Vroegtijdige schooluitval aanpakken is belangrijker dan kortere werkweek

Het voorstel van PS-voorzitter Elio Di Rupo om de werkweek te verkorten zal de werkloosheid niet terugdringen. Het probleem ligt in de grote schooluitval.

Het nieuwe boek van Elio Di Rupo kreeg de afgelopen dagen heel wat aandacht, ook in Vlaanderen. Daar moest vooral zijn voorstel voor een vierdagenwerkweek om de werkloosheid te bestrijden het ontgelden. Academici zoals Stijn Baert (UGent) en Ive Marx (UAntwerpen) waren bijzonder scherp. Volgens de eerste is het duidelijk dat de PS geen moer om de werkgelegenheid in Wallonië geeft, de tweede stelde dat de socialistische partij de trappers helemaal kwijt is.

Het is inderdaad contraproductief om de hoge werkloosheid in Franstalig België aan te pakken door arbeid duurder te maken. Enkel als de arbeidsduurverkorting niet leidt tot duurdere arbeid, door bijvoorbeeld het loon constant te houden en productiviteitsgroei om te zetten in meer vrije tijd, is het voorstel realistisch.

Bovendien kan je je de vraag stellen of het gebrek aan jobs het grootste probleem is in Franstalig België. Is het wel zo dat mensen die nu geen werk hebben, de jobs zullen innemen die vrijkomen door een arbeidsduurverkorting (als er al veel vrijkomen)? Het is verre van zeker dat veel van de huidige werklozen daarvoor de juiste vaardigheden hebben.

Mocht dat wel het geval zijn, dan zou de arbeidsmobiliteit van Wallonië, met een werkloosheid van net boven 10 procent, naar Vlaanderen, met een werkloosheid van nog geen 5 procent, wellicht veel groter zijn. Brussel, met een werkloosheid van bijna 17 procent, heeft die arbeidsmobiliteit zelfs niet nodig omdat in Brussel veel jobs beschikbaar zijn. Helaas hebben vele Brusselse werklozen niet de juiste kwalificaties, waardoor veel Vlamingen en Walen pendelen naar een Brusselse job.

Een gebrek aan de juiste vaardigheden bij veel werklozen is een belangrijke verklaring voor de verschillende werkloosheidscijfers in België. De bijgaande figuur, over de vroegtijdige schooluitval van 18- tot 24-jarige jongens en meisjes in de drie gewesten, geeft daarvan een indicatie. Een vroegtijdige schooluitval betekent dat die jongeren de middelbare school niet afgemaakt hebben. Dat percentage is in Wallonië de helft hoger dan in Vlaanderen, in Brussel meer dan het dubbele. De kloof tussen meisjes en jongens is wel het grootst in Vlaanderen, ook hier is dus nog werk aan de winkel.

figuur

Het Franstalig onderwijs levert dus een minder gekwalificeerde uitstroom op, ook al is dat in de drie gewesten de jongste vijftien jaar aan het verbeteren. Professor Wouter Duyck (UGent) gaf aan dat een Franstalige 15-jarige gemiddeld zelfs een vol jaar cognitieve achterstand heeft op zijn Vlaamse tegenhanger. Dat dat zich uit in lagere tewerkstellingscijfers hoeft niet te verbazen in een economie die almaar betere cognitieve vaardigheden vraagt.

De sociaal-economische achtergrond van de scholieren speelt ook een rol in de verschillen tussen de gewesten, zeker in Brussel. Kinderen uit rijke gezinnen doen het overal beter en Franstalig België kent, onder meer door de hogere werkloosheid, meer arme gezinnen dan Vlaanderen. Maar zelfs als je corrigeert voor die achtergrond, doen de Franstalige scholen het gemiddeld minder goed.

Dat blijkt althans uit een paper van de economieprofessor Vincent Vandenberghe (UCL) uit 2010, waarin hij de oorzaken voor het kwaliteitsverschil in het onderwijs onderzoekt. Vandenberghe stelt dat er een relevant verschil is in het beheer van de scholen, wat een belangrijke oorzaak kan zijn van het kwaliteitsverschil – dat al midden jaren 50 zou ontstaan zijn, lang vóór de eerste staatshervormingen. In Vlaanderen is het vrije onderwijs – waar scholen veel autonomie hebben – dominant, terwijl het Franstalige onderwijslandschap diverser is, met minder autonomie en een hybridere beheersstructuur. De onderzoeker pleit er daarom voor om het schoolbeheer aan te pakken.

Een grotere vrijheid voor scholen zal in de strijd tegen werkloosheid ongetwijfeld meer nut hebben dan een vierdagenwerkweek, zelfs zonder loonbehoud.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minder werken met loonbehoud lijkt utopie

De vierdagenweek met loonbehoud lijkt utopie

PS-voorzitter Elio Di Rupo heeft een nieuw boek geschreven met daarin zijn ideeën om België te hervormen. Eén van de opvallende voorstellen is het invoeren van een werkweek van vier dagen, met loonbehoud. Het zou een oplossing zijn voor de hoge werkdruk van zij die werken en nieuwe jobs creëren voor zij die werkloos zijn. Vooral Franstalig België kampt met hoge werkloosheidscijfers, tot boven 10 procent, terwijl in Vlaanderen nauwelijks 5 procent werkloos is.

De reacties in Vlaanderen zijn overwegend negatief tot zeer negatief. Ik vind het voorstel wel interessant, maar niet als oplossing voor de werkloosheid. Een vierdagenwerkweek met loonbehoud maakt de arbeid immers net duurder, waardoor het aantal jobs daalt. Maar dit kan je oplossen door de vierdagenwerkweek slechts zeer geleidelijk in te voeren door de productiviteitsverbeteringen om te zetten in arbeidsduurverkorting, zodat een uur arbeid evenveel kost als oplevert in vergelijking met ervoor.

Dat zou ook al een breuk met het verleden zijn, omdat de voorbije decennia een hogere productiviteit nagenoeg volledig omgezet werd in hoger loon. In 1970 werkte een gemiddelde werknemer bijna 1900 uren per jaar. In 2016 was dat gezakt naar gemiddeld 1550 uren per jaar of een daling met 18 procent. Niet verwaarloosbaar, maar de gemiddelde compensatie voor de werknemer is in die periode in reële termen wel meer dan verdubbeld (berekend op basis van het loonaandeel). De arbeidsduur kon dus nog veel sterker verminderd worden zonder reëel loonverlies. Als je vergelijkt met 1990 kom je tot dezelfde conclusie. Kortom, werknemers hebben op de één of andere manier gekozen voor een hoger loon, niet voor meer vrije tijd.

Maar misschien vinden de meeste werknemers nu wel dat ze meer dan genoeg inkomen hebben en te weinig vrije tijd. Hebben de meesten onder ons het immers niet meer dan goed genoeg? Is er echt zoveel te bedenken wat we in 1990 niet hadden en nu wel én wat we echt nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden (en wat niet collectief gefinancierd wordt, zoals gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs)? Ik denk het niet en ik vind een expliciet debat over een maatschappelijke focus op minder werken relevant, waarbij ik ervan uitga dat niemand de concurrentiepositie van onze bedrijven wil ondermijnen. Simpel gesteld: willen we meer loon, of meer vrije tijd?

Ik weet echter niet of de gemiddelde werknemer liever meer tijd dan meer loon wil. Het betekent dat de gemiddelde werknemer niet rijker wordt. De aandeelhouder zal zijn inkomen echter wel zien aandikken. De reden is eenvoudig: de productiviteitsgroei komt er in grote mate doordat er in bijkomende kapitaalgoederen geïnvesteerd wordt en die bijkomende investering moet vergoed worden. De gemiddelde investeerder wordt dus rijker, maar de gemiddelde werknemer niet, waardoor de ongelijkheid stijgt.

Een remedie tegen die stijgende ongelijkheid is om het arbeidsaandeel te doen stijgen, namelijk het aandeel van de economische output dat naar de werknemers gaat, ten koste van kapitaal. Maar het arbeidsaandeel in België is al relatief hoog ten opzichte van de andere ontwikkelde landen (dit is wel vóór belastingen). Als je dat nog verhoogt, is het gevaar voor kapitaalvlucht reëel, wat op langere termijn dan weer nefast is voor de werkgelegenheid en productiviteitsgroei. Een andere oplossing is dat er in totaal meer gewerkt wordt, ondanks een daling van de gemiddelde arbeidsduur. Dat impliceert dat mensen die nu zonder job zitten massaal aan het werk gaan. Dat is een na te streven doel, maar dan denk ik dat maatregelen voor een beter onderwijs, minder schooluitval en langer werken effectiever zijn dan arbeidsduurverkortingen.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen.

Nationale Bank overdrijft Belgische gezondheidsuitgaven

Johan Swinnen, een bekend kankeronderzoeker van het UZ Leuven, stapt deze zomer te voet naar Compostela om geld in te zamelen voor de strijd tegen kanker. Bij zijn zoon Pieter werd zes jaar geleden een hersentumor ontdekt, toen hij 13 was. De Standaard deed vorig weekend een aangrijpend, maar tegelijk hartverwarmend interview met hen.

In dezelfde krant werd melding gemaakt van een studie van de Nationale Bank over de efficiëntie van de overheid. Dat zit volgens de Nationale Bank niet goed. Onder meer wat betreft gezondheidsuitgaven geeft België veel meer uit dan andere Europese landen zonder dat de kwaliteit erboven uitsteekt. Dat had Marcia De Wachter, directielid van de Nationale Bank, begin mei ook al verkondigd in Knack. Ze vergeleek de Belgische gezondheidsuitgaven met die in de buurlanden en de drie Scandinavische landen van de Europese Unie. “We geven pakweg 6 miljard euro teveel uit,” aldus De Wachter. Dat is zo’n 1,5 procent van het bruto binnenlands product (BBP).

Zes miljard is een fors bedrag. Het verraste me ook, omdat ik eerder al las dat België helemaal niet aan de kop zit wat betreft de uitgaven. Een snelle check met cijfers van de Oeso en Eurostat bevestigden mijn vermoedens: de cijfers van de Nationale Bank zijn hoogst merkwaardig en overschatten de Belgisch gezondheidsuitgaven (en die van Finland) en onderschatten de uitgaven onze buurlanden en van Zweden en Denenmarken.

De Nationale Bank baseert zich op cijfers van Eurostat. Ze berekent zelf de totale gezondheidsuitgaven door de uitgaven door de overheid (COFOG) en de gezinnen (COICOP) op te tellen.

Ik heb contact opgenomen met Eurostat om te vragen of de methode van de Nationale Bank kan toegepast worden. Eurostat antwoordde me dat ze daar niet op kunnen antwoorden, omdat dit geen officieel door Eurostat gebruikte methode is.

Meer nog, Eurostat meldde me dat in 2011 er internationaal een nieuwe methode werd opgesteld door Eurostat, de Oeso en de Wereldgezondheidsorganisatie dat resulteerde in the System of Health Accounts (SHA). Eurostat schrijft in hun mail het volgende:

“The SHA shares the goals of the system of national accounts (SNA): to constitute an integrated system of comprehensive, internally consistent, and internationally comparable accounts, which should as far as possible be compatible with other aggregated economic and social statistical systems.” (eigen onderlijning)

Eurostat publiceert met deze SHA-methode de totale gezondheidsuitgaven, die je dus internationaal kan vergelijken.

De Nationale Bank komt tot heel andere resultaten dan Eurostat, ook al baseert de Nationale Bank zich dus op cijfers van Eurostat. De oranje balkjes op de bijgaande grafiek geven voor 2014 de cijfers van Eurostat (SHA); de blauwe balkjes de cijfers van de Nationale Bank. Eurostat zet België in de middenmoot ten aanzien van de buurlanden en Scandinavische landen van de EU; Finland staat achteraan. De Nationale Bank zet België helemaal bovenaan, en Finland tweede.

figuur

Met deze bevindingen contacteerde ik de Nationale Bank. Ik vroeg hen of ze hun cijfers zouden aanpassen. Ze gaven toe dat hun methode mogelijks niet exhaustief was (“men kan niet uitsluiten dat sommige uitgaven niet opgenomen zijn”), maar verdedigden hun methode. Uit hun antwoord bleek dat de SHA-methode niet door de Nationale Bank gebruikt wordt.

Zij schreven onder meer het volgende: “Het grootste nadeel van deze alternatieve bron “SHA – System of Health Accounts” is dat de gegevens slechts tot 2014 beschikbaar zijn, met weinig historische gegevens.” Zo zijn de cijfers voor de periode 2000-2014 volgens Eurostat slechts beschikbaar voor drie landen.

Ik antwoordde hen dat hun reactie me nog meer overtuigde dat de Nationale Bank haar cijfers over de gezondheidsuitgaven moet aanpassen als ze een internationale vergelijking maakt. Het samentellen van COICOP en COFOG is niet verdedigbaar als de Nationale Bank tot een begrip wil komen van de ‘totale uitgaven’ en deze bovendien wil vergelijken met andere landen. Ik gaf daarvoor de volgende redenen:

1. Zoals de Nationale Bank zelf aanhaalt is de methode van de Nationale Bank mogelijks niet exhaustief (“men kan niet uitsluiten dat sommige uitgaven niet worden opgenomen”)

2. Eurostat heeft, na vier jaar werk, samen met de OECD en WHO in 2011 een nieuwe methode opgesteld om de gezondheidsuitgaven te berekenen. Uit de mail van de Nationale Bank kan ik opmaken dat de Nationale Bank deze cijfers niet gebruikt en mogelijks deze nieuwe methode nog niet kende. Eurostat schrijft zelf het volgende over het System of Health Accounts (SHA): “The SHA shares the goals of the system of national accounts (SNA): to constitute an integrated system of comprehensive, internally consistent, and internationally comparable accounts (eigen onderlijning) => voor internationale vergelijkingen moeten de SHA-cijfers gebruikt worden.

3. De voornaamste reden dat de Nationale Bank toch COICOP en COFOG wil gebruiken en niet SHA-cijfers is dat er onvoldoende data zijn om gemiddelden te nemen over de periode van 2000 tot 2014. Er zijn inderdaad niet van alle landen historische SHA-cijfers, omdat nog niet alle landen hun historische cijfers bijgewerkt hebben op basis van de nieuwe SHA-methode. Dat betekent simpelweg dat er nog geen betrouwbare, historische cijfers zijn voor alle landen en dat er dus gewoon geen cijfers kunnen gebruikt worden. Als reactie op het gebrek aan cijfers dan maar onbetrouwbare cijfers gebruiken kan natuurlijk niet. Overigens zijn voor 2014 SHA-cijfers voor alle landen gekend.

4. Er zijn wel al historische SHA-gegevens voor een aantal landen. België heeft SHA-cijfers sinds 2003 en ook Duitsland, Finland en Zweden hebben sinds minstens 2003 cijfers. De onderstaande tabel geeft de gemiddelde uitgaven voor de Nationale Bank-methode (COICOP+COFOG) en de SHA-Eurostat-methode voor 2003-2014 voor deze vier landen. De SHA-cijfers tonen dat de gemiddelde Belgische uitgaven voor deze periode lager liggen dan Duitsland en dicht bij die van Zweden, terwijl de Nationale Bank-cijfers heel andere conclusies geven (met een onderschatting van Duitse en Zweedse gezondheidsuitgaven en een overschatting van de Belgische en de Finse).

tabel1

5. De methode van Nationale Bank leidt tot inconsistenties. Zo komt de Nationale Bank tot cijfers voor België en Finland voor 2014 die hoger liggen dan de SHA-cijfers (ook al zijn de Nationale Bank-cijfers mogelijks niet-exhaustief). De Nationale Bank zet Zweden dan weer 2,5 procentpunt onder de SHA-cijfers (zie tabel voor 2014). Dit is inconsistent.

tabel2

6. De Nationale Bank schrijft zelf dat de cijfers van de gezondheidsuitgaven grondig zijn aangepast. Inderdaad, daarom was wellicht de vierjarige oefening door Eurostat, OECD en WHO inzake de SHA-cijfers noodzakelijk en leidde dit in 2011 tot de nieuwe methode van SHA.

Conclusie: op basis van wat Eurostat schrijft en op basis van de argumenten die de Nationale Bank zelf aanhaalt, is het duidelijk dat de methode van de Nationale Bank niet kan gebruikt worden. Tenzij de Nationale Bank zou kunnen aantonen dat de SHA-cijfers verkeerd zijn.

De discussie over deze verschillen in cijfers is niet onschuldig. De Nationale Bank stelt immers dat België ondanks de hoogste uitgaven niet de beste gezondheidszorg levert (gemeten volgens een door de Nationale Bank samengestelde index). Meer nog, zes Europese landen halen volgens de Nationale Bank een betere kwaliteit met –soms fors- minder middelen, waaronder Nederland, Zweden en Frankrijk. Grondige hervormingen en besparingen in de Belgische gezondheidszorg lijken dan onvermijdelijk.

De Nationale Bank berekende als reactie ook eens de efficiëntie met de cijfers van Eurostat.  Dan blijken er slechts drie landen (Oostenrijk, Italië en Spanje) het beter te doen met minder middelen. Zweden, Frankrijk en Nederland leveren wel betere kwaliteit, maar deze landen geven met de nieuwe cijfers gevoelig meer uit aan gezondheidszorg dan België. Denemarken en Duitsland geven evenveel of meer uit, maar leveren een lagere kwaliteit.

Met andere woorden, met de nieuwe cijfers verandert het plaatje grondig. Dat neemt niet weg dat de Belgische gezondheidszorg efficiënter kan, maar België bungelt niet hopeloos achteraan. We zitten eerder in de subtop. En het kan zelfs zinnig zijn om de gezondheidsuitgaven te verhogen, samen met de hervormingen die bezig en gepland zijn.

De publieke en politieke discussie over de gezondheidsuitgaven is letterlijk van levensbelang. Het interview van professor Swinnen en zijn zoon illustreert dat. Gezondheidszorg gaat over ziekte, leven en dood, over mensen die kwetsbaar zijn en soms wanhopig op zoek naar een behandeling, wat ook de kostprijs is. Toch is er ook een budgettaire realiteit waarbinnen de zorgverstrekkers moeten werken. Er moeten vaak harde keuzes gemaakt worden. Dan zijn correcte cijfers onontbeerlijk.

Wanneer de Nationale Bank gezondheidsuitgaven internationaal vergelijkt, moet ze de internationaal gangbare methode gebruiken. Concreet betekent dit dat ze haar gezondheidsuitgaven moet aanpassen. Doet ze dat niet, dan schiet ze tekort in haar opdracht om de politiek en het publiek correct te informeren.

Deze tekst is een uitgebreide versie van de column die in De Tijd verscheen

De liberale democratie en het recht van de sterkste

Over de superioriteit van de liberale democratie is de laatste drie weken al heel wat inkt gevloeid. Mijn positie in dit debat wordt mooi samengevat door het essay dat Joël De Ceulaer vorig weekend in de Morgen schreef (“Hoofddoek en minirok: kies zélf wat superieur is”).

De basis van de superioriteit ligt volgens mij in het feit dat een liberale democratie zo min mogelijk keuzes maakt voor anderen, omdat er in een liberale democratie erkend wordt dat niemand voor anderen kan beslissen wat het goede leven is. De superioriteit is dus geworteld in bescheidenheid. Dat probeerde ik uit te leggen in mijn column voor De Tijd.

Fernand Keuleneer, een kritisch analyst van aanvaarde ideeën, stelde op Twitter het volgende:

Uiteraard vindt een liberaal de liberale democratie superieur. En dan?

— Fernand Keuleneer (@FKeuleneer) May 6, 2017

 

Hij vervolgde met te stellen dat een liberaal geen beter systeem kent dan een liberale democratie. Maar een illiberaal wel. En “een franquist verkiest een franquistisch systeem. Een corporatist een salazariaans.”.

Dat zijn stellingen die moeilijk fout kunnen zijn. Ik heb daar twee bedenkingen bij die ik hierna tracht uiteen te zetten.

Ten eerste zou je op basis van de stellingen van Keuleneer kunnen denken dat enkel liberalen de liberale democratie superieur vinden en dat alle niet-liberalen de liberale democratie niet superieur vinden (voor de duidelijkheid: dat schrijft Keuleneer niet). Maar dat zou fout zijn: ook vele, zoniet alle, christendemocraten, socialisten, ecologisten en vlaamsnationalisten vinden de liberale democratie superieur aan / beter dan alle andere mogelijke samenlevingsvormen tot nu denkbaar. Dat was ook één van de punten die ik wou maken in mijn inleiding van de derde Popperlezing die Liberales organiseerde in 2009 en waar toenmalig Eerste Minister Herman Van Rompuy, als zelfverklaarde Popperiaan, gastspreker was: je hoeft geen liberaal in politieke zin te zijn om een liberaal in filosofische zin te zijn en de open, liberale democratie te steunen.

Het recht van de sterkste

Belangrijker is echter mijn tweede bedenking. De vraag is niet zozeer of er mensen bestaan die de liberale democratie niet superieur vinden. Uiteraard is dat zo. De vraag is of ze gelijk hebben.

Het antwoord ligt eigenlijk vervat in de tweets van Keuleneer zelf. Hij geeft in die tweets aan dat er veel opvattingen kunnen zijn over hoe een maatschappij er moet uitzien. En die opvattingen zullen, doordat ze zo verschillend kunnen zijn, onvermijdelijk met elkaar in conflict treden. Met andere woorden, als het samenlevingsmodel van de radicale christen opgelegd wordt, kan de radicale moslim of de atheïst zijn model niet meer volgen, of toch veel beperkter. Het zal betekenen dat bepaalde levensvormen sterk onderdrukt moeten worden. Diegene met de macht zal dan bepalen wat er gebeurt. Het recht van de sterkste wordt dan de maat der dingen.

Als het recht van de sterkste als bepalend principe niet aanvaard wordt, dan is het volgens mij onmogelijk dat alle verschillende levensopvattingen zoveel mogelijk kunnen beleefd worden, behalve in een liberale democratie (als er nog realistische modellen zijn waarin dat kan, dan hoor ik dat graag).

Ik gaf ook nog de volgende analogie mee om de onrechtvaardigheid en onwerkbaarheid aan te duiden als je de liberale democratie zou verwerpen: als burger kan je stellen dat iedereen die in dezelfde situatie zit als jij belastingen moet betalen, behalve jijzelf. Het is duidelijk dat als iedereen dit verdedigt, er geen belastingen zullen betaald worden en de overheid geen geld krijgt voor haar kerntaken. Het is bijgevolg een onhoudbare stelling. De enige die deze stelling wel consistent kan verdedigen, is de burger die pleit voor geen enkele vorm van overheid, zodat er ook geen belastingen nodig zijn. Zo is het ook als mensen ervoor pleiten dat niemand volgens zijn samenlevingsmodel mag leven, behalve jijzelf. Het is duidelijk dat als iedereen dit verdedigt dit tot grote conflicten leidt. De enige die dat kan verdedigen is zij die pleiten voor de liberale democratie, omdat net de liberale democratie geen bepaalde levensopvatting naar voren schuift, maar net zegt dat iedereen zoveel mogelijk mag kiezen.

Het liberalisme is in die zin geen inhoudelijke ideologie, maar, zoals Patrick Stouthuysen het beschrijft, een meta-ideologie; een set van afspraken die moeten toelaten dat alle mensen zoveel mogelijk kunnen leven volgens hun eigen levensopvatting en inzichten. Dat is wat fascistische (zoals het franquisme) en radicaal-religieuze ideologieën expliciet niet doen: het implementeren van die ideologieën in de samenleving sluit uit dat andere levensopvattingen kunnen beleefd worden. Dat is rationeel niet verdedigbaar, tenzij je het recht van de sterkste zou aanvaarden.

—————————–

Meer lezen: ik heb in het verleden nog geschreven over de liberale democratie. Hieronder een lijst (alle teksten zijn vrij toegankelijk op mijn blog).

Algemeen

In relatie met de hoofddoek:

In verband met de boerkini:

De bescheidenheid van de liberale democratie maakt ze superieur

Bijna twee weken geleden opende Gwendolyn Rutten, voorzitster van Open VLD, een debat dat vandaag nog woedt. Ze stelde dat “onze manier van leven zonder enige twijfel superieur is aan alle andere in de wereld”. Voor sommigen was dat evident, zoals voor de filosoof Maarten Boudry, die onmiddellijk de link met de liberale democratie maakte. Anderen vonden de stelling stuitend arrogant of stoorden zich aan de term “superieur”.

Rutten heeft in essentie gelijk als ze met “onze manier van leven” de liberale democratie bedoelt, het samenlevingsmodel waarbij cruciale individuele vrijheden gegarandeerd worden. En dat samenlevingsmodel is net niet arrogant, omdat de liberale democratie gelijkstaat met het collectief erkennen dat iedereen voor zichzelf mag kiezen wat het goede leven inhoudt, zolang je anderen geen schade berokkent.

Bescheiden over wat het goede leven is

Als mensen van hetzelfde geslacht samen een leven willen opbouwen en trouwen, dan mag dat. Als mensen goed geïnformeerd een einde willen maken aan hun leven omdat ze ondraaglijk lijden, dan mag dat. Als mensen om religieuze redenen een hoofddoek willen dragen, dan mag dat. Die vrijheid is er omdat we collectief erkennen dat we niet weten hoe het goede leven er uitziet en dat elk individu dat bijgevolg voor zichzelf mag bepalen. De liberale democratie getuigt met andere woorden van een grote bescheidenheid.

In samenlevingen waar er wel een bepaalde vorm van leven wordt vooropgesteld (of andere vormen worden afgeremd) is die bescheidenheid er niet. Daar bepalen de machtshebbers wat je moet geloven en denken, met wie je wel en niet mag trouwen en hoe je je moet kleden. En het zijn net die samenlevingsmodellen die arrogant zijn, omdat ze impliciet of expliciet beweren te weten wat het goede leven inhoudt voor anderen.

De superioriteit van de liberale democratie is dus paradoxaal. Ze is zeer bescheiden over hoe het goede leven er moet uitzien, maar tegelijk onbescheiden omdat ze duidelijk stelt dat niemand voor anderen kan bepalen wat het goede leven is. Zelfs een overweldigende democratische meerderheid kan niet tornen aan de individuele vrijheden. Zelfs als morgen het Belgische parlement unaniem stemt dat een hoofddoek dragen op straat niet kan, zal die wet door een rechter vernietigd worden. Voor sommigen komt dit arrogant over, terwijl het gewoon het logisch doortrekken is van de bescheidenheid: ik kan niet zeggen hoe jij moet leven, maar iemand anders kan dat ook niet. En dus garanderen we ieders individuele vrijheid. Ziedaar het fundament van de liberale democratie.

Het is volgens mij dan ook duidelijk dat een liberale democratie superieur is, net omdat ze geworteld is in een grote bescheidenheid. Ik kan me geen beter model voorstellen en ik heb ook geen betere voorstellen gehoord in de vele discussies

Ideaal en praktijk

De vraag is evenwel in welke mate onze maatschappij het ideaal van de liberale democratie benadert. Ten eerste vermoed ik sterk dat een meerderheid “onze manier van leven” niet spontaan vereenzelvigt met de liberale democratie, maar wel afzet tegenover de islam, terwijl andere religies en geen religie perfect naast en met elkaar zouden moeten kunnen gedijen in een liberale democratie (zolang ze de individuele vrijheden respecteren).

Ten tweede is ons samenlevingsmodel met grote individuele vrijheden pas rechtvaardig en efficiënt als alle volwassenen goed geïnformeerd hun keuzes kunnen maken. Onderwijs en gelijke kansen zijn dus essentieel in een liberale democratie, omdat het bijzonder cynisch is om veel vrijheid te geven aan mensen met weinig kansen op goede informatie of opleiding. Het is dan alsof je ze midden in de woestijn zou droppen en zeggen dat ze vrij zijn om te doen wat ze willen. Aan een dergelijke valse vrijheid heb je niets.

Kinderen moeten dus de kans krijgen om zich tot goed geïnformeerde, ontvoogde volwassenen te ontwikkelen. Eén van de grootste drempels hiervoor is kinderarmoede, omdat een kind dat in (kans)armoede opgroeit doorgaans beperkt wordt in die ontwikkeling. En gezien kinderen geen verantwoordelijkheid kunnen dragen, heeft de overheid de plicht een kader te creëren opdat elk kind genoeg kansen krijgt. Als politici de superioriteit van de liberale democratie promoten moeten ze volgens mij dan ook de logica doortrekken en de strijd voor gelijk kansen, in al haar complexiteit, als één van de hoogste beleidsprioriteiten verdedigen. Daar is volgens mij nog veel werk aan.

Een licht bewerkte versie van deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Dat overheid niet focust op kerntaken betalen we zeer duur

De overheid voert haar kerntaken niet naar behoren uit. Dat leidt tot veel leed en gemiste kansen.

Anderhalve week geleden werd in De Standaard geargumenteerd dat de ziekteverzekering een bepaalde screening van borstkanker terug zou moeten betalen. Professor Neven van UZ Leuven legde uit dat 2.000 vrouwen per jaar in aanmerking komen voor de test. Naar verwachting zou dat leiden tot 1.000 behandelingen met chemotherapie minder. Een test kost 3.000 euro, maar chemotherapie kost 30.000 euro per behandeling. Het uitvoeren van de tests zou dus 24 miljoen kunnen besparen. Toch wordt de test voorlopig niet terugbetaald.

Vorige week klaagde journaliste Sas Van Nieuwenhove op haar blog nogmaals aan dat ‘jongvolwassenen die een voorgeschiedenis kennen onder de jeugdrechter of onder Bijzondere Jeugdzorg een groot risico lopen om in ellendige armoede terecht te komen’. Ze heeft zelf een dergelijke voorgeschiedenis en ze getuigde hoe ze nauwelijks uit de armoede is kunnen ontsnappen. Je zou verwachten dat we die kwetsbare groep in de loop der jaren beter ondersteunen, maar niets is minder waar, schrijft ze.

Extra middelen

Het zijn maar twee van vele voorbeelden die illustreren dat de overheid haar kerntaken niet naar behoren uitvoert. En dat heeft gevolgen. Er zijn ongetwijfeld vrouwen die de extra borstkankerscreening zelf aanvragen en betalen, maar niet iedereen is voldoende geïnformeerd of kan dat betalen. En er zijn naast Van Nieuwenhove nog wel jongvolwassenen met hetzelfde gebrek aan kansen die het toch maken. Maar er vallen veel mensen uit de boot. Dat de overheid faalt in haar kerntaken komt dan ook met zeer grote kosten.

Extra middelen voor die kerntaken zijn echter niet vanzelfsprekend. Integendeel, de Belgische overheden reguleren of spenderen nu al meer dan 50 procent van het bruto binnenlands product, waarmee we aan de wereldtop staan. Zoals ik hier eerder al verdedigde, zijn er heel wat uitgaven ­ minstens 10 miljard euro ­ te vinden in domeinen waar de overheid nu een rol speelt waar dat niet of veel minder nodig is. Denk aan bedrijfssubsidies, openbaar vervoer, cultuur, recreatie, media en religie.

Telkens als je voorstelt om die overheidsuitgaven te verminderen krijg je enorme tegenkanting. Er wordt steevast gewezen op de negatieve effecten van de lagere overheidsuitgaven. Dat werd het voorbije weekend weer treffend geïllustreerd toen Gwendolyn Rutten, de voorzitster van Open VLD, ervoor pleitte dat de overheid zou stoppen met het financieren van religies. Haar voorstel werd meteen afgeschoten, met het argument dat de overheid daardoor de controle zou verliezen op radicale elementen.

Dat de overheidsuitgaven voor religie jaarlijks bijna 500 miljoen euro bedragen en dat dat dus een heel dure manier van controle is, kwam niet naar boven in de discussie. Bovendien wordt in dergelijke discussies zelden gesproken over die andere grote kosten: dat uitgaven die niet tot de kerntaak van de overheid behoren de uitga­ ven voor kerntaken verdringen. Inderdaad, juist doordat de overheid in België zoveel aan niet­-kerntaken uitgeeft, is het budgettaire keurslijf van de kerntaken veel strakker dan het zou moeten zijn.

Besparingslogica

Dat een professor oncologie zijn toevlucht moet nemen tot de media om te pleiten voor het terugbetalen van een screening die niet alleen heel wat leed zou besparen maar ook geld oplevert, illustreert hoe ver het gekomen is met de besparingslogica in dit land. De overheidsuitgaven zijn te hoog en dus moet élke meeruitgave blijkbaar bestreden worden, ook als het gaat om efficiënte en rechtvaardige investeringen die de vrije markt niet doet. Ik vraag me af hoeveel minder evidente, maar toch waardevolle uitgaven in de gezondheidszorg onder de radar blijven omdat er nu eenmaal bespaard moet worden, kerntaak of niet.

Dat gebrek aan focus op kerntaken leidt tot hoge kosten, die vaak onzichtbaar blijven, kijk maar naar de twee concrete voorbeelden die ik hiervoor heb gegeven.

Het is een ijzeren wet in de economie dat niet kiezen ook een keuze is, zij het dan impliciet. En impliciet kiezen we ervoor om bedrijven, religie en cultuur te subsidiëren, terwijl 1.000 vrouwen onnodig chemotherapie volgen en kwetsbare jongvolwassenen onvoldoende beschermd worden. Het is zonneklaar dat de impliciete keuze om onvoldoende het onderscheid te maken tussen wat wel en geen kerntaken zijn, leidt tot heel wat leed en gemiste kansen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minister Tommelein moet erfbelasting verhogen en arbeidsbelasting verlagen

De Tijd berichtte op 23 maart dat de Vlaams Minister van Begroting Bart Tommelein de erfbelasting wil hervormen. Hij wil dat erfgenamen, zoals broers en zussen, minder erfbelasting betalen. Dat ligt in het verlengde van een eerdere hervorming in Vlaanderen waarbij schenkingen minder worden belast.

De Tijd verwees in het artikel naar het gevoel van onrechtvaardigheid dat veel mensen ervaren als het over belastingen op hun erfenis gaat. Vaak wordt het argument gebruikt dat erfbelastingen een dubbele belasting zijn, omdat op dit vermogen al belastingen betaald zijn. Dat is technisch niet correct, omdat het niet de eigenaar van het vermogen is die belast wordt (want die is dood), maar wel de ontvangers van de erfenis. Bovendien zijn vele, zoniet alle, belastingen op geldstromen dubbele of meervoudige belastingen. Zo kan je bijvoorbeeld ook de BTW bekijken als een dubbele belasting, omdat ook je beroepsinkomsten, waarmee je aankopen doet, reeds belast zijn. En wat te zeggen van de belasting op dividenden, nadat de vennootschap reeds vennootschapsbelasting betaald heeft? Het is voor mij dan ook moeilijk te begrijpen dat het argument van de dubbele belasting überhaupt nog gebruikt wordt ter verdediging van lage erfbelastingen.

Ook ethisch is het verhogen van de erfbelasting relatief gemakkelijk te verdedigen. De erfenis-ontvanger heeft immers heel waarschijnlijk niets moeten doen voor het ontvangen van de erfenis. Toch denk ik dat dit argument weinig indruk maakt. Het is immers een zeer individuele kijk op erfbelastingen en dat botst bij veel ouders die hun kinderen vaak voor een stuk als een verlengde van zichzelf zien, en veel, zoniet alles, over hebben om hun kinderen te helpen. Deze gevoelens zijn zeer sterk en heel goed begrijpen. Dat verklaart volgens mij de enorme tegenkanting tegen hogere erfbelastingen, ondanks de hierboven aangehaalde argumenten.

Toch denk ik dat de erfbelasting moet verhoogd worden. Een hogere erfbelasting is niet alleen rechtvaardig, maar is ook voordelig voor de overgrote meerderheid van de bevolking (en de samenleving in haar geheel), op voorwaarde dat de opbrengst gebruikt wordt om de personenbelasting te verminderen.

Die vermindering van de personenbelasting kan significant zijn. In 2016 inde de Vlaamse overheid 1,3 miljard euro aan erfbelasting op een totaal van 10,5 miljard erfenissen, of een gemiddelde belastingsvoet van 12,4%. In Vlaanderen inde de federale overheid op basis van het inkomstenjaar 2014 29 miljard euro via de personenbelasting op een totaal van 122 miljard totaal netto belastbaar inkomen. Dat is een gemiddelde aanslagvoet van bijna 24 procent.

Indien Vlaanderen de erfbelasting op hetzelfde niveau zou brengen als de personenbelasting, wat gegeven de bovenstaande argumentatie het minimum minumorum zou moeten zijn, dan levert dit ongeveer 1,3 miljard euro extra op en kan de personenbelasting met 4,5 procent dalen. Als de erfbelasting op gemiddeld 50% wordt gezet, levert dit bijna 4 miljard euro op en kan de personenbelasting dalen met 13,5 procent.

Dat betekent dat ook arbeidsbelastingen, die het grootste deel uitmaken van de personenbelasting, met minstens 4,5 of 13,5 procent kunnen dalen. Dat zou voor de samenleving als geheel wenselijk zijn, omdat arbeid nu te veel belast wordt en de economische groei fnuikt. Bovendien is het ook rechtvaardiger, omdat bij het arbeidsinkomen de factor toeval veel lager ligt dan bij een erfenis: hier is het heel waarschijnlijk dat de ontvanger voor het inkomen heeft moeten werken.

En, ten slotte, bij een dergelijke taxshift van arbeid naar erfenissen, zal de overgrote meerderheid hier bij winnen. De inkomensverdeling is immers gelijker verdeeld dan de vermogensverdeling van 65-plussers, zoals te zien is op bijgaande figuur. De hogere percentielen hebben wat betreft vermogen een hoger aandeel in vergelijking met het inkomen. Dat betekent dat het voor de meerderheid van erfgenamen voordelig wordt indien ze meer belasting moeten betalen op hun erfenissen, op voorwaarde dat hun arbeidsinkomen minder belast wordt. Heel wat ouders die dan pleiten tegen hogere erfbelastingen en lagere personenbelasting, ageren dan tegen het belang van hun kinderen.

vermogens en inkomensverdeling

 

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Dalende gezondheidsuitgaven zijn wellicht ongewenst

Stagnerende en zeker dalende gezondheidsuitgaven verminderen waarschijnlijk het welzijn en de welvaart van de burgers en zijn dus uit den boze.

Afgelopen weekend meldde De Tijd dat de overheidsuitgaven voor sociale bescherming en gezondheidszorg goed zijn voor de helft van uw belastingen. Dinsdag betoogde de zorgsector echter voor nog méér middelen voor de gezondheidszorg.

De sector richtte zich daarvoor tot de politiek, want het is inderdaad de overheid, weliswaar na democratische besluitvorming, die grotendeels beslist hoeveel u en ik aan gezondheidszorg zullen uitgeven. Wij burgers hebben weinig te kiezen.

Vaak wordt impliciet verondersteld dat de overheid in de gezondheidszorg en ­ breder ­ de sociale zekerheid zo sterk aanwezig is en veel voor haar burgers beslist omdat dat essentiële domeinen zijn voor het goede leven. Maar dat is niet de reden daarvoor. Indien wel, zou de overheid bijvoorbeeld ook veel beslissen in de voedselvoorziening, maar dat doet ze niet. Daar mag de burger kiezen hoeveel en wat hij uitgeeft en zijn de prijzen niet (meer) gereguleerd.

De reden voor de gigantische tussenkomst van de overheid in de gezondheidszorg ligt in een marktfaling. Economische basistheorie zegt dat als je het vrije initiatief vrij spel geeft, de vrije markt heel wat mensen in de kou laat staan. De premies die de markt zou aanrekenen worden voor velen immers te duur, bijvoorbeeld omdat ze te weinig verdienen of omdat ze erfelijk belast zijn. Om dat op te lossen moet de overheid elk individu verplichten zich tegen ziekte te verzekeren en moet ze subsidies geven, zoals in België. Dat is ook wat Obamacare gedaan heeft en wat het succes verklaart. ‘Trumpcare’, de hervorming die de Republikeinen voorstellen, zal die maatregelen afschaffen of terugdraaien, en dat zal leiden tot 24 miljoen meer onverzekerden.

Wil men betaalbare gezondheidszorg voor iedereen, dan is het dus onvermijdelijk dat de overheid zo sterk aanwezig is in die sector en weinig overlaat voor individuele keuzes. En omdat gezondheidszorg essentieel is voor het goede leven, kan je redelijkerwijze aannemen dat mensen veel willen betalen voor goede gezondheidszorg.

Uitgaven voor gezondheidszorg moeten in de eerste plaats dan ook niet als kosten maar als baten bekeken worden. Het is zelfs logisch dat de overheid, die in de plaats van de burgers moet beslissen, meer besteedt aan gezondheidszorg, juist omdat het aannemelijk is dat de burgers dit willen. We worden immers rijker en de babyboomers vergrijzen, waardoor er meer vraag is naar gezondheidszorg. Tegelijk bewerkstelligt innovatie dat er meer kan, en dus stijgt het aanbod. Vergelijk het met de reissector: we zijn rijker en er is hier meer mogelijk dan vroeger. Uitgaven voor reizen zijn de afgelopen decennia dan ook sterk gestegen. Maar die stijgende reiskosten baren niemand zorgen. Integendeel, men zegt eerder dat de reissector floreert.

Het is dus normaal dat de gezondheidszorg in een rijkere, vergrijzende maatschappij met meer innovatieve zorgmogelijkheden een grotere hap neemt uit het overheidsbudget. Stagnerende en zeker dalende uitgaven zijn dan zelfs ongewenst (tenzij dat verklaard zou worden door efficiëntieverbeteringen). Nochtans is net dat de af­gelopen jaren gebeurd, zoals te zien in de grafiek: in termen van het bbp zijn de uitgaven in 2015 teruggevallen op het niveau van 2009. In termen van totale overheidsbestedingen zijn ze teruggevallen op het niveau van 2008.

gezondheidsuitgaven

Economische basisprincipes geven de overheid een essentiële rol in de gezondheidszorg. De politiek moet dan ook de noden van haar burgers trachten te volgen. Mijn stelling is dat stagnerende en zeker dalende gezondheidsuitgaven het welzijn en de welvaart van de burgers waarschijnlijk verminderen en dus ongewenst zijn.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Allochtonen en vrouwen moeten beter hun best doen

Zowel voor allochtonen als voor vrouwen is er meer nodig dan harder je best doen. Ook de omgeving waarin ze moeten presteren is toe aan verandering.

De overheid gaat ervan uit dat vrouwen in de politiek en het bedrijfsleven minder kansen krijgen dan mannen. Daar zijn goede redenen voor. Vrouwen doen nog steeds meer zorgtaken in het gezin, waardoor er minder tijd is om een carrière uit te bouwen. Vrouwen blijven ook langer thuis als er een kind geboren wordt, wat best lastig kan zijn voor een bedrijf om die afwezigheid op te vangen. En de politiek was tot voor kort nog een vrij exclusief clubje van blanke mannen. Dergelijke clubjes kunnen de neiging hebben om enkel soortgenoten toe te laten.

Dat leidt tot minder kansen voor vrouwen. Sommige vrouwen getuigen dan ook dat ze harder hun best moeten doen dan hun mannelijke collega’s om even ver te geraken in hun carrière. En dat is dan ook het advies dat individuele vrouwen moeten krijgen: weet dat er in de wereld vrouwendiscriminatie is. Als individuele vrouw kan je daar weinig tegen beginnen. Dus is het niet onwaarschijnlijk dat je als vrouw harder moet werken dan een man om even ver te geraken.

Zo zit onze wereld nu eenmaal in elkaar. Maar het is ook onaanvaardbaar. Dus naast het advies voor individuele vrouwen dat ze wellicht harder zullen moeten werken dan mannen, is het ook de plicht van de overheid om maatregelen te nemen om de kansen gelijker te maken. En dat heeft de overheid ook gedaan.

Quota

En hoe! Ze is er niet voor teruggeschrokken om een paardenmiddel in te zetten tegen deze discriminatie, door quota in te stellen voor politieke kieslijsten en voor de raden van bestuur van bedrijven. Een ingrijpende maatregel, met misschien ook perverse neveneffecten. Toch vindt de overheid vrouwendiscriminatie blijkbaar dermate belangrijk dat ze potentiële, perverse neveneffecten er voor lief bijneemt.

Exact dezelfde redenering geldt voor allochtonen, die gemiddeld meer met armoede en discriminatie te kampen hebben. Ook hier moet het spijtige advies aan de individuele allochtoon luiden dat hij of zij wellicht harder zal moeten werken dan autochtonen om even ver te geraken. Armoede en racisme zorgen immers aantoonbaar voor minder kansen. Als individuele allochtoon kan je daar weinig aan veranderen. Het enige wat je als individu redelijkerwijze kan doen, is beter je best doen.

Onderwijsminister Hilde Crevits mag dus oproepen tot meer ouderbetrokkenheid bij allochtonen. En ook al zijn er cijfers die tonen dat die betrokkenheid even hoog is voor allochtonen als voor autochtonen, dan nog is het goed advies om méér ouderbetrokkenheid te vragen van allochtone ouders. Allochtone kinderen zullen het immers gemiddeld moeilijker hebben dan autochtone. Zo zit onze wereld nu eenmaal in elkaar.

Discriminatie

Maar ook hier is die realiteit onaanvaardbaar. Ook hier is het duidelijk dat het advies aan allochtonen om beter hun best te doen ingegeven is door het besef dat ze misschien gediscrimineerd zullen worden. En als de overheid een paardenmiddel nodig acht tegen vrouwendiscriminatie, waarom dan ook geen paardenmiddel tegen ongelijke kansen door armoede en racisme?

Zelf pleit ik niet voor quota, net omdat ik vrees voor de perverse neveneffecten. Het punt dat ik wil maken, is dat de overheid de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek en in de bedrijfstop niet aan de individuele vrouwen toeschrijft. De overheid zegt niet: vrouwen moeten beter hun best doen en wat meer betrokken zijn bij het bedrijfsleven en de politiek, en dan komt het wel goed. Integendeel, ze legt de politiek en het bedrijfsleven verplichtingen op omdat ze aanneemt dat ­ minstens ­ een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid van de lagere vrouwenvertegenwoordiging daar ligt.

Die redenering moet worden doorgetrokken naar mensen die in armoede leven of geconfronteerd kunnen worden met racisme. Meer nog, mij lijkt het waarschijnlijk dat ongelijke kansen door armoede en racisme belangrijker zijn dan vrouwendiscriminatie.

De titel van deze column is dan ook bedoeld als provocatie van de lezer. Dat is toch mijn hoop, omdat het zou aantonen dat ook u vindt dat er meer nodig is dan wat harder werken. Ook de omgeving moet veranderen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Een aangekondigde euro-exit is ondenkbaar

De brexit kan in principe ordentelijk afgehandeld worden. Niet zo voor een euro­exit, waar de rechts­populistische partijen openlijk willen op aansturen. Een exit uit de eurozone brengt hoe dan ook enorme transitiekosten met zich mee.

In 2017 worden belangrijke verkiezingen gehouden in Nederland, Frankrijk en Duitsland. In elk van die landen kunnen er rechts­populistische partijen, in navolging van Trump, voor een verrassing zorgen. Die kans lijkt relatief klein in Nederland en Duitsland, waar respectievelijk de partij van Geert Wilders en de AfD wellicht niet tot het bestuur zullen toetreden. In Frankrijk lijkt de kans echter groter dat Marine Le Pen president wordt.

De genoemde rechts­populistische partijen hebben nationalistische kenmerken. Het gaat ze onder meer om het terugwinnen van de nationale soevereiniteit, wat ook een belangrijk motivatie was voor de brexit. Op economisch vlak betekent dat onder meer een exit uit de eurozone en een terugkeer naar de nationale munt.

Waar de brexit in principe ordentelijk kan worden afgehandeld, geldt dat niet bij een euro­exit. Mocht Frankrijk aankondigen dat het binnen pakweg zes maanden uit de euro zou stappen, dan leidt dat tot enorme economische schade. Er zal immers een wisselkoers bepaald moeten worden waartegen de nieuwe Franse munt kan worden verhandeld. In eerste instantie kan men de ‘Franse’ euro gebruiken en die eenvoudig inruilen tegen de ‘Europese’ euro.

Maar de Franse euro zal, zeker op termijn, een andere waarde krijgen. Stel dat de markt verwacht dat die waarde lager zal liggen dan de Europese euro. Dan zal iedereen met euro’s in Frankrijk in de aanloop naar de euroexit die euro’s naar een niet­Franse bank willen transfereren om er Europese euro’s van te maken. Desnoods met valiezen vol cash de grens over. Het geld zal uit de Franse banken wegstromen, waardoor ze in een mum van een tijd dreigen om te vallen. En de Europese Centrale Bank zal niet geneigd zijn een land dat uit de euro wil stappen dan bij te springen. Een financiële en economische catastrofe is dan onvermijdelijk.

Een aangekondigde exit is dan ook vragen om problemen. Indien een land de euro wil verlaten, zal dat snel en onaangekondigd moeten gebeuren, met strikte kapitaalcontroles en een verbod op het afhalen van grote sommen cash. Ook dat scenario brengt grote kosten met zich mee, en de vraag is of het heimelijke karakter politiek wel mogelijk is, zeker voor de rechts­populistische partijen die openlijk een euro­exit willen. Een exit uit de eurozone heeft dus hoe dan ook enorme transitiekosten.

Nochtans hebben de criticasters van de eurozone geen ongelijk. Er zijn wel degelijk grote fundamentele gebreken die maar niet opgelost geraken. Voor de euro werd ingevoerd, konden landen de inflatie beheersen via hun centrale bank. Sinds 1999 kan dat niet meer.

Dat heeft belangrijke gevolgen voor de concurrentiekracht. Immers, als nominale loonkosten gedreven worden door inflatie maakt een structureel lagere inflatie een land binnen de eurozone concurrentiëler. Landen buiten de eurozone kunnen dat compenseren via de wisselkoers, maar binnen de eurozone is dat niet mogelijk. Zo heeft Duitsland door loonmatiging en lagere inflatie zijn concurrentiepositie in het verleden kunnen verbeteren ten koste van de andere eurolanden. Die landen, zeker in de periferie, hadden toen een veel hogere inflatie en groei van loonkosten (zie figuur).

euro-exit

De eurolanden moeten dus de inflatie en de nominale loonkosten op elkaar afstemmen. Laat een land te hoge inflatie toe dan dreigt het zichzelf op termijn uit de markt te prijzen door hogere nominale loonkosten. Het beheersen van de nationale inflatie en het afstemmen op elkaar is dus cruciaal. Maar in de eurozone is het nationale monetair beleid afgeschaft. Dat is dan ook een fundamenteel probleem: individuele eurolanden moeten de inflatie en nominale loonkosten op elkaar afstemmen ­ lees: Duitsland volgen ­ zonder dat er daarvoor monetaire instrumenten voorhanden zijn.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.