Life is like a box of chocolates

Bij ons is het bij mijn weten geen traditie, maar in de Verenigde Staten worden er elk jaar rond deze periode heel wat commencement speeches gegeven wanneer studenten afstuderen. Bekende en succesvolle alumni worden gevraagd om hun levenservaringen te delen met de pas afgestudeerden.

Zelf ben ik sceptisch tegenover succesvolle mensen die achteraf goed kunnen uitleggen waarom ze zo succesvol geworden zijn. Toch zijn er twee speeches die me bijblijven. De eerste, Wear Sunscreen, werd geschreven door Mary Schmich en werd in 1999 half op muziek gezet door Baz Luhrmann. Het is een speech die velen van mijn generatie zich nog wel zullen herinneren. Het ene advies na het andere wordt gegeven, soms heel treffend, maar met vooraf een waarschuwing die al dat advies relativeert, omdat het slechts gebaseerd is op de “eigen meanderende ervaring”. Slechts op één vlak is de auteur echt zeker van haar advies: gebruik zonnecrème.

Een tweede speech die ik niet zal vergeten werd in 2013 gegeven door Ben Bernanke voor de afgestudeerden van Princeton. Bernanke werd in 2009 door Time uitgeroepen als man van het jaar wegens zijn belangrijke rol in het beheer van de financiële crisis en was op het moment van zijn speech nog steeds voorzitter van de Amerikaanse centrale bank. In zijn speech verwijst Bernanke naar Forrest Gump, een filmpersonage, en zijn bekende uitspraak ‘Life is like a box of chocolates. You never know what you’re gonna get’.

Bernanke wil met deze referentie aangeven dat hij geen groot carrièreplan had om de centrale bank te leiden, en nog minder om de wereldeconomie te redden. Hij was een professor Economie die op een bepaald moment een telefoontje kreeg vanuit Washington. En toen een paar jaar later de economie crashte, bleek hij toevallig de juiste persoon op de juiste plaats te zijn. Uiteraard mogen en moeten we zijn doortastend en moedig optreden prijzen. Maar toeval was evenzeer belangrijk en zijn bescheiden erkenning daarvan siert hem, en maakt van hem -helaas- ook eerder een uitzondering.

Dus aan alle afgestudeerden, lees de bescheiden speech van Bernanke, luister naar Baz Luhrmann en wantrouw succesvolle mensen die achteraf haarfijn kunnen uitleggen waarom zij wél alle juiste beslissingen genomen hebben om hun doel te bereiken. Het leven is onvoorspelbaar en toeval zal, naast talent en inzet, een grote rol spelen in veel van wat je doet en overkomt. Dat is geen tekortkoming aan het leven. Wie wil er immers nu al zijn eigen levensverhaal kennen?

Andreas Tirez

Deze tekst verscheen eerst als zomercolumn in DeMorgen.

Een rechtvaardiger asielbeleid is selectief

Momenteel zijn er in Brussel bijna 500 mensen in hongerstaking. Ze willen geregulariseerd worden om zo eindelijk legaal in ons land te kunnen verblijven. Sommigen onder hen zijn al meer dan tien jaar in ons land en hebben hier gewerkt en belastingen betaald. Deze individuele verhalen tonen hoe onrechtvaardig ons asielbeleid is.

Het probleem is dat die onrechtvaardigheid onvermijdbaar is. Wereldwijd zijn er meer dan 50 miljoen mensen op de vlucht. Daarvan laten we er in België hooguit een paar tienduizend per jaar toe. Het is dan ook een keiharde vaststelling: we laten vooral veel mensen die op de vlucht zijn niet toe. Maar het is politiek en maatschappelijk onverdedigbaar om de grenzen open te zetten.

Anderzijds is het ethisch maar zeer moeilijk te verdedigen om de grenzen niet open te zetten. Waarom heeft een Vlaamse baby veel betere toekomstperspectieven dan een Soedanese baby? Geen van beiden heeft ook maar één verdienste aan een al dan niet goed functionerende economie en overheid, die veiligheid en welvaart bieden. De Vlaamse baby heeft simpelweg een winnend lotje getrokken; de Soedanese baby een verliezend lotje. De ene heeft geluk; de andere brute pech.

Dat is ethisch moeilijk aanvaardbaar en het zou logischer zijn om op basis van deze ethische overwegingen te pleiten voor een opengrenzenbeleid. Maar geen enkele politieke partij overweegt dit, omdat het politieke zelfmoord zou zijn.

Als je niet alle mensen kan toelaten, dan moet je proberen om zoveel mogelijk mensen toe te laten. In een democratie moet je daarvoor de steun van de bevolking hebben. En dan is selectie een belangrijk middel. Door het grote aanbod aan vluchtelingen die naar België willen komen, is selectie mogelijk. Nadat de kwetsbare vluchtelingen zijn geïdentificeerd, zou binnen die groep moeten geselecteerd worden op integreerbaarheid. Daar kunnen verschillende criteria voor toegepast worden, zoals leeftijd en opleiding.

Maar de overheid zou ook moeten selecteren op de overtuiging van de nieuwkomer ten aanzien van de waarden van de liberale democratie, zoals gelijkheid van man en vrouw, tolerantie ten aanzien van andersdenkenden en seksuele geaardheid, en de vrijheid van meningsuiting. Om haar neutraliteit te versterken mag een neutrale staat actief de immigratie sturen.

Door nieuwkomers toe te laten die vlot integreren kan de democratische steun voor een gul asiel- en migratiebeleid groeien en zal je uiteindelijk meer mensen kunnen helpen. Dat is nog niet rechtvaardig in absolute zin maar wel rechtvaardiger dan wat we nu doen, en wellicht het hoogst haalbare.

Andreas Tirez

Deze tekst verscheen eerst als zomercolumn in DeMorgen.

Efficiënt jeugdvoetbal

Met de zege van België tegen Portugal, is voetbal in ons land nogmaals de belangrijkste bijzaak van de wereld geworden en krijgt ze alle aandacht. Nog meer dan vroeger zijn onze Rode Duivels wereldsterren geworden, en multi-miljonairs. Het doet heel wat jongens dromen van een voetbalcarrière en onze voetbalclubs zitten dan ook eivol. Vooral in een stedelijke omgeving zijn de voetbalkansen op wandel- en fietsafstand beperkt, zeker voor jongeren die niet uit de middenklasse komen en/of de tradities en gewoontes minder goed kennen.

Waar er schaarste is, wordt er geselecteerd. Dus ook bij het jeugdvoetbal, waar clubs koortsachtig op zoek zijn naar de toptalenten. En die zoektocht begint al op zeer jonge leeftijd. Het is geen uitzondering dat spelers van 7 jaar al “getransfereerd” worden naar een andere club, omdat een talentscout er de nieuwe Kevin De Bruyne in heeft gezien. Voetbal, en ook jeugdvoetbal, is hypercompetitief en als club wil je het risico niet lopen om dergelijk talent te missen.

Nochtans is er geen enkel bewijs dat talentscouting op jonge leeftijd goed werkt. Kinderen zijn nog in volle ontwikkeling en kunnen een voordeel of nadeel hebben op een domein dat toevallig belangrijk is voor voetbal, maar waar dat voordeel later opnieuw verdwijnt. Ook het geboortemaandeffect, waarbij iemand die in januari geboren is bijna een jaar ouder is dan iemand uit december, speelt volop op jeugdige leeftijd. Een selectie op snelheid en kracht is dan vaak niet meer dan een selectie op geboortemaand.

Door de sterke competitie tussen clubs en door het foute idee dat vroege talentscouting belangrijk is, is jeugdvoetbal erg selectief geworden, waarbij er teveel geoptimaliseerd wordt om te winnen en minder om -vaak nog verborgen- talent de tijd te geven zich te ontwikkelen. Op die manier gaat er heel wat talent verloren, omdat spelers “weggeselecteerd” worden, terwijl ze gewoon heel graag voetballen of even een tragere ontwikkeling doormaken.

Het is niet makkelijk om als individu hiertegen op te boksen. Zelf probeer ik wat tegengewicht te geven door mee te helpen in mijn buurt voetbal aan te bieden dat laagdrempelig is. Eenmaal per week wordt er getraind onder toezicht van een gediplomeerde trainer. Het is recreatief, maar niet vrijblijvend. Enkele enthousiaste jeugdtrainers en ouders uit de buurt helpen mee.  We noemen ons de Rode Ridders, een verwijzing naar de Ridderbuurt in Leuven en onze nationale voetbalploeg. Want ook onze spelers hebben ambitie en dromen van meer.

Andreas Tirez

Deze tekst verscheen eerst als zomercolumn in DeMorgen.

Ik niet

Het is twee weken geleden dat het lichaam van Jurgen Conings gevonden werd. De directe bedreiging van Marc Van Ranst is daarmee weg en hij kon dan ook het safehouse verlaten waar hij en zijn gezin meer dan een maand in ondergebracht waren.

In plaats van zich in het safehouse stil te houden, wat velen hem toen ook aanraadden, bleef Van Ranst zijn cassante zelf (of zijn arrogante zelf, naar gelang je houding tegenover hem). Hij ging zelfs regelmatig de confrontatie aan met mensen die Conings steunden. Hijzelf verantwoordde dit door te stellen dat indien hij zou zwijgen, hij zou toegeven aan de intimidatie.

Je kan hem misschien aanwrijven dat hij overdreef, maar dat is geneuzel in de marge. Van Ranst heeft gelijk wanneer hij zegt dat zwijgen gelijkstaat aan toegeven aan intimidatie. En toegeven was voor hem geen optie.

Het deed me denken aan “Ik Niet”, een boek van Joachim Fest, waarin Fest zijn ervaringen beschrijft als kind in de jaren 1930 in Duitsland. Zijn vader is een schooldirecteur en wil niet meegaan in het nazisme, ondanks toenemende druk, ook van zijn vrouw die wil dat haar man zich minder onbuigzaam opstelt in het belang van hun kinderen.

Maar vader Fest buigt niet, en uiteindelijk wordt hij ontslagen. Daarop roept hij zijn zonen bij zich en zegt “Ook al doen ze allemaal mee – ik niet”. Het verwijst naar onze individuele morele verantwoordelijkheid. Dat je altijd de keuze hebt om het goede te doen, ook al doen de mensen rond jou dat niet en ook al is het goede doen nadelig voor jou of je naasten.

We worden nagenoeg allen opgevoed met de zogezegde evidentie om steeds voor het goede te kiezen. Maar als je één van de weinigen bent die die keuze maakt, dan is dat helemaal geen evidentie meer. En die keuze krijgen mensen in hun (dagelijks) leven veel meer dan ze zelf denken. Het gaat om een collega die onheus behandeld wordt. Over een kennis die racistische “grapjes” maakt. Een vrouw die op straat wordt lastig gevallen. Een leraar die al dan niet controversiële cartoons wil tonen wanneer het over vrijheid van meningsuiting gaat. Telkens heb je de keuze: zwijg je of spreek je?

Van Ranst zweeg niet. Daarmee bewees hij zichzelf en zijn gezin geen dienst, maar wel één aan ons, omdat intimidatie een minder aantrekkelijke strategie geworden is van je eventuele tegenstanders.

De vraag is hoeveel mensen op dit vlak de moed en de kracht van de overtuiging zouden hebben om niet te zwijgen. Van Ranst heeft die moed en die kracht overduidelijk wel. Love him or hate him, maar daarvoor verdient hij ons respect.

Andreas Tirez

Deze column verscheen eerst als zomercolumn in DeMorgen.

Status en de traagheid van het leven

Deze week start de zomervakantie. Voor velen is het de ideale periode om wat gas terug te nemen en even wat traagheid in het leven te krijgen. De vraag is of dat enkel in de zomerperiode moet.

Een paar jaar geleden toerde Johan Braeckman, filosoof aan de UGent, met een lezing waarin hij pleitte voor meer luiheid. Braeckman had net een jaar verlof zonder wedde genomen en op zijn gemak een oude schuur gerenoveerd. Hij sprak in een interview over ‘opzichtige consumptie’, namelijk geld uitgeven om vooral status te signaleren en niet om reële behoeften te dekken. Braeckman pleit ervoor om dat vooral niet te doen. Het leuke is dat je dan minder geld nodig hebt, wat het makkelijker maakt om meer te kunnen doen wat je graag doet, zoals je vrienden en familie bij je thuis uitnodigen. Want dat is een andere raad van hem: blijf meer thuis. Want daar ben je pas echt vrij. En het is nog eens goedkoper ook, waardoor je minder moet werken voor je consumptie.

Ook al heeft de filosoof gelijk, hij heeft wel makkelijk praten. Na een jaartje verlof zonder wedde kon hij als vastbenoemde ambtenaar zijn oude job terug opnemen. En als bekende professor filosofie hoeft hij zich geen zorgen te maken over zijn status. Robert Frank, een Amerikaanse econoom, vindt het dan ook helemaal niet evident dat mensen ‘foert’ zeggen en zich niets aantrekken van wat anderen van hen denken. Mensen zijn sociale wezens en we zijn evolutionair geëvolueerd om het net heel belangrijk te vinden om bij de groep te horen. Streven naar erkenning van anderen en dus status verwerven zit inherent in ons, en daar hoort al snel opzichtige consumptie bij.

Frank vindt het dus te gemakkelijk om de verantwoordelijkheid bij de individuele consument te leggen. Hij vergelijkt opzichtige consumptie met een wapenwedloop, waarbij de ene reageert op de andere, voor meer, duurder en groter. Het unilateraal de-escaleren van een wapenwedloop lukt niet. En dus heb je iets nodig dat alle partijen aanmaant om de consumptie te de-escaleren. Voor Frank, een econoom, is dat een oplopende consumptiebelasting.

Zelf neem ik graag een tussenpositie in. Nee, het de-escaleren van je eigen opzichtige consumptie is niet zo makkelijk als Braeckman beweert, maar het is als individu ook niet zo dat je niets kan doen. Je kan best in de marge wat verbeteren en dat is beter dan niets. Dus blijf deze zomer al eens thuis en nodig je vrienden en familie daar uit, laat die dure fles wijn voor één keer maar in de kelder en bak wat frieten met een pintje bier voor je gezelschap. Succes gegarandeerd en je helpt je medemens om ook wat minder te consumeren.

Andreas Tirez

Deze column verscheen eerst als zomercolumn in DeMorgen.

Test-and-Trace om zo snel mogelijk uit de lockdown te komen

België is nu twee weken in een lockdown. Het effect ervan zouden we ongeveer nu moeten opmerken. De cijfers tonen nog steeds een stijgend aantal patiënten op intensieve zorg en een stijgend aantal doden. Toch lijkt de procentuele groei af te nemen, wat erop wijst dat we de piek naderen. Dat zou niets te vroeg zijn, want geen enkel gezondheidssysteem is bestand tegen een exponentiële groei van het aantal ernstig zieken, ook het onze niet.

Mij heeft het enigszins verbaasd dat er zo weinig openlijke tegenkanting is tegen de ingrijpende maatregelen. Er is namelijk niet alleen de sterke inperking van de individuele vrijheid, maar veel mensen zijn van de ene dag op de andere ook hun inkomen kwijt. Zonder dat er een duidelijk zicht is op een onmiddellijke verbetering, integendeel. De economische kosten zijn gigantisch en hoe langer de lockdown duurt, hoe groter die kosten.

Boven op de zichtbare menselijke en economische kosten zijn er onzichtbare, sociale kosten. Voor heel wat mensen is een lockdown met het gezin misschien best wel prettig. Voor veel andere mensen is dat helemaal anders. Alleenstaanden die dreigen te vereenzamen, koppels met partnergeweld en kinderen in disfunctionele gezinnen die nu helemaal geen kant op kunnen.

Kortom, het is een evidentie dat de lockdown zo snel mogelijk versoepeld moet worden, zonder de medische capaciteit te overschrijden. Dat is een delicate oefening, omdat de effecten van een versoepeling slechts na twee of drie weken zichtbaar zijn. Als de versoepeling te groot was, komt de bijsturing te laat. Als de versoepeling niet ver genoeg ging, heb je minstens drie weken bijkomende grote maatschappelijke kosten.

EXITSTRATEGIE

Het is nu nog te vroeg om te versoepelen, omdat de piek nog moet komen. Het is echter niet te vroeg om al een exitstrategie uit te werken. Daarvoor is de overheid volop de testcapaciteit aan het uitbreiden. De taskforce daarvoor staat onder leiding van Philippe De Backer (Open Vld), niet alleen minister, maar ook doctor in de biotechnologie. Hij kondigde aan dat in de loop van deze week de testcapaciteit vervijfvoudigd wordt naar 10.000 tests per dag, om daarna de capaciteit nog verder op te drijven. België zou daarmee wereldwijd in het koppeloton komen. Dat geeft vertrouwen.

Om het effect van massaal testen te maximaliseren, moet het testen intelligent gebeuren. Dat kan via een zogenaamde test-and-trace-strategie. Dat houdt in dat je bij een positieve test in quarantaine geplaatst wordt. Vervolgens worden je contacten van de voorbije tijd opgespoord, het zogenaamde contact tracing, en ook getest. Als er dan opnieuw positieve testen zijn, worden op hun beurt hun contacten opgespoord en getest, tot alle opgespoorde contacten negatief testen. Die contact tracing kan efficiënt en betrouwbaar gebeuren via een app op een smartphone. Op die manier kunnen we van een totale lockdown evolueren naar een selectieve lockdown, waarbij enkel besmette en kwetsbare mensen contact vermijden.

POLITIESTAAT

Een app die je contacten bijhoudt, is een mogelijke inbreuk op de privacy. En dat is een belangrijk element. Na de pandemie willen we niet ontwaken in een politiestaat die je doen en laten in detail kan traceren. Het opgeven van je privacy moet dan ook zo beperkt mogelijk zijn en je moet de app na de pandemie kunnen verwijderen.

Om aan contact tracing te doen heb je in principe enkel de data nodig over je contacten van de voorbije twee of drie weken. Het is niet nodig om de plaats, tijdstip, frequentie en duurtijd van het contact bij te houden. Het is enkel nodig bij te houden dát er een contact geweest is. Deze gegevens kunnen dan versleuteld op je telefoon worden bewaard. Als je positief test, krijgt je app de toelating om je contacten te waarschuwen. Op die manier is het zelfs niet nodig dat een centraal systeem de data bijhoudt. Als je nooit positief test, heeft niemand de data ooit gezien.

Er zijn zeker goede redenen te bedenken waarom er toch centraal data zouden worden verwerkt. Maar dat moet de overheid dan klaar en duidelijk uitleggen. Zo lijkt het me moeilijk om een volledig gedecentraliseerd systeem uit te werken (dus zonder dat de overheid data krijgt) terwijl je toch kan garanderen dat alle contacten van een besmette persoon zich laten testen.

Het zal cruciaal worden om over de privacyaspecten transparant te communiceren, maar test-and-trace is volgens mij onontbeerlijk om de enorme maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in de De Morgen.

Waarom sneakers van 400 euro problematisch zijn voor wie voor kansarmen opkomt

Het is ondertussen een aantal weken geleden dat Conner Rousseau, de nieuwe sp.a-voorzitter, bij de koning langs mocht. Het leidde tot het relletje van de week, omdat Rousseau voor die gelegenheid sneakers droeg, een type van sportschoenen.

Het was niet zozeer het schoenentype dat de controverse stuurde, dan wel de kostprijs ervan. 400 euro zouden de schoenen gekost hebben. En toen zijn entourage de sp.a-voorzitter had gewezen op de mogelijke consternatie die dat teweeg zou kunnen brengen, zou hij naar verluidt geantwoord hebben dat hij eerst nog duurdere schoenen had willen aandoen.

Het was best komisch om de controverse op Twitter te volgen: rechtse twitteraars en trollen spraken er schande van. Linkse twitteraars en trollen hadden dan weer vaak begrip voor Rousseau, niet in het minst mijn favoriete linkse trol Pensioenspook.

Hieronder ga ik betogen dat het opzichtig dragen van dure schoenen problematisch is voor een politicus die wil opkomen voor mensen aan de onderkant van de inkomensklasse, die het moeilijk hebben om de eindjes aan elkaar te knopen.

Ik baseer me daarvoor op de redenering die de Amerikaanse econoom Robert Frank ontwikkelt in zijn boek Success and Luck. Good Fortune and the Myth of Meritocracy. Volgens mij is er ook een duidelijke link tussen het opzichtig dragen van dure schoenen en de armoedegrens, omdat deze grens in relatieve termen gedefinieerd wordt (doorgaans 60% van het mediaaninkomen). Die twee zaken starten immers van dezelfde premisse, namelijk dat mensen geen eilanden zijn en zich laten beïnvloeden door wat mensen uit hun omgeving doen.

Expenditure Cascades

Robert Frank begint zijn hoofdstuk 7 van Success and Luck met de vaststelling dat de kost van een huwelijksfeest, gecorrigeerd voor inflatie, in de VS gestegen is van gemiddeld 11.000 dollar in 1980 naar 30.000 dollar in 2014. Een huwelijksfeest moet “speciaal” zijn, en blijkbaar is de standaardkost van wat speciaal is verdrievoudigd op 35 jaar tijd.

Toch heeft die hogere gemiddelde kost voor een huwelijksfeest de trouwende koppels niet gelukkiger gemaakt. De reden waarom de standaardkost van een huwelijksfeest en, meer algemeen, de standaardkost van een gewoon leven, zo sterk gestegen is, is volgens Frank te verklaren doordat mensen kijken naar wat andere mensen doen. Als de absolute inkomenstop meer uitgeeft, dan zal de subtop ook meer uitgeven, gezien deze twee groepen met elkaar in aanraking komen. De middengroep, die ook de stijgende uitgaven ziet bij de subtop zal vervolgens ook meer uitgeven, waarna de lagere middenklasse en uiteindelijk de onderklasse meer willen uitgeven.

De impact van deze “uitgavencascade” wordt versterkt indien de inkomensongelijkheid stijgt en indien essentiële goederen en diensten privaat (en niet collectief) gefinancierd moeten worden, zoals degelijk onderwijs en gezondheidszorg. De impact van een uitgavencascade is dus sterker in een land als de VS dan in België.

Met andere woorden, indien het mechanisme van de uitgavecascade werkt, dan zal een hogere zichtbare(!) consumptie, zoals opzichtig dure schoenen of een duur huwelijksfeest, doorsijpelen naar de hele maatschappij. De sociale consumptienorm wordt bijgevolg door opzichtige consumptie opgehoogd.

Het ophogen van de sociale consumptienorm heeft een verspilling tot gevolg. Of je nu schoenen draagt van 150 of 400 euro zal wellicht niet zoveel impact hebben op de schoenervaring, net zoals een huwelijksfeest van 10.000 of 30.000 dollar het trouwende koppel gemiddeld niet significant gelukkiger maakt. Dat leidt tot een verspilling: je geeft meer uit, zonder dat er een hoger nut tegenover staat.

Robert Frank vergelijkt het met wat er kan gebeuren in een voetbalstadion: de eerste die gaat recht staan om een beter zicht te hebben zorgt ervoor dat de persoon achter zich minder goed kan zien, waardoor deze ook gaat rechtstaan, waardoor de volgende persoon ook gaat rechtstaan. Heel snel staat iedereen recht. Op dat moment hebben ze een even goed zicht op de wedstrijd als toen ze allen nog zaten. Alleen moeten ze voor datzelfde zicht nu de hele tijd rechtstaan. De kost is hoger, maar heeft niet geleid tot een hoger nut.

Het probleem is dus dat als schoenen van 400 euro of huwelijksfeesten van 30.000 dollar de norm worden, diegenen met schoenen van 150 euro of een huwelijksfeest van 10.000 dollar zich in een lagere positie voelen (of diegene die in het voetbalstadion halsstarrig blijft zitten en niets kan zien). En die ervaring van de veranderde relatieve positie zijn voor de menselijke natuur erg moeilijk te negeren, “since relative position was always by far the best predictor of reporductive success”, dixit Frank.

Mensen die opzichtig consumeren, liggen dus mee aan de basis van een consumptiewedloop, te vergelijken met een wapenwedloop tussen twee rivaliserende landen, of wat Frank de “positional arms race” noemt.

Relatieve armoedegrens

Je kan je afvragen of het wel klopt dat mensen de sociale consumptienorm zo sterk volgen, zoals Robert Frank aanhaalt. In een eerdere blogpost uit 2017 schreef ik over wat Johan Braeckman daarover te zeggen heeft: “In een prachtig interview in De Tijd van deze zomer riep Johan Braeckman, moraalfilosoof (UGent), op om het rustiger aan te doen. Hij pleit voor minder consumeren en trager leven. Blijf meer thuis en nodig mensen daar uit. Dat is goedkoper en minstens zo leuk, zo stelt hij. Teveel mensen laten zich meezuigen door de dwingende sociale norm, waardoor ze zichzelf dreigen voorbij te lopen. ‘Keeping up with the Joneses’ is wijdverspreid: als je buurman een grote auto heeft of naar dat nieuwe restaurant gaat, wil jij dat ook. En we gaan toch nog geen mensen uitnodigen vooraleer ons huis tip-top afgewerkt is?

De oproep van Braeckman is de logica zelve. Als het allemaal zo druk is, met stress en burn-out tot gevolg, waarom dan niet wat rustiger aan doen? We zijn toch rijk genoeg geworden? Maar we doen het niet. Of lang niet voldoende. Braeckman is de zoveelste in het rijtje die oproept om te ‘consuminderen’ en om meer te doen wat er toe doet. We lezen wel instemmend, maar gaan komende winter terug lekker gaan skiën, en klagen dat alles te druk is.

Mijn hypothese is dat het voor de overgrote meerderheid van de mensen erg belangrijk is om aan de sociale norm te voldoen. En dat geldt voor mensen in alle inkomensklassen. Zolang dit het geval is, is het logisch en consequent dat de armoedegrens gebaseerd wordt op de sociale norm, en dat de armoedegrens bijgevolg een relatieve grens is.”

Langs de ene kant heeft Braeckman gelijk: het zou inderdaad beter zijn om niet mee te gaan met de sociale norm als het over consumptie gaat die objectief gezien niet nodig zijn om een goed leven te kunnen leiden. Maar blijkbaar zitten mensen zo niet in elkaar: we laten ons sterk beïnvloeden door wat er in onze omgeving gebeurt, ook al is dat objectief gezien niet nodig om een goed leven te kunnen leiden. Gewoon het feit dat genoeg anderen die consumptienorm volgen maakt dat die consumptienorm (voor velen) nodig is om een goed leven te leiden.

Robert Frank gaat zelfs nog een stapje verder. Hij stelt dat het in realiteit geen optie is om de sociale consumptienorm te negeren. Hij is dan ook geen fan van de uitdrukking “keeping up with the Joneses”, omdat dat de indruk geeft dat jaloezie en afgunst de drijfveer zijn om meer te consumeren, wat moeilijk aanvaardbaar is. Volgens Frank is de drijfveer anders en ligt die veel dieper. We zijn als mensen voorgeprogrammeerd om als lid van de groep aanvaard te worden, omdat dat erg belangrijk was (en is) voor ons overleven. We zijn als mensen voorgeprogrammeerd om ons slecht te voelen als we niet aan de sociale norm kunnen voldoen. Om het kernachtig uit te drukken: tegen mensen zeggen dat je je moet onttrekken aan de sociale norm, is tegen mensen zeggen geen mens te zijn.

De link met het verdedigen van een relatieve armoedegrens is dan overduidelijk. De armoedegrens is zo gedefinieerd dat het bepaalt welk minimuminkomen je nodig hebt om op een menswaardige manier te kunnen leven. Als de sociale norm verhoogt, zal ook het inkomen dat je nodig hebt voor een menswaardig leven verhogen, omdat het des mensen is om aan de sociale norm te voldoen. De armoedegrens moet dan ook in relatieve termen gedefinieerd worden.

Links en rechts inconsequent

Tot slot en wat kort door de bocht: “rechts” valt doorgaans het relatieve karakter van de armoedegrens aan en pleiten eerder voor een absolute armoedegrens. Bij een relatieve armoedegrens blijft de armoedegraad dezelfde in het geval alle inkomens verdubbelen, wat deze critici een aberratie vinden. Sommigen van datzelfde “rechts” schreeuwden wel moord en brand toen Rousseau opzichtig dure schoenen droeg. Maar als er geen negatieve effecten zijn op de mensen aan de onderkant van de inkomensschaal, wat is dan het probleem?

Anderzijds is het zo dat “links” doorgaans wel een relatieve armoedegrens verdedigt. Toch waren er heel wat die Rousseau verdedigden en de hele hetze maar een storm in een glas water vonden. Hierdoor wordt het negatieve effect van opzichtig dure consumptie genegeerd of op zijn minst geminimaliseerd. Waarom dan nog pleiten voor een relatieve armoedegrens? Mensen kunnen volgens zij die dit minimaliseren zich blijkbaar wel onttrekken aan de dwang die zou uitgaan van een sociale norm.

Bij deze probeer ik dan ook een consequent standpunt te verdedigen. Ik ben ervan overtuigd dat de armoedegrens relatief moet gedefinieerd worden. Ik vind het dan ook problematisch dat een politicus die meent op te komen voor armen er geen graten in ziet om opzichtig te consumeren.

Geef mij dan maar Louis Tobback die in de jaren ’90 met zijn Peugeot 205 rond hoste.

Maaike Neuvilles kritiek op de politiek schiet compleet naast doel

In een opiniestuk in DeMorgen van ondertussen een week geleden vergelijkt Maaike Neuville, een Vlaamse actrice, de Vlaamse parlementsleden met spelende, joelende kinderen. Ze schreef haar opinie nadat ze getuige was geweest van het debat over de Vlaamse begroting in de plenaire zitting, met onder meer deze passage:

Ik zag hoe jullie, als kleine kinderen in een speeltuin, om de haverklap afgeleid waren, moord en brand schreeuwden als iemand iets van jullie dreigde af te pakken en vooral: hoe jullie systematisch weigerden te luisteren naar elkaar.

Ze doet in haar opiniestuk ook de volgende suggestie:

Is het niet eens tijd om na te denken over een politiek systeem waar niet partijen het voor het zeggen hebben, maar mensen? Nodig systematisch burgers uit, experten, mensen uit het veld, om mee in debat te gaan. Niet één keer. Maar elke zitting opnieuw.

Het zijn scherpe woorden van de Vlaamse actrice. Haar opinie getuigt volgens mij echter van een ernstig gebrek aan kennis van de werking van een parlement.

De plenaire zitting, de wekelijkse vergadering waar alle parlementsleden samenzitten, is inderdaad een vorm van toneel, waarbij de partijen (en eigenlijk eerder meerderheid tegenover oppositie) hun argumenten voor en tegen nog eens oplijsten, zonder de verwachting dat er nog standpunten gewijzigd worden. Het échte werk is dan immers al lang uitgevoerd. Een begroting komt immers pas naar de plenaire na een reeks voorbereidende parlementaire activiteiten, die de media vaak niet halen.

De precieze werkzaamheden die leiden tot de stemming van een begroting kende ik niet, maar een eenvoudige vraag op Twitter leerde mij dat de parlementaire voorbereidingen meer dan een maand in beslag nemen. Ondertussen wordt de klassieke agendacommissie opgeschorst. (zie tweets van Thomas Leys en Thijs Verbeurgt) Bovendien is er ook het advies van het Rekenhof. Men gaat dus niet zomaar over één nacht ijs. En het is niet verwonderlijk dat men na meer dan een maand debatteren de standpunten niet meer zal wijzigen wanneer in de plenaire zitting formeel gestemd wordt (in de commissies wordt ook gestemd, maar enkel de plenaire zitting kan wetten stemmen).

Zelf heb ik ook die ervaring als expert in energie, werkzaam bij de federale energieregulator. Wij worden als experts vaak uitgenodigd in de Kamercommissie over energie, dikwijls ver weg van camera’s en media, waar beslagen parlementsleden pertinente vragen stellen over een complex onderwerp. Maar natuurlijk worden wij nooit uitgenodigd in de plenaire zitting, omdat de uitwisseling van standpunten, tussen parlementsleden en met experts, dan al lang achter de rug is.

Het is zeker niet zo dat het parlement perfect werkt. Dat zal elke politicoloog of parlementslid u kunnen getuigen. Ja, er zijn veel te veel parlementsleden die onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen en vooral uit zijn op media-aandacht of zelfs dat niet. Maar meer fundamenteel is volgens mij dat veel decreten en wetten vaak niet voorbereid worden in de openbare parlementaire commissies, maar in interkabinettenwerkgroepen (IKWs), vergaderingen van kabinetsadviseurs van de verschillende betrokken ministers. Die zijn niet openbaar en erg gevoelig voor gelobby.

Als onze politieke besluitvorming ergens een zwakheid vertoont, dan zit het in die verdoken, weinig transparante manier van wetten voorbereiden door kabinetsadviseurs, omdat het gelobby verdoken kan gebeuren. Het leidt tot vriendjespolitiek en -naar mijn ervaring en wat ik her en der lees- tot het beschermen van de bestaande bedrijven en organisaties voor al te hevige concurrentie. Met andere woorden, de politiek verwart te vaak een beleid dat goed is voor de bedrijven met een beleid dat goed is voor de vrije markt en de consument. Zo zou volgens professor Gert Peersman te veel regulering en te weinig competitie een belangrijke verklaring kunnen zijn voor het achterblijven van de Belgische economische groei in de eurozone (zie ook zijn presentatie over de Belgische economische prestatie). Als dat aan de manier van besluitvorming ligt, dan betalen we dat cash met lagere economische groei.

Het mag dus duidelijk zijn dat onze politieke besluitvorming zeker nog kan en moet verbeteren. Maar de kritiek van Maaike Neuville op het politieke theater in de plenaire zitting is niet de essentie. Ze miskent met haar kritiek het vele en soms hoogstaande werk dat in de parlementaire commissies wordt uitgevoerd. En ze mist waar het echt aan schort in onze politieke besluitvorming: de weinig transparante manier waarop wetsontwerpen en koninklijke besluiten worden voorbereid door de kabinetten.

Andreas Tirez

Minder subsidies voor kunst, meer subsidies voor kinderen

De geschiedenis herhaalde zich deze week. Bij de bekendmaking van de besparingen door de Vlaamse regering stond opnieuw de kunstsector in rep en roer, net zoals vijf jaar geleden toen de toenmalige Vlaamse regering zijn besparingsplannen ontvouwde.

De uitvoerigheid waarmee de subsidieverdedigers in de media bediend worden, blijft mij verbazen. De argumenten om kunst te subsidiëren zijn immers nogal pover. Dat kunst de wereld zal redden, is de laatste decennia niet gebleken. De maatschappelijke discussies worden al lang niet meer gedomineerd door schrijvers, dichters, muzikanten, theatermakers of andere kunstenaars, maar door politici, filosofen, politicologen en andere academici. Kunst is meer en meer een persoonlijke beleving geworden.

Uit de participatiesurvey van 2014, de laatste cijfers die we hebben, blijkt bovendien dat de voornaamste drempel voor participatie alvast niet de te hoge ticketprijs is, maar dat het de mensen “gewoon niet interesseert”. Het specifieke aanbod of kunst in het algemeen is niet voor iedereen weggelegd en de persoonlijke beleving van kunst zou dan ook niet met belastinggeld mogen gefinancierd worden. Als de kunst die gebracht wordt echt zo kwaliteitsvol en internationaal gewaardeerd is, dan kan die ticketprijs wel naar omhoog. De hoogopgeleiden, in grote mate het kunstpubliek, kunnen dat vaak wel betalen. Minder subsidies leiden dan tot een minder sterk mattheuseffect.

Dat er ook besparingen zijn in andere sectoren, zoals bijvoorbeeld in het onderwijs, komt nauwelijks nog aan bod. En dat was vijf jaren geleden niet anders. Tom Naegels berekende het destijds voor De Standaard: van de dertien opiniestukken over de Vlaamse besparingen in 2014 gingen er acht over de besparingen in de cultuursector, terwijl andere sectoren eveneens moesten besparen.

JEUGDSPORT EN KANSARMOEDE

Het is iets wat me de laatste jaren meer en meer is gaan storen. De culturele wereld slaagt er steevast in om de besparingen in haar sector op de agenda te zetten. Het belang van die agendasetting mag niet worden onderschat. Het is bij wijze van spreken de helft van het werk als je een maatschappelijk probleem wil oplossen. Andere sectoren slagen er veel minder goed in hun probleem op de politieke agenda te zetten, terwijl de maatschappelijke noden er soms veel groter zijn.

Een interessant voorbeeld is de jeugdsport en meer bepaald het jeugdvoetbal. Twee weken geleden verscheen er een open brief van veertien lokale Gentse voetbalclubs aan Voetbal Vlaanderen. Die lokale clubs werken in een stedelijke context. Dat brengt heel wat uitdagingen met zich mee, niet in het minste door de kansarmoede in de steden. En we weten dat die de afgelopen jaren niet is afgenomen. De clubs klagen de gebrekkige ondersteuning door de voetbalfederatie aan.

Het is een probleem dat al jaren aansleept. De voetbalfederatie is een conservatieve wereld die vooral gericht is op het zoeken naar jongens met toptalent, waarbij kansengelijkheid en het recreatieve een bijrol spelen. Het vele geld dat er in voetbal rondgaat, wordt nagenoeg uitsluitend gebruikt voor de topspelers in de eerste ploeg, terwijl het jeugdwerk berooid achterblijft. Dat zou de voetbalbond kunnen aanpakken, maar daar vangen de lokale clubs die wel een hart voor inclusie en diversiteit hebben, steevast bot.

Onder deze aanklacht schuilt een belangrijke maatschappelijke problematiek, namelijk die van gelijke kansen, zowel van meisjes die willen voetballen als van kansarme kinderen die zich via sport in clubverband kunnen ontwikkelen. Maar ik durf er gif op in te nemen dat de overgrote meerderheid de open brief van de lokale voetbalclubs en de andere initiatieven die ze in het verleden genomen hebben al lang vergeten zijn, als ze het al opgepikt hebben. In de Vlaamse kwaliteitskranten heb ik er nauwelijks een bericht over teruggevonden. Dat jazzpianist Jef Neve boos is over de dalende subsidies in cultuursector zal echter elke lezer van De Morgen hebben zien passeren.

Dat kunnen we Jef Neve en de kunstsector moeilijk aanwrijven. Iedereen heeft het recht om zijn ongenoegen te uiten en voor zijn of haar sector op te komen. Maar het is goed om weten dat de megafoon waarmee een probleem wordt verkondigd niet noodzakelijk betekent dat het probleem ook groot is. Het komt misschien gewoon doordat sommigen slimmer de agenda weten te bepalen. En een kansarm kind of een geëngageerde jeugdtrainer heeft zelden een megafoon.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk in De Morgen.

Boekbespreking – “Over identiteit” van Bart De Wever

In april 2019, een maand voor de verkiezingen, publiceerde Bart De Wever zijn ideeën over identiteit. Als voorzitter van N-VA, ook na de verkiezingsnederlaag nog steeds de grootste partij van België, zijn zijn ideeën relevant voor het publieke debat.

Ik heb drie punten van kritiek op de ideeën van Bart De Wever of identiteit. Ten eerste vraag ik me af wat de relevantie van de Vlaamse identiteit kan zijn in de context van het gevaar dat De Wever ziet in de radicale islam die Europa zou kunnen ‘ontwestelijken’. Ten tweede, De Wever geeft geen duidelijke definitie van de Westerse identiteit (terwijl hij dat wel tracht te doen voor de Vlaamse identiteit), terwijl die Westerse identiteit volgens mij net veel duidelijker en makkelijker af te lijnen is dan de Vlaamse identiteit. Ten derde blijf ik op mijn honger zitten als het aankomt op het versterken van de Westerse identiteit. In de onderstaande tekst behandel ik deze drie kritieken.

Wat is de relevantie van de Vlaamse identiteit in de context van het mogelijke gevaar van de radicale islam?

De Wever maakt het onderscheid tussen individuele en collectieve identiteiten, waarbij de individuele identiteit aan de persoon toekomt. Deze kan die zelf herdefiniëren zoals hij dat wil. Bij collectieve identiteiten is dat anders, omdat ze niet enkel aan één persoon toebehoren. Maar ook deze identiteiten evolueren, zij het minder dynamisch. De auteur erkent ook dat het historisch proces om tot de huidige Vlaamse identiteit te komen “volstrekt contingent” was. Maar daarom is de Vlaamse identiteit niet minder sterk. Televisiezenders, kranten, sociale media, scholen en universiteiten: nagenoeg alles is op Vlaanderen gericht, niet op België, aldus de auteur.

Het is een beperkte kijk op identiteit die De Wever. Later in het boek laat De Wever deze identiteit achterwege en gebruikt hij een bredere identiteit, namelijk die van het Westen. Dat doet hij in de context van de gevaren die hij ziet in de radicale islam, waarbij hij in één adem wijst op het gevaar van de ‘ontwestelijking’ van Europa. Zo schrijft hij: “De ontwestelijking van de wereld is een proces dat wij moeten aanvaarden, maar dat wil niet zeggen dat wij de ontwestelijking van Europa moeten aanvaarden.” (pg 75). Wat later (pg 101): “dat veel Europeanen de echte bedreiging voor de moderne identiteit binnen de islam zien. Dat is geen volledig irrationele angst.”

Het is terecht, maar ook opvallend, dat de N-VA-voorzitter niet de Vlaamse identiteit, maar een veel bredere identiteit tegenover het moslimfundamentalisme plaatst. De Wever verwijst naar die bredere identiteit als zijnde het Westen, de Verlichting en de “moderne identiteit” (zonder deze evenwel te definiëren). De vraag is dan ook wat de relevantie van de Vlaamse identiteit nog is als je moslimfundamentalisme als een niet onrealistische bedreiging ziet voor onze manier van leven (“ontwestelijking”) en dat je daartegenover niet de Vlaamse identiteit plaatst maar wel die van het Westen en de moderne identiteit plaatst? Als je echt wil weten wie we zijn, wat onze identiteit is, dan kan je niet verwijzen naar Vlaanderen, zeker niet als je die identiteit wil afzetten tegenover de radicale islam.

De reden is eenvoudig: de radicale islam, en gelijk welk religieus fundamentalisme (of totalitaire ideologie), staat voor onvrijheid en ongelijkheid. Religieuze fundamentalisten baseren zich immers op een “heilig” boek dat bepaalt hoe je je moet kleden, met wie je mag trouwen, of en welke muziek je mag beluisteren,… en waarbij ongelovigen en vrouwen als minderwaardig worden beschouwd. Daartegen ga je niet staan zwaaien met de Vlaamse identiteit met haar Vlaamse kranten, TV-zenders en een bijkomend seizoen van FC De Kampioenen.

Wat is de Westerse of moderne identiteit dan wel?

Tegenover onvrijheid en discriminatie zet je vrijheid en gelijkheid, waarbij aan elke burger, gelovig of niet, man of vrouw, zoveel mogelijk vrijheid wordt gegeven. Die individuele vrijheden worden in de grondwet en in internationale verdragen verankerd zodat ze afgeschermd worden van de democratie, omdat die vrijheden worden beschouwd als onlosmakelijk verbonden met elke burger: niemand kan deze vrijheden van jou afnemen, ook geen absolute meerderheid in een democratie. We leven dan ook in een liberale democratie, een begrip dat De Wever -voor zover ik gelezen heb- opmerkelijk genoeg niet hanteert in zijn boek (hij heeft het wel eens over de democratische rechtstaat, wat als een synoniem voor de liberale democratie kan gezien worden).

Het is dus de liberale democratie tegenover het religieus fundamentalisme (en tegenover totalitaire ideologieën). En de liberale democratie is uiteraard niet gebaseerd op een heilig boek, maar op de erkenning dat elke mens evenwaardig is en dat elke mens de vrijheid heeft om zijn of haar geluk na te streven, om het goede leven te leiden. Daarbij wordt collectief erkend dat we niet voor anderen kunnen bepalen hoe dat goede leven er moet uitzien. Niemand kan je zeggen hoe je je moet kleden, met wie je mag trouwen en welke muziek je moet beluisteren. Dat bepaal je zelf. En het is in die collectieve erkenning van het niet-weten hoe iemand moet leven, dat onze identiteit zit. Wat een verschil met religieuze fundamentalisten of totalitaire ideologieën die haarfijn weten uit te leggen wie je moet lezen, hoe je je moet kleden en hoe je moet leven.

Die collectieve erkenning van het niet-weten hoe het goede leven eruit ziet, is in de westerse wereld verankerd in de grondwet en internationale verdragen. Voor de Amerikanen is dat de grondwet en haar amendementen. Voor ons is dat de Belgische grondwet en wellicht nog veel meer het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Wever vernoemt het EVRM echter niet één keer, terwijl hij in de context van de Verenigde Staten wel verwijst naar de “founding fathers” en de Amerikaanse grondwet.

Een repliek van De Wever en andere verdedigers van het belang om de Vlaamse identiteit te promoten en te koesteren zou kunnen zijn dat het misschien wel klopt dat het EVRM met onze individuele grondrechten de Westerse manier van leven bepaalt en beschermt en dus de kern van onze identiteitsbeleving zou moeten zijn, maar dat dit veel te abstract is om de grote massa warm voor te maken. Maar dat is dan een zeer pragmatisch argument, waarbij de Vlaamse identiteit als een handig instrument wordt gebruikt om zo de Westerse identiteit te versterken. De Wever verwijst hiervoor naar het laatste boek van Francis Fukuyama die het populisme wil bekampen met het cultiveren van nationale identiteiten die de integratie moeten bevorderen.

Met de Vlaamse identiteit wordt in ieder geval een beperkte ‘wij’ gecreëerd, namelijk de Vlaming, terwijl de ‘wij’ net uitgebreid zou moeten worden naar op zijn minst de andere Europese landen (en volgens mij ook naar alle liberale democratieën). De gedeelde identiteit is dan net die fundamentele vrijheden die onlosmakelijk verbonden zijn met elk individu. In Europa, verankerd in het EVRM; in de Verenigde Staten in de grondwet.

Hoe kunnen we de Westerse (of moderne) identiteit versterken?

Toegegeven, het EVRM is slechts beperkt aanwezig in het publieke debat in België en ik vermoed dat dat ook zo is in andere Europese landen. In de VS, daarentegen, speelt de grondwet wel een belangrijke rol in het publieke debat. De verwijzingen van Amerikaanse politici en opiniemakers naar the Consitution zijn dan ook legio. Zo ben ik nooit het optreden vergeten van een zekere Khizr Khan, een Amerikaan met Pakistaanse roots, die in 2016 op het podium van de Democratische Conventie zijn persoonlijk boekje met de Amerikaanse grondwet uit zijn binnenzak haalde om Trump de les te lezen over de kern van wat Amerika is. Dat is -helaas nog- ondenkbaar in België of zelfs Europa, denk ik.

Mijn indruk is dat veel meer Amerikanen weten dat de Amerikaanse grondwet cruciaal is voor de Verenigde Staten en hun manier van leven. Dat men beseft dat men de betekenis van een “constitutie” letterlijk mag nemen: iets wat constitueert, wat zichzelf vormgeeft. En De Wever lijkt dat goed te beseffen. Hij schrijft, met verwijzing naar De Tocqueville, het volgende (pg 129):

“De Amerikanen hadden een duidelijk beeld van zichzelf, ondanks hun verschillende achtergrond en afkomst, en zagen dit beeld van zichzelf gereflecteerd in de waarden en normen zoals die waren neergelegd in de grondwet. De kracht van het Amerikaanse systeem zat in de heterogeniteit die bij elkaar werd gehouden door een homogene kern.” (eigen onderlijning)

Hier zegt De Wever bijna letterlijk dat de Amerikaanse identiteit (= “beeld van zichzelf”) gereflecteerd wordt in de grondwet.

Wat Europa en Vlaanderen/België nodig heeft is een gelijkaardig besef dat ook onze identiteit, ons beeld van onszelf, gereflecteerd wordt door onze grondwet en nog meer door het EVRM. Op die manier creëer je een Europese identiteit op basis van de verlichtingswaarden, die ook al een juridische verankering heeft in het EVRM, naar analogie van de Amerikaanse identiteit die verankerd is in de Amerikaanse grondwet. En die Amerikaanse identiteit is in de essentie dezelfde als de Europese identiteit: elke burger zoveel mogelijk vrijheid geven om zijn of haar leven te leiden.

Als men de ‘ontwestelijking’ wil tegen gaan, dan denk ik dat het veel beter is om dit soort grondwetspattriotisme, dat door het EVRM onvermijdelijk Europees zal zijn, te promoten zodat burgers op die manier rechtstreeks herinnerd worden aan wat onze identiteit bepaalt: we geven zoveel mogelijk vrijheid aan elke burger, omdat we erkennen dat we niet weten hoe het goede leven eruit ziet. Een dergelijke identiteit gaat veel verder dan Vlaanderen en wordt gedeeld met iedereen die deze individuele grondrechten erkent en verdedigt. Op die manier wordt ook de val van het cultuurrelativisme vermeden: ja, alle culturen zijn evenwaardig, zolang ze elke mens zoveel mogelijk vrijheid geven. Doen ze dat niet, dan is die cultuur minder waard dan een cultuur die dat wel doet.

Dat De Wever het – volgens hem niet onrealistisch- gevaar van de ontwestelijking van Europa wil bekampen met een versterking van de Vlaamse identiteit is volgens mij dan ook niet consistent. Onze identiteit ligt in onze individuele grondrechten, niet in een Vlaamse identiteit die onder meer via TV en kranten toevallig vorm gekregen heeft.