‘Een tijd voor empathie’ door Frans De Waal

In de arena van het politieke debat geven mensen blijk van vergaande aannames over de menselijke natuur. Die aannames over de mens zijn bijna steeds negatief: de mens zou een puur egoïstisch wezen zijn en niet bereid om zijn medemens vrijwillig te helpen. Frans De Waal stelt in zijn boek Een tijd voor empathie dat dit niet klopt: mensen zijn “uiterst coöperatief, gevoelig voor onrecht en soms oorlogszuchtig, maar meestal vredelievend”. Het potentiële altruïsme zit er diep ingesleten en is niet zomaar een laagje beschavingsvernis. Onze aannames over de menselijke natuur zijn dan ook aan een grondige herziening toe. Empathie is natuurlijk niet de enige, dominante emotie van de mens. Ook de concurrentiedrang van mensen is heel belangrijk, maar aan die eigenschap geeft de samenleving al genoeg aandacht. Empathie en anderen willen helpen is minstens zo belangrijk. Hij onderbouwt deze stelling met de resultaten van fascinerend nieuw onderzoek naar de oorsprong van altruïsme en gerechtigheid, zowel bij de mens als bij (andere) dieren.

Frans De Waal is een Nederlands bioloog die al vele jaren in de VS onderzoek doet naar het gedrag van mensapen. Hij geldt ondertussen als een autoriteit in zijn vakgebied en Time plaatste hem in 2007 zelfs in de lijst van de meest invloedrijke personen ter wereld. In zijn onderzoek met mensapen zet hij allerlei experimenten op om na te gaan hoe primaten reageren. Zo bijvoorbeeld beschrijft hij een ruilexperiment bij kapucijnenapen. Eén aapje moest een fiche ruilen, waarbij hij de keuze had tussen een ‘zelfzuchtige’ of een ‘prosociale’ fiche. Bij de ‘zelfzuchtige’ fiche kreeg enkel het aapje dat de ruil deed een stukje appel maar het andere aapje niets, bij de ‘prosociale’ kreeg het andere aapje ook een stukje appel. De onderzoekers ontdekten dat indien de band tussen de aapjes groter was, vaker geruild werd met de ‘prosociale’ fiche. Het is verleidelijk om hieruit sterke conclusies te trekken, en ook Frans De Waal hoedt zich ervoor, maar het is op zijn minst duidelijk dat kapucijnenapen liever samen eten dan alleen.

Empathie bij dieren dat meer tot de verbeelding spreekt, komen voor in meer extreme situaties. Er zijn verhalen bekend van chimpansees die verwoede pogingen deden om een soortgenoot uit het water te helpen (chimpansees kunnen niet zwemmen) die fataal afliepen voor de redder en het slachtoffer. Ook de auteur geeft een aantal interessante voorbeelden. Deze verhalen zijn echter anekdotisch en moeten dus met wetenschappelijke scepsis behandeld worden, wat de auteur ook duidelijk aangeeft. Anderzijds zijn deze ‘anekdotes’ sterke aanwijzingen dat empathie bij dieren ver kan gaan. Trouwens, ook bij mensen zijn de spectaculairste gevallen moeilijk te herhalen in experimenten.

Vaak wordt empathie beschouwd als een complexe eigenschap, waar mensen bewust over beslissen. Maar Frans De Waal stelt dat empathie deel uitmaakt “van een erfgoed dat even oud is als de klasse van de zoogdieren”, wat van empathie een robuuste eigenschap maakt en niet zomaar een laagje vernis dat pas recent door de beschaving aangebracht werd. Wel is het zo dat de evolutie er steeds meer lagen aan toevoegde: eerst de emotionele aanstekelijkheid, vervolgens het vermogen van de troost en ten slotte de gerichte hulp, maar zelfs de buitenlagen blijven verbonden met de oerkern. En die kern is emotie: empathie voel je en is dus in de eerste plaats emotionele betrokkenheid, en geen verbeeldingskracht (wat meer cognitief zou zijn).

Maar hoe altruïstisch is het gedrag van mensen en primaten (en andere dieren) als ze er niet hebben over kunnen nadenken? Blijkbaar ligt er geen keuzevrijheid aan vooraf en kan men dus niet stellen dat een empathisch gevoelen moreel goed is. En zelfs als er wel een moment van keuze is, blijken mensen die anderen helpen een soort van warme gloed (‘warm glow’) te voelen: ze voelen zich goed door anderen te helpen. Meer nog, de auteur toont aan dat het empathisch gedrag op de lange termijn vaak positief is voor het individu. Men maakt misschien geen bewuste calculatie, maar doordat het op langere termijn nut oplevert, is dit gedrag via het evolutiemechanisme geselecteerd geweest. Frans De Waal gaat op deze problematiek in en beschrijft empathisch gedrag eerder als een welbegrepen eigenbelang: we zijn allemaal voorstanders van fair play zolang we er voordeel bij hebben. Hij gaat zelfs nog eens stapje verder door zich af te vragen waarom we het ‘zelf’ en de ‘ander’ uit elkaar moeten trekken als de verstrengeling van die twee het geheim achter onze coöperatieve natuur is.

Soms ruilt Frans De Waal zijn rol van wetenschapper voor die van maatschappijcriticus. Door zijn jarenlange verblijf als Nederlander in de VS is hij goed geplaatst om de twee continenten te vergelijken. En hij kan niet echt kiezen tussen de twee, omdat ze elk één kant van eerlijkheid benadrukken. Hij is ontstemd dat er zoveel mensen in de VS in armoede leven en dat je kansen teveel beknot worden door je afkomst; in Europa is dit veel minder het geval. Maar anderzijds kan iemand met talent en hard werk heel ver komen in de VS, terwijl er in Europa sneller afgunst bestaat voor je succes. Europa lijkt dus leefbaarder, maar de VS zijn meer stimulerend.

De auteur pleit op het einde van zijn boek voor een genuanceerde kijk op de maakbaarheid van de mens. Empathie, zo stelt hij, zit zo diep ingeworteld dat ze bijna altijd tot uitdrukking komt. Je kan ze dus onderdrukken (door bijvoorbeeld onze vijand te ontmenselijken) of versterken (door je kinderen terecht te wijzen wanneer ze speelgoed afnemen van andere kinderen). Een Nieuwe Mens scheppen is niet mogelijk, maar we zijn opmerkelijk goed in het wijzigen van de oude. Hij pleit dan ook om de reikwijdte van het medeleven te vergroten. “Het grootste probleem van dit moment (…) is overmatige loyaliteit aan de eigen natie, groep of religie. Mensen zijn in staat iedereen die er anders uitziet of anders denkt diep te verachten (…). Naties vinden dat ze superieur zijn aan hun buren, religies vinden dat hun waarheid de enige waarheid is. Als het erop aankomt, zijn ze bereid elkaar te dwarsbomen of zelfs te elimineren. (…) Empathie voor ‘andere mensen’: juist daaraan heeft de wereld een groter tekort”.

Frans De Waal, Een tijd voor empathie, Uitgeverij Contact

Dit boek werd verkozen tot ‘Liberales-boek van 2010′

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Interview – Bas Haring: “Ons altruïsme is zeer lokaal”

Bas Haring bekleedt de Leidse leerstoel ‘publiek begrip van de wetenschap’. Hij is eveneens tv-maker en schrijver van populariserende boeken over wetenschap, waarvan hij er al drie op zijn conto heeft staan. In Vlaanderen is hij vooral gekend met zijn debuut Kaas en de evolutietheorie, waarin hij op een onvoorstelbaar eenvoudige wijze de evolutietheorie en haar impact op het dagelijkse leven uit de doeken doet. Voor dit boek kreeg hij in 2002 de Gouden Uil jeugdliteratuur, maar het boek is zeker ook aan te bevelen aan volwassenen. Ook in zijn laatste boek, Voor een echt succesvol leven, is de evolutietheorie nooit veraf. De theorie wordt hier niet expliciet uitgelegd, maar Bas Haring gebruikt haar doorheen het hele boek om het huidige maatschappelijke waardenstelsel aan te klagen.

We hebben een afspraak met Bas Haring na zijn lezing op de studiedag van het Wijsgerig Gezelschap te Leuven. Dat hij op deze studiedag was uitgenodigd is niet verwonderlijk gezien het onderwerp ‘Darwin in de filosofie’. De lezingen werden opgenomen in het kader van het project van Johan Braeckman. Dit vierjarig project, dat begin dit jaar nogal wat media-aandacht kreeg, heeft als doel de evolutietheorie beter bekend te maken bij het brede publiek. Gezien Bas Harings staat van dienst was hij perfect gecast om de studiedag af te sluiten. We hadden een gesprek met hem over de evolutietheorie, maar ook over moraal, creationisme en intelligent design.

In België zou 25% van de mensen twijfelen of zelfs ontkennen dat de mens uit lagere soorten is ontwikkeld. In Nederland zou dat oplopen tot 32%, en in de VS en Turkije gaat het zelfs om respectievelijk 60% en 70%. Moeten we ons daar, zeker in een democratie waar wetten door de meerderheid worden gemaakt, geen ernstige zorgen over maken?

Bas Haring: Dat lijkt wel schokkend, maar we moeten ook inzicht krijgen in welke 30% dat dan is. Misschien zijn het wel redelijk onschuldige mensen zijn die zich eigenlijk niet echt bezig houden met deze materie en er dus ook niet zoveel belang aan hechten. Misschien denken die mensen ook wel dat Spanje in Azië ligt. Dat zijn toch zaken die de resultaten kunnen relativeren. Het zou wel erg zijn als het in Vlaanderen of Nederland echt zo erg wordt als in de VS, maar zo ver zijn we nog niet. Daarmee heb ik niet gezegd dat het niet zinvol is om hiertegen te reageren. Ik zat onlang in een tv-debat met Cees Dekkers, een nanotechnoloog en een aanhanger van de intelligent design-gedachte. Het zou een illusie zijn om hem te kunnen overtuigen, maar in zo’n discussie kan ik argumenten gebruiken die bij hem misschien geen kwartje doen vallen maar bij de kijker wel.

In Vlaanderen ervaren we een opkomst van het creationisme en het intelligent design. Is dat in Nederland ook het geval?

Bas Haring: In 2005 hadden we in Nederland een geweldige rel toen minister van Onderwijs, Maria Van der Hoeven (CDA), voorstelde om een debat te voeren over de waarde van het intelligent design en om het eventueel te onderwijzen op school. Maar die discussies zijn in Nederland over hun hoogtepunt heen. De huidige minister van Onderwijs, Plasterk, (PvdA) is een evolutiebioloog, dus het zit wel goed wat dat betreft. Op zich heb ik er niet zoveel problemen mee dat mensen geloven dat creationisme of intelligent designjuiste theorieën zijn. Het zit in hoe wij denken dat misvattingen zich kunnen voordoen. Mensen denken in patronen en dat wordt ook toegepast op de loop van de geschiedenis. Ze denken daarin een bepaalde loop te herkennen die er helemaal niet is. Je kan wel ijveren om die misvattingen weg te stoppen, maar daarmee zijn ze nog niet weg. Het is dus zeer goed dat daarover gepraat wordt en dat zal je altijd moeten blijven doen.

U bekleedt een leerstoel ‘publiek begrip van de wetenschap’. Richard Dawkins bekleedt een soortgelijke leerstoel. Jullie zijn beiden erg bezig met de evolutietheorie. Zou u uzelf omschrijven als de evenknie van Richard Dawkins?

Bas Haring: Nee, Richard Dawkins was eerst een gevierd bioloog, en daarbij is er opgemerkt dat hij toevallig ook goed verhalen kan vertellen die tot kern doordringen. Ik kan ook wel goed verhalen vertellen en complexe zaken uitleggen aan de hand van metaforen, maar ik ben geen gevierd bioloog. Bovendien schrijft hij in het Engels en ik niet en dat is een grote handicap die ik heb, want het Engels is dé taal om in te werken. Juist doordat taal zo belangrijk is in wat ik doe kan ik enkel in mijn moedertaal blijven schrijven. Het laatste boekje wordt wel vertaald naar het Engels. Ook wat stijl betreft zijn we erg verschillend: hij is stelliger, polemischer. Hij gaat regelrecht in de aanval, terwijl ik niet zo hou van oordelen. Ik ben meer vragend en laat de mensen liever wat ruimte. Dat is een bewuste strategie. Als ik dan wel eens wat polemischer ben, heb ik achteraf altijd spijt, al ben ik dan een Nederlander. Het is zó weinig zinvol om tegen mensen te zeggen: ‘u heeft geen gelijk’. Het is veel beter de mensen aan de hand mee te nemen en ze zelf te laten ervaren dat ze fout zitten. Ik denk dat ik op die manier meer mensen kan aanzetten om na te denken.

Tijdens de lezing was u nochtans zeer stellig: de evolutietheorie is waar en niet voor verfijning vatbaar. Straffe uitspraak voor een publiek van filosofen!

Bas Haring: Inderdaad, soms kan ik ook zeer stellig zijn, maar het is dan niet persoonlijk. Het ís ook zo dat het evolutiemechanisme een logische waarheid is: als er variatie is (mensen zijn verschillend), overerving (kinderen lijken op hun ouders) en pressie (mensen gaan dood), dan is het evolutiemechanisme van toepassing. Dat is niet voor verfijning vatbaar, net zo min als 1+1 = 2 voor verfijning vatbaar is. Wat echter wél vatbaar is voor verfijning is het belang van het mechanisme in de verklaring van allerhande processen of toestanden. Het kan best zijn dat dit belang voor de verklaring van de ontwikkeling van de mens of van onze moraal grondig afneemt naargelang de wetenschap zich ontwikkelt.

Gaat er een positieve kracht uit van het evolutiemechanisme, doordat bijvoorbeeld eerder win-win situaties worden geselecteerd ten koste van zero-sum (waarbij het verlies van de ene de winst van de andere is)?

Bas Haring: John Gray, een Britse filosoof die schrijft over de geschiedenis van de beschaving, haalt als voorbeeld ‘martelen’ aan. We hebben deze praktijk de afgelopen decennia afgeschaft en dat zou je kunnen zien als vooruitgang: martelen doen we niet meer en dat komt nooit meer terug. Maar John Gray zegt dat het ooit wel zal terugkomen. En dat kan net zo zijn met onze verlichtingsidealen zoals vrijheid van meningsuiting en de gelijkheid van man en vrouw. Misschien niet binnen 5 jaar, maar wat over 500 jaar? Dat weet je dus niet. De Griekse beschaving is ook ingestort en toen kwamen die ellendige middeleeuwen. Wie garandeert ons dat het niet zo zou zijn met onze beschaving? En dat is geen pessimisme, maar gewoon de realiteit. Maar je hebt gelijk, het is erg moeilijk om win-win-situaties níet te selecteren, maar het is niet noodzakelijk dat het evolutiemechanisme altijd win-win-situaties selecteert. Het evolutiemechanisme selecteert gewoon dat wat goed is in overblijven en dat overleeft dus ook. Zo kan ook de illusie van een win-win-situatie geselecteerd worden. Stel dat een klein landje moet beslissen of het meedoet met de open wereldeconomie of niet. Als men in dat landje denkt te weten dat globalisering slecht is, dan zal het niet meedoen, ook al is dat op lange termijn een slechte keuze.

Waarom streeft u niet eerder naar een publiek begrip van de wetenschappelijke methode, in plaats van enkel te focussen op de evolutietheorie? Op die manier kan u bijvoorbeeld ook de pseudo-geneeskunde aanpakken en voelt de gelovige medemens zich minder geviseerd, wat nu wel het geval lijkt?

Bas Haring: Dat vind ik niet zo’n boeiende agenda. Ik heb een hekel aan ‘het oordeel’ en vanuit religieuze overtuigingen worden er oordelen geveld waarvan ik denk te weten dat het onterechte oordelen zijn. Om dat aan te tonen kan ik de wetenschap gebruiken. Maar iemand die als individu de keuze maakt om homeopathische middelen te kopen oordeelt niet. En daar word ik dus niet warm of koud van. Er wordt door de pseudo-geneeskunde geen pijn geleden, behalve in uitzonderlijke gevallen zoals die Nederlandse actrice die dood gegaan is doordat ze naar de verkeerde ‘arts’ ging. Er wordt echter erg veel pijn geleden door bijvoorbeeld mensen die zich beoordeeld voelen omdat ze homoseksueel zijn. Dat is nu wel al wat minder, maar dat was dertig jaar gelden nog schering en inslag. Pijn die geleden wordt door oordelen die aantoonbaar fout zijn: daar word ik het meest nerveus van. Dat is ook de reden voor het laatste boekje. Mensen die tevreden kunnen zijn met een leven dat vergeten wordt, veroordelen wij terwijl het feitelijk een aangenaam leven kan zijn.

In uw laatste boek zegt u dat mensen uit de ratrace moeten stappen als ze dat willen en dat er helemaal niets fout is met een middelmatig leven. Maar mensen zijn toch al vrij om te kiezen voor een dergelijk leven?

Bas Haring: In onze gemeenschap is de appreciatie gericht op dingen die overblijven. Dat zit al in het woord ‘succes’ dat komt van het Latijnse succedere, wat ‘opvolgen’ betekent. Een succesvol leven is dus een leven dat iets in gang heeft gezet. Iemand die niets doet, die niets nalaat, wordt in onze maatschappij als onsuccesvol bekeken. Mensen die het toch anders willen doen, moeten het gevoel hebben dat ze daarin gesteund worden. En dat is nu niet altijd het geval. Onlangs hadden we het geval van een vijftigjarige man die al zo’n twintig jaar niet echt had gewerkt. Hij deed vrijwilligerswerk, had een tijdschriftje, leefde klein en onzichtbaar. Uiteindelijk zijn de mensen woest op hem geworden: hij moest aan het werk! Dat vind ik echt zeer spijtig. Mensen die het anders willen doen, worden soms erg afgeremd. Haal eens iemand van 500 jaar geleden hier naartoe, dan zou hij verbaasd zijn over een heleboel prachtige dingen, maar hij zou ook verbaasd zijn over het feit dat de mensen hier levens leiden waarin ze heel veel moeten, om toch maar niet vergeten te worden.

Uw pleidooi voor een sober leven ligt in de lijn met de constatering dat ons geluk constant gebleven is, ondanks de verdubbeling van onze rijkdom.

Bas Haring: Ik zou niet spreken van een pleidooi: ik leg gewoon het mechanisme bloot waarom enkel dingen die overblijven als succesvol worden bestempeld. En dat komt door het evolutiemechanisme. Aan dat mechanisme kunnen we helemaal niets doen, maar dat betekent nog niet dat dingen die niet overblijven, niet waardevol kunnen zijn. En wat betreft de stijgende welvaart toch een kanttekening: als in Vlaanderen het BBP per capita constant zou blijven, maar het BBP per capita van de omgeving blijft wél stijgen, gaat het geluk naar beneden. Het is dus noodzaak om in dit spelletje mee te gaan. Dat is net hetzelfde mechanisme dat speelt als het op individuen aankomt die in de ratrace zitten. Jammer en helaas: dat is de tragiek van het leven. Maar het is leuk om erover na te denken.

Uiteindelijk wilt u dat onze samenleving er een andere moraal op na houdt, die bijvoorbeeld ‘niet hard werken’ ook als goed bestempelt. Welke criteria zou u gebruiken om die moraal aan te passen?

Bas Haring: Voor mij is het criterium de ervaring van het individu, waarbij de ervaring van pijn slecht is en de ervaring van plezier goed. Dat is het fundament waarop je je moraal kan baseren. Het wordt wel lastig als mensen een slechte situatie als goed beoordelen, omdat ze niet beter weten, zoals bijvoorbeeld een slaaf die zijn situatie best wel goed vindt, omdat hij niet weet wat vrijheid is. We weten wel dat slaven vaak ontsnapten, wat aangeeft dat ze niet gelukkig waren, en die informatie kunnen we gebruiken om slavernij af te keuren.

Maar dan kijkt u weer naar grote groepen mensen, terwijl u uitging van het individu. Zo kan heteroseksualiteit de norm worden, terwijl er niets mis is met homoseksualiteit.

Bas Haring: Daar heb je een punt. Ik zou misschien toch zeggen dat als een persoon liever slaaf is, hij best slaaf mag zijn. Maar hij moet wel écht de keuze hebben. En dat gebeurt ook wel: er zijn mensen die ervoor kiezen om in een kooi te gaan zitten in Nederland en dan maken we daar tv van. Maar ik heb er wel problemen mee als er iemand van geboorte af in een kooi zou zitten. Die heeft namelijk de keuze niet gehad. Uiteindelijk is het moeilijk om te oordelen over iemand die slaaf is en die zegt dat zijn toestand toch goed is. Dat is helemaal anders als een slaaf zegt dat hij liever geen slaaf wil zijn: die mag van mij direct iets anders gaan doen. En dat is een zeer individualistisch criterium. Ik hou dan ook van individuen. En misschien is dat niet praktisch, omdat we als individu een resultaat zijn van heel veel ingewikkelde processen met heel veel andere mensen. Maar toch ben je nog steeds een individu, als resultaat van dat ingewikkelde proces.

Frans De Waal gaat in tegen de zogenaamde ‘vernistheorie’, een theorie die zegt dat mensen egoïstische schepsels zijn met een dun laagje beschaving. Voor Frans De Waal zijn de mensen (en de dieren) in zeker mate altruïstisch van nature.

Bas Haring: Ik ben niet zo’n optimist als Frans De Waal, hij is toch wat te hoopvol. Bij het altruïstische gedrag van mensen, dat er zeker is, zit steeds ook een egoïstische kant, maar dan op een ander niveau, bijvoorbeeld op het niveau van de populatie. We zijn bijvoorbeeld wel altruïstisch ten opzichte van onze familie, onze landgenoten en zelfs met onze toekomstige landgenoten, maar helemaal niet met de Chinees die vandaag leeft. Ons altruïsme is zeer lokaal. En ik vind dat fout: we moeten even solidair zijn met de Chinees als met onze buurman. Dat is ook de stelling van Peter Singer en ik volg hem daarin dus. Het bevragen van mensen naar de reden waarom ze iets doen geeft geen inzicht in de mechanismen van dat gedrag. Om te weten te komen of mensen egoïstisch zijn, moet je onderzoeken hoe mensen zich gedragen in bepaalde omstandigheden. Maar dat doet niets af aan de oprechtheid van je gedrag. Als je van iemand houdt, dan hou je van die persoon, maar het kan best zijn dat een wetenschapper weet waarom je van een persoon wilt houden. Dat zijn twee verschillende verhalen.

Volgens Martha Nussbaum geldt de emotie als basis van de moraal. Bent u het daarmee eens?

Bas Haring: Ja, en als je de moraal wilt veranderen moet je die emoties veranderen. Als je wilt dat Vlamingen meer solidair zijn met de huidige Chinezen in plaats van met de toekomstige Vlamingen, dan moet je ervoor zorgen dat mensen warmer lopen voor die Chinezen. Het veranderen van emoties is natuurlijk niet zo makkelijk, maar er worden tal van initiatieven genomen om dat te veranderen, zoals boeken schrijven. Maar ook andere dingen. In Nederland hebben ze in de jaren ’60 of ’70 de dodenherdenking opgericht. Ik heb me laten vertellen dat dit eigenlijk is bedacht om de samenhorigheid onder de Nederlanders te beïnvloeden en dat is aardig gelukt. Dat is helemaal geen onverstandige manier. Onderwijs is ook zo’n instrument. Maar ik ben geen activist. Wetenschappers of filosofen zijn dat niet. Als we echt iets kunnen veranderen, dan is dat altijd via een omweg: politici, bijvoorbeeld, die iets lezen en het inspirerend vinden. Volgens mij is dat prima zo. Ieder moet zijn rol daarin spelen.

Interview door Andreas Tirez. Deze tekst verscheen eerder bij Liberales

Boekbespreking – ‘Voor een echt succesvol leven’ door Bas Haring

Bas Haring debuteerde in 2001 met Kaas en de evolutietheorie, waarvoor hij in 2002 de Gouden Uil jeugdliteratuur kreeg. Het eerste deel van dat boek behandelt op een zeer eenvoudige manier de finesses van de evolutietheorie. In het tweede deel gaat het over de impact van het evolutiemechanisme op het dagelijkse leven van de mens, waarbij Haring ingaat op onder meer seks, de familieband, het menselijke gedrag, het bestaan van God en de moraal. Hoewel het boek bestempeld wordt als jeugdliteratuur, is het ook zeer aan te bevelen voor volwassenen.

Ook in Harings laatste boek Voor een echt succesvol leven is de evolutietheorie nooit ver weg. De kerngedachte van dit boek is dat we door onze genen in een bepaald stramien gevangen zitten, zodat we dingen doen, zoals kinderen krijgen of keihard werken, die misschien wel goed zijn voor onze genen, maar niet noodzakelijk goed zijn voor onszelf. Aangezien we als mensen over zelfbewustzijn en rationaliteit beschikken, kunnen we ontsnappen en kiezen voor een écht succesvol leven. Succesvol voor onszelf dan.

Wat goed is in overblijven, wordt vaak als succesvol ervaren, zo gaat de auteur van start. Iets wat van voorbijgaande aard is, is dat veel minder vaak, simpelweg omdat het verdwijnt. Dat zit al in het woord ‘succes’ dat afgeleid is van het Latijnse succedere, wat ‘opvolgen’ betekent. Een succesvol leven is dus een leven dat iets in gang heeft gezet. Een dergelijk leven hoeft niet noodzakelijk beter te zijn dan een doodlopend leven. Haring geeft zijn eigen gezinssituatie als voorbeeld. Hij en zijn vriendin vormen een gezin zonder kinderen. Ze hebben echter wel eendjes. En dat vinden ze prima zo. Een gezin met eenden is wel “vrij zeldzaam”, zo schrijft Bas Haring, “de meeste mensen hebben een gezin met kinderen. Gezinnen met kinderen komen veel vaker voor dan gezinnen met eenden; niet omdat gezinnen met kinderen leuker zijn, maar wel omdat gezinnen met kinderen vaak weer voor nieuwe gezinnen met kinderen zorgen. (…) Een leuk gezin met kinderen zorgt gemakkelijk voor een nieuw gezin met kinderen; maar een leuk gezin met eenden heeft dat effect helemaal niet.”

Er is echter meer: ook dingen die níet leuk zijn worden als succesvol beschouwd, louter omdat die dingen toevallig goed zijn in overblijven. Het voorbeeld van de vioolkrab illustreert dit sprekend: de mannetjeskrab van deze soort heeft een kleine en een heel grote schaar, terwijl de vrouwtjeskrab kleine schaartjes heeft. De mannetjeskrab met de grootste schaar ligt het best in de markt bij de vrouwtjes en heeft dus de meeste kans op nakomelingen. Het opvallende is echter dat die grote schaar meer nadeel dan voordeel lijkt op te leveren (behalve dan op het vlak van reproductie): die reuzenschaar gebruikt hij namelijk nergens voor en zit vooral in de weg. Soms valt hij door het asymmetrische gewicht zelfs om. Een beetje absurd dus: mannetjes met een onhandig grote schaar die echter wel het meeste kans hebben op voortplanting.

Stel dat een vrouwtjeskrab eens niet meedoet met die absurditeit en kiest voor een mannetjeskrab die kleine schaartjes heeft. Hun kinderen zullen hoogstwaarschijnlijk ook kleine schaartjes hebben. Het schrijnende is dat deze kinderen minder kans zullen maken om zich voort te planten, aangezien de meeste vrouwtjeskrabben niet zo ‘intelligent’ zijn als hun moeder. Er is dus duidelijk een verschil tussen wat goed is voor een krab en wat goed is in overblijven. “Maar”, zo schrijft Haring, “dat hoeft de uitzonderlijke uitzondering er niet van te weerhouden lekker te kiezen voor zichzelf. Dan maar niet voortbestaan. Geen succes.” Een ontroerend pleidooi van de auteur voor een waarachtig leven van de krab.

Hoe komt het dat soorten in een dergelijk stramien kunnen komen? De voorkeur van de vrouwtjeskrab voor een grote schaar kan toeval zijn. Waarschijnlijker, zo schrijft Bas Haring, was het ooit zo dat een iets groter schaartje wél een voordeel had. Je kon er bijvoorbeeld makkelijker dingen mee doorknippen of je beter verdedigen tegen vijanden. Vrouwtjes die kozen voor mannetjes met een iets grotere schaar kregen nakomelingen die een hogere overlevingskans hadden. ‘Groter’ betekende toen ‘beter’ en dus groeide de schaar almaar totdat ze geen aanwijsbaar voordeel meer opleverde, maar toen zaten de vioolkrabben al vast in het stramien: groter is beter.

De stap naar het rijk der mensen is klein. De auteur verwijst naar San Gimignano, een klein stadje in Toscane, waar men in de middeleeuwen “belachelijk hoge torens bouwde”. Ook hier was een hoge toren initieel een voordeel, namelijk meer opslagruimte. Maar het werd algauw een concurrentiestrijd om de hoogste toren te bouwen, omdat de familie met de hoogste toren toch wel bijzonder zou moeten zijn. Stel nu echter eens dat er slechts één familie op het idee was gekomen om een belachelijk hoge toren te bouwen, veel hoger dan nodig is voor de gevraagde opslagruimte. Dan zou die ene familie door de andere families (zeg maar de gemeenschap) gewoon gek verklaard geworden zijn. Het gaat in San Gimignano dus om eenselfulfilling prophecy: als iedereen denkt dat het belangrijk is om een zo hoog mogelijke toren te bouwen, dan wordt het belangrijk, ook al levert het in de feiten niets op.

En zo komt de auteur tot de ratrace, waarbij werknemers met elkaar in competitie gaan om de top te bereiken. En daar zit geen complot van slinkse kapitalisten achter: we doen het onszelf aan, omdat we per se allemaal die top willen bereiken. Het is niet voldoende om middelmatig te zijn, en omdat iederéén dat vindt, is dat de waarheid. Die drang naar de top zit misschien wel in ‘onze natuur’, maar “er zit van alles in onze natuur. Huppelen op straat, lekker masturberen en heel veel slagroom eten. Maar daarin worden we niet aangemoedigd door media, reclame en lessen op school. Integendeel. Daarin worden we juist afgeremd. Ons wordt verteld dat slagroom eten ongezond is en masturberen prima is; alleen niet te vaak en ook niet in het openbaar. Terwijl een eventueel natuurlijk instinct om de top te halen juist aangewakkerd wordt.”

Aan de hand van eenvoudig uitgelegde voorbeelden dwingt de auteur je om na te denken over je eigen gedrag, zoals bijvoorbeeld de keuze om hard te werken of om kinderen te krijgen. In het boek behandelt hij verder ook nog zaken zoals het geloof en de solidariteit van de mensen onder elkaar (of het gebrek daaraan). Hij doet dat op zo’n eenvoudige, grappige, maar scherpe manier, dat je als lezer vaak verbluft achterblijft. De auteur geeft evenwel niet aan hoe je het anders moet doen, tenzij het gewoon anders doen. Mensen zijn echter sociale wezens en dus gevoelig voor wat als succesvol wordt beschouwd. Als, bijvoorbeeld, enkel gezinnen met kinderen door de gemeenschap als succesvol worden beschouwd, dan is een keuze voor een gezin zonder kinderen niet evident. In die zin onderschat de auteur de natuur van de mens; de mens voelt zich immers pas goed als hij een handelend leven leidt én de bijhorende erkenning krijgt voor dat handelen. Men kan zich niet zomaar autarkisch opstellen in zijn leven, los van de medemens. We zitten dus enigszins gevangen in de appreciatie van de anderen, en die appreciatie kan soms vrij absurd zijn, zoals de auteur overtuigend aantoont.

De eenvoudige, doch scherpe stijl van Bas Haring wordt in de praktijk te weinig nagevolgd. Nochtans zou men met deze stijl een groter publiek kunnen bereiken dan bijvoorbeeld met de stijl van Richard Dawkins, wiens boeken moeilijker te lezen en meer polemisch van aard zijn. Dawkins preekt hierdoor in de praktijk teveel voor eigen kerk. Bij Haring krijg je met een minimale inspanning een maximale opbrengst. Hij schrijft boeken waar je op een dagje door bent, terwijl ze toch handelen over belangrijke thema’s die een enorm inzicht geven in de interactie van mens en maatschappij.


Bas Haring, Voor een echt succesvol leven, Houtekiet, 2007

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.