Meer sociale mobiliteit als antwoord op discriminatie

In de Terzake-uitzending van maandag 23 maart werd Bart De Wever geïnterviewd over de integratieproblematiek. In het interview was het vooral de volgende uitspraak van Bart De Wever die nadien alle aandacht trok (vanaf 5’33):

“Ik zeg dat er negatieve ervaringen bestaan die ook reëel zijn met bepaalde bevolkingsgroepen.” [“Wie dan?”] “Het gaat dan over mensen van Noord-Afrikaanse afkomst, vooral dan de Marokkaanse gemeenschap en vooral Berbers.  80 procent van de Marokkanen in Antwerpen zijn van Berberse origine. En we hebben het zeer moeilijk om daar sociale mobiliteit in te organiseren. Dat zijn ook heel gesloten gemeenschappen met wantrouwen tegenover de overheid, zwak georganiseerde islam, zeer vatbaar voor die salafistische stroming en dus ook voor die radicalisering en dat is natuurlijk ook geen reclame dat die mensen de televisie opzetten dag na dag en dan onthoofdingen zien en mensen die daarmee sympathiseren hier of zelfs naar daar vertrekken om daaraan deel te nemen. En racisme of afwijzing komt ergens vandaan.”

De reacties van oppositiepartijen en coalitiepartners en ook daarbuiten was er één van afwijzing. Sommigen gingen verder en noemden de uitspraken racistisch. Een week later diende een Marokkaanse organisatie zelfs een klacht in tegen De Wever wegens racisme.

Statistische discriminatie

Het interview met De Wever in Terzake bevatte echter nog heel wat andere interessante uitspraken. De volgende uitspraken zijn voor mij heel belangrijk om te kunnen inschatten hoe De Wever (en N-VA) aankijkt tegen de problematiek van discriminatie.

“racisme structureel aanpakken, denk ik, kan je alleen maar doen door sociaal-economische vooruitgang in die bevolkingsgroepen te realiseren, (…) een algemeen maatschappelijke taak die aangepakt moet worden” (4’40’’)

“sociale mobiliteit zal gevoelens van afwijzing en apartheid doorbreken” (11’35’’)

Deze uitspraken wijzen er volgens mij op dat Bart De Wever denkt dat veel discriminatie een specifieke, niet-racisistische vorm van discriminatie is, namelijk statistische discriminatie. Het is een economische theorie die stelt dat in een omgeving met onvoldoende informatie het rationeel is om gebruik te maken van stereotypen, waarbij dus groepsgemiddelden gebruikt worden. Ik geef drie voorbeelden om die theorie te illustreren.

  1. Stel dat je een babysit zoekt voor je kinderen. Je hebt een (irrationele?) angst dat je een pedofiel in huis haalt. Het is echter niet te zien aan mensen of ze je kinderen al dan niet zouden aanranden. Je weet dat bijna uitsluitend mannen pedofiel zijn. Het kan dan rationeel zijn om uitsluitend een vrouwelijke babysit toe te laten.
  2. Een groepje luidruchtige voetbalsupporters komt je tegemoet aan jouw kant van de straat. Je weet dat niet alle voetbalsupporters gewelddadig zijn, maar je hebt al genoeg verhalen gelezen en gehoord over hooligans en steekt voor alle zekerheid de straat over om het groepje te vermijden.
  3. Stel dat je een appartement wil verhuren. Eén van de grootste risico’s is het verhuren aan mensen die de huur niet (kunnen) betalen. Dat komt veel vaker voor bij mensen met een laag inkomen, maar het is niet altijd aan mensen te zien dat ze een laag inkomen hebben. Tegelijk weet je dat allochtonen veel vaker een laag inkomen hebben. Het kan dan rationeel zijn om niet te verhuren aan allochtonen.

De eerste twee voorbeelden zijn onschuldig en makkelijk herkenbaar. Het derde voorbeeld is veel belangrijker: uit recent onderzoek blijkt dat er bij 1 op 3 vreemde namen gediscrimineerd zou worden. Dat is maatschappelijk veel belangrijker, omdat een dergelijke discriminatie het allochtonen nog moeilijker gemaakt wordt, terwijl ze het al moeilijk hebben. Zo komen ze in een vicieuze cirkel terecht (en het gaat misschien ook knagen aan de zelfmotivatie en het zelfrespect, wat op zijn beurt weer negatieve gevolgen heeft).

Statistische discriminatie is dus wel degelijk discriminatie, met alle negatieve gevolgen voor zij die gediscrimineerd worden. Een dergelijke discriminatie is inderdaad, zoals De Wever impliciet aangeeft, op te lossen door sociaal-economische vooruitgang (of sociale mobiliteit) te realiseren bij allochtonen. Als allochtonen en autochtonen gemiddeld dezelfde sociaal-economische status hebben, dan geeft het al dan niet allochtoon zijn geen informatie over de inkomensklassen (wat nu dus niet het geval is).

Dat De Wever statistische discriminatie een belangrijk fenomeen vindt, blijkt ook uit het feit dat hij een aantal keren in het interview het belang onderstreept om positieve voorbeelden te tonen, verwijzend naar zijn eigen partij met politici van allochtone origine, om de negatieve stereotypering te doorbreken.

Statistische discriminatie betekent niet dat er geen discriminatie kan bestaan op basis van ras. De twee kunnen zeker naast elkaar bestaan. Het zou zelfs kunnen dat statistische discriminatie een voedingsbodem is voor “racistische discriminatie” doordat ze racisme maatschappelijk meer aanvaardbaar maakt. Daardoor zullen racisme en de kenmerken ervan meer voorkomen als er veel statistische discriminatie is. Het is heel moeilijk om de wisselwerking tussen deze twee vormen van discriminatie te begrijpen.

Zo blijkt ook dat hoogopgeleiden van vreemde origine minder snel uitgenodigd worden voor een job-interview. Op het eerste gezicht is hier geen sprake van statistische discriminatie, maar discriminatie op basis van afkomst. De vraag is dan in welke mate statistische discriminatie de “racistische discriminatie” in de hand zou kunnen werken. En omgekeerd, indien er geen redenen meer zouden zijn voor statistische discriminatie (omdat de allochtone groep gemiddeld dezelfde sociaal-economische positie heeft), zou er dan ook minder racisme zijn? Is hier überhaupt onderzoek naar?

Sociale mobiliteit is mogelijk

Een belangrijke voorwaarde om statistische discriminatie te bestrijden door sociale mobiliteit te realiseren is dat er voldoende talent aanwezig is in de sociaal-economisch achtergestelde groep. Voor een racist is het duidelijk: deze voorwaarde is niet vervuld (en dat is ook de basis van de rationalisatie van het racisme).

De Wever zegt hierover letterlijk het volgende:

“Maatschappelijk zijn we er alleszins niet in geslaagd om het talent dat in elke gemeenschap aanwezig is voldoende te exploiteren. Ik ben geen racist, dus ik ga ervan uit dat er in elke mens en elke gemeenschap evenveel talent zit” (6’56’’)

Deze uitspraak is radicaal tegengesteld aan wat een racist dus zou zeggen. Voor De Wever komt het erop aan om het aanwezige potentieel te ontwikkelen en dat potentieel is volgens hem niet bepaald door de gemeenschap waarin je geboren wordt. Bovendien is de maatschappij tekort geschoten om het aanwezige potentieel te ontwikkelen.

Conclusie: veel meer inzetten op sociale mobiliteit

Samengevat zegt De Wever dat hij wil inzetten op sociale mobiliteit en dat dit mogelijk is omdat er in alle groepen, ook bij allochtonen, evenveel talent zit. De maatschappij heeft gefaald om voldoende sociale mobiliteit te realiseren.

Dit was dan ook volgens mij de belangrijkste boodschap van het interview, en tegelijk een boodschap waar de hele politieke klasse mee akkoord gaat (behalve het Vlaams Belang). Bovendien is het ook zo dat het beleid dat sociale mobiliteit moet bevorderen onvoldoende gewerkt heeft. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel.

Er is een hele wetenschappelijke literatuur over sociale mobiliteit. Inburgeringscursussen zijn ruimschoots onvoldoende. Er moet meer aandacht, geld en middelen naar een breed opgezet gelijkekansenbeleid gaan, met focus op (zeer jonge) kinderen. En deze uitgaven moeten bekeken worden als investeringen waarvan de opbrengst pas binnen 10 of 20 jaar te zien zullen zijn.

Als N-VA het meent dat ze willen inzetten op sociale mobiliteit dan denk ik dat ze snel steun zullen vinden in de Vlaamse regering en weinig weerstand zullen ondervinden van de linkse oppositie.

 

QE is opportuniteit om te investeren in kansarme kinderen

Op 22 januari kondigde de ECB een uitgebreid monetair stimuleringspakket aan om de economie aan te zwengelen. Het monetair beleid nog verder versoepelen door de kortetermijnrente te verlagen was niet meer mogelijk gezien die rente al bijna nul is. De versoepeling wordt dus uitgevoerd door het geldvolume te verhogen. Deze quantitative easing (QE) gaat via het opkopen van onder meer staatsobligaties.

Dat opkopen van staatsobligaties moet de langetermijnrente doen dalen, wat de rente voor andere kredieten voor de privésector ook zal doen dalen. Dat zou dan investeringen moeten aantrekken. De vraag is of dat werkt. De langerente is al sterk gedaald, ook voor de Belgische overheidsschuld: de rente op 10 en 30 jaar was in januari 2012 nog respectievelijk 4,14 procent en 4,42 procent. In januari 2015 is dat 0,72 procent en 1,6 procent.

Die spectaculaire daling van de langetermijnrente op de overheidsschuld heeft zich echter nog niet vertaald naar een stijging van de overheidsinvesteringen. Integendeel. De overheidsinvesteringen zijn sinds 2012 licht afgenomen, terwijl de rente fors daalde. Bovendien is het zo dat de overheidsinvesteringen in België lager liggen dan in onze buurlanden en in Scandinavië (koploper Zweden klokte in 2014 af op 4,7% van het bbp). Op basis van die cijfers is het duidelijk: een historisch lage langerente zet de Belgische overheid niet aan om meer te investeren. En wellicht zal het onconventionele beleid van de ECB daar weinig verandering in brengen.

Uiteraard moeten de eventuele investeringsprojecten rendabel zijn, maar dat wordt makkelijker bij een erg lage rente. Er zijn echter twee bijkomende argumenten tegen een sterke stijging van overheidsinvesteringen om de Belgische economie te stimuleren. Ten eerste is België een kleine, open economie waardoor de positieve effecten van de investeringen kunnen oversijpelen naar andere landen. Dat kan doordat ook buitenlandse bedrijven de investeringen kunnen uitvoeren en doordat de extra consumptie die de investeringesprojecten opleveren ook deels in het buitenland worden gekocht.

Ten tweede zijn nuttige investeringsprojecten die typisch uitgevoerd worden door de overheid vaak grote infrastructuurprojecten. Zulke projecten zijn zelden startklaar: eerst moeten plannen ontworpen en goedgekeurd worden, vergunningen uitgereikt en eventueel buurtprotesten overwonnen. Dat duurt soms jaren. Het risico bestaat dat de recessie tegen die tijd voorbij is en de overheidsinvesteringen, die op dit moment geen crowding-out effect hebben, op dat moment wél de privé-investeringen kunnen wegdrukken.

Een project dat die twee nadelen niet of veel minder heeft, is het investeren in zeer jonge kinderen uit kansarme gezinnen. Er is de jongste jaren heel wat wetenschappelijke evidentie gekomen dat het ondersteunen van kansarme kinderen de maatschappij op lange termijn heel wat oplevert, zoals lagere criminaliteit, betere gezondheid en betere jobvooruitzichten. En hoe jonger de kinderen zijn, hoe hoger het rendement. Onderzoek van James Heckman, een Amerikaans Nobelprijswinnaar economie, spreekt van een jaarlijks maatschappelijk rendement van 7 tot 10 procent bij zeer jonge, kansarme kinderen (tussen nul en drie jaar oud). Die groep wordt nu vaak niet ondersteund.

Een grootschalige ondersteuning van zeer jonge kinderen in kansarme gezinnen is een investeringsproject dat relatief snel kan worden opgestart, waar geen vergunningen voor nodig zijn, dat geen buurtprotest oplevert, dat een hoog rendement geeft en dat niet of nauwelijks kan worden uitgevoerd door buitenlandse krachten. Bovendien is het een project dat enkel door de overheid kan worden gefinancierd; de privésector zal daar nooit voldoende in investeren.

En het belangrijkste: een dergelijk investeringsproject is niet enkel vanuit economisch oogpunt zeer positief, maar ook op ethisch vlak is er geen twijfel dat het ondersteunen van zeer jonge kansarme kinderen, die nog geen eigen verantwoordelijkheid hebben, de juiste weg is. Onze maatschappij schiet hier nu in tekort, de economische omstandigheden zijn ideaal: waar wachten we op?

Deze tekst verscheen eerst als column bij De Tijd.

De rol van toeval in succes wordt onderschat

Mensen met veel succes hebben gemiddeld gezien meer geluk gehad dan mensen zonder succes en het is dus rechtvaardig om topsucces meer te belasten en gewone prestaties minder. In de discussies over een tax shift moet hier rekening mee gehouden worden.

 

Vorig jaar gaf Ben Bernanke, de toenmalige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, een speech voor de afgestudeerden van de elite-universiteit Princeton. In deze voortreffelijke speech sprak de machtige econoom ook over het concept succes.

Bernanke stelde dat je als individu al veel geluk hebt als je met talent en een goede gezondheid in een ondersteunend gezien geboren wordt, zoals ongetwijfeld voor vele Princeton-afgestudeerden het geval is. In een meritocratie zoals onze maatschappij tracht te zijn, heb je dan echter dubbel geluk: je hebt niet enkel talent en steun (wat op zich al heel aangenaam is), je zal in een meritocratie ook nog eens het meest succesvol worden. Een dergelijk systeem kan volgens Bernanke enkel de ethische toetsteen doorstaan als de “gelukzakken” hun geluk delen.

Dat is een visie die ingaat tegen de idee dat succesvolle mensen hun succes volledig aan zichzelf te danken hebben. Marc Coucke heeft zijn zakenimperium zelf van de grond opgebouwd, toch? Het is hard werk, talent en durf dat Coucke onderscheidt van de rest. En in plaats van afgunstig te zijn, moeten we ervoor zorgen dat we meer zulke succesvolle zakenmensen hebben.

Dergelijke uitspraken missen een belangrijk punt: er zijn al veel mensen met talent die hard werken en risicio durven te nemen. Het enige wat hen onderscheidt van Marc Coucke is de factor toeval, die in dit geval wel heel gunstig was voor Coucke, maar die dat niet is voor al die andere hardwerkende, talentvolle mensen.

De “self-made” man die volledig zelf zijn succes opgebouwd heeft, bestaat dan ook niet. Om succesvol te zijn, heb je dingen nodig waar je zelf geen verdienste aan hebt: talent, goede gezondheid en een ondersteunende omgeving; ook gunstige marktomstandigheden heb je niet in de hand. Dat alles vraagt geluk, en een paar uitzonderingen zullen statistisch gezien heel veel geluk hebben. En uiteraard moet je voor dat succes ook hard werken en risico nemen, maar er zijn veel mensen die hard werken en risico nemen zonder (top)succes.

Paul Krugman merkte terecht op dat de speech van Bernanke toont dat hij een Rawlsiaanse visie heeft op het leven “waarin je over het leven denkt als een loterij waarin je een lotje trekt waarop onder meer aangegeven staat wat je genetische aanleg en de rijkdom van je ouders zijn”. Om te komen tot een rechtvaardige maatschappij moet je dan de regels van die maatschappij zetten alsof je nog niet weet wat op je lotje staat. Je weet dus niet of je man of vrouw zal zijn, rijk of arm, talentvol of niet, geboren in een kansarm of kansrijk gezin, enzovoort. Je zit als het ware onder de ‘sluier der onwetendheid’.

Dat gedachte-experiment van de politiek filosoof John Rawls is volgens mij een essentieel hulpmiddel om tot een rechtvaardige maatschappij te komen. De “gelukzakken” van de 21ste eeuw hebben veel van dat geluk immers voor hun hele leven. Het kan dus dat ze vergeten zijn dat ze geluk hebben, omdat ze dat al heel hun leven gewend zijn, of omdat het aangenamer is te denken dat je succes niet in grote mate toevallig is. Rawls dwingt je om, als je het gedachte-experiment correct uitvoert, je in de plaats te stellen van de minder fortuinlijken.

Rawls zelf stelde dat de uitkomst van het gedachte-experiment was dat je de situatie van de minstbedeelden maximaal verbetert. Dat doe je door herverdeling, waarbij de succesvollen hun geluk delen met de anderen.

Natuurlijk is die herverdeling beperkt, aangezien er anders geen prikkel is om hard te werken en risico te nemen, twee factoren die, naast geluk, ook noodzakelijk voor succes. Hard werk en risico worden soms als enige of voornaamste factoren beschouwd die bepalend zijn voor succes, ook voor topsucces, terwijl de rol van toeval soms sterk onderschat wordt. Ik denk dat als de rol van toeval correct wordt ingeschat, dit vanzelf zal leiden tot een tax shift, waarbij lage inkomens (die in België al heel veel belastingen betalen) minder belast worden en hoge inkomens meer.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minder subsidies voor volwassenen, meer voor kinderen

De Morgen berichtte dat een kind hebben 20 procent duurder geworden is dan tien jaar geleden (DM16/9). Het gaat dan om basisvoorzieningen zoals wonen, energie en kleding, maar ook over cultuur, sport en ontspanning. Kosten voor kinderopvang en onderwijs zijn bovendien nog niet meegerekend.

De stijgende kosten zijn vooral moeilijk te dragen voor mensen die in een fragiele inkomenssituatie zitten. Dat zijn niet enkel mensen in armoede, maar ook zij die net boven de armoedegrens leven. Een relatief grote groep, dus. Deze mensen zouden kunnen geholpen worden door de kinderbijslag afhankelijk te maken van het inkomen. De ouders kunnen dan zelf beslissen waaraan ze dit extra budget uitgeven. Het probleem met deze aanpak is echter dat je dan de werkloosheidsval versterkt. Immers, een ouder die extra kinderbijslag krijgt, verliest die terug als hij of zij gaat werken of meer gaat verdienen. Op die manier is er een drempel om vooruit te komen in het leven.

Een alternatief dat deze werkloosheidsval vermijdt en toch kinderen uit kwetsbare gezinnen helpt, is om bepaalde belangrijke voorzieningen voor kinderen zeer goedkoop of zelfs gratis te maken, maar dan voor alle kinderen. Onderwijs is een goed voorbeeld: de kostprijs hiervan is laag en zou zelfs gratis moeten worden. In die zin zijn maatregelen om 1 euro per dag per kind te vragen voor toezicht tijdens de middag, de zogenaamde boterhammentaks die een paar maanden geleden het nieuws haalde, net de verkeerde weg.

Onevenwichtige subsidies

Dit geldt ook voor sport, cultuur en recreatie, waar de kosten voor alle gezinnen ook dreigen te stijgen. Dit zijn misschien geen basisvoorzieningen, maar een vlotte toegang tot cultuur, het verenigingsleven en sportbeoefening zijn essentieel voor een goede ontwikkeling van het kind, zowel via als buiten de school. De overheid moet alle essentiële aspecten van de ontwikkeling van het kind voor elk kind zo toegankelijk mogelijk maken.

Het sterk verminderen van allerlei kindgerelateerde kosten en dit voor alle kinderen kost heel wat geld en het lijkt in de huidige besparingscontext dan ook onmogelijk. Ik ben het daar niet mee eens. Er is nu immers een onevenwicht in de subsidiepolitiek: er gaat te veel overheidsgeld naar activiteiten voor volwassenen en te weinig voor kinderen. Ter illustratie: in totaal geven de Belgische overheden jaarlijks ongeveer 5 miljard euro aan religie, recreatie en cultuur. Als je dit budget zou behouden, maar met een herverdeling naar activiteiten voor kinderen, dan ben je al een eind op weg om de kindvriendelijke maatschappij te creëren.

Een kindvriendelijke maatschappij creëren moet kaderen in een bredere filosofie: die van de individuele verantwoordelijkheid. Eens volwassen ben je zelf verantwoordelijk voor je beslissingen en hoe je je leven wil inrichten. Als volwassene moet je dan geen steun of subsidie van de overheid verwachten, tenzij bij tegenslag of gebrek aan talent. Dat ligt bij een kind anders: een (jong) kind heeft per definitie geen individuele verantwoordelijkheid. Meer nog, een maatschappij die de nadruk legt op de individuele verantwoordelijkheid kan enkel rechtvaardig zijn als je als kind alle kansen gekregen hebt om jezelf ten volle te ontwikkelen. En dat vraagt, meer nog dan nu het geval is, een kindvriendelijke maatschappij, voor alle kinderen.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen.

Kinderarmoede moet speerpunt van Vlaamse regering zijn

The Economist beschreef vorige week in enkele artikels hoe ouders uit hogere en lagere inkomensklassen hun kinderen opvoeden. Rijkere ouders blijken hun kinderen op alle mogelijke manieren te stimuleren, zoals via voorlezen en buitenschoolse activiteiten. Dat is veel minder het geval bij kinderen uit armere gezinnen. Niet omdat de ouderliefde er minder groot zou zijn, wel omdat ze minder weten wat goed ouderschap is of omdat ze vaker alleenstaand zijn en dus minder tijd en geld hebben.

The Economist besluit dat rijke ouders wat losser mogen zijn: ook zonder vioollessen zullen je kinderen het later wel maken. Of niet. Voor kinderen uit de middenklasse zijn het vooral de genen die bepalen hoe goed ze het later zullen doen, en veel minder de omgeving.

Aan de onderkant van de inkomensladder is de situatie net omgekeerd. In die gezinnen is het veel meer de omgeving en minder het aangeboren talent dat de latere uitkomst van de kinderen bepaalt. Kinderen uit arme gezinnen kunnen niet al hun talenten ontwikkelen. Er is dus ruimte om die kinderen te helpen. The Economist beschrijft enkele geslaagde projecten die in de wetenschappelijke literatuur veel bekendheid hebben. Het zijn intensieve programma’s, vaak met regelmatig huisbezoek en aangeboden op vrijwillige basis.

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar dit soort programma’s, met als conclusie dat ze niet alleen effectief zijn (de programma’s hebben impact), maar ook efficiënt: elke geïnvesteerde dollar levert de maatschappij op lange termijn een veelvoud op. Die opbrengsten zijn vermeden kosten door lagere criminaliteit of minder ziekte, en hogere inkomsten doordat de geholpen kinderen later rijker zijn en dus meer belastingen betalen. De onderzoekers kwamen ook tot de conclusie dat de steun het beste gebeurt als de kinderen nog zeer jong zijn. De steun kan zelfs al een paar maanden vóór de geboorte nodig zijn.

De wetenschappelijke evidentie wijst sterk in de richting dat de overheid efficiënte programma’s kan opzetten om kinderen die opgroeien in armoede meer kansen te geven. Groot was dan ook mijn teleurstelling toen ik het regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse regering las. Het beleidsdomein ‘Armoedebestrijding’ wordt stiefmoederlijk behandeld. In de tabel is te zien dat het nog geen 400 woorden toebedeeld krijgt. Daarmee staat het voorlaatste van de 24 beleidsdomeinen. Enkel ‘Dierenwelzijn’ moet het stellen met minder woorden.

aantalwoordenVR

Het aantal woorden is op zich misschien geen graadmeter, maar ook de inhoud is vaag. Er wordt gesteld dat het bestrijden van de kinderarmoede een van de belangrijke thema’s is, maar er wordt niet concreet gezegd hoe dat moet gebeuren. Dat staat in schril contrast met bijvoorbeeld het toekomstige landbouwbeleid, dat met ruim 3.000 woorden soms in detail wordt beschreven.

Op het eerste gezicht kan het verbazen dat The Economist, een liberaal nieuwsmagazine, zich profileert op dit thema, en bovendien pleit voor meer overheidsingrijpen. Zo vreemd is dat echter niet: het liberalisme is een ideologie die pleit voor meer individuele verantwoordelijkheid. Het zou als ideologie dan ook zeer cynisch zijn om niet de mogelijkheid te bieden om die verantwoordelijkheid te kunnen opnemen. En het is duidelijk dat kansarmen die mogelijkheden momenteel veel minder hebben.

Dezelfde redenering kan worden toegepast op het Vlaamse regeerakkoord. Daarin is duidelijk te lezen dat deze Vlaamse regering naar minder betutteling streeft en dat burgers het meer zelf zullen moeten doen. Maar meer nadruk op de eigen verantwoordelijkheid impliceert dan ook dat het geven van kansen belangrijker wordt. En net dat lijkt te ontbreken in dit regeerakkoord.

Alles hangt natuurlijk af van hoe die bevoegdheid de komende vijf jaar ingevuld wordt. Ik hoop dan ook dat op dat domein de daadkracht omgekeerd evenredig zal zijn met de beknoptheid van het regeerakkoord.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

De efficiënte diversiteit van de Rode Duivels

De Rode Duivels zijn gisteren teruggekeerd, met een bescheiden begroeting van de fans op het Paleizenplein in Brussel. De teneur van de spelers was duidelijk: ze mikten op meer en zijn dus enigszins teleurgesteld. En aan de reacties op de uitschakeling zijn er wel nog mensen die dat denken: hier zat meer in. Daarmee dreigen we voorbij te gaan aan het feit dat België bij de laatste acht van de wereld behoorde. De Rode Duivels zijn dan ook één van de beste teams die we gehad hebben.

Het is ook het meest diverse team tot nu toe. En die diversiteit heeft ons dus geen windeieren gelegd. In voetbal kijkt men dan ook niet naar kleur of afkomst. Als de speler maar kan voetballen. Dat staat haaks op hoe we redeneren over de arbeidsmarkt: daar geldt een migratiestop. We hebben blijkbaar geen talent van vreemde origine nodig. Tegelijk blijft de lijst met knelpuntberoepen hardnekkig lang.

De oplossing is simpel: laat economische migratie toe. Dat betekent dat migranten worden toegelaten om hier te wonen en te werken op voorwaarde dat ze de juiste vaardigheden en attitudes hebben om onze knelpuntberoepen in te vullen.

Economiche migratie is dan goed voor beide partijen. Uiteraard voor ons, omdat het niet invullen van knelpuntberoepen zorgt voor welvaartsverlies: iemand wil werk verschaffen, omdat er winst te maken valt, maar er wordt simpelweg geen geschikte kandidaat gevonden. Door de knelpuntvacature in te vullen, wordt welvaart gecreëerd wat op zijn beurt weer werk kan verschaffen, ook aan niet-knelpuntberoepen.

Maar economische migratie is ook goed voor de migrant zelf: hij of zij komt immers vrijwillig naar hier, wat betekent dat zijn of haar talent hier beter kan renderen dan elders. De migrant wordt immers ingeschakeld in het Belgische productieve arbeidssysteem en wordt automatisch zelf ook productiever.

Op die manier kan de economische migrant in België veel meer verdienen dan wat hij of zij in het land van herkomst zou verdienen. Een deel wordt in België geconsumeerd, maar een deel wordt vaak ook gespaard en teruggestuurd. Dat teruggestuurde geld overtreft vaak de ontwikkelingshulp en de buitenlandse investeringen en is bijgvolg zeer belangrijk voor de ontvangers en de lokale economie. Om de negatieve effecten van de lokale brain drain te beperken zou men beroepsbeperkingen kunnen instellen per land.

En een belangrijke bonus van economische migratie: het succes zal zichtbaar zijn. Natuurlijk niet zo spectaculair als bij de Rode Duivels, maar wel voortdurend in kleine en grote dingen in het dagelijkse leven: de loodgieter, de verpleegster, de ingenieur, of de chirurg. Dat zal de echte racisten niet overtuigen van hun absurde opinie, maar het zal zeker de vooringenomenheid van vele Belgen sterk verminderen.

Deze tekst verscheen eerst als De Mening in dS Avond.

Ongelijke rijkdom is niet per se oneerlijk

In 2010 bedroeg het nettovermogen van een arm gezin minder dan 2.700 euro, dat van een rijk gezin meer dan 687.000 euro. Daarmee is de geschatte vermogensongelijkheid 45 keer groter dan de inkomensongelijkheid, zo leerde een studie van Sarah Kuypers en Ive Marx (UA). Rijke gezinnen moeten dit wel te danken hebben aan de financiële en andere steun die ze van hun omgeving kregen, zo reageerde Matthias Somers in een opiniebijdrage in de Standaard.

Ik ben het met hem eens dat de rol van toeval, bijvoorbeeld in welk gezin je geboren wordt, sterk onderschat wordt als we trachten te verklaren waarom iemand succesvol is, terwijl hard werk en talent vaak als enige verklaringen bovengehaald worden. Maar ik denk niet dat, in België althans, de grote vermogensongelijkheid dit Somers’ standpunt versterkt.

Er zijn immers een aantal zaken die de vermogensongelijkheid verklaren en zelfs kunnen legitimeren. Vermogen is een accumulatie van wat gespaard wordt, het wordt over decennia heen opgebouwd. Een werknemer met een modaal inkomen van 2.000 euro per maand die daarvan 100 euro spaart, eindigt na 40 jaar met 48.000 euro. Zijn evenknie die een bijbaantje heeft in het weekend en de helft meer werkt en verdient, kan 1.100 euro sparen. Na 40 jaar levert dat 528.000 euro op. Dus hoewel de ‘rijke’ slechts 50 procent meer verdient, eindigt hij met elf keer meer vermogen, zonder dat toeval daarvoor een rol moet spelen. En ten opzichte van iemand die niet kon (of wou!) sparen, heeft de ‘rijke’ zelfs oneindig veel meer vermogen.

Doordat vermogen een accumulatie is, zijn het vooral de ouderen die rijk zijn. Vermogensongelijkheid is dus leeftijdsgebonden. Dat is ook wel zo bij inkomen, maar veel minder sterk. Om de vermogensongelijkheid correct weer te geven, zou die dus per leeftijdscategorie bekeken moeten worden.

Tieners vs. jonge dertigplussers

En zelfs binnen de leeftijdscategorieën kan het leeftijdseffect spelen. Somers geeft het voorbeeld van de rijksten in de leeftijdscategorie 16 tot 32 jaar, die in 2010 per gezin al een nettovermogen hadden van 250.000 euro. Dat is inderdaad zeer hoog – het is 850 keer hoger dan een het vermogen van een arm gezin in de categorie 16-32 jaar (300 euro). Dat klinkt spectaculair, natuurlijk. Maar zou het niet kunnen dat de 10 procent rijksten in deze leeftijdscategorie vooral bestaan uit jonge 30-plussers, van wie het perfect normaal is dat ze vele malen meer hebben dan de tieners die hun eerste loonbrief nog moeten ontvangen en dus nog amper hebben kunnen sparen?

Bovendien kan het nettovermogen van 250.000 euro ook verklaard worden door hard werk. Jongeren die begin jaren 2000 tegen een zacht prijsje een te renoveren huis kochten, het zelf opknapten door er avonden, weekends en vakanties in te werken, kunnen tien jaar later makkelijk een nettovermogen hebben van 250.000 euro. Toegegeven, dat komt voor een groot stuk door de historisch sterke prijsstijging van de huizen, en in die zin dus eveneens door toeval, maar de kans voor de jongeren van deze generatie was er. En zelf ken ik maar een handvol die die kans ook gegrepen hebben. De meesten zagen gewoon op tegen al het werk. You only live once, weet je wel. Ook toen al. En die keuze is legitiem, maar de vermogensongelijkheid die dat oplevert, is dat ook.

Sociale mobiliteit

Toch maakt Somers een belangrijk punt als hij stelt dat kinderen uit kansarme gezinnen onvoldoende kansen krijgen om zelf een goed inkomen te hebben en zo vermogen op te bouwen. De sociale mobiliteit in België is te laag en er zijn genoeg studies die aangeven dat de overheid dat kan verbeteren. En dat zou ze ook moeten doen. Maar de vermogensverdeling geeft daarvoor geen extra munitie, zelfs al is ze 45 keer ongelijker dan de inkomensverdeling, omdat die veel hogere vermogensongelijkheid een rechtvaardig gevolg kan zijn van de inkomensverdeling.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Standaard.

Interview – ‘Een belegging mag geen gok zijn’

Hieronder een interview in de Standaard met mij in hun rubriek ‘Porte-feuille’.

‘Een belegging mag geen gok zijn’

10/06/2013 – interview door Michiel Leen

Als voorzitter van de denktank Liberales bezint Andreas Tirez zich over de mate waarin beleidsmakers kunnen ingrijpen in de markt. Als economieblogger focust hij op de cijfers. Als belegger tracht hij de rede te laten primeren op de emotionaliteit. ‘Ik maak louter rationeel te verantwoorden keuzes.’

Wat is de reikwijdte van uw blog?

‘De focus ligt op de cijfers: opinions are cheap, facts are expensive. De boutade wil dat je met cijfers alles kunt bewijzen, maar een gefundeerde statistiek is tenminste een basis voor een discussie. Ik schrijf ook voor Liberales, daar gaat het meer over filosofische, ethische en politieke discussies.’

Welke thema’s behandelt u?

‘België keert geregeld terug. Volgens mij wordt de Belgische constructie te negatief gepercipieerd in de Vlaamse publieke opinie. Zeker macro-economisch kun je vaststellen dat ons land het eigenlijk niet zo slecht doet. België is al decennialang verlost van zijn etiket “zieke man van Europa”. Er bestaan genoeg interessante gegevens, onder andere van de Europese Commissie en de Oeso, om dat te staven.’

‘Ook aan sociale mobiliteit en gelijke kansen hecht ik veel belang. Ik focus op kansenongelijkheid, meer dan op inkomensongelijkheid. Talent drijft immers niet zomaar boven: het heeft ondersteuning en kansen nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Daarvoor is nog te weinig aandacht. De publieke opinie heeft te weinig oog voor de rol die toeval speelt bij het welslagen.’

Wordt binnen Liberales veel over de economische crisis ­gedebatteerd?

‘De discussies gaan vooral over de vrije markt, die onder druk zou staan. We erkennen dat een vrije markt regels nodig heeft, al blijft de vraag hoeveel precies. Daarover lopen de meningen nogal uiteen. Het initiatief moet bij individuen en ondernemers blijven, het is niet de overheid die bussen moet laten rijden.’

Hoever kan een overheid dan gaan in het reguleren van het bankwezen?

‘In het huidige klimaat, met banken die too big to fail zijn, is er per definitie geen sprake van een vrije markt. In een vrije markt zouden banken die slecht beheerd worden of brute pech hebben, over de kop gaan. Hun marktaandeel zou worden ingenomen door andere banken.’

‘Wanneer overheden bijspringen om banken in moeilijkheden te redden, is kritiek op het idee van een staatsbank niet zo evident. De markt is sowieso al verstoord, met geprivatiseerde winsten en gesocialiseerd verlies.’

Bent u zelf als belegger actief?

‘Samen met enkele vrienden ben ik actief in een kleinschalig beleggersclubje. Onze stelregel is dat de keuze voor een bepaalde belegging geen gok mag zijn. Dus geen buikgevoel, we maken louter rationeel te verantwoorden keuzes.’

‘Aan elke aankoop die we doen, gaat een fundamentele analyse vooraf. Daarna begint het gepalaver: “Waarom is jouw fundamentele analyse beter dan de mijne?”.’

‘Toen we met de club begonnen, volgde ik een cursus financiële economie. Een van de professoren van wie ik toen les kreeg, toonde zich sceptisch. Hij raadde aan ­indexfondsen te kopen, want daardoor zit je steeds in het midden van wat aandelen doen. Als beginneling kun je het dus even goed of beter doen dan het gemiddelde van de professional. Gewoon door “de markt te kopen” via die indexfondsen. Voor enkele honderden euro’s hebben we in mei 2009 fondsen uit de S&P 500 gekocht, om het spel te leren. Dat pakket heeft goed geboerd.’

Ondanks de crisis hebben jullie dus winst gemaakt?

‘Ja, toen wij ermee begonnen, kropen de beurzen stilaan uit het diepe dal. Maar of we nu winnen of verliezen, we zullen er geen boterham minder om eten. Ons gaat het om het leerproces, de discussies waarin we elkaar moeten overtuigen van het feit dat de volgende aankoop géén gok is, maar een ­beredeneerde keuze.’

Hebben jullie een ethische richtlijn, beleggingen die al vooraf uitgesloten zijn?

‘Nee. Ik weet ook niet of “ethisch” beleggen de beste hefboom voor verandering is. Wanneer het bijvoorbeeld gaat om de reductie van CO2, zie je toch dat Europese richtlijnen die voor iedereen gelden, een grotere impact hebben. Wanneer je de CO2-reductie overlaat aan “ethische” beleggers, worden zij gestraft door het concurrentiële nadeel dat ze ondervinden van bedrijven die daar niet wakker van liggen. Dat kun je doortrekken naar andere domeinen.’

‘Het is beter te streven naar een algemene regelgeving die voor iedereen geldt. De discussie over ethisch beleggen is echter geen zwart-wittegenstelling. De ethische bezwaren die je zou kunnen hebben tegen investeren in de ­auto-industrie, zijn immers van een heel andere aard dan de bedenkingen bij investeringen in wapenfabrikanten.’

Wat beschouw je als je beste investering?

Persoonlijk beschouw ik mijn studie economie als mijn beste investering. Die vatte ik aan toen ik al aan het werk was, wat het soms wel zwaar maakte. Ik ben er erg tevreden over. Niet zozeer het geld, maar wel de tijd  en de energie die erin kropen, maakten het tot een investering. Maar de inzichten die je uit zo’n studie meebrengt, zijn van onschatbare waarde.

Slechtste investering?

Ik kan al niet over aandelen beginnen, want die heb ik niet in portefeuille. Ik heb nog nooit iets gekocht, louter voor de speculatie. Daardoor heb je ook nooit het gevoel dat het tegenvalt met de winst. Ik koop graag boeken en muziek, dat zou je als pure consumptie kunnen beschouwen, maar zelf beschouw ik het eerder als investering, zeker boeken; en daar zit wel al eens een miskoop bij. Vooral de verspilde tijd beschouw ik dan als een slechte investering. Speculeren op een toekomstige meerwaarde doe ik sowieso niet.

De rol van toeval in succes wordt onderschat

Afgelopen zondag gaf Ben Bernanke een speech tijdens de afscheidsceremonie voor de pas afgestudeerden van Princeton University, één van de topuniversiteiten van de VS. Bernanke is voorzitter van de Amerikaanse centrale bank en bijgevolg één van de belangrijkste personen voor de wereldeconomie. In zijn speech doet hij tien suggesties aan de jonge afgestudeerden over het Leven Zelve, en een paar zijn niet onopgemerkt gebleven.

Vooral zijn passage over succes trok de aandacht. Tegen deze jonge mensen die ongetwijfeld een succesvolle carrière tegemoet gaan zegt hij dat ze gewoon geluk gehad hebben door met de juiste talenten in het juiste gezin geboren te worden, en dat ze dat geluk moeten delen. Een citaat:

Het concept van succes brengt me tot de zogenaamde meritocratie en haar implicaties. Ons is geleerd dat meritocratische instellingen en maatschappijen rechtvaardig zijn. Als we abstractie maken van het feit dat er geen enkel systeem, ook het onze niet, echt volledig meritocratisch is, dan kan het zijn dat een meritocratie rechtvaardiger en efficiënter is dan sommige alternatieven.

Maar rechtvaardig in absolute zin? Denk eens na. Een meritocratie is een systeem waarin mensen die het meeste geluk hebben met hun gezondheid en genetische aanleg; het meeste geluk  hebben wat betreft steun van hun gezin, aanmoediging, en, waarschijnlijk, inkomen; het meeste geluk hebben in onderwijs- en carrièrekansen; en het meeste geluk hebben op zo veel andere vlakken die moeilijk op te noemen zijn– en het zijn deze mensen die de grootste beloning krijgen.

De enige manier dat zelfs een vermeende meritocratie kan hopen om de ethische toetsteen te doorstaan, om als rechtvaardig beschouwd te worden, is als deze die het meeste geluk gehad hebben op al die vlakken, ook de grootste verantwoordelijkheid hebben om hard te werken, om bij te dragen tot een betere wereld, en om hun geluk te delen met anderen.

(eigen vertaling)

Voor Paul Krugman maakt het bovenstaande citaat duidelijk dat Bernanke voorstander is van een veel hogere belasting op toplonen. Want, zo stelt Krugman, Bernanke getuigt met deze passage van een Rawlsiaanse visie op de wereld, “waarin je over het leven denkt als een loterij waarin je een lotje trekt waarop onder meer aangegeven staat wat je genetische aanleg en de rijkdom van je ouders zijn”. Om te komen tot een rechtvaardige maatschappij moet je dan de regels van die maatschappij zetten alsof je nog niet weet wat op je lotje staat. Je weet dus niet of je man of vrouw zal zijn, rijk of arm, talentvol of niet, geboren in een kansarm of kansrijk gezin, enzovoort. Je zit als het ware onder de ‘sluier der onwetendheid’.

Volgens Rawls zal je dan onder meer tot de regel komen dat de minstbedeelden het zo goed mogelijk moeten hebben. Dat kan via herverdeling door hogere en topinkomens te belasten. Echter ook niet te veel, want dan ontmoedig je dat er veel gewerkt wordt en is er minder te herverdelen. Het rechtvaardigheidsvraagstuk wordt dan een vraag naar de optimale belastingsstructuur. En volgens Krugman zijn er degelijke studies die aangeven dat in de VS de marginale belasting naar 73% mag gaan op lonen boven 400.000 dollar per jaar. De reden is dat mensen die heel veel verdienen het niet echt voelen dat ze sterk belast worden.

De rol van toeval is dus sterk bepalend in het succes, en dus mag je topsucces ook sterk belasten. Deze conclusie wordt volgens mij nog door minstens twee zaken versterkt. Ten eerste wat betreft de financiële prikkel om hard te werken. Zoals Krugman terecht aanhaalt speelt dit minder mee als je echt heel veel verdient. Het nut van een extra euro inkomen vermindert immers als je al heel veel hebt. Maar er is ook de factor onzekerheid: als je een gewoon loon hebt, dan kan je meestal vrij goed voorspellen hoeveel je extra zal verdienen als je een uur langer werkt, door bijvoorbeeld iets in bijberoep te proberen. Dat is veel minder het geval als je een toploon hebt. Je zal dan waarschijnlijk al sowieso hard en veel werken, maar het effect van hard werk op het loon is ook veel minder duidelijk. De onzekerheid over het toekomstig inkomen van de ambitieuze CEO  of de startende ondernemer is immers groot. Met hard werk en veel talent is de kans groter dat deze persoon veel zal verdienen, maar of dat nu 200.000 euro of 500.000 euro is, is bijna niet te voorspellen, laat staan meer dan 1 miljoen. De link tussen inspanning en verloning wordt zwak vanaf een bepaald inkomensniveau.

Ten tweede, het is duidelijk dat topverdieners hard werken en vaak ook risico nemen. Dan mogen ze natuurlijk ook goed verloond worden. Maar het is een misvatting dat enkel topverdieners hard werken en risico nemen. Er zijn ook veel talentvolle mensen die veel minder verdienen, maar toch hard werken en risico nemen. Dat je het uiteindelijk maakt tot in het topsegment vereist niet alleen hard werk en talent, maar ook het nodige geluk.

Een mooi voorbeeld komt van Malcolm Gladwell. Hij analyseerde de lijst van de 75 rijkste mensen ooit, beginnende bij de farao’s en zo tot Bill Gates. Hij stelt vast dat er 9 van de 75 personen geboren zijn in een tijdspanne van 10 jaar. Het gaat om Amerikanen die geboren zijn tussen 1831 en 1840 en die hun fortuin gemaakt hebben tijdens een periode in de geschiedenis waarbij de economie een gigantische ontwikkeling kende. Waarschijnlijk namen industriëlen zoals Rockefeller risico en bulkten ze van het talent. Ook zullen ze hard gewerkt hebben voor hun succes. Maar iemand vóór 1830 geboren was wellicht te oud om de transformatie te kunnen vatten en de kansen te zien, en na 1840 was je te laat. Er is geen zinnig mens die kan beweren dat enkel tussen 1830 en 1840 zulke genieën en hardwerkende, risiconemende ondernemers werden geboren. En dat is algemeen zo: ja, succes kan niet zonder talent en hard werk, maar eens voorbij een bepaald niveau betekent meer succes ook meer toeval. Het is ook een thema dat Obama aanhaalde in zijn befaamde  ‘You didn’t build that’-speech van Obama.

We zijn het niet gewend om topsucces te wijten aan toeval. Er wordt meestal enkel verwezen naar hard werk en talent, zeker door zij die aan de top staan. Maar dat is waarschijnlijk wel hoe de wereld in elkaar zit. En blijkbaar beseft de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank dat ook. En het is niet dat topsucces niet gegund wordt. Integendeel, de toptalenten moeten zoveel mogelijk hun ding kunnen doen; dat is, aldus Bernanke, zelfs hun verantwoordelijkheid. Maar wel in het besef dat als het (extreem) goed lukt, dat dat voor een (groot) deel aan toeval te wijten is.

Over dit onderwerp schreef ik vorig jaar deze blogpost ‘Over toeval, toplonen en Rawls’. De blogpost is een uitgebreide onderbouwing voor mijn steun voor de Hollande-taks van 75% op inkomens boven 1 miljoen euro en een verlaging van de belasting op middeninkomens. 

Deze tekst verscheen eerst op Liberales.

Het probleem is kansenongelijkheid, niet inkomensongelijkheid

Gisteren nam ik deel aan het rondetafelgesprek dat de Stichting Gerrit Kreveld organiseerde over ‘Kapitalisme’. Deze organisatie wil het sociaal-democratisch gedachtegoed ondersteunen. De ruim 20 deelnemers uit onder meer universtiteiten, denkgroepen en vakbonden kwamen dan ook voornamelijk uit ‘links-economische’ hoek.

De kritiek op het kapitalisme was niet ver weg. Het is een kritiek die ik niet deel, integendeel: volgens mij is de huidige economische crisis geen maatschappelijke cesuur, zoals sommigen het graag willen zien. Uiteraard moet de vrije markt regels hebben, maar dat is iets wat bijvoorbeeld Paul De Grauwe al in januari 2007, in tempore non suspecto,  zei op een gespreksavond van Liberales.

Wat me echter telkens weer opvalt in maatschappelijke discussies is hoe weinig aandacht er gegeven wordt aan wat volgens mij één van de grote problemen is in onze maatschappij, namelijk het gebrek aan sociale mobiliteit door een gebrek aan gelijke kansen. Men spreekt wel veel en graag over het reduceren van inkomensongelijkheid, maar veel te weinig over het reduceren van de kansenongelijkheid.  En ook tijdens dit rondetafelgesprek viel me dit weer op. Nochtans doen we het wat betreft inkomensongelijkheid heel goed, in tegenstelling tot de kansenongelijkheid (zie vorige post voor data).

De laatste 10-15 jaar is er een heel onderzoeksdomein ontstaan over het verhogen van kansen voor kinderen uit de onderklasse. De bekendste onderzoeker is wellicht James Heckman, een arbeidseconoom van de Chicago-universiteit en Nobelprijswinnaar voor zijn werk in de econometrie, zeg maar de meet-kunde van economen. Deze onderzoeker wilde nagaan op welke manier je het meest efficiënt de vaardigheden van weinig geschoolde werknemers kon verhogen. Hij stelde immers vast dat in de VS de kloof tussen het aanbod van vaardigheden en de vraag ernaar alsmaar groter werd.

Niet zo’n gek onderwerp voor een arbeidseconoom. Maar zijn resultaat was onverwacht. Het waren immers niet de concrete on-the-job-trainingen, bijscholingen en opleidingen voor volwassenen die de beste resultaten opleverden. Niet dat deze initiatieven nutteloos waren, maar ze kosten meer dan ze opbrengen. Uit zijn onderzoek bleek dat hoe vroeger je begint te remediëren, hoe meer het oplevert. En het beste rendement (ja, het blijft een econoom) krijg je als je investeert in kansarme gezinnen met zeer jonge kinderen.

De onderstaande grafiek vat het onderzoek van Heckman en anderen perfect samen. De grafiek komt uit een presentatie van het Hiva. Het geeft het rendementsverloop van investeringen in kansrijke en kansarme kinderen volgens de leeftijd van het kind waarop de investering gedaan wordt. Als kinderen heel jong zijn (0 tot 3 jaar) is investeren in kansarme kinderen duidelijk efficiënter dan te investeren in kansrijke kinderen. De efficiëntie van de investeringen daalt voor beide categorieën van kinderen, maar daalt sneller voor kansarme kinderen. Op de leeftijd van ongeveer 8 jaar is het efficiënter om in kansrijke kinderen te investeren.

Bron: Hiva

De reden is dat de leercapaciteit van het kind de efficiëntie bepaalt van de investeringen in dat kind. De leercapaciteit kan echter het gemakkelijkst op jonge leeftijd verhoogd worden. Een kansarm kind heeft gemiddeld gezien een lagere leercapaciteit. Als je daar dan vroeg genoeg in investeert, dan zullen latere investeringen beter renderen. Dat moet je dus eerst doen. Echter, als je dat niet doet en het kind is 8 jaar of ouder, dan kost het je veel moeite om de leercapaciteit nog te verhogen. Op dat moment kan je beter, vanuit efficiëntie-oogpunt, investeren in kinderen die wel voldoende leercapaciteit hebben. Kansrijke kinderen dus.

Dit onderzoek is nu al een hele tijd gekend. Maar helaas, ik denk niet dat er veel mensen aan de rondetafel waren gisteren die dergelijk onderzoek kennen. Meer nog, er waren maar twee deelnemers die refereerden naar de grote noodzaak om kansarme gezinnen met zeer jonge kinderen meer en beter te ondersteunen: ikzelf en Sara De Mulder, niet toevallig ook kernlid van Liberales.

Mijn vraag is dan: hoe kan je over sociale ongelijkheid praten als je dergelijk onderzoek niet kent? Het moet toch voor iedereen duidelijk zijn dat het in België niet (meer) gaat over inkomensongelijkheid, maar over kansenongelijkheid. En dat kan enkel efficiënt aangepakt worden als je veel meer investeert in de ondersteuning van kansarme gezinnen als de kinderen zeer jong zijn. En dat is niet alleen rechtvaardig, het brengt de maatschappij ook nog eens op. En toch, toch lijkt dit maar niet door te dringen.

De Vlaamse regering heeft onlangs wel beslist om 1 miljoen euro uit te trekken voor 22 projecten inzake ondersteuning van kansarme gezinnen. De aanpak vind ik op zich niet slecht, namelijk het selecteren van veel projecten. Maar dat moet dan wetenschappelijk begeleid en opgevolgd worden (liefst met randomized control trials) om na te gaan welke aanpak in ons land het beste werkt. En er is heel wat wetenschappelijke expertise om dergelijke onderzoeksopdrachten uit te voeren. Ik heb het Hiva al vernoemd, maar ook prof. Erwin Ooghe van de KULeuven heeft bijvoorbeeld al interessant onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het decreet gelijke onderwijskansen.

Maar het lijkt alsof deze wetenschappelijke evidentie helemaal niet opgepikt wordt. Niet op politiek niveau. Ook te weinig binnen Open VLD (ik ben nochtans van mening dat er zonder sociale mobiliteit geen liberalisme kan zijn). En dus ook niet in het zogenaamde linkse intellectuele middenveld. Iedereen gaat er blijkbaar (impliciet) vanuit dat talent wel bovendrijft. Maar talent drijft niet boven, het heeft ondersteuning nodig om tot ontwikkeling te komen, zeker bij kinderen uit de onderklasse. En als de ouders die ondersteuning niet of onvoldoende (kunnen) geven, dan is het de verantwoordelijkheid van de overheid om dat zoveel mogelijk te doen. En dat kan dus zelfs meer maatschappelijke baten opleveren dan het ons kost. Waar wachten we dan nog op?