Dure eenpersoonskamers zijn geen prioriteit in de gezondheidszorg

Vorige week publiceerde deze krant een aantal resultaten van de jaarlijkse ziekenhuisbarometer van de Socialistische Mutualiteiten. Uit de studie blijkt dat de ziekenhuisfactuur dat de patiënt zelf moet betalen sterk blijft stijgen indien de patiënt voor een eenpersoonskamer kiest. In 2016 was de extra kost al opgelopen tot gemiddeld 147 procent bovenop het vastgelegde tarief. In Wallonië en zeker in Brussel is dat nog een pak hoger.

De Socialistische Mutualiteiten bepleiten een plafonnering van de extra kostprijs voor de eenpersoonskamer. Dat betekent minder inkomsten voor het ziekenhuis. Dat zou dan moeten gecompenseerd worden via een fonds.

En daar wringt het schoentje, natuurlijk. Niemand ontkent dat een eenpersoonskamer veel aangenamer is om in te verblijven. En het lijkt zeer sympathiek om ervoor te ijveren dat iedereen zonder al te veel extra kosten in een eenpersoonskamer kan verblijven. Maar is het wel aangewezen om hier zoveel aandacht aan te geven? Zijn de steeds duurdere eenpersoonskamers werkelijk prioritair?

Ik denk het niet. Ten eerste kiest slechts ongeveer 20 procent van de patiënten bij een klassieke opname voor een eenpersoonskamer. Ondanks de stijging van de kostprijs van een eenpersoonskamer is dat aandeel min of meer stabiel gebleven.

Ten tweede krijgt een patiënt die het medisch nodig heeft nu reeds een eenpersoonskamer toegewezen tegen de kostprijs van een tweepersoonskamer. Met andere woorden, ook zij die het niet kunnen of willen betalen krijgen een eenpersoonskamer indien nodig.

Ten slotte, en dat komt in de recente discussie niet naar boven, zijn de kosten voor de patiënt die kiest voor een tweepersoonskamer in reële termen sterk gedaald. Uit cijfers van de ziekenhuisbarometer van de Christelijke Mutualiteiten van vorig jaar blijkt dat een tweepersoonskamer ongeveer 277 euro kostte in 2015 tegenover 382 euro in 2004. Dat is een daling met 27,5 procent. Een ziekenhuisopname is dus voor vier op de vijf patiënten fors goedkoper geworden. Dat mag een groot succes genoemd worden.

tijd1pkamer

Die daling is te verklaren doordat kamer- en ereloonsupplementen afgebouwd werden voor twee- of meerpersoonskamers. Ziekenhuizen gingen dat verlies dan compenseren door extra’s aan te rekenen bij de 20 procent patiënten die niet uit medische noodzaak in een eenpersoonskamer liggen, maar uit vrije keuze. Dat is bovendien slechts een zeer gedeeltelijke compensatie, omdat in absolute euro’s de supplementen voor een eenpersoonskamer ongeveer evenveel stegen als ze daalden voor de tweepersoonskamer, terwijl er vier keer meer mensen voor een tweepersoonskamer kiezen.

Duurdere eenpersoonskamers zijn dus niet de grote uitdaging in de gezondheidzorg. Het is een erg zichtbare trend, maar het zorgt voor een solidariteit die de meer kapitaalkrachtigen blijkbaar willen dragen, ook omdat ze er meer comfort en privacy bijkrijgen.

Het verlies aan inkomsten van een eventuele verlaging van de supplementen wil de Socialistische Mutualiteiten laten compenseren door een fonds. Ik heb de grootste moeite met deze redenering. Er heerst immers een steeds grotere schaarste in de gezondheidszorg door de toenemende technologische innovatie. Als er extra geld kan vrijgemaakt worden voor de gezondheidszorg dan is de prioriteit niet om dit te besteden aan goedkopere eenpersoonskamers voor 20 procent van de patiënten.

Technologische innovatie zorgt ervoor dat meer mensen kunnen geholpen worden met nieuwe geneesmiddelen en ingrepen. De grote uitdaging van de toekomst is om voldoende geld te vinden opdat die innovatie toegankelijk en betaalbaar blijft voor iedereen. Die uitdaging is echter minder zichtbaar, omdat patiënten het vaak niet zullen weten als er in de toekomst een bepaalde nieuwe ingreep of geneesmiddel niet of trager terugbetaald wordt. Het is ethisch immers niet evident om een therapie aan te bieden die niet terugbetaald wordt. Ook al gaat het soms om leven en dood. De problematiek van de toegankelijkheid en betaalbaarheid heeft de perceptie dus niet mee, omdat de omvang van het probleem minder duidelijk is voor de patiënt. Maar beleid voeren op perceptie is zelden in het voordeel van de patiënt. Die wil vooral genezen.

Deze tekst verscheen eerst als column in DeTijd.

Vlaktaks van 30 procent is cadeau voor hoogste inkomens

Open VLD publiceerde vorige week hun voorstellen voor het partijcongres van eind november. Een voorstel dat in het oog springt is een vlaktaks van 30 procent voor de inkomensbelasting. Open VLD zou de vlaktaks combineren met een verhoogde belastingvrije som, zonder deze te specifiëren. De vlaktaks zou in de plaats moeten komen van het huidige systeem waarbij de tarieven gestaag oplopen tot 50% voor een netto belastbaar inkomen boven 38.000 euro. Let wel, zowel de vlaktaks als het huidige systeem werken met marginale tarieven. Dat betekent dat je bijvoorbeeld in het huidige systeem enkel 50 procent betaalt op het deel dat boven 38.000 euro ligt. Voor het deel onder 38.000 euro betaal je minder belastingen. Je totale inkomensbelasting kan dus nooit hoger zijn dan 50 procent.

Het bestaande systeem, met haar oplopende marginale tarieven, leidt tot een progressieve belasting: de hoogste inkomens betalen effectief ook het hoogste tarief. Concreet betaalden in 2015 de laagste tien procent inkomens niets (ze kregen zelfs iets terug), terwijl de hoogste tien procent gemiddeld bijna 34 procent inkomensbelastingen betaalt. De rest zit daar tussen. Dus ondanks de veelheid aan bestaande aftrekken en belastingverminderingen wordt het progressieve karakter van de inkomensbelasting goed behouden. De reden is dat hogere inkomens weliswaar meer profiteren van de belastingverminderingen, maar dat ook middeninkomens er vaak baat bij hebben. Belangrijke verminderingen gaan immers over kinderen en het huwelijksquotiënt.

Met een vlaktaks van 30 procent, gecombineerd met een belastingvrije som, wordt de progressiviteit van de inkomensbelasting sterk verminderd. Als de inkomensbelasting budgetneutraal moet zijn, dan kan dit nagenoeg enkel als alle huidige belastingverminderingen worden afgeschaft en kan je maar een belastingvrije som van 5300 euro toekennen. Dat is gevoelig lager dan nu.

Dat is eenvoudig te simuleren met de publiek beschikbare Mefisto-rekentool die professor André Decoster (KU Leuven) en zijn onderzoeksteam hebben ontwikkeld. Deze tool simuleert niet enkel de impact op de totale belastinginkomens, maar ook de impact op het netto gezinsinkomen, per inkomensniveau. De resultaten voor de budgetneutrale vlaktaks zijn te zien op de bijgaande figuur (blauwe balkjes). Uit deze figuur blijkt duidelijk dat een budgetneutrale vlaktaks van 30 procent een cadeau is aan de 20 procent hoogste inkomens, gefinancierd door de rest.

tijdvlaktaks

Maar voor Open VLD mag de hervorming van de inkomensbelasting niet budgetneutraal zijn. Ze wil het overheidsbeslag, dat tegen 2019 zal gedaald zijn naar 50 procent, verder verminderen naar 45 procent. Dat geeft ruimte om bijvoorbeeld de belastingverminderingen in de inkomensbelasting toch te behouden en de belastingvrije som te verhogen naar pakweg 10.000 euro. Uit de Mefisto-simulatie blijkt dat een dergelijke belastinghervorming maar liefst 14 miljard minder belastinginkomsten zou opleveren (evenwel zonder rekening te houden met alle terugverdieneffecten, die sowieso moeilijk te voorspellen zijn).

Het klopt dat alle inkomens er dan bij winnen, maar dat is niet moeilijk als je sinterklaas kan spelen met 14 miljard euro belastingsverlaging. Het is niet te zien op de figuur, maar de simulatie toont dat 37 procent van de 14 miljard euro naar het hoogste inkomensniveau gaat (de tien procent hoogste inkomens) en 18 procent naar het tweede hoogste. De 20 procent hoogste inkomens krijgen zo meer dan de helft van de belastingsvermindering. Aftrekken afschaffen helpt daarbij niet echt, omdat, zoals gezegd, ook middeninkomens hier vaak baat bij hebben.

Het is dan ook moeilijk uit te leggen dat een vlaktaks sociaal kan zijn. Om met een vlaktaks toch de progressiviteit te behouden zou men per inkomensinterval een andere belastingvrije som kunnen toekennen. De vraag is dan of de vlaktaks met “variabele” belastingsvrije som niet complexer is dan het huidige systeem. Naar mijn mening zou het beter zijn om het huidige systeem te behouden, maar om de inkomensdrempels te verhogen waarop de marginale tarieven van toepassing zijn. Want we betalen in België inderdaad heel snel hoge inkomensbelastingen.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Armoedegrens steunt terecht op sociale norm

Afgelopen dinsdag, 17 oktober, was het de internationale dag tegen armoede. Dat is ook voor België relevant, omdat 21 procent van de Belgische bevolking het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting. Een opvallend hoog cijfer, omdat België veel herverdeelt wat effectief resulteert in een lage ongelijkheid. Als je België vergelijkt met haar buurlanden en de Scandinavische landen in de Europese Unie had in 2016 enkel Finland een lagere ongelijkheid, gemeten met de Gini-coëfficiënt.

Inefficiënte armoedebestrijding

Maar de Gini-coëfficiënt meet de algemene ongelijkheid en niet de armoede. Die twee zijn niet hetzelfde. De bijgaande grafiek toont de Gini-coëfficiënt op de horizontale as; op de verticale as wordt het percentage getoond van de bevolking die een risico loopt op armoede of sociale uitsluiting. Er is een correlatie tussen de twee parameters, een hoge ongelijkheid (hoge Gini) leidt gemiddeld gezien ook tot een hoog armoederisico, maar de correlatie is lang niet perfect. Ondanks een lage algemene ongelijkheid lopen relatief veel Belgen een armoederisico. Enkel Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk doen het slechter. We herverdelen dus veel, maar blijkbaar niet efficiënt genoeg om de armoede navenant te verminderen.

tijdarmoedegrens

Armoede is inderdaad relatief

Sommigen betwijfelen echter of armoede in België wel zo een groot probleem is als de cijfers lijken te zeggen. De armoedegrens is immers -letterlijk- relatief, namelijk bepaald ten opzichte van het mediaaninkomen. Als het gezinsinkomen 40 procent onder dit mediaaninkomen zit, dan zit het op de armoedegrens. Critici van deze armoedegrens beargumenteren dat wanneer alle inkomens zouden stijgen, de armoede niet zal dalen volgens deze parameter niet zal dalen, omdat ook het mediaaninkomen dan verdubbeld is.

En dat klopt. Maar armoede gaat om meer dan materiële ontbering. Al dan niet arm zijn gaat er in essentie over of je een goed leven kan leiden of niet. Voldoende eten en een dak boven je hoofd zijn daarvoor niet genoeg. Mensen zijn immers sociale wezens. Ze willen erbij horen, of op zijn minst niet ver van de sociale norm zitten. We vergelijken ons onvermijdelijk met anderen en worden onvermijdelijk ook beoordeeld door anderen. Daar halen we een groot deel van onze eigenwaarde uit, of een gebrek eraan. En doordat we alsmaar rijker worden, wordt die sociale norm gewoon telkens opgehoogd.

De dwingende sociale norm

Bekijk het eens niet van de kant van armoede, maar van die van de middenklasse. Veel jonge middenklasse-gezinnen met kinderen zijn tweeverdieners. Dat is een drukke periode in het leven, waarbij vaak de vrije tijd ook nog eens wordt volgepropt met allerlei activiteiten. Het regent dan ook berichten over stress en burn-out. In een prachtig interview in De Tijd van deze zomer riep Johan Braeckman, moraalfilosoof (UGent), op om het rustiger aan te doen. Hij pleit voor minder consumeren en trager leven. Blijf meer thuis en nodig mensen daar uit. Dat is goedkoper en minstens zo leuk, zo stelt hij. Teveel mensen laten zich meezuigen door de dwingende sociale norm, waardoor ze zichzelf dreigen voorbij te lopen. ‘Keeping up with the Joneses’ is wijdverspreid: als je buurman een grote auto heeft of naar dat nieuwe restaurant gaat, wil jij dat ook. En we gaan toch nog geen mensen uitnodigen vooraleer ons huis tip-top afgewerkt is?

De oproep van Braeckman is de logica zelve. Als het allemaal zo druk is, met stress en burn-out tot gevolg, waarom dan niet wat rustiger aan doen? We zijn toch rijk genoeg geworden? Maar we doen het niet. Of lang niet voldoende. Braeckman is de zoveelste in het rijtje die oproept om te ‘consuminderen’ en om meer te doen wat er toe doet. We lezen wel instemmend, maar gaan komende winter terug lekker gaan skiën, en klagen dat alles te druk is.

Mijn hypothese is dat het voor de overgrote meerderheid van de mensen erg belangrijk is om aan de sociale norm te voldoen. En dat geldt voor mensen in alle inkomensklassen. Zolang dit het geval is, is het logisch en consequent dat de armoedegrens gebaseerd wordt op de sociale norm, en dat de armoedegrens bijgevolg een relatieve grens is.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Verontwaardiging over Spaanse politiegeweld is selectief

Afgelopen zondag ging de Spaanse oproerpolitie in Catalonië hardhandig tekeer. Het geweld werd door velen afgekeurd. Het schokkende van het gebruikte geweld wordt versterkt doordat het om onschuldige activisten lijkt te gaan, die enkel maar hun opinie willen uiten.

Dat is echter maar schijn, omdat het een illegaal referendum betrof, niet één of andere betoging. En een referendum is niet onschuldig in een democratie. Dat betekent niet dat de Spaanse politie dan maar disproportioneel veel geweld mag gebruiken. Maar het feit dát de politie geweld gebruikte, was in dit geval wel toegestaan. Als je aan een illegale, aangekondigde massale actie deelneemt dan is de kans groot dat de overheid oproerpolitie inzet om dat -desnoods hardhandig- te verhinderen. Zet je als activist dan toch door met de illegale actie, dan impliceert dat ook een keuze om proportioneel geweld te ondergaan. En dat de oproerpolitie vaak disproportioneel te werk lijkt te gaan, is niet enkel in Spanje het geval, maar volgens mij ook in België, hoewel ik hier enkel anekdotisch bewijs voor heb.

Niet onbelangrijk bij de afgelopen gebeurtenissen is dan ook het feit dat de Catalaanse slachtoffers van dit Spaans politiegeweld de keuze hadden om het geweld te ontlopen. Ze hadden immers gehoor kunnen geven aan de Spaanse politie om de stemlokalen te verlaten.

De meeste slachtoffers van politiegeweld hebben echter niet de keuze om het geweld al dan niet te vermijden.

In 2011 werd er een Griekse activiste in Brussel hardhandig opgepakt en geboeid aan de kant gezet. Ze werd vervolgens keihard in het gezicht getrapt door een politieman. Enkel doordat het toevallig gefilmd werd, kwam er een proces, waarbij de dader opschorting van straf kreeg. De verontwaardiging over de opschorting bleef uit.

In 2012 maakte John Vandaele voor Mo Magazine een reportage over onnodig politiegeweld door een aantal agenten van de Brusselse politie. Hij verzamelde getuigenissen van slachtoffers, vaak mensen van vreemde origine, en sprak met mensen uit het veld. Het gaat om schrijnende gevallen waarbij individuen zonder goede reden hardhandig worden opgepakt, geslagen en vernederd. De commissaris van Molenbeek en het comité P ontkenden de problematiek niet. Maar geen enkel medium pikte het op. De verontwaardiging bleef uit.

In 2010 vindt Jonathan Jacob de dood, nadat een bijzonder bijstandsteam in zijn cel passeerde. De zaak haalt een paar keer de pers wanneer de vader de gewelddadigheid van de politie aanklaagt, maar er volgt geen brede verontwaardiging over het politiegeweld. Het is pas een paar jaar later, wanneer een reportage van de VRT politiebeelden van de raid toont, dat er een brede verontwaardiging komt over de zaak. De daders worden in 2015 veroordeeld en de straf wordt in beroep bevestigd. In een opiniestuk kloeg John Vandaele de selectiviteit van de verontwaardiging aan: voor hem was het geval Jacob geen alleenstaand, uitzonderlijk voorbeeld van geweld, maar paste het in een breder patroon. Politiegeweld is veel wijder verspreid dan men vaak wil aannemen.

Het zijn verschillende voorbeelden van onnodig politiegeweld, vaak onzichtbaar en gericht tegen machteloze individuen, waardoor de impact voor de slachtoffers des te groter is. Bijgaande figuur toont de evolutie van het aantal klachten in verband met politiegeweld sinds 2010. Op basis van deze cijfers zijn er geen indicaties dat het politiegeweld de voorbije zeven jaar significant gedaald is. Politiegeweld is in ieder geval geen thema in de Belgische publieke opinie. Tenzij de voorbije dagen dan, als het elders gebeurt.

tijdpolitiegeweld

Dit is geen poging om het Spaanse politiegeweld te minimaliseren, maar wel om al het onnodige en disproportionele politiegeweld ernstig te nemen en luid en duidelijk af te keuren. Ook bij ons. Ook, nee, voorál, wanneer het minder zichtbaar is en gericht op individuen of kleine groepjes mensen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Asielbeleid is onvermijdelijk hard

Afgelopen dagen was er opnieuw commotie over een beleidsdaad van Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Francken pakte zondag uit met het nieuws dat er identificatieteams uit Soedan in België waren om mensen zonder papieren uit het Maximiliaanpark te kunnen identificeren, waarna ze kunnen teruggestuurd worden.

Francken wordt verweten met een crimineel regime samen te werken, omdat het identificatieteam uit Soedan op één of andere manier verantwoording zal moeten afleggen aan dat regime. Deze manier van samenwerken met het Soedanese regime roept dan ook vragen op.

De vraag blijft echter hoe het dan wel opgelost moet worden. Voor een efficiënt en rechtvaardig asielbeleid is immers ook een effectief terugkeerbeleid noodzakelijk van mensen zonder verblijfsrecht. Indien je deze niet kan terugsturen, dan kan iedereen die in België geraakt hier ook blijven.

Als je mensen zonder verblijfsrecht wil kunnen terugsturen, dan moet het land van herkomst deze mensen ook terug toelaten op hun grondgebied. Er moet dus op één of andere manier gewerkt worden met de regimes van die landen. Daar zitten ook regimes bij die de mensenrechten schenden. Maar het asielrecht geeft net asiel aan mensen die in hun thuisland een groot risico lopen op vervolging en foltering. De erkenningsgraad van Soedanese asielzoekers ligt dan ook hoog, tot meer dan 50 procent.

In het geval waar het nu over gaat, is asiel echter geen optie, omdat de betrokkenen naar verluidt geen asiel willen vragen in België. Ze zouden wachten op een kans om door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. Daar zouden ze beter opgevangen worden, met een snellere procedure. Ook spreken ze er Engels, zoals veel Soedanezen, en hebben ze er vaak familie of vrienden wonen. Het is natuurlijk moeilijk om je in de plaats te stellen van een Soedanees in België, maar als het risico op vervolging bij terugkeer in Soedan zo groot zou zijn, waarom vragen ze dan niet alsnog asiel aan in België? Ik heb de indruk dat niemand het antwoord kent of wil geven, ook de critici van Francken niet.

Het asielbeleid is dan ook een makkelijk doelwit voor kritiek, om de eenvoudige reden dat we niet alle 60 miljoen vluchtelingen in de wereld kunnen en willen opvangen. Er is een overaanbod aan mensen die naar hier willen komen, maar een grote schaarste aan opvang in België en Europa. Het is onmiskenbaar dat we miljoenen mensen in nood weigeren te helpen. Dat is keihard, maar het alternatief is een opengrenzenbeleid. En daar pleit niemand voor.

De hardheid van het beleid kunnen we echter meestal goed verstoppen en negeren. Zo heeft de Europese Unie jaren geleden een wet gestemd dat ervoor zorgt dat asielzoekers niet met het vliegtuig of de ferryboot naar Europa kunnen komen. Dat is de reden dat ze hun toevlucht zoeken tot gammele bootjes en mensensmokkelaars. Dat is een serieuze, maar voor ons onzichtbare drempel voor mensen die een dergelijke overtocht niet kunnen of durven te maken. Hierdoor worden we in Europa veel minder geconfronteerd met vluchtelingen dan zonder die Europese wet het geval zou zijn. Maar daarmee is het vluchtelingenprobleem niet weg. Het komt gewoon veel minder tot bij ons. Meer nog, we maken zelfs een deal met Turkije om nog meer vluchtelingen daar te houden. Niemand is gelukkig met die deal, maar men hoopt tegelijk wel dat hij standhoudt.

Het zou humaner zijn om vluchtelingen ter plaatse te selecteren en met het vliegtuig naar hier te brengen. Dat zou dan wel een enorme toestroom creëren van mensen die volgens de huidige criteria recht hebben op asiel. Er zou dan onvermijdelijk een bovengrens op het aantal erkende vluchtelingen moeten komen. Een bovengrens die alleen maar rechtvaardig kan zijn als ze hoog is. Maar een bovengrens willen we dan weer niet, want wat doe je met een oorlogsvluchteling die er net boven zit? De hardheid van de weigering om die oorlogsvluchteling op te vangen zou te opzichtig zijn en dat willen we niet.

De critici van het huidige Belgische en Europese asielbeleid hebben gelijk als ze stellen dat dit beleid hard is. De kritiek is echter vaak oneerlijk, omdat er geen alternatieven zijn die geen hard beleid impliceren. Uiteraard kan alles beter, maar ook een verbeterd asielbeleid zal hard zijn, tenzij je pleit voor open grenzen. Ik zie voorlopig geen geloofwaardige tussenpositie.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Er is nooit een ‘Kamikaze-Michel’ geweest

Met het zomerakkoord op zak lijkt de federale regering haar tweede adem gevonden te hebben. In een interview met De Tijd van afgelopen weekend blaakte premier Michel van zelfvertrouwen. Niemand noemt dit nog een kamikaze-regering.

Dat was bij de vorming van Michel I wel anders. Veel waarnemers waren het eens dat de MR een groot risico nam om als enige Franstalige partij in een federale regering te stappen, gedomineerd door Vlaamse partijen. MR dreigde een paria te worden in het politieke landschap, één tegen allen, en dreigde bij de verkiezingen in 2019 afgeslacht worden. Politieke zelfmoord, klonk het onheilspellend.

Die doemberichten blijken nu onterecht, maar dat waren ze volgens mij al van bij de start van de regering in 2014. MR trad immers, als liberale partij, in een federale regering met twee andere partijen, N-VA en Open VLD, die op sociaal-economisch vlak minstens even liberaal zijn dan MR. Bovendien had de N-VA de communautaire eisen laten varen, net om te kunnen inzetten op sociaal-economische hervormingen. In 2014 gaven de Belgische overheden 55 procent van het BBP uit en ontvingen ze 52 procent van het bruto binnenlands product (BBP) aan inkomsten. In Vlaanderen was een afbouw van de overheid een duidelijk thema bij de regeringspartijen. Zouden de kiezers van MR hun partij werkelijk afstraffen als ze de overheidsuitgaven, de belastingen en het begrotingstekort zouden verminderen?

Want dat is wat deze regering doet. De Europese Commissie voorspelt dat de uitgaven in 2018 zullen terugvallen tot 52 procent in 2018, de inkomsten zullen dalen tot iets meer dan 50 procent, waardoor het tekort van 3 procent zal teruggedrongen worden naar 1,8 procent.

tijdkamikazemichel

Hoewel de trend van de overheidsfinanciën duidelijk is, is het minder spectaculair dan sommigen voorgespiegeld hadden. Maar spectaculaire veranderingen zijn ook niet gewenst. Het is een kunstig laveren om de overheidsuitgaven te verminderen zonder dat dit de groei al te zeer fnuikt en om tegelijk de belastingen te verlagen zonder dat het begrotingstekort stijgt. De regering zal, op basis van deze cijfers, hierin slagen. Dat de klus nog niet geklaard is, zal ongetwijfeld als argument gebruikt worden om een tweede termijn te vragen voor de regering Michel.

Bovendien wordt dit traject gerealiseerd in een context van stijgende sociale uitgaven, vooral in de pensioenen. Deze regering zal de vruchten nog niet kunnen plukken van de door haar besliste, broodnodige verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar. Die wordt in twee fasen ingevoerd, maar pas in 2025 en 2030.

Oppositie voeren tegen deze cijfers lijkt me zeer moeilijk. Het zal dan vooral gaan over de rechtvaardigheid. Zijn de inspanningen wel eerlijk verdeeld? En dat hangt af van je politieke voorkeuren. Deze regering gaat er prat op dat ze de werkenden wil ondersteunen, terwijl de oppositie de inspanningen oneerlijk verdeeld vindt. Beide standpunten zijn te verdedigen. Maar de kiezers van MR zullen hun partij allicht niet afstraffen voor de gekozen verdeling van de lasten.

Toegegeven, er zijn ook wel wat omstandigheden die onverwacht gunstig zijn voor Charles Michel en de MR. Zo bijvoorbeeld waren het vooral de Vlaamse partijen die met elkaar in de clinch gingen, wat communautair niet uitgespeeld kon worden. Ook de relatieve populariteit van Francken en Jambon in Franstalig België was van te voren niet verwacht. Ten slotte zijn er de schandalen die vooral de PS teisteren waardoor MR nu met cdH een medestander heeft in het Franstalige politieke landschap.

Het zijn stuk voor stuk onverwachte meevallers voor MR. Maar de fundamentele reden voor het succes voor MR ligt volgens mij dus elders: MR geeft met deze regering het sociaal-economisch beleid dat haar kiezers willen. En dat was al duidelijk bij de vorming van deze regering. Charles Michel is dan ook nooit een Kamikaze-piloot geweest.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Vroegtijdige schooluitval aanpakken is belangrijker dan kortere werkweek

Het voorstel van PS-voorzitter Elio Di Rupo om de werkweek te verkorten zal de werkloosheid niet terugdringen. Het probleem ligt in de grote schooluitval.

Het nieuwe boek van Elio Di Rupo kreeg de afgelopen dagen heel wat aandacht, ook in Vlaanderen. Daar moest vooral zijn voorstel voor een vierdagenwerkweek om de werkloosheid te bestrijden het ontgelden. Academici zoals Stijn Baert (UGent) en Ive Marx (UAntwerpen) waren bijzonder scherp. Volgens de eerste is het duidelijk dat de PS geen moer om de werkgelegenheid in Wallonië geeft, de tweede stelde dat de socialistische partij de trappers helemaal kwijt is.

Het is inderdaad contraproductief om de hoge werkloosheid in Franstalig België aan te pakken door arbeid duurder te maken. Enkel als de arbeidsduurverkorting niet leidt tot duurdere arbeid, door bijvoorbeeld het loon constant te houden en productiviteitsgroei om te zetten in meer vrije tijd, is het voorstel realistisch.

Bovendien kan je je de vraag stellen of het gebrek aan jobs het grootste probleem is in Franstalig België. Is het wel zo dat mensen die nu geen werk hebben, de jobs zullen innemen die vrijkomen door een arbeidsduurverkorting (als er al veel vrijkomen)? Het is verre van zeker dat veel van de huidige werklozen daarvoor de juiste vaardigheden hebben.

Mocht dat wel het geval zijn, dan zou de arbeidsmobiliteit van Wallonië, met een werkloosheid van net boven 10 procent, naar Vlaanderen, met een werkloosheid van nog geen 5 procent, wellicht veel groter zijn. Brussel, met een werkloosheid van bijna 17 procent, heeft die arbeidsmobiliteit zelfs niet nodig omdat in Brussel veel jobs beschikbaar zijn. Helaas hebben vele Brusselse werklozen niet de juiste kwalificaties, waardoor veel Vlamingen en Walen pendelen naar een Brusselse job.

Een gebrek aan de juiste vaardigheden bij veel werklozen is een belangrijke verklaring voor de verschillende werkloosheidscijfers in België. De bijgaande figuur, over de vroegtijdige schooluitval van 18- tot 24-jarige jongens en meisjes in de drie gewesten, geeft daarvan een indicatie. Een vroegtijdige schooluitval betekent dat die jongeren de middelbare school niet afgemaakt hebben. Dat percentage is in Wallonië de helft hoger dan in Vlaanderen, in Brussel meer dan het dubbele. De kloof tussen meisjes en jongens is wel het grootst in Vlaanderen, ook hier is dus nog werk aan de winkel.

figuur

Het Franstalig onderwijs levert dus een minder gekwalificeerde uitstroom op, ook al is dat in de drie gewesten de jongste vijftien jaar aan het verbeteren. Professor Wouter Duyck (UGent) gaf aan dat een Franstalige 15-jarige gemiddeld zelfs een vol jaar cognitieve achterstand heeft op zijn Vlaamse tegenhanger. Dat dat zich uit in lagere tewerkstellingscijfers hoeft niet te verbazen in een economie die almaar betere cognitieve vaardigheden vraagt.

De sociaal-economische achtergrond van de scholieren speelt ook een rol in de verschillen tussen de gewesten, zeker in Brussel. Kinderen uit rijke gezinnen doen het overal beter en Franstalig België kent, onder meer door de hogere werkloosheid, meer arme gezinnen dan Vlaanderen. Maar zelfs als je corrigeert voor die achtergrond, doen de Franstalige scholen het gemiddeld minder goed.

Dat blijkt althans uit een paper van de economieprofessor Vincent Vandenberghe (UCL) uit 2010, waarin hij de oorzaken voor het kwaliteitsverschil in het onderwijs onderzoekt. Vandenberghe stelt dat er een relevant verschil is in het beheer van de scholen, wat een belangrijke oorzaak kan zijn van het kwaliteitsverschil – dat al midden jaren 50 zou ontstaan zijn, lang vóór de eerste staatshervormingen. In Vlaanderen is het vrije onderwijs – waar scholen veel autonomie hebben – dominant, terwijl het Franstalige onderwijslandschap diverser is, met minder autonomie en een hybridere beheersstructuur. De onderzoeker pleit er daarom voor om het schoolbeheer aan te pakken.

Een grotere vrijheid voor scholen zal in de strijd tegen werkloosheid ongetwijfeld meer nut hebben dan een vierdagenwerkweek, zelfs zonder loonbehoud.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minder werken met loonbehoud lijkt utopie

De vierdagenweek met loonbehoud lijkt utopie

PS-voorzitter Elio Di Rupo heeft een nieuw boek geschreven met daarin zijn ideeën om België te hervormen. Eén van de opvallende voorstellen is het invoeren van een werkweek van vier dagen, met loonbehoud. Het zou een oplossing zijn voor de hoge werkdruk van zij die werken en nieuwe jobs creëren voor zij die werkloos zijn. Vooral Franstalig België kampt met hoge werkloosheidscijfers, tot boven 10 procent, terwijl in Vlaanderen nauwelijks 5 procent werkloos is.

De reacties in Vlaanderen zijn overwegend negatief tot zeer negatief. Ik vind het voorstel wel interessant, maar niet als oplossing voor de werkloosheid. Een vierdagenwerkweek met loonbehoud maakt de arbeid immers net duurder, waardoor het aantal jobs daalt. Maar dit kan je oplossen door de vierdagenwerkweek slechts zeer geleidelijk in te voeren door de productiviteitsverbeteringen om te zetten in arbeidsduurverkorting, zodat een uur arbeid evenveel kost als oplevert in vergelijking met ervoor.

Dat zou ook al een breuk met het verleden zijn, omdat de voorbije decennia een hogere productiviteit nagenoeg volledig omgezet werd in hoger loon. In 1970 werkte een gemiddelde werknemer bijna 1900 uren per jaar. In 2016 was dat gezakt naar gemiddeld 1550 uren per jaar of een daling met 18 procent. Niet verwaarloosbaar, maar de gemiddelde compensatie voor de werknemer is in die periode in reële termen wel meer dan verdubbeld (berekend op basis van het loonaandeel). De arbeidsduur kon dus nog veel sterker verminderd worden zonder reëel loonverlies. Als je vergelijkt met 1990 kom je tot dezelfde conclusie. Kortom, werknemers hebben op de één of andere manier gekozen voor een hoger loon, niet voor meer vrije tijd.

Maar misschien vinden de meeste werknemers nu wel dat ze meer dan genoeg inkomen hebben en te weinig vrije tijd. Hebben de meesten onder ons het immers niet meer dan goed genoeg? Is er echt zoveel te bedenken wat we in 1990 niet hadden en nu wel én wat we echt nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden (en wat niet collectief gefinancierd wordt, zoals gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs)? Ik denk het niet en ik vind een expliciet debat over een maatschappelijke focus op minder werken relevant, waarbij ik ervan uitga dat niemand de concurrentiepositie van onze bedrijven wil ondermijnen. Simpel gesteld: willen we meer loon, of meer vrije tijd?

Ik weet echter niet of de gemiddelde werknemer liever meer tijd dan meer loon wil. Het betekent dat de gemiddelde werknemer niet rijker wordt. De aandeelhouder zal zijn inkomen echter wel zien aandikken. De reden is eenvoudig: de productiviteitsgroei komt er in grote mate doordat er in bijkomende kapitaalgoederen geïnvesteerd wordt en die bijkomende investering moet vergoed worden. De gemiddelde investeerder wordt dus rijker, maar de gemiddelde werknemer niet, waardoor de ongelijkheid stijgt.

Een remedie tegen die stijgende ongelijkheid is om het arbeidsaandeel te doen stijgen, namelijk het aandeel van de economische output dat naar de werknemers gaat, ten koste van kapitaal. Maar het arbeidsaandeel in België is al relatief hoog ten opzichte van de andere ontwikkelde landen (dit is wel vóór belastingen). Als je dat nog verhoogt, is het gevaar voor kapitaalvlucht reëel, wat op langere termijn dan weer nefast is voor de werkgelegenheid en productiviteitsgroei. Een andere oplossing is dat er in totaal meer gewerkt wordt, ondanks een daling van de gemiddelde arbeidsduur. Dat impliceert dat mensen die nu zonder job zitten massaal aan het werk gaan. Dat is een na te streven doel, maar dan denk ik dat maatregelen voor een beter onderwijs, minder schooluitval en langer werken effectiever zijn dan arbeidsduurverkortingen.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen.

Suiker- en vettaks zijn efficiënte belastingen

Vorige week pleitte de Gezinsbond voor het invoeren van een extra belasting op ongezonde voeding zodat mensen aangespoord worden om gezonder te eten. Daarmee wil de Gezinsbond verder gaan dan de suikertaks, een extra belasting op frisdranken. Die taks is vorig jaar in het leven geroepen om de taxshift mee te financieren, waardoor arbeid minder belast kan worden.

Fevia, de federatie van de Belgische voedselindustrie, reageerde al negatief. Fevia onderschrijft het doel om mensen aan te sporen gezonder te eten, maar wil dit niet via een extra belasting. Ze geeft daarvoor drie redenen, waarvan er volgens mij maar één eventueel terecht is, afhankelijk van de impact.

Een taks op ongezonde voeding is volgens Fevia onrechtvaardig, omdat vooral de lagere inkomensklassen proportioneel meer spenderen aan ongezonde voeding. Zij zouden dus relatief het meeste verliezen door een dergelijke extra belasting. En dat klopt. Maar de belasting geldt voor alle inkomensklassen. De opbrengst van de belasting is dus vele malen groter dan het verlies voor de lagere inkomensklassen (ook omdat rijkere mensen in absolute zin meer consumeren en dus meer extra belasting zullen betalen). Het is dus in principe makkelijk om het verlies voor lagere inkomensklassen financieel te compenseren. Dat wordt met de suikertaks overigens gedaan, omdat de laagste lonen door de taxshift het meeste winnen. En ook de uitkeringen zouden met het recente zomerakkoord stijgen.

Een tweede argument van Fevia is dat consumenten de prijsstijging kunnen vermijden door te kiezen voor de goedkopere, maar even ongezonde producten. Dan werkt de belasting niet. Althans niet om mensen gezonder te laten eten. Maar als financiering van de taxshift werkt de belasting dan wel. De reden voor de taxshift zijn de hoge arbeidslasten in België, waarvan nagenoeg iedereen overtuigd is dat ze zeer verstorend zijn. De taxshift moet die arbeidslasten verlagen, met meer jobs en welvaart als gevolg. Het is een oefening in optimale taxatie.

De kunst is dan om de taxshift te financieren met nieuwe belastingen die minder verstorend zijn, wat er in economische zin op neerkomt dat mensen hun gedrag minder laten beïnvloeden door de nieuwe belasting. Als mensen hun gedrag nauwelijks aanpassen bij een suiker- of vettaks, werkt de taks dus ook maar dan op het domein van optimale taxatie. Daarom werkt een suiker- of vettaks altijd, ook als mensen hun gedrag niet zouden aanpassen.

Het laatste argument van Fevia is volgens mij het beste. Fevia beweert dat een extra belasting op ongezonde voeding in België mensen aanzet om over de grens te shoppen. België is een klein land en men zit al snel over de grens. Als grensshoppen belangrijk wordt door de suiker- of vettaks, dan misloopt de regering een deel van de geplande belastinginkomsten en worden de grensshoppers niet gezonder. Bovendien kunnen er op termijn jobs verdwijnen.

De vraag is echter hoe belangrijk dit fenomeen is, ook in relatie met de positieve effecten van lagere arbeidslasten. Betrouwbare cijfers worden dan erg belangrijk. Fevia zegt dat het grensshoppen voor niet-alcoholische dranken in 2016 met 12 procent gestegen is tegenover het jaar ervoor en zou in 2016 90 miljoen euro bedragen. Die cijfers zijn gebaseerd op steekproeven, uitgevoerd door GfK, een marktonderzoeksbureau, aan de hand van kastickets van een vast panel gezinnen. Het is niet duidelijk of die cijfers ook rekening houden met wat buitenlanders bij ons komen grensshoppen of enkel wat Belgen over de grens kopen. Ook is het niet zeker of de stijging wel veroorzaakt wordt door de suikertaks. Zo zou grensshoppen voor voeding en drank in 2015 met 40 procent zijn toegenomen sinds 2008. Ruim vóór de suikertaks in voege trad. Eén van de redenen hiervoor is dat de hogere loonkosten in België consumentengoederen duurder maken (niet enkel voeding en drank). En net dat probleem pakt de taxshift aan. Misschien is het totale grensshoppen wel aan het verminderen door de taxshift? Er bestaan hier geen publiek beschikbare cijfers over. En het is begrijpelijk dat GfK deze cijfers niet wil publiek geven, gezien dat hun business model zou ondermijnen. Maar het is moeilijk discussiëren over partiële cijfers. Het is volgens mij geen overbodige luxe dat een overheidsinstelling zich hierover buigt.

Mensen aanzetten tot gezonder eten kan wellicht ook op andere manieren dan met een suiker- of vettaks. Maar de beste prikkels zijn vaak de financiële.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Economische basistheorie vloert Republikeinen bij Obamacare

Dinsdag werd in de Amerikaanse Senaat gestemd om de debatten over de ziekteverzekering verder te zetten. Alvast de Better Care Reconciliation Act (BCRA), het Republikeinse senaatsvoorstel voor een volledige afschaffing en vervanging van Obamacare, werd dinsdag weggestemd, ook door negen Republikeinse senatoren. De vraag is nu of Obamacare gedeeltelijk zal weggestemd worden, de zogenaamde ‘skinny repeal’.

Dat de volledige afschaffing van Obamacare wordt weggestemd met de hulp van Republikeinse senatoren, is opmerkelijk. Toen deze wet onder Obama van kracht werd begin 2010 was de toenmalige Republikeinse oppositie virulent tegen. Ze zwoeren jarenlang om Obamacare af te schaffen en te vervangen door iets beters. De mantra ‘repeal & replace’ was geboren. Meer dan 50(!) wetsvoorstellen werden daarvoor ingediend door de Republikeinse oppositie. Je zou dus denken dat de Republikeinen, nu aan de macht, al bij de start Obamacare zouden afgeschaft hebben.

Maar dat bleek moeilijker dan gedacht. Sommige Republikeinen begonnen te twijfelen. De reden is eenvoudig: Obamacare werkt.

Dat Obamacare zou werken, was voorspeld door economische basistheorie. Studenten Economie krijgen het mee in hun eerste jaren aan de universiteit: de vrije markt werkt zelden of nooit perfect. De overheid is bijgevolg nodig om de marktwerking te verbeteren (op voorwaarde dat de overheidsremedie niet slechter is dan de marktimperfectie). Marktimperfecties kunnen heel gevarieerde oorzaken hebben. Voor de markt van ziekteverzekeringen gaat het vooral om averechtse selectie: in een volledig vrije markt kunnen juist mensen die het nodig hebben zich niet of zeer moeilijk verzekeren.

Dat is vrij eenvoudig in te zien als je de groep mensen bekijkt die erfelijk belast zijn of al duidelijk symptomen van een ziekte hebben (‘pre-existing conditions’). Ziekteverzekeraars weten dat deze mensen hoge ziektekosten zullen veroorzaken en moeten deze mensen dan ook veel hogere premies aanrekenen als ze winstgevend willen blijven. Die premies kunnen echter zo hoog worden dat ze onbetaalbaar worden. Mensen met ‘pre-existing conditions’ vallen dan uit de boot.

Er is dus een overheid nodig om de markt te reguleren en averechtse selectie tegen te gaan. Dat kan door op te leggen dat er eenvoudig gesteld maar één premie mag aangerekend worden, ook voor mensen met ‘pre-existing conditions’. Die gemiddelde premie moet dus verhoogd worden, waardoor het voor de gezondste mensen niet meer rendabel is om een ziekteverzekering af te sluiten. Die mensen verdwijnen uit het klantenbestand, waardoor de gemiddelde kosten stijgen, en dus ook de gemiddelde premie. Hierdoor zullen ook de iets minder gezonde mensen geen ziekteverzekering meer kopen, waardoor de premies nog wat verhoogd moeten worden. Dit mondt uit in een zogenaamde ‘death spiral’ waarbij niemand nog een ziekteverzekering kan of wil kopen.

Obamacare lost dit op door op te leggen dat iedereen zich moet verzekeren, ook de meest gezonde mensen. Op die manier worden de verschillende gezondheidsrisico’s gepoold. Toch zal dit voor sommigen nog te duur zijn, maar Obamacare voorziet ook subsidies opdat iedereen een ziekteverzekering kan kopen. De ‘skinny repeal’ wil de individuele verplichting van Obamacare afschaffen, wat dus wellicht tot een ‘death spiral’ leidt.

Nu de Republikeinen aan de macht zijn, wordt duidelijk dat een efficiënt alternatief zonder verplichting en zonder subsidies niet bestaat, tenzij je miljoenen Amerikanen hun ziekteverzekering laat verliezen. Dat is te zien op bijgaande grafiek, die het aantal onverzekerden vergelijkt tussen het initiële senaatsvoorstel van de Republikeinen en Obamacare. Al in 2018 zouden 15 miljoen Amerikanen onder het Republikeinse systeem hun ziekteverzekering verliezen. Tegen 2026 loopt dat op tot meer dan 20 miljoen.

tijdobamacare

Politiek is een raar beestje, en het is dus best mogelijk dat de Republikeinen nog liever miljoenen Amerikanen zonder ziekteverzekering zetten dan hun gezicht te verliezen en te moeten toegeven dat hun zeven jaar lange mantra van ‘repeal and replace’ onzin was. Maar het betekent ook dat de Republikeinse partij in dat geval naar alle waarschijnlijkheid een zware verkiezingsnederlaag zal lijden bij de verkiezingen in november 2018.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.