wallonië grotendeels veroorzaakt wordt door externe factoren die politici (en hun kiezers) moeilijk kunnen beïnvloeden. Als mijn stelling klopt, dan is het volgens mij onethisch om niet solidair te blijven met het armere Wallonië.

Brussel is de economische hotspot

De grafiek hieronder geeft voor 2012 per gewest het bruto binnenlands product (BBP) per inwoner in verhouding tot het gemiddelde in België (in procenten). Wat onmiddellijk opvalt is dat de economische activiteit per inwoner in Brussel veel hoger ligt dan het gemiddelde (82,7% boven het gemiddelde), dat de Vlaamse economische activiteit samenvalt met het Belgische gemiddelde en dat de Waalse activiteit er een stuk onder ligt (27% eronder). Dat de Vlamingen gemiddeld toch rijker zijn dan de Brusselaars komt doordat er veel inwoners van het Vlaamse gewest naar Brussel gaan werken; de welvaart wordt echter gecreëerd in Brussel.

De plaats van de economische activiteit is in de Belgische context volgens mij erg belangrijk. Het geeft immers aan waar de welvaart gecreëerd wordt. En mijn basisvraag is: kan de politiek de plaats waar de welvaart wordt gecreëerd sturen?

bbp per capita - gewest

Ook als we dit per provincie bekijken, dan blijkt Brussel er bovenuit te torenen. Wat ook opvalt is dat Waals-Brabant, dicht tegen Brussel, een hogere economische activiteit heeft datn drie andere Vlaamse provincies. Enkel Vlaams-Brabant, dat Brussel omsluit, en Antwerpen, met de haven, doen het beter dan Waals-Brabant.

bbp per capita - provincie

Ten slotte geeft de onderstaande figuur het BBP per arrondissement (zonder Brussel). De provincie Waals-Brabant valt blijkbar samen met het arrondissement. Uit de figuur blijkt dat er heel wat Waalse arrondissementen het beter doen dan Vlaamse arrondissementen.

bbp per capita - arr

De nieuwe economische geografie

In 1990 gaf Paul Krugman aan de KULeuven een lessenreeks over handel en geografie en legde daarmee min of meer de basis van de “nieuwe economische geografie“. Ondertussen is die niet zo nieuw meer, maar de principes van de theorie zijn nog steeds actueel. In deze economische theorie tracht men rekening te houden met de ruimtelijke dimensie in de economie. Uiteraard betreft dit de transportkost, maar evenzeer concentratie- of agglomeratie-effecten. Voor veel aspecten is het voor bedrijven voordelig om zich dicht bij elkaar te vestigen.

Een voorbeeld is de haven van Antwerpen: uiteraard is er de haven die aanvoer en afvoer van goederen gemakkelijk maakt. Maar ook het vinden van gespecialiseerd personeel zal makkelijker worden omdat de bedrijvencluster deze mensen ook aantrekt. In de “nieuwe economische geografie” wordt meer en meer aandacht gegeven aan niet-tastbare zaken, zoals oversijpelingseffecten van kennis.

Ook steden kunnen als clusters bekeken worden. In België kan je volgens mij, behalve steden, nog twee andere soorten clusters onderscheiden: de Vlaamse havens, met Antwerpen op kop (maar ook Gent en Zeebrugge) die handel en industrie aantrekken, en Brussel, de administratieve hoofdstad van België, de Europese Unie en de NAVO en dus veel diensten. Eventueel ook nog de kuststreek, wegens het toerisme.

Clusters: politiek verantwoordelijk of niet?

Het ontstaan van clusters is zeer moeilijk te sturen en eens ze ontstaan versterken ze elkaar. Hoe belangrijker clusters zijn voor de rijkdom van een regio en hoe moeilijker clusters te sturen zijn, hoe minder verantwoordelijk je de politiek (en haar kiezers) kan stellen voor de gerealiseerde economische activiteit.

De onderstaande grafiek probeert het belang van steden als economische clusters te analyseren voor België. De grafiek vergelijkt de economische activiteit in een arrondissement met het aantal van dat arrondissement. De economische activiteit wordt berekend als BBP per inwoner ten opzichte van het Belgische gemiddelde (uitgedrukt in procent).

bbp per capita - scatter aantal

Het resultaat is erg verrassend: bijna 58% van de economische activiteit per inwoner wordt verklaard door het aantal inwoners van het arrondissement.

Ik bespreek hierna een aantal datapunten:

– Brussel (Hoofdstedelijk Gewest): scoort boven de trendlijn. Bovenop het clustereffect van de grootstad, speelt hier wellicht ook mee dat Brussel een administratieve hoofdstad is (zie boven)

– Antwerpen: het arrondissement scoort onder de trendlijn. Ook dat is verrassend: ondanks de havenactiviteiten produceert het arrondissement onder wat men op basis van deze analyse zou mogen verwachten. Dat is wellicht te verklaren doordat het arrondissement Antwerpen zeer groot is in vergelijking met Brussel

– Sint-Niklaas: produceert iets boven de trendlijn, misschien omdat een deel van de Antwerpse havenactiviteiten oversijpelen naar dit relatief kleine arrondissement (en dus een relatief grote impact heeft)

– Halle-Vilvoorde: iets boven de trendlijn; ligt bijna volledig rond Brussel en kan zo allicht meeprofiteren van de agglomeratie-effecten van Brussel (oversijpelingseffect)

– Mechelen: iets boven de trendlijn: ligt middenin de “Vlaamse Ruit” en profiteert misschien van deze agglomeratie-effecten (oversijpeling)

– Nijvel (dit arrondissement valt samen met de provincie Waals Brabant): iets boven de trendlijn. Het rijkste arrondissement van Wallonië, en allicht niet toevallig het kortst tegen Brussel.

– Charleroi en Luik: duidelijk onder de trendlijn. Geen belangrijke havens in de buurt, noch kort bij Brussel.

– Leuven: verrassend iets onder de trendlijn. Te verklaren doordat het geografisch zwaartepunt van dit arrondissement relatief ver van Brussel ligt (zie kaartje hieronder)

– Brugge: duidelijk boven de trendlijn; heeft ook de haven van Zeebrugge op haar grondgebied

– Tongeren: armste arrondissement, maar ligt ook in de periferie (grenst aan Luik)

– Kortrijk + Ieper: boven trendlijn; misschien een cluster met Rijsel (Kortrijk, Ieper en Rijsel liggen op 30 km van elkaar)?

De onderstaande grafiek toont het zelfde maar dan op de horizontale as de bevolkingsdichtheid (inwoners/km²) in plaats van het aantal inwoners per arrondissement. Gezien Brussel een sterke uitbijter is, wordt de logaritme genomen van de bevolkingsdichtheid.

De conclusie is min of meer dezelfde: hoe meer inwoners per km², hoe groter het BBP per inwoner. De verklaringskracht is met R² = 0,49 wel wat lager.

bbp per capita - scatter dichtheid

Door louter rekening te houden met de bevolking of de bevolkingsdichtheid, kan de economsiche activiteit verklaard worden voor 58 of 49%.

Zonder de bevolkingsdimensie is het verschil in BBP per capita tussen Vlaanderen en Wallonië 27%. Indien we echter corrigeren voor het aantal mensen per arrondissement verkleint dit verschil naar 15%, of een vermindering met 44%. Indien gecorrigeerd wordt voor de bevolkingsdichtheid, dan verkleint het verschil naar 9% of een vermindering met maar liefst 67%.

De onderstaande tabel geeft een synthese van de resultaten.

tabel met correctie

Dat de havens van Antwerpen, Gent en Zeebrugge, en het administratieve centrum Brussel economische clusters zijn die activiteit aantrekken, blijkt ook visueel uit het onderstaande kaartje.

kaartjeMaarten

Bron: NBB+Economieblog.be – Kaart: Maarten Lambrechts

Solidariteit met de arme Waal of met de rijke Vlaming?

Om terug te komen op het oorspronkelijke onderwerp: als de bovenstaande analyse klopt, dan wordt de economische activiteit sterk bepaald door zaken waarop politici (en hun kiezers) weinig vat op hebben. De havens liggen nu eenmaal in Vlaanderen; Brussel is nu eenmaal een belangrijk dienstencentrum.

Men zou kunnen argumenteren dat de causaliteit omgekeerd ligt: economische centra trekken mensen aan. Maar dat is net het punt: het is zeer waarschijnlijk een wederzijds versterkend effect: economische activiteit trekt mensen aan, mensen trekken op hun beurt economische activiteit aan, waardoor… Eens dit proces gestart is, heeft de politiek hier weinig vat op.

Men zou eveneens kunnen argumenteren dat mensen maar moeten verhuizen naar de economische centra. Maar dat zou natuurlijk het probleem van het armere Wallonië niet oplossen, integendeel: indien productieve Waalse werknemers massaal naar de economisch centra van Vlaanderen en Brussel zouden verhuizen, dan zou de activiteit in Vlaanderen en Brussel blijven en zou de activiteit in Wallonië afnemen (de bevolkingsdichtheid in Wallonië zou ook afnemen). Bovendien is het wellicht zo dat veel Franstaligen inderdaad naar Brussel verhuisd zijn, of toch in de omgeving van Brussel, onder meer in de Vlaams rand rond Brussel.

Men zou er ook voor kunnen opteren dat Waalse werknemers in Wallonië blijven wonen en dagelijks naar de economische centra pendelen. Dat lijkt echter niet zo eenvoudig te zijn, gezien de Vlaamse havens ver van Wallonië liggen. Brussel ligt meer voor de hand, wat dan ook gebeurt.

De bovenstaande cijfers zijn volgens mij een sterke indicatie dat de economische activiteit moeilijk te sturen is door de politiek. Dat betekent niet dat politici geen verantwoordelijkheid hebben: je kan immers ook verhinderen dat de economie zich ontwikkelt. Het betekent volgens mij wel dat sommigen in de discussie over noord en zuid in België de impact van politiek op economie overschatten.

Waarom kapitaalvriendelijke vakbonden nodig zijn

Voor De Tijd schreef ik een column waarin ik stelde dat het verhogen van de arbeidsproductiviteit minstens zoveel aandacht zou moeten krijgen als het verhogen van de werkzaamheidsgraad (ook al is die in België notoir laag). Het is immers vooral de gestegen arbeidsproductiviteit die in het verleden ervoor gezorgd heeft dat we nu per inwoner veel rijker zijn dan vroeger.

De overheid moet volgens mij dus ook een beleid voeren om die arbeidsproductiviteit te verhogen, zodat de automatisatie nog verder kan doorgevoerd worden met robots en intelligente algoritmes.

Ik kreeg op Facebook van Sara De Mulder de onderstaande vraag:

Metaalbedrijf gaat over tot collectief ontslag. Het bedrijf zal 5 miljoen euro die deze ontslagen arbeiders genereerden investeren in machines om het productieproces verder te automatiseren om meer winst te maken. Die winst zal gaan naar de eigenaar het bestuur en de aandeelhouder. Kan jij mij aan de hand van dit voorbeeld even uitleggen hoe dit de algemene welvaart en/of het aantal jobs zal verhogen? Tenzij natuurlijk met zeer hoge belastingen en radicale confiscatie van de winsten door de overheid die dan herverdeelt door middel van werkloosheidsuitkeringen? Alvast bedankt.

Het is iets waar –nog steeds- veel mensen voor vrezen: de robots zullen onze jobs afnemen en de kapitalisten (de rijken) alleen maar rijker maken. Hieronder probeer ik in te gaan op deze bezorgdheid. Het is een macro-economische benadering (in tegenstelling tot de vraag van Sara die gaat over het micro-economische niveau). Alle data voor de figuren komen van AMECO, een databank van de Europese Commissie.

Historische, macro-economische evoluties

De onderstaande figuur geeft de evolutie van de geproduceerde welvaart in België (BBP) in reële termen (in euro’s van 2010, dus aangepast voor inflatie) voor de periode van 1970 tot 2016; de laatste 2 jaren zijn een voorspelling. Op die bijna halve eeuw zal het BBP gestegen zijn van 150 miljard naar 386 miljard euro, of een stijging met 160% (of een factor 2,6).

evolutieBBP

Dat is een spectaculaire stijging. De vraag is hoe deze stijging er gekomen is. Daarvoor beschouwen economen (en de sociale partners) twee productiefactoren, arbeid en kapitaal, waarbij arbeid in gewerkte uren en kapitaal in euro’s wordt uitgedrukt.

De onderstaande grafiek geeft voor België de evolutie van het aantal gewerkte uren (arbeid of ‘labour’ – grijze lijn) en de evolutie van de hoeveelheid kapitaal (‘net capital stock’ – gele lijn) en vergelijkt dit met de evolutie van het BBP (blauwe lijn). Om die vergelijking te maken wordt alles herschaald waarbij de startwaarde in 1970 op 100 wordt gezet.

Wat uit de figuur onmiddellijk opvalt is dat de evolutie van het kapitaal nagenoeg hetzelfde verloop kent als dat van het BBP en dat de gewerkte uren nauwelijks veranderen .

evolutieLK

Om het eenvoudig te stellen: de stijgende welvaart is er niet gekomen omdat de werknemer meer uren werkte met het bestaande productiepark, of omdat de werknemer efficiënter omsprong met het bestaande productiepark. De welvaart is er gekomen omdat de werknemer een groter en beter productiepark tot zijn of haar beschikking had, en daar misschien ook wat efficiënter mee omsprong. Het zijn dus de kapitaalinvesteringen, per definitie door kapitalisten, die gezorgd hebben voor de stijgende welvaart.

Er zijn uiteraard nog wel andere verklaringen te vinden, zoals bijvoorbeeld productiviteitswinsten door schaalvoordelen door de meer doorgedreven specialisatie wat op zijn beurt mogelijk gemaakt is door globalisering. Ook is de kwaliteit van de arbeid toegenomen, aangezien de werknemers hoger opgeleid zijn (investeringen die vooral de overheid doet), wellicht ook nodig om de hogere kapitaalinvesteringen te laten renderen. Toch denk ik dat er consensus is dat de welvaartsgroei van de voorbije decennia (en eeuwen) gedreven is door technologische innovatie en dat je voor die innovatie vooral kapitaalinvesteringen nodig hebt, naast een aantal andere dingen zoals een grote markt waardoor er meer kan gespecialiseerd kan worden en een goed opgeleide beroepsbevolking.

De vraag is dan in welke mate de kapitalisten geprofiteerd hebben van hun enorm stijgende kapitaalvoorraad: hebben de kapitalisten dan ook alle productiviteitswinsten naar zich kunnen toetrekken?

Ook daar bestaan cijfers over: het loonaandeel (‘adjusted wage share’ in AMECO) geeft het percentage van het BBP dat naar lonen gaat; het overige deel wordt aangewend om het kapitaal te vergoeden (telkens vóór belastingen). De onderstaande figuur herneemt de eerste figuur met het BBP maar geeft nu ook aan welk deel van het BBP naar lonen gaat en welk deel naar kapitaal.

evolutieArbeidsaandeel

Zoals te zien op de figuur gaat iets meer dan de helft naar lonen, en die verhouding blijft min of meer constant. Het is dus helemaal niet zo dat het aandeel van het BBP dat naar kapitaal gaat veel sterker gestegen is dan het aandeel dat naar lonen gaat, ondanks het feit dat de kapitaalvoorraad meer dan verdubbeld is terwijl de arbeid (het aantal gewerkte uren) nagenoeg stagneerde. Meer nog, het loonaandeel is zelfs gestegen ten opzichte van 1970, van 55% in 1970 naar 60% in 2015.

Dat is op het eerste gezicht toch zeer opmerkelijk: blijkbaar zijn de werknemers er -alvast de voobije 45 jaar- in geslaagd om meer dan de helft van de productiviteitswinsten naar de werknemers te laten terugvloeien, ook al zijn die productiviteitswinsten naar alle waarschijnlijkheid in grote mate veroorzaakt door de enorme kapitaalinvesteringen, per definitie geïnvesteerd door de kapitalisten.

Uit het bovenstaande kunnen we ook de evolutie van het gemiddelde loon en het gemiddelde rendement op kapitaal afleiden (zie ook bijlage onderaan deze blog).

evolutiewr

Zoals te verwachten door de twee vorige figuren loopt de evolutie van het gemiddeld loon min of meer samen met de evolutie van het BBP, terwijl het gemiddeld rendement op kapitaal min of meer constant blijft. Dat geeft de volgende opmerkelijke conclusie:

–        Arbeid: de evolutie van het gemiddeld loon volgt het BBP, terwijl de gewerkte uren min of meer constant blijft.

–        Kapitaal: de evolutie van het gemiddelde rendement blijft min of meer constant, terwijl de netto kapitaalvoorraad het BBP volgt.

[In de jaren 1970 blijkt het gemiddeld loon wel sterker te stijgen dan het BBP, terwijl het rendement op kapitaal daalt.]

We kunnen zelfs stellen dat de hoge stijging van de kapitaalvoorraad sterk correleert met de hoge stijging van het loon. Voor de beschouwde periode is de correlatie 0,96. Dat is te zien op de onderstaande grafiek.

loon-kapitaal

Correlatie betekent nog niet noodzakelijk een oorzakelijk verband, maar in dit geval wijst alles er toch op dat het de kapitaalinvesteringen zijn die hogere lonen toelaten.

De reden waarom de kloof tussen werknemers en kapitalisten niet groter wordt, ondanks het feit dat er wel steeds meer kapitaal wordt opgebouwd en er niet meer uren gewerkt worden, is juist te verklaren omdat het rendement op kapitaal min of meer constant blijft en het loon per uur blijkt mee te stijgen met de economische groei.

Meer nog, het kan eenvoudig theoretisch afgeleid worden dat indien het arbeidsaandeel constant blijft en het aantal gewerkte uren niet stijgt, het loon de arbeidsproductiviteit zal volgen.

Hoe het macro-economische niveau (de economie) verzoenen met het micro-economische niveau (het bedrijf)?

De bovenstaande figuren gaan over de gehele economie. Deze figuren tonen duidelijk dat we meer kapitaalinvesteringen nodig hebben, en niet minder, als we de loontrekkenden rijker willen maken. Dus meer machines, robots en intelligente software.

Dat gaat volledig in tegen wat te zien is op het niveau van een bedrijf. Het voorbeeld van Sara De Mulder stelt dat heel scherp: door de kapitaalinvesteringen verhoogt de productiviteit, waardoor het metaalbedrijf meer winst kan maken door werknemers te ontslaan. Het gevolg is dat de kapitalisten rijker worden en de werknemers gemiddeld armer.

Hoe valt dit te rijmen met wat er op macro-economisch vlak te zien is? De theorie om dit te verklaren is de volgende. Stel dat er in de metaalsector maar 1 soort bedrijf en 1 soort werknemer is. Alle bedrijven in de sector maken evenveel winst en alle metaalwerknemers verdienen 20 euro per uur. Er is 1 bedrijf dat beslist om extra kapitaal te investeren om de productiviteit en dus de winst te verhogen. Hierdoor kan het bedrijf een aantal werknemers ontslaan. Na de investeringen zullen de de werknemers in de metaalsector gemiddeld armer zijn, omdat er een aantal onder hen werkloos geworden zijn. De werknemers die niet ontslaan zijn, zullen op korte termijn niets verliezen.

Op langere termijn, als blijkt dat het bedrijf effectief meer winst maakt, dan zullen de werknemers van dit bedrijf, als ze goed georganiseerd zijn, een deel van deze winst kunnen opeisen door een loonsverhoging te eisen (bijvoorbeeld 21 euro per uur). Indien eigenaars van het bedrijf hier niet op ingaan, staken de werknemers en verliezen de eigenaars (een deel van) de extra winst. Zorgt hun staking ervoor dat hun bedrijf failliet gaat, omdat de eigenaars blijven weigeren, dan kunnen de werknemers bij de andere bedrijven in de sector terecht, die het marktaandeel van het failliete bedrijf overnemen, tegen het gangbare loon van 20 euro per uur. De stakende werknemers hebben dus niet veel te verliezen. De eigenaars weten dat de stakende werknemers niet veel te verliezen hebben, en zullen, indien er werkelijk een extra winst wordt gemaakt, een loonsverhoging toestaan om een deel van de extra winst te delen.

Het metaalbedrijf in kwestie is nu productiever geworden. Meer nog, doordat het hogere lonen betaalt dan de concurrentie, kan het de betere werknemers aantrekken, wat het nog productiever maakt. De andere metaalbedrijven hebben dan de keuze: of ook de kapitaalinvesteringen doorvoeren, of overgenomen te worden door zij die de kapitaalinvesteringen doen. De golf van stijgende productiviteit is nu onvermijdelijk: investeer of ga failliet of wordt overgenomen. Na een tijdje is het eindresultaat dat de hele sector productiever is geworden, met extra winst tot gevolg. Indien de werknemers goed georganiseerd zijn, kunnen ze dan een deel van die extra winst opeisen.

Dat is exact wat er op macro-economisch vlak kan vastgesteld worden.

[De bovenstaande redenering is veel complexer in de realiteit. Ik geef alvast twee elementen:

  1. Je kan je afvragen waarom de werknemers niet in alle bedrijven staken om alsmaar hogere lonen te eisen, ook zonder kapitaalinvesteringen en extra winst. Als dat zou gebeuren dan komt er een punt waarop het bedrijf failliet gaat (of onvoldoende winst maakt om in business te blijven) waardoor het bedrijf stopt. De uitkomst van het geven of niet geven van een loonsverhoging is dan gelijk, wat niet het geval is als er extra winst gemaakt wordt.
  2. De productiviteitsstijging kan ook leiden tot lagere prijzen van het eindproduct, waardoor de vraag kan stijgen. Er is dan niet noodzakelijk extra winst voor de kapitalist of een loonstijging voor de werknemers, maar ook niet noodzakelijk ontslag van werknemers, omdat er meer geproduceerd kan worden.]

Maar dit betekent wel dat er telkens werknemers ontslagen worden. Zij missen niet alleen de loonsverhoging, maar vallen terug op de werkloosheidsuitkering. Dat is de prijs die we betalen voor de loonsverhoging. De grote uitdaging is dan om deze mensen zo snel mogelijk aan het werk te krijgen, waarbij ze op langere termijn overigens zelf zullen kunnen profiteren van de ondertussen afgedwongen loonsverhogingen. Een ander aspect is om het loonverlies door werkloosheid, zeker de eerste tijd, klein te houden, door een goede werkloosheidsverzekering. Op die manier wordt het risico van inkomensverlies door werkloosheid gesocialiseerd. Dat is efficiënt vanuit verzekeringsoogpunt, maar ook omdat werkloosheid door kapitaalinvesteringen inherent is aan het kapitalistische systeem, een systeem dat de loontrekkenden rijker maakt.

Belangrijk is wel dat het aantal jobs op peil blijft, zodat de ontslagen werknemers elders aan de bak kunnen. Dat is in het verleden steeds zo geweest: de werkloosheid is de laatste decennia niet gestegen, ondanks de grote productiviteitsstijgingen, en ondanks de emancipatie van de vrouw waardoor het aanbod van werknemers sterk steeg. Dat is te zien op onderstaande figuur. De grote stijging van de werkloosheid in de jaren 1970 is bovendien te verklaren door de grote loonstijging tijdens deze periode (zie supra), en niet door een te grote productiviteitstijging; die grote productiviteitsstijging  was immers ook in de jaren 1960 was en toch bleef de werkloosheid laag tijdens deze periode. Het is dus ook mogelijk dat werknemers te veel loon opeisen.

evolutieu

Conclusie: kapitaalvriendelijke vakbonden zijn nodig

Wat we dus nodig hebben als we de loontrekkenden rijker willen maken, zijn meer kapitaalinvesteringen. Dat betekent niet dat dit zonder problemen gaat. Die kapitaalinvesteringen leiden immers tot jobverlies in het bedrijf in kwestie, waardoor werknemers hun baan verliezen en op zoek moeten gaan naar een nieuwe job, op langere termijn overigens ook tegen een hoger loon. Dat is niet altijd evident, maar het is de prijs die we betalen om op langere termijn met zijn allen rijker te worden.

Mijn conclusie is dan ook dat de rol van de vakbonden cruciaal is, en wel op twee vlakken. Het is niet ondenkbaar dat zonder vakbonden het loonaandeel lager zou zijn dan het vandaag is. Als werknemers zich goed organiseren is volgens mij de kans groter dat het loonaandeel op peil wordt gehouden. Ten tweede, kunnen vakbonden ook mee de problemen oplossen die veroorzaakt worden op micro-economisch vlak (lees: mensen die door automatisering hun baan verliezen en opnieuw aan het werk moeten).

Maar vakbonden moeten ook kapitaalinvesteringen verwelkomen, ook al leidt dit op korte termijn in specifieke bedrijven tot jobverlies, omdat het de kapitaalinvesteringen zijn die op lange termijn iedereen rijker gemaakt hebben. Ik kan me vergissen, maar vaak lijkt die positieve houding ten opzichte van kapitaalinvesteringen en automatisatie te ontbreken bij de vakbonden. Dat is begrijpelijk als je enkel naar de effecten op korte termijn kijkt, maar onbegrijpelijk als je de effecten op lange termijn beschouwt.

Of ook in de toekomst kapitaalinvesteringen zullen leiden tot gemiddeld hogere lonen, is een open vraag. Het is net dat waarover Piketty zich zorgen maakt. Dat is voor een volgende blogpost.

 

Bijlage:

arbeidsaandeel + kapitaalaandeel = 100%

BBP = arbeidsaandeel * BBP + (100%- arbeidsaandeel) * BBP

=> BBP = totaleLonen + totaleKapitaalvergoedingen

=> gemiddeldLoon = totaleLonen / aantalGewerkteUren

=> gemiddeldRendement = totaalIngezetKapitaal / totale kapitaalvergoedingen

 

Meer sociale mobiliteit als antwoord op discriminatie

In de Terzake-uitzending van maandag 23 maart werd Bart De Wever geïnterviewd over de integratieproblematiek. In het interview was het vooral de volgende uitspraak van Bart De Wever die nadien alle aandacht trok (vanaf 5’33):

“Ik zeg dat er negatieve ervaringen bestaan die ook reëel zijn met bepaalde bevolkingsgroepen.” [“Wie dan?”] “Het gaat dan over mensen van Noord-Afrikaanse afkomst, vooral dan de Marokkaanse gemeenschap en vooral Berbers.  80 procent van de Marokkanen in Antwerpen zijn van Berberse origine. En we hebben het zeer moeilijk om daar sociale mobiliteit in te organiseren. Dat zijn ook heel gesloten gemeenschappen met wantrouwen tegenover de overheid, zwak georganiseerde islam, zeer vatbaar voor die salafistische stroming en dus ook voor die radicalisering en dat is natuurlijk ook geen reclame dat die mensen de televisie opzetten dag na dag en dan onthoofdingen zien en mensen die daarmee sympathiseren hier of zelfs naar daar vertrekken om daaraan deel te nemen. En racisme of afwijzing komt ergens vandaan.”

De reacties van oppositiepartijen en coalitiepartners en ook daarbuiten was er één van afwijzing. Sommigen gingen verder en noemden de uitspraken racistisch. Een week later diende een Marokkaanse organisatie zelfs een klacht in tegen De Wever wegens racisme.

Statistische discriminatie

Het interview met De Wever in Terzake bevatte echter nog heel wat andere interessante uitspraken. De volgende uitspraken zijn voor mij heel belangrijk om te kunnen inschatten hoe De Wever (en N-VA) aankijkt tegen de problematiek van discriminatie.

“racisme structureel aanpakken, denk ik, kan je alleen maar doen door sociaal-economische vooruitgang in die bevolkingsgroepen te realiseren, (…) een algemeen maatschappelijke taak die aangepakt moet worden” (4’40’’)

“sociale mobiliteit zal gevoelens van afwijzing en apartheid doorbreken” (11’35’’)

Deze uitspraken wijzen er volgens mij op dat Bart De Wever denkt dat veel discriminatie een specifieke, niet-racisistische vorm van discriminatie is, namelijk statistische discriminatie. Het is een economische theorie die stelt dat in een omgeving met onvoldoende informatie het rationeel is om gebruik te maken van stereotypen, waarbij dus groepsgemiddelden gebruikt worden. Ik geef drie voorbeelden om die theorie te illustreren.

  1. Stel dat je een babysit zoekt voor je kinderen. Je hebt een (irrationele?) angst dat je een pedofiel in huis haalt. Het is echter niet te zien aan mensen of ze je kinderen al dan niet zouden aanranden. Je weet dat bijna uitsluitend mannen pedofiel zijn. Het kan dan rationeel zijn om uitsluitend een vrouwelijke babysit toe te laten.
  2. Een groepje luidruchtige voetbalsupporters komt je tegemoet aan jouw kant van de straat. Je weet dat niet alle voetbalsupporters gewelddadig zijn, maar je hebt al genoeg verhalen gelezen en gehoord over hooligans en steekt voor alle zekerheid de straat over om het groepje te vermijden.
  3. Stel dat je een appartement wil verhuren. Eén van de grootste risico’s is het verhuren aan mensen die de huur niet (kunnen) betalen. Dat komt veel vaker voor bij mensen met een laag inkomen, maar het is niet altijd aan mensen te zien dat ze een laag inkomen hebben. Tegelijk weet je dat allochtonen veel vaker een laag inkomen hebben. Het kan dan rationeel zijn om niet te verhuren aan allochtonen.

De eerste twee voorbeelden zijn onschuldig en makkelijk herkenbaar. Het derde voorbeeld is veel belangrijker: uit recent onderzoek blijkt dat er bij 1 op 3 vreemde namen gediscrimineerd zou worden. Dat is maatschappelijk veel belangrijker, omdat een dergelijke discriminatie het allochtonen nog moeilijker gemaakt wordt, terwijl ze het al moeilijk hebben. Zo komen ze in een vicieuze cirkel terecht (en het gaat misschien ook knagen aan de zelfmotivatie en het zelfrespect, wat op zijn beurt weer negatieve gevolgen heeft).

Statistische discriminatie is dus wel degelijk discriminatie, met alle negatieve gevolgen voor zij die gediscrimineerd worden. Een dergelijke discriminatie is inderdaad, zoals De Wever impliciet aangeeft, op te lossen door sociaal-economische vooruitgang (of sociale mobiliteit) te realiseren bij allochtonen. Als allochtonen en autochtonen gemiddeld dezelfde sociaal-economische status hebben, dan geeft het al dan niet allochtoon zijn geen informatie over de inkomensklassen (wat nu dus niet het geval is).

Dat De Wever statistische discriminatie een belangrijk fenomeen vindt, blijkt ook uit het feit dat hij een aantal keren in het interview het belang onderstreept om positieve voorbeelden te tonen, verwijzend naar zijn eigen partij met politici van allochtone origine, om de negatieve stereotypering te doorbreken.

Statistische discriminatie betekent niet dat er geen discriminatie kan bestaan op basis van ras. De twee kunnen zeker naast elkaar bestaan. Het zou zelfs kunnen dat statistische discriminatie een voedingsbodem is voor “racistische discriminatie” doordat ze racisme maatschappelijk meer aanvaardbaar maakt. Daardoor zullen racisme en de kenmerken ervan meer voorkomen als er veel statistische discriminatie is. Het is heel moeilijk om de wisselwerking tussen deze twee vormen van discriminatie te begrijpen.

Zo blijkt ook dat hoogopgeleiden van vreemde origine minder snel uitgenodigd worden voor een job-interview. Op het eerste gezicht is hier geen sprake van statistische discriminatie, maar discriminatie op basis van afkomst. De vraag is dan in welke mate statistische discriminatie de “racistische discriminatie” in de hand zou kunnen werken. En omgekeerd, indien er geen redenen meer zouden zijn voor statistische discriminatie (omdat de allochtone groep gemiddeld dezelfde sociaal-economische positie heeft), zou er dan ook minder racisme zijn? Is hier überhaupt onderzoek naar?

Sociale mobiliteit is mogelijk

Een belangrijke voorwaarde om statistische discriminatie te bestrijden door sociale mobiliteit te realiseren is dat er voldoende talent aanwezig is in de sociaal-economisch achtergestelde groep. Voor een racist is het duidelijk: deze voorwaarde is niet vervuld (en dat is ook de basis van de rationalisatie van het racisme).

De Wever zegt hierover letterlijk het volgende:

“Maatschappelijk zijn we er alleszins niet in geslaagd om het talent dat in elke gemeenschap aanwezig is voldoende te exploiteren. Ik ben geen racist, dus ik ga ervan uit dat er in elke mens en elke gemeenschap evenveel talent zit” (6’56’’)

Deze uitspraak is radicaal tegengesteld aan wat een racist dus zou zeggen. Voor De Wever komt het erop aan om het aanwezige potentieel te ontwikkelen en dat potentieel is volgens hem niet bepaald door de gemeenschap waarin je geboren wordt. Bovendien is de maatschappij tekort geschoten om het aanwezige potentieel te ontwikkelen.

Conclusie: veel meer inzetten op sociale mobiliteit

Samengevat zegt De Wever dat hij wil inzetten op sociale mobiliteit en dat dit mogelijk is omdat er in alle groepen, ook bij allochtonen, evenveel talent zit. De maatschappij heeft gefaald om voldoende sociale mobiliteit te realiseren.

Dit was dan ook volgens mij de belangrijkste boodschap van het interview, en tegelijk een boodschap waar de hele politieke klasse mee akkoord gaat (behalve het Vlaams Belang). Bovendien is het ook zo dat het beleid dat sociale mobiliteit moet bevorderen onvoldoende gewerkt heeft. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel.

Er is een hele wetenschappelijke literatuur over sociale mobiliteit. Inburgeringscursussen zijn ruimschoots onvoldoende. Er moet meer aandacht, geld en middelen naar een breed opgezet gelijkekansenbeleid gaan, met focus op (zeer jonge) kinderen. En deze uitgaven moeten bekeken worden als investeringen waarvan de opbrengst pas binnen 10 of 20 jaar te zien zullen zijn.

Als N-VA het meent dat ze willen inzetten op sociale mobiliteit dan denk ik dat ze snel steun zullen vinden in de Vlaamse regering en weinig weerstand zullen ondervinden van de linkse oppositie.