Hogere erfbelastingen : rechtvaardig, efficiënt en erg onpopulair

Sp.a lanceerde deze week een voorstel om de erfbelasting te hervormen. De partij wil dat iedereen een belastingvrije som van 250.000 euro krijgt. Dat is niet per erfenis, maar geldt voor alles wat je in totaal in je leven erft of geschonken krijgt. Alles erboven wordt dan tegen oplopende tarieven belast. Sp.a wil op die manier de ongelijkheid verminderen.

Voor heel wat economen en filosofen is het zonneklaar: erfenissen hebben een grote impact op de instandhouding van de ongelijkheid, vooral omdat erfenissen erg groot kunnen zijn. Bovendien heeft de ontvanger van een erfenis hieraan geen enkele verdienste. Het is dus rechtvaardig om erfenissen sterk te belasten.

Een hogere erfbelasting is ook efficiënt, omdat je hierdoor de lasten op arbeid navenant kan verlagen. Nu wordt er gemiddeld 12% belastingen betaald op erfenissen, terwijl dat op arbeid dubbel zoveel is, zonder dan nog rekening te houden met de hoge socialezekerheidsbijdragen die op het arbeidsinkomen betaald worden.

Hogere erfbelastingen zijn voor de meeste experts dus een evidentie. Het contrast met de publieke opinie is enorm, die hiertegen sterk gekant is. Dat valt deels te verklaren doordat hogere erfenisbelastingen vaak geïsoleerd voorgesteld worden. Maar elk voorstel voor een hogere erfbelasting zou budgetneutraal moeten zijn voor de overheid. Dat betekent dat de hogere erfbelastingen toelaten om elders de belastingen te verlagen, zoals bijvoorbeeld de arbeidslasten. Dan moeten zij die werken voor hun welvaart minder betalen, en zij die het in de schoot geworpen krijgen meer. Dat zou de tegenstand al wat moeten doen afbrokkelen.

Maar de voornaamste reden voor de sterke tegenstand tegen hogere erfbelastingen is volgens mij dat economen en filosofen de maatschappij als een geheel van individuen bekijken. Ouders hebben hier een fundamenteel andere kijk op. Voor de meeste ouders is het welzijn van hun kinderen minstens zo belangrijk als het eigen welzijn. De individuele kijk van economen en filosofen op de ouder-kind-relatie (en andere relaties) botst daarmee.

Het is dan ook politiek onhaalbaar om tegen deze sterke oudergevoelens in te gaan. Sp.a lost dit goed op door een belastingvrij minimum voor het leven voor te stellen, dat bovendien hoog ligt. Ouders kunnen met dit voorstel meer dan gerust zijn: je zal je kinderen belastingvrij ruim kunnen helpen.

De vraag is hoe hoog de belastingvrije som moet zijn, evenals de progressieve tarieven die je boven die som betaalt. Een belastingvrije som van 250.000 euro zou kunnen leiden tot lagere inkomsten uit de erfbelasting. In dat geval kan je de arbeidslasten niet verlagen, integendeel! Dat kan niet de bedoeling zijn en dan moet de belastingvrije som omlaag of moeten de progressieve tarieven die je erboven betaalt naar omhoog. Of een combinatie van beiden.

Ten slotte is er bij elke belasting ook de vraag hoe het ontwijkingsgedrag kan vermeden worden. Vooral bij grote erfenissen is dat een uitdaging. Dat is nu ook al het geval, maar bij hogere belastingstarieven boven de belastingvrije som wordt dit nog belangrijker.

Het aanleggen van een vermogenskadaster is een oplossing. Als dat politiek moeilijk ligt, zou men zich kunnen beperken tot het goed opvolgen van de grote vermogens.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk bij De Morgen.

Allochtonen en vrouwen moeten beter hun best doen

Zowel voor allochtonen als voor vrouwen is er meer nodig dan harder je best doen. Ook de omgeving waarin ze moeten presteren is toe aan verandering.

De overheid gaat ervan uit dat vrouwen in de politiek en het bedrijfsleven minder kansen krijgen dan mannen. Daar zijn goede redenen voor. Vrouwen doen nog steeds meer zorgtaken in het gezin, waardoor er minder tijd is om een carrière uit te bouwen. Vrouwen blijven ook langer thuis als er een kind geboren wordt, wat best lastig kan zijn voor een bedrijf om die afwezigheid op te vangen. En de politiek was tot voor kort nog een vrij exclusief clubje van blanke mannen. Dergelijke clubjes kunnen de neiging hebben om enkel soortgenoten toe te laten.

Dat leidt tot minder kansen voor vrouwen. Sommige vrouwen getuigen dan ook dat ze harder hun best moeten doen dan hun mannelijke collega’s om even ver te geraken in hun carrière. En dat is dan ook het advies dat individuele vrouwen moeten krijgen: weet dat er in de wereld vrouwendiscriminatie is. Als individuele vrouw kan je daar weinig tegen beginnen. Dus is het niet onwaarschijnlijk dat je als vrouw harder moet werken dan een man om even ver te geraken.

Zo zit onze wereld nu eenmaal in elkaar. Maar het is ook onaanvaardbaar. Dus naast het advies voor individuele vrouwen dat ze wellicht harder zullen moeten werken dan mannen, is het ook de plicht van de overheid om maatregelen te nemen om de kansen gelijker te maken. En dat heeft de overheid ook gedaan.

Quota

En hoe! Ze is er niet voor teruggeschrokken om een paardenmiddel in te zetten tegen deze discriminatie, door quota in te stellen voor politieke kieslijsten en voor de raden van bestuur van bedrijven. Een ingrijpende maatregel, met misschien ook perverse neveneffecten. Toch vindt de overheid vrouwendiscriminatie blijkbaar dermate belangrijk dat ze potentiële, perverse neveneffecten er voor lief bijneemt.

Exact dezelfde redenering geldt voor allochtonen, die gemiddeld meer met armoede en discriminatie te kampen hebben. Ook hier moet het spijtige advies aan de individuele allochtoon luiden dat hij of zij wellicht harder zal moeten werken dan autochtonen om even ver te geraken. Armoede en racisme zorgen immers aantoonbaar voor minder kansen. Als individuele allochtoon kan je daar weinig aan veranderen. Het enige wat je als individu redelijkerwijze kan doen, is beter je best doen.

Onderwijsminister Hilde Crevits mag dus oproepen tot meer ouderbetrokkenheid bij allochtonen. En ook al zijn er cijfers die tonen dat die betrokkenheid even hoog is voor allochtonen als voor autochtonen, dan nog is het goed advies om méér ouderbetrokkenheid te vragen van allochtone ouders. Allochtone kinderen zullen het immers gemiddeld moeilijker hebben dan autochtone. Zo zit onze wereld nu eenmaal in elkaar.

Discriminatie

Maar ook hier is die realiteit onaanvaardbaar. Ook hier is het duidelijk dat het advies aan allochtonen om beter hun best te doen ingegeven is door het besef dat ze misschien gediscrimineerd zullen worden. En als de overheid een paardenmiddel nodig acht tegen vrouwendiscriminatie, waarom dan ook geen paardenmiddel tegen ongelijke kansen door armoede en racisme?

Zelf pleit ik niet voor quota, net omdat ik vrees voor de perverse neveneffecten. Het punt dat ik wil maken, is dat de overheid de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek en in de bedrijfstop niet aan de individuele vrouwen toeschrijft. De overheid zegt niet: vrouwen moeten beter hun best doen en wat meer betrokken zijn bij het bedrijfsleven en de politiek, en dan komt het wel goed. Integendeel, ze legt de politiek en het bedrijfsleven verplichtingen op omdat ze aanneemt dat ­ minstens ­ een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid van de lagere vrouwenvertegenwoordiging daar ligt.

Die redenering moet worden doorgetrokken naar mensen die in armoede leven of geconfronteerd kunnen worden met racisme. Meer nog, mij lijkt het waarschijnlijk dat ongelijke kansen door armoede en racisme belangrijker zijn dan vrouwendiscriminatie.

De titel van deze column is dan ook bedoeld als provocatie van de lezer. Dat is toch mijn hoop, omdat het zou aantonen dat ook u vindt dat er meer nodig is dan wat harder werken. Ook de omgeving moet veranderen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

De individuele verantwoordelijkheid van een arm kind is nul

Afgelopen zondag was er een relletje over de uitspraken van Vlaams minister van armoedebestrijding Liesbeth Homans. Homans (N-VA) beweerde dat er een trendbreuk was in de Vlaamse armoedecijfers. Het algemene armoederisico is gedaald van 11,1 procent naar 10,3 procent en dat is volgens de minister een trendbreuk.

Er kwam onmiddellijk kritiek van de oppositie, maar ook van armoedeverenigingen en onderzoekers. Een daling met 0,8 procentpunt kan niet bekeken worden als een statistisch significante daling, omdat het binnen de foutenmarge zit, zoals Toon Vanheukelom, onderzoeker van de KU Leuven, berekende. Armoedecijfers schommelen altijd wat, want ze zijn gebaseerd op enquêtes en dus zijn er ook steekproeffouten (zie figuur). Bovendien, en dat is nog het meest opmerkelijk, zijn de door Homans geciteerde cijfers minstens deels gebaseerd op 2014, terwijl de huidige Vlaamse regering pas echt startte na de zomer van 2014. En dan nog kan men zich de vraag stellen of het Vlaamse beleid een echte kentering kan inzetten, zelfs op een paar jaar tijd, omdat onder meer demografie en het federale beleid een grote impact kunnen hebben.

tijdarmoederisicoToon

Over het te voeren armoedebeleid van deze Vlaamse regering was ik in deze krant in 2014 al kritisch, omdat het volgens mij stiefmoederlijk behandeld werd in het regeerakkoord. In de gehele tekst was armoedebeleid goed voor minder dan 400 woorden. Op een totaal van 24 beleidsdomeinen kreeg enkel dierenbescherming minder aandacht. Terwijl ik toen nog het voordeel van de twijfel wou geven, aangezien je nooit weet of de daden de woorden zullen overtreffen, is dat nu niet meer het geval. Deze minister en, bij uitbreiding, deze Vlaamse regering lijkt armoedebestrijding niet als prioriteit te zien.

Die lage prioriteit kan ideologisch te verklaren zijn. Het is immers mogelijk dat een te genereus armoedebeleid leidt tot moral hazard, waarbij het genereuze beleid -bewust of onbewust- wordt meegerekend in de hoofden van individuen en leidt tot minder inspanningen om zelf armoede te vermijden. Deze ideologische kijk gaat uit van een grote individuele verantwoordelijkheid voor de eigen positie en wordt vaak aan rechtse ideologieën toegewezen. Links zal dit afstrijden en stellen dat veel armen zeer vaak tegen hun zin en ondanks zichzelf arm zijn. Beide posities hebben een deel van de waarheid. De vraag is dan hoeveel, waarbij rechts dus meer belang hecht aan het gevaar van moral hazard waardoor armoedebestrijding minder belangrijk kan worden.

Het gevaar van moral hazard is een belangrijk argument als het volwassenen betreft. Het is echter absoluut niet te verdedigen als het over kinderen gaat. De individuele verantwoordelijkheid van een arm kind is nul. Een vijfjarige heeft er absoluut geen enkele fout aan als beide ouders werkloos zijn, als de woning vochtig en schimmelig is of als er geen geld meer over is op het einde van de maand zodat ze letterlijk met een lege brooddoos naar school moeten.

Ik besef dat kinderarmoede bestrijden in de praktijk vaak neerkomt op het bestrijden van gezinsarmoede, en dus ook armoede bij de ouders. Het probleem van moral hazard bij volwassen komt dan weer om de hoek kijken. Maar zelfs als je dat probleem groot inschat, dan nog moet je het belang ervan minimaliseren, omdat het probleem van kinderarmoede onaanvaardbaar is. Bovendien zijn er maatregelen denkbaar die zich vooral richten op de (kans)armoede van kinderen.

Er is dus voor links en rechts geen enkele ideologische reden om kinderarmoede niet hoog op de agenda te zetten, integendeel. Bovendien blijkt uit internationaal onderzoek dat het investeren in kansarme kinderen ook economisch efficiënt is: op lange termijn wordt de investering dubbel en dik terugverdiend, zeker in tijden van lage rentes.

Het bovenstaande betekent niet dat eenvoudige en budgettair makkelijk haalbare oplossingen voor het grijpen liggen. Kinderarmoede is een complex probleem, dat overigens niet enkel over het financiële gaat. Maar dat impliceert net dat armoedebestrijding veel aandacht moet krijgen, en zeker veel meer dan nu.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Investeer in kinderen en beloon werken

Volgens de federale regering garandeert het begrotingsakkoord dat werken beter beloond wordt. Maar ze mag ook de gelijke kansen voor kinderen niet uit het oog verliezen.

Een paar decennia geleden werd ongelijkheid gezien als een belangrijke prikkel om mensen te doen vooruitgaan. Het communistisch failliet had getoond wat er gebeurt als er sterk genivelleerd wordt. Niemand heeft dan nog een reden om hard te werken en dat leidt tot een lagere welvaart voor iedereen. In een maatschappij die ongelijkheid toelaat, zouden mensen hun talenten ten volle ontwikkelen. Als er voldoende gelijke kansen zijn, zullen ook talentvolle kinderen uit lagere klassen de sociaaleconomische ladder beklimmen. Dat leidt tot sociale mobiliteit.

Onderzoekers hebben die stelling de voorbije jaren sterk bekritiseerd. Ongelijkheid kan ook te hoog zijn, waardoor de sporten onderaan op de ladder te ver uiteen staan. Opklimmen wordt dan onmogelijk, ook voor talentvolle jongeren uit arme milieus. Grote ongelijkheid zonder sociale mobiliteit is onrechtvaardig. De cijfers lijken hen gelijk te geven: in landen met een grote inkomensongelijkheid is de sociale mobiliteit doorgaans laag.

Een recente paper van Rasmus Landerso en James Heckman nuanceert die kritiek. Zij berekenden in hoeverre het inkomen van het kind als het gaat werken verschilt van dat van zijn ouders: de inkomensmobiliteit. Ze vergelijken Denemarken met de VS. Het valt op dat die mobiliteit afhangt van hoe het inkomen gemeten wordt. Kijk je enkel naar lonen en transfers (herverdeling) dan is de inkomensmobiliteit in Denemarken erg hoog en in de VS erg laag. Neem je het totale bruto­inkomen zonder transfers dan is de mobiliteit in Denemarken flink lager en komt ze in de buurt van die in de VS.

Vooral de sterk herverdelende overheid creëert dus inkomensmobiliteit in Denemarken, niet zozeer de individuen zelf. Bovendien liggen de lonen er veel dichter bij elkaar dan in de VS. Dan kom je met iets meer of minder te verdienen dan je ouders al snel een paar percentielen hoger of lager op de inkomensladder, terwijl je in de VS in dezelfde klasse blijft steken.

Ook verrassend is dat de mobiliteit in opleiding voor de VS en Denemarken niet erg verschilt. De onderzoekers verwijzen onder meer naar cijfers van de OESO. In de grafiek heb ik ook cijfers voor Vlaanderen toegevoegd. Voor de drie landen is de link tussen wie hoger onderwijs volgt en het diploma van de ouders gelijkaardig.

hogeronderwijs-opleidingouders

Dat is opmerkelijk omdat de cognitieve vaardigheden van 15­jarige scholieren in Denemarken dichter bij elkaar liggen dan in de Verenigde Staten. Erg lage scores komen veel minder voor in Denemarken. De grote investeringen van de Deense overheid in gelijke kansen hebben dus wel degelijk effect. In de VS, met veel minder investeringen in gelijke kansen, is dat effect er niet.

Dat dat in Denemarken niet leidt tot meer participatie in het hoger onderwijs van kinderen met ouders die een lagere opleiding genoten hebben, kan volgens de onderzoekers niet verklaard worden door financiële barrières. Ze leggen de oorzaak bij de sterk progressieve belastingen en de hoge uitkeringen. Daardoor verlaagt de opbrengst van een diploma hoger onderwijs en bijgevolg de prikkel om voort te studeren. Ze hebben daar ook een indirect bewijs voor: toen de Deense overheid de minimumleeftijd verhoogde waarop jongeren kunnen genieten van een volledige sociale uitkering, bleken juist die jongeren die door de maatregel werden getroffen meer hoger onderwijs te volgen.

Hun conclusie is dan ook dat investeren in het hoger onderwijs meer beloond moet worden, zonder de inspanningen om kansarme jongeren meer kansen te bieden uit het oog te verliezen. We moeten dus blijven investeren in gelijke kansen voor kinderen, maar ook garanderen dat het hoger onderwijs meer opbrengt en dat werken beter beloond wordt. Met dit begrotingsakkoord beweert de federale regering het laatste te doen. Ze mag daarbij het eerste niet uit het oog verliezen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Prioriteit is niet de topsporter, maar wel het kind

Geld voor belastingkortingen voor topsporters is er wel, geld voor kansarme gezinnen om hun kinderen aan sport te laten doen niet.

Econoom Geert Noels brak in deze krant een lans om sport en topsport te ondersteunen, ook in tijden van besparingen. (DM 8/8) Topsporters tonen volgens Noels hoe het echte leven eraan toe gaat: meer tegenslagen dan successen; daarom moeten we sport en topsport aanmoedigen. Dat zou goed zijn om onze jeugd weerbaarder maken. Noels suggereert ook dat sport het aantal zelfmoorden en psychische problemen kan verminderen, dat het kinderen van minderbedeelde bevolkingsgroepen kansen kan bieden, en dat het de verzuring tegengaat in steden.Ten slotte zou topsport mensen samenbrengen en het gemeenschapsgevoel versterken.

Sport en topsport lijken zo een wondermiddel voor vele kwalen waaraan onze maatschappij lijdt. Zelf ben ik sceptisch of sport en topsport deze effecten hebben. Het zou ook kunnen dat (top)sport de gemeenschap soms verdeelt, omdat leden en supporters van verschillende clubs niet altijd de beste vrienden zijn. Ook is het twijfelachtig dat topsport laat zien dat het leven meer tegenslagen dan successen kent: eigen aan topsport is net dat je enkel de toppers ziet, juist omdat ze veel meer succesvol zijn dan gemiddeld. Iedereen is morgen het verlies van Charline Van Snick vergeten, maar Greg Van Avermaet mag ongetwijfeld binnen tien jaar op tv nog eens het verhaal vertellen van zijn gouden plak.

Van alles proeven

Dat betekent niet dat Noels geen gelijk kan hebben. Dat kan best. Maar die discussie kan alleen beslecht worden met degelijk wetenschappelijk onderzoek naar de maatschappelijke baten van sport en topsport. Gezien de vele voordelen die Noels opnoemt, kan het niet moeilijk zijn om een paar degelijke wetenschappelijke studies op te snorren die mijn scepticisme terecht wijzen.

Echter, zonder die wetenschappelijke studies is de stelling van Noels niet meer dan een opinie. En om mensen via belastingen verplicht te laten betalen voor sport en topsport, ongeacht hun voorkeur, is meer nodig dan een opinie. Zolang de maatschappelijke baten niet aangetoond zijn, moeten volwassenen die sport en topsport zo geweldig vinden daar zelf voor betalen.

Geert Noels pleit ook voor meer sport voor kinderen. Dat is makkelijker te verantwoorden, omdat het om rechtvaardigheid gaat. Kinderen zijn immers nog niet verantwoordelijk voor hun eigen keuzes. Als we iedereen de mogelijkheid willen geven om op te groeien tot ontwikkelde en goed geïnformeerde volwassenen, dan moet elk kind de kans krijgen om van allerlei domeinen te proeven, ook van sport. Dat lijkt momenteel niet het geval. Sport in clubverband kost al gauw een paar honderd euro per kind per jaar. Dat en andere drempels zijn voor sommige gezinnen te hoog. Daardoor hebben kinderen uit arme gezinnen veel minder vaak een lidmaatschap van een sportvereniging dan kinderen uit rijkere gezinnen.

Des te zuurder

Dat leidt tot de voor mij bizarre vaststelling dat de overheid wel geld heeft voor voetbaltempels en belastingkortingen voor topsporters, terwijl de financiële en andere drempels voor kansarme kinderen vaak te hoog zijn voor vele sporten.

En die vaststelling wordt des te zuurder, indien de vele positieve effecten van sport die Noels naar voren schuift wetenschappelijk aangetoond zouden worden. Kansarme kinderen worden dan door het huidige beleid nog meer achtergesteld in plaats van geholpen. Dat zou dan ook de prioriteit moeten zijn: maak de toegang tot sport voor álle kinderen mogelijk.

De overheid heeft wel geld voor voetbaltempels en belastingkortingen voor topsporters, terwijl de financiële en andere drempels voor kansarme kinderen vaak te hoog zijn.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk in De Morgen.

Niet meer, wel anders herverdelen

In een eerdere column (DeTijd van 16 juni) stelde ik vast dat in België de inkomensongelijkheid relatief laag is en dat dit dankzij de Belgische overheid is. De marktinkomens, dus vóór herverdeling, zijn immers relatief sterk ongelijk verdeeld, ongelijker dan bijvoorbeeld in Nederland. De beschikbare inkomens, dus na herverdeling, zijn in België daarentegen gelijker verdeeld dan in Nederland.

Toch zijn er aanwijzingen dat dit in België niet leidt tot meer gelijke kansen dan elders. Zo is de correlatie tussen de prestaties van armere kinderen en hun ouders relatief hoog. Er is discussie of dit verklaard kan worden door aangeboren talent (bijvoorbeeld intelligentie) dan wel door sociaal-economische factoren. Maar zelfs al zou het voornamelijk verklaard kunnen worden door de sociaal-economische factoren, lijkt meer herverdelen niet aangewezen om deze problematiek aan te pakken. We behoren immers al tot de top van herverdelende landen. In mijn eerdere column pleitte ik dan ook voor meer niet-materiële ondersteuning van kansarme gezinnen met jonge kinderen om zo gelijkere kansen te creëren.

Maar er is nog een tweede, complementair spoor en dat is de focus op een andere herverdeling. Feit is dat België, ondanks een lage inkomensongelijkheid, het niet zo goed doet wat betreft kinderarmoede. Dat is te zien op bijgaande figuur die op de verticale as het percentage kinderen geeft met risico op kinderarmoede of sociale uitsluiting. Op de horizontale as staat de inkomensongelijkheid, gemeten aan de hand van de Gini-coëfficiënt. Beide cijfers gelden voor 2012.

tijdandersherverdelen

Het eerste wat opvalt aan de figuur is dat er wel degelijk een correlatie is tussen kinderarmoede en de totale inkomensongelijkheid: hoe lager die ongelijkheid, hoe lager de kinderarmoede. Dat is wat men zou verwachten. Die correlatie is echter niet perfect: slechts 75 procent van de variatie in de kinderarmoede tussen deze landen kan verklaard worden door de inkomensongelijkheid. Er zijn dus ook nog 25% onverklaarbare factoren.

De landen die onder de schuine rechte liggen doen het beter wat betreft de kinderarmoede dan je op basis van hun inkomensongelijkheid zou verwachten. Dat is bijvoorbeeld het geval voor Zweden en Nederland. Landen die boven deze rechte liggen, zoals België, doen het slechter dan men zou mogen verwachten.

De paradox is dan dat Nederland en Zweden met een iets hogere inkomensongelijkheid veel beter presteren wat betreft de kinderarmoede dan België. Dezelfde vaststelling geldt als men kijkt naar de mate van reductie van de inkomensongelijkheid (niet op de figuur): Zweden en Nederland reduceren de inkomensongelijkheid een pak minder dan België, maar hebben wel een lagere kinderarmoede.

Het is echter net de kinderarmoede die centraal zou moeten staan in het beleid, veel meer dan de totale inkomensongelijkheid. Een focus op kinderarmoede is rechtvaardiger, aangezien kinderen nog geen eigen verantwoordelijkheid hebben voor hun economische positie. Bovendien is die focus ook efficiënter, omdat het aanpakken van kinderarmoede de maatschappij wellicht veel meer kan opleveren omdat kinderen die niet in armoede opgroeien gemiddeld succesvoller zullen zijn in het leven.

De vaststelling is dan dat België weliswaar veel herverdeelt, maar dat we dat niet zo rechtvaardig en efficiënt doen. Als we vergelijken met andere landen blijkt de herverdeling in België te weinig terecht te komen bij diegenen die er het meeste baat bij hebben.

Dat doet natuurlijk denken aan de recente discussie over de hervorming van de kinderbijslag, ondertussen een Vlaamse bevoegdheid. De kritiek is dat die hervorming onvoldoende is aangewend om de kinderarmoede terug te dringen. De bovenstaande cijfers bevestigen in ieder geval de nood aan een focus op kinderarmoede. En het buitenland leert dat dat niet gepaard hoeft te gaan met meer herverdeling.

Het is dan ook nodig dat de Vlaamse regering de hervorming van de kinderbijslag herbekijkt of dat ze bijkomende maatregelen neemt om de kinderarmoede te verminderen. En ze kan dat misschien buiten haar structureel begrotingsbudget houden, gezien de nieuwe begrotingsregels die minister Van Overtveldt bepleit voor investeringen. En is er nog een betere investering te bedenken dan investeren in kansarme kinderen?

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Gelijke kansen zijn in België belangrijker dan herverdeling

In een opgemerkt opiniestuk in De Morgen stelde Gwendolyn Rutten, voorzitster van Open VLD, dat ongelijkheid op zich geen probleem is, maar dat gelijke kansen moeten gepromoot worden. Hierop kwam heel wat reactie, voornamelijk met de kritiek dat ongelijkheid net de ongelijke kansen veroorzaakt.

Ongelijkheid kan een positieve en een negatieve impact hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van mensen en bijgevolg op de economische groei. In het ene extreme geval is er geen ongelijkheid en dus ook geen prikkel om zich moe te maken en zijn of haar talenten te ontwikkelen, wat leidt tot een lage economische activiteit en dus ook weinig te herverdelen. In het andere extreme geval heeft één potentaat alle rijkdom en leeft de rest in extreme armoede, waardoor ze onmogelijk hun talenten kunnen ontwikkelen. Ook dat leidt natuurlijk tot een lage economische activiteit. Er is dus ergens een optimaal niveau van ongelijkheid opdat mensen hun talenten ontwikkelen en er voldoende prikkels zijn wat leidt tot een maximale economische groei.

Tot voor enige jaren werd eerder benadrukt dat mensen prikkels nodig hebben vooruit te komen, en dat ongelijkheid dus goed is voor de economische groei, wat op zijn beurt toelaat om meer te herverdelen. Dit wordt niet tegengesproken, maar meer en meer wordt gesteld dat ongelijkheid nu te groot is, waardoor mensen te ongelijk aan de start komen. Als dat ook voor België geldt, hebben de criticasters van Rutten een belangrijk punt: ongelijkheid heeft dan indirect een negatieve invloed op gelijke kansen.

De vraag is of dit ook voor België geldt. De bijgaande figuur geeft voor 2012 aan de hand van de veel gebruikte Gini-coëfficiënt de inkomensongelijkheid voor een selectie van ontwikkelde landen. Hoe hoger deze coëfficiënt, hoe ongelijker de verdeling van de inkomens. De landen zijn gerangschikt van laag naar hoog wat betreft de ongelijkheid van het beschikbare inkomen, dus na belastingen en uitkeringen (rode balkjes). België behoort met een Gini-coëfficiënt tot de landen met een lage ongelijkheid. Enkel Denemarken en Finland doen het iets beter.

Dat België zo goed presteert is overigens te danken aan de overheid die via belastingen en uitkeringen de marktinkomens (blauwe balkjes) sterk herverdeelt. Zo is de ongelijkheid van het marktinkomen, dus vóór belastingen en uitkeringen, in Nederland een pak lager dan in België, maar is het beschikbare inkomen in België gelijker verdeeld dan in Nederland. België presteert dus goed wat betreft inkomensongelijkheid, net dankzij onze herverdelende Belgische overheid.

tijdginireductie

Gegeven de sterke herverdeling en de relatief lage inkomensongelijkheid zou je dan ook verwachten dat België het goed doet wat betreft gelijke kansen. Maar dat lijkt niet het geval. Een studie van de Oeso toont dat in België de correlatie tussen het inkomen van vader en zoon hoger is dan men zou verwachten op basis van de lage inkomensongelijkheid. Andere landen met een gelijkaardige inkomensongelijkheid, zoals Denemarken en Oostenrijk, hebben een hogere sociale mobiliteit. De mobiliteit op de sociaal-economische ladder is in België dus relatief laag, ondanks een lage inkomensongelijkheid.

Op basis van het bovenstaande lijkt het voor België dan niet de meest efficiënte beleidsoptie om door de inkomensongelijkheid te verminderen meer gelijke kansen te creëren. De inkomensongelijkheid is al laag, zonder hoge sociale mobiliteit. Om tot meer gelijke kansen te komen, lijkt het dan ook beter om meer te focussen op andere maatregelen voor de lage inkomensklassen. Naast de financiële focus, die uiteraard belangrijk blijft, moet men inzetten op ondersteuning, zoals bijvoorbeeld kwaliteitsvolle kinderopvang tegen zeer lage kost voor lage inkomens en op intensieve gezinsondersteuning aan huis. Ik denk ook aan initiatieven om het vaak zwakke sociale netwerk van kansarmen te versterken. Op dat vlak kunnen de overheden in België nog heel wat verbeteren.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Bied alle kansarme gezinnen gezinsondersteuning aan

De reeks ‘Bank achteruit’ in De Morgen toont in de eerste plaats dat de kloof tussen kansrijke en kansarme kinderen in Vlaanderen nog steeds groot is. Taalachterstand en armoede komen in de verhalen vaak naar voren als de oorzaken van deze kloof. De scholen en leerkrachten lijken, ondanks de energie en het enthousiasme, niet opgewassen tegen de opdracht om elk kind een gelijke kans te geven.

Het is dan ook niet enkel de schoolse omgeving die kansen van kinderen bepalen. Het gezin neemt ook een belangrijke plaats in, wellicht de belangrijkste. Zo is er het verhaal van de Turkse vader wiens jongste dochter, nog in de kleuterklas, onvoldoende goed Nederlands spreekt. Dat hypothekeert haar kansen om te slagen in het eerste leerjaar, en zo haar hele verdere schoolse en professionele carrière. Toch blijkt de dochter vaak maar halve dagen naar de kleuterschool te komen, te weinig om het Nederlands voldoende machtig te worden.

Voor Wouter Duyck, professor psychologie (UGent), is de uitbreiding van de leerplicht naar de kleuterjaren dan ook een must (DM 26/8). Het is een dwingende maatregel, maar één die hier gepast lijkt. Je kan als overheid paternalistisch optreden ten aanzien van kinderen als er duidelijk bewijs is dat de dwang in het belang van het kind is.

Het is echter nogmaals de oplossing zoeken op school. Dat is nodig, maar onvoldoende. Er moet ook meer in het gezin zelf gebeuren. Die interventie is veel moeilijker af te dwingen, omdat je dan binnentreedt in de privacy van het gezin. Dwang zou hier zelfs het tegengestelde effect kunnen hebben.

Maar dwang hoeft niet: er zijn sterke aanwijzingen in de wetenschappelijke literatuur dat het voldoende is om de ondersteuning vrijwillig aan te bieden. Ouders van kansarme kinderen zijn immers in essentie net zoals ouders uit de middenklasse: veruit de meeste ouders willen het beste voor hun kinderen. Als ondersteuning vrijwillig aangeboden wordt, gaan de meeste ouders daar ook op in. En wat meer is, dergelijke programma’s hebben een significante en blijvende impact te op de latere ontwikkeling van de kinderen.

Uit Amerikaans onderzoek naar deze vorm van early child education blijkt dat kansarme kinderen uit gezinnen die ondersteund worden doorgaans meer aan het werk zijn, minder crimineel gedrag vertonen en gezonder zijn. En het effect is sterker als de gezinsondersteuning vroeger begint, startend bij de geboorte (en zelfs nog vroeger). Dat impliceert dus een focus op het gezin.

De Amerikaanse initiatieven zijn misschien niet zomaar over te zetten naar Vlaanderen, omdat de context te verschillend kan zijn. We zullen dus zelf moeten uitzoeken wat hier wel en niet werkt. Dat betekent dat er experimenten moeten opgezet worden die wetenschappelijk opgevolgd worden, waarbij sommige, willekeurig geselecteerde gezinnen ondersteund worden en andere niet. Na een bepaalde tijd, te meten in jaren, kunnen dan de eventuele effecten van de ondersteuning gemeten worden.

Dat vraagt extra middelen en de nodige tijd. Daarbij mogen budgettaire overwegingen niet in de weg staan. Professor Duyck verwijst naar het onderzoek van James Heckman die het jaarlijks rendement van dergelijke investeringen schat op 7 à 10 procent; het gaat dan om gezinsondersteuning dat zich richt op zeer jonge kinderen. De langetermijnrente staat slechts op 1 procent. Met andere woorden, elke CEO geeft zijn zegen voor een dergelijke investering omdat ze veel geld zal opbrengen.

Bovendien is de investering rechtvaardig. De politiek mag dus niet aarzelen. Er moet nu meer geld naar vrijwillige gezinsondersteuning, met ruimte voor experimenten en wetenschappelijke omkadering.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen

Leeflonen worden beter automatisch toegekend

Vorige week was er commotie rond sociale fraude. De RVA moet nog 291 miljoen euro aan uitkeringen terugvorderen die onterecht zijn betaald, een bedrag dat gecumuleerd is over de jaren heen. Voor 2014 ging het om 139 miljoen euro nieuwe vaststellingen, waarvan al 70 miljoen euro terugbetaald is. Er moet voor 2014 dus nog steeds 69 miljoen euro terugvorderd worden.

Het totale uitkeringsbedrag is 11 miljard euro, dus de vastgestelde fraude is met 1% relatief klein. Toch raakt dit debat een essentieel deel van de sociale zekerheid, namelijk de doelmatigheid van het sociale beleid: in welke mate raken de middelen bij zij die het echt nodig hebben?

Dit betekent echter niet enkel dat er vermeden moet worden dat geld terecht komt bij zij die er geen recht op hebben, maar ook dat het geld daadwerkelijk terecht komt bij zij die er wel recht op hebben. Dat laatste aspect was afwezig in het debat van vorige week, terwijl dat probleem wel eens veel groter zou kunnen zijn.

Dat blijkt althans uit een publicatie in 2011 van Bouckaert en Schokkaert, twee economen van de KULeuven, over het leefloon in België. Volgens hun schattingen zou 24% van de individuen die een leefloon ontvangen er geen recht op hebben. Van de rechthebben zouden er echter 57% tot 76%, met als 65% als referentiewaarde. Dat betekent dat er voor elke rechthebbende die een leefloon ontvangt er bijna twee rechthebbenden geen leefloon ontvangen. De cijfers zijn maar schattingen en de auteurs van de studie drukken erop dat de percentages met voorzichtigheid geïnterpreteerd wordden. Anderzijds geven ze aan dat de percentages wel in lijn liggen van eerdere schattingen voor Duitsland en Nederland.

Indien de cijfers een goede schatting zijn van de werkelijkheid, dan geeft dit wel een opmerkelijk beeld. Van 100 leefloners zijn er 24 die fraude plegen en 76 die terecht het leefloon ontvangen. Er zijn er echter ook nog eens 141 die het leefloon niet onvangen maar er wel recht op hebben. De auteurs schatten ook de bijhorende bedragen die naar rechthebbenden en fraudeurs gegaan zijn; en welke er niet naar rechthebbenden is gegaan.

De grafiek geeft de geschatte bedragen uit de studie op basis van data voor 2006. In totaal werd 689 miljoen euro uitgekeerd, waarvan 106 miljoen euro onterecht, of 15% van het uitgekeerde bedrag. Dat is procentueel veel hoger dan het bedrag van de nieuw vastgestelde onterechte uitkeringen door de RVA in 2014. De schatting van het niet-opgevraagde bedrag door rechthebbenden is 258 miljoen euro, of 37% van het uitgekeerde bedrag. Dat is 2,5 keer groter dan de geschatte fraude.

tijdleefloon

Vanuit sociaal oogpunt zou het niet uitkeren van het leefloon aan rechthebbenden even nefast kunnen beschouwd worden als het leefloon uitkeren aan zij die er geen recht op hebben. Zeker wat het leefloon betreft, omdat het hier gaat over mensen die helemaal onderaan de inkomensverdeling zitten.

Het is dus duidelijk dat het leefloon niet terechtkomt bij zij die het nodig hebben. De grootste inefficiëntie zit echter niet bij fraude maar bij de rechthebbenden die het niet aanvragen. Er zijn allerlei redenen waarom mensen het leefloon niet aanvragen: ze kennen het niet, of ze weten niet dat ze er recht op hebben; ook kunnen er taal- of administratieve barrières zijn. Een andere belangrijke reden is het sociale stigma dat aan het leefloon kleeft, en dat bepaalde rechthebbenden absoluut willen vermijden.

De economen van de studie pleiten ervoor om het niet opnemen van het leefloon aan te pakken door de standaardoptie te veranderen. Nu krijg je enkel een leefloon als je het expliciet aanvraagt. Dat zou je kunnen omkeren door automatisch het leefloon uit te keren aan zij die er recht op hebben. Je kan afzien van het loon door dit expliciet aan te vragen. Het zou de doelmatigheid van dit belangrijk domein van het sociaal beleid ongetwijfeld sterk verhogen.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Meer sociale mobiliteit vermindert discriminatie

In de Terzake-uitzending van maandag 23 maart werd Bart De Wever geïnterviewd over de integratieproblematiek. Na het interview was het de uitspraak van Bart De Wever dat vooral de Marokkannen van Berberse origine integratieproblemen opleveren die bleef nazinderen.

De reacties van oppositiepartijen en coalitiepartners en ook daarbuiten was er één van afwijzing. Sommigen gingen verder en noemden de uitspraken racistisch. Een week later diende een Marokkaanse organisatie zelfs een klacht in tegen De Wever wegens racisme.

Statistische discriminatie

De Wever zei in dezelfde uitzending ook dat je racisme enkel structureel kan aanpakken door sociaal-economische vooruitgang bij allochtonen te realiseren. Dat impliceert volgens mij dat Bart De Wever denkt dat veel discriminatie een specifieke, niet-racistische vorm van discriminatie is, namelijk statistische discriminatie. Het is een economische theorie die stelt dat in een omgeving met onvoldoende informatie het rationeel is om gebruik te maken van stereotypen, waarbij dus groepsgemiddelden gebruikt worden.

Statistische discriminatie zou veel discriminatie kunnen verklaren, bijvoorbeeld op de huurmarkt. Stel dat je een appartement wil verhuren. Eén van de grootste risico’s is het verhuren aan mensen die de huur niet (kunnen) betalen. Dat komt veel vaker voor bij mensen met een laag inkomen, maar het is niet altijd aan mensen te zien dat ze een laag inkomen hebben. Tegelijk weet je dat allochtonen veel vaker een laag inkomen hebben. Het kan dan rationeel zijn om niet te verhuren aan allochtonen. Uit rencent onderzoek blijkt dat ook: bij 1 op 3 vreemde namen zou gediscrimineerd worden.

Dat is maatschappelijk belangrijk, omdat door een dergelijke discriminatie het allochtonen nog moeilijker gemaakt wordt, terwijl ze het al moeilijk hebben. Zo komen ze in een vicieuze cirkel terecht. Statistische discriminatie is dus wel degelijk discriminatie, met alle negatieve gevolgen voor zij die gediscrimineerd worden. Een dergelijke discriminatie is inderdaad, zoals De Wever impliciet aangeeft, op te lossen door sociaal-economische vooruitgang te realiseren bij allochtonen. Als allochtonen en autochtonen gemiddeld dezelfde sociaal-economische status hebben, dan geeft het al dan niet allochtoon zijn geen informatie over de inkomensklassen.

Statistische discriminatie betekent niet dat er geen discriminatie kan bestaan op basis van ras. De twee kunnen zeker naast elkaar bestaan. Het zou zelfs kunnen dat statistische discriminatie een voedingsbodem is voor “racistische discriminatie” doordat ze racisme maatschappelijk meer aanvaardbaar maakt. Daardoor zullen racisme en de kenmerken ervan meer voorkomen als er veel statistische discriminatie is. Het is heel moeilijk om de wisselwerking tussen deze twee vormen van discriminatie te begrijpen.

Zo blijkt ook dat hoogopgeleiden van vreemde origine minder snel uitgenodigd worden voor een job-interview. Op het eerste gezicht is hier geen sprake van statistische discriminatie, maar discriminatie op basis van afkomst. De vraag is dan in welke mate statistische discriminatie de “racistische discriminatie” in de hand zou kunnen werken. En omgekeerd, indien er geen redenen meer zouden zijn voor statistische discriminatie (omdat de allochtone groep gemiddeld dezelfde sociaal-economische positie heeft), zou er dan ook minder racisme zijn?

Sociale mobiliteit is mogelijk

Een belangrijke voorwaarde om statistische discriminatie te bestrijden door sociale mobiliteit te realiseren is dat er voldoende talent aanwezig is in de sociaal-economisch achtergestelde groep. Voor een racist is het duidelijk: deze voorwaarde is niet vervuld.

De Wever zegt in de Terzake-uitzending dat hij ervan uitgaat dat er in elke mens en elke gemeenschap evenveel talent zit. Deze uitspraak is dus radicaal tegengesteld aan wat een racist zou zeggen. Voor De Wever komt het erop aan om het aanwezige potentieel te ontwikkelen en dat potentieel is volgens hem niet bepaald door de gemeenschap waarin je geboren wordt.

Dit was dan ook volgens mij de belangrijkste boodschap van het interview, en tegelijk een boodschap waar de hele politieke klasse mee akkoord gaat (behalve het Vlaams Belang). Bovendien is het ook zo dat het beleid dat sociale mobiliteit moet bevorderen onvoldoende gewerkt heeft. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel.

Er bestaat zeer veel wetenschappelijke literatuur over sociale mobiliteit. Inburgeringscursussen zijn ruimschoots onvoldoende. Er moet meer aandacht, geld en middelen naar een breed opgezet gelijkekansenbeleid gaan, met focus op (zeer jonge) kinderen. En deze uitgaven moeten bekeken worden als investeringen waarvan de opbrengst pas binnen 10 of 20 jaar te zien zullen zijn.

Als N-VA het meent dat ze willen inzetten op sociale mobiliteit dan denk ik dat ze snel steun zullen vinden in de Vlaamse regering en weinig weerstand zullen ondervinden van de linkse oppositie.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.