De slimme kilometerheffing is noodzakelijk in Vlaanderen

De Vlaamse regering besliste net voor het zomerreces 2018 om een “slimme” kilometerheffing in te voeren. Het is weliswaar slechts een principebeslissing, waarbij de uitvoering naar de volgende legislatuur wordt doorgeschoven. Toch moet het beschouwd worden als een mijlpaal, omdat de drie meerderheidspartijen N-VA, CD&V en Open VLD gezamenlijk zeggen dit te willen invoeren. En ook Groen en sp.a zijn principieel voorstander. Dat maakt de kans groot dat de volgende Vlaamse regering het ook effectief zal invoeren.

Vlaanderen als fileregio

Het probleem dat een slimme kilometerheffing wil oplossen is genoegzaam gekend: Vlaanderen en Brussel kennen veel files. En die files blijven maar toenemen. De figuur hieronder geeft voor de voorbije zeven jaar het maandelijkse verloop van de gemiddelde filezwaarte per dag op de snelwegen tijdens een werkdag zoals gemeten door het Vlaamse Verkeerscentrum. De filezwaarte is het aantal kilometer files vermenigvuldigd met het aantal uren en wordt uitgedrukt in kilometeruren. De zwarte lijn geeft het lopend gemiddelde, telkens van de voorbije twaalf maanden. Uit de figuur is het duidelijk: de filezwaarte blijft toenemen, van gemiddeld iets meer dan 500 kilometeruren in 2011 tot bijna 800 kilometeruren in 2018, of een stijging met ruim 50% op zeven jaar tijd. Bovendien zijn Antwerpen en Brussel één van de steden met de grootste filedruk in Europa.

 

Waarom de overheid moet tussenkomen bij teveel files

Je zou je de vraag kunnen stellen wat bij files eigenlijk het probleem is. Niemand verplicht de filerijder om in de file te gaan staan. Mensen kunnen op zoek gaan naar alternatieven, zoals openbaar vervoer, de (elektrische) fiets, deels thuiswerken, verhuizen of veranderen van werk.

Het probleem is echter dat er ook mensen zijn die niet in de file staan en er toch hinder van ondervinden. Heel wat mensen doen al dan niet bewust geen verplaatsing omdat ze anders in de file zouden staan. Zo zijn er mensen die geen job aan de andere kant van Brussel aannemen of zelfs maar zoeken omdat ze dan te lang in de file zouden staan. Het zijn hindernissen die we vaak niet meer zien, omdat ze deel van de context geworden zijn.

De wachttijd die de filerijders veroorzaken voor deze mensen hebben een economische en sociale kostprijs die de filerijders zelf niet moeten dragen. De voor de hand liggende oplossing is om de filerijders toch te doen betalen voor deze externe kosten die ze veroorzaken. Dat is dan ook net wat de slimme kilometerheffing zou moeten beogen.

Files zijn tijds- en plaatsgebonden

Het is een open deur, maar files zijn tijds- en plaatsgebonden. Je hebt zelden ’s nachts lange files en ze doen zich meestal voor rond grote steden.

De bovenstaande grafiek toont dat de wegcapaciteit meer en meer ontoereikend is om alle verkeer efficiënt te laten passeren. Maar de figuur geeft ook aan dat dat niet overal het geval is: de laatste twaalf maanden (juli 2017 – juni 2018) was de gemiddelde filezwaarte 762 kilometeruren per werkdag. Antwerpen en Brussel staan in voor respectievelijk gemiddeld 367 en 305 kilometeruren per dag of samen 88 procent van de filezwaarte. Gent neemt nog 7 procent voor haar rekening en de rest van Vlaanderen 5 procent. De files zijn dus duidelijk geconcentreerd rond Brussel en Antwerpen.

Bovendien zijn deze files ook tijdsgebonden. De bovenstaande grafiek toont dat de zomermaanden minder filegevoelig zijn dan andere maanden. Bovendien zijn per definitie de spitsuren ’s morgens en ’s avonds filegevoelig, terwijl dit doorheen de dag minder het geval is en ’s nachts al helemaal niet.

De uitdaging van een slimme kilometerheffing is dan om het kilometertarief te laten variëren volgens plaats en tijd en net hoog genoeg opdat er net geen files zouden zijn.

Welke kilometerheffing?

Tranport & Mobility Leuven (TML) heeft in 2010 in opdracht van het Vlaamse Milieuagentschap een studie uitgevoerd over de internalisering van de externe kosten in transport. Ze heeft deze studie ondertussen geactualiseerd tot het jaar 2014. In de studie worden de externe kosten geschat van allerlei vervoersmodi, zoals de personenwagen, de fiets, de vrachtwagen en de trein. Het betreft niet enkel externe kosten door files, maar ook door ongevallen die personenwagens kunnen veroorzaken, geluidsoverlast en luchtverontreiniging (milieu). De externe kosten aan de infrastructuur van een extra auto worden in de studie van TML verwaarloosd.

In de onderstaande grafiek heb ik de externe kosten samengevat voor een diesel- en benzinepersonenwagen. De kosten worden gerekend in euro per 100 kilometer dat de wagen rijdt en zijn geschat voor de snelweg tijdens dal- en spitsuren en voor stads- en andere wegen tijdens de spits.

Er zijn een aantal interessante observaties te maken op basis van deze cijfers. Ten eerste is de filekost (gele balkjes) steeds veruit de grootste externe kost in de spits, dus groter dan de kosten door geluidsoverlast en luchtverontreiniging samen (let wel, de impact van dieselgate zou nog niet meegerekend zijn in deze cijfers). De filekost is dus ook tijdens de daluren op de snelweg hoger dan de andere externe kosten.

Ten tweede, en dit is in deze context essentieel, variëren de totale externe kosten sterk en wordt deze variatie nagenoeg louter gedreven door de filekosten. Zo is voor de periodes en plaatsen die in de figuur getoond worden de externe kost het grootste op de snelweg tijdens de spits en het laagst tijdens de daluren. Ook opmerkelijk is dat de “andere wegen” tijdens de spits nagenoeg dezelfde externe kost hebben dan de snelweg tijdens de daluren. Ik vermoed dat dit verklaard wordt doordat er heel wat “andere wegen” zijn in weinig filegevoelige gebieden zoals West-Vlaanderen en Limburg en deze dus relatief sterk doorwegen in de analyse van TML in vergelijking met de snelwegen die in grote mate door verkeer van en naar Brussel en Antwerpen gesatureerd raken. Het is dus best mogelijk dat een slimme kilometerheffing resulteert in een tarief voor een snelweg in de buurt van Brussel dat tijdens de middag hoger is dan een tarief voor een gewestweg in Limburg tijdens de spitsuren. Of dat zou toch moeten.

Bij de bepaling van de tariefstructuur zal er een afweging moeten gemaakt worden tussen enerzijds de eenvoud van het systeem, met zomin mogelijk verschillende tarieven, en anderzijds voldoende differentiatie zodat de externe kosten zo correct mogelijk worden geïnternaliseerd. Zelf zou ik denken dat de afweging eerder in de richting van veel gedifferentieerde tarieven zou mogen overhellen, gezien digitale toepassingen makkelijk voor elk traject en op elk moment de kostprijs kunnen berekenen.

Men zou zelfs kunnen overwegen om tarieven dynamisch aan te passen: als er bijvoorbeeld op een mooie zomerdag veel file verwacht wordt op de E40 naar de kust, zouden de tarieven kunnen verhoogd worden. In ieder geval moet het tarief idealiter zodanig gezet worden dat er net geen congestie is, zodat de capaciteit optimaal benut wordt. De hoogte van het tarief is dus een objectief gegeven en zou niet door politici mogen vastgelegd worden, maar door technocraten die na trial-and-error tot een optimale tariefstructuur komen.

 Winnaars en verliezers

Ten derde geeft de figuur ook de belastingen weer die betaald worden (zwarte streepjes). Deze variëren enkel volgens het type wagen, benzine of diesel, en zijn dus onafhankelijk van de plaats of het tijdstip. Opvallend is dan dat een benzinewagen nu reeds in een aantal situaties meer belastingen betaalt dan de externe kosten die ze veroorzaakt. Zowel voor de snelweg tijdens de daluren als de “andere wegen” tijdens de spits worden de externe kosten bovenmatig geïnternaliseerd voor de benzinewagen. Bij een slimme kilometerheffing zouden de belastingen zo goed mogelijk moeten samenvallen met de veroorzaakte externe kosten, wat betekent dat de benzinerijders in bepaalde situaties dan minder belastingen betalen dan nu het geval is. Zij zullen dan de winnaars van het systeem zijn. Dit geldt overigens ondertussen waarschijnlijk ook voor dieselrijders, gezien de kostprijs van diesel sinds 2014 sterk verhoogd is door een verhoging van de accijnzen  (geen idee of dit teniet gedaan wordt door dieselgate). Zij die veel files veroorzaken zullen dan uiteraard tot de verliezers behoren.

Maar globaal genomen zal een slimme kilometerheffing leiden tot een efficiënter gebruik van de transportcapaciteit. Dat komt ten goede aan iedereen. Schattingen lopen uiteen wat de economische kost is van files, maar een studie waarnaar de Oeso verwijst (Van Essen, 2011) schat dat files 1 à 2 procent van het BBP kunnen kosten. Een andere studie (Profillidis, 2014) komt op 200 miljard euro voor Europa of 1,65 procent van het BBP. België, met veel files, zal dus eerder tegen 2 procent economisch verlies aanleunen door de files, wat neerkomt op ruim 8 miljard euro. Dat is uiteindelijk de enorme bonus die we jaarlijks zullen krijgen als we de files oplossen door de autogebruikers correct te laten betalen voor de kosten die ze veroorzaken.

Sociale impact

Er is heel wat vocale tegenstand tegen een slimme kilometerheffing. Sommigen gaan ervan uit dat het zal neerkomen op een belastingsverhoging en zijn om die reden tegen, ook al wordt beweerd dat een slimme kilometerheffing budgetneutraal zal zijn. Maar de grootste tegenstand lijkt ingegeven door een gevoel van rechtvaardigheid. Enkel zij die congestietaks kunnen betalen zullen nog met de auto (tijdens de spits) naar het werk kunnen.

En dat klopt natuurlijk. Maar files wijzen op schaarste, in dit geval te weinig wegcapaciteit. En bij schaarste wordt er altijd een allocatiemechanisme gebruikt om te beslissen wie het schaarse goed krijgt en wie niet. Bij een slimme kilometerheffing wordt de wegcapaciteit toegewezen aan zij die het tarief willen en kunnen betalen. Zonder slimme kilometerheffing wordt de capaciteit ook volgens een bepaald principe toegewezen, namelijk aan zij die tijd kunnen en willen opgeven om in de file te staan.

Er zitten nu ongetwijfeld pendelaars in de file die met een kilometerheffing ander werk zullen moeten zoeken. Maar er zitten ook heel wat filerijders die veel tijd hebben en even goed hun uitje een uur later hadden kunnen plannen (en dat met een kilometerheffing zeker zullen doen). En wat met de drukke tweeverdieners met jonge kinderen? Die pendelen nu niet naar Brussel of Antwerpen, of zijn helemaal op van de stress als de file weer wat langer geworden is en ze alsmaar vaker te laat op school of de opvang zijn om hun kinderen op te halen.

Met andere woorden, nu wordt er voor de wegcapaciteit tijdens de spits betaald met tijd. Dat creëert een ongelijkheid tussen zij die tijd hebben en zij die deze niet hebben. Bij een kilometerheffing wordt betaald met geld. En ook dat creëert een ongelijkheid op gebied van betalingscapaciteit. Ik vraag me echter af in welke mate dat een probleem is in België waar de inkomensongelijkheid relatief laag is, waardoor marktgebaseerde allocaties makkelijker aanvaard zouden moeten worden.

Bovendien zullen de winnaars bij een slimme kilometerheffing door de toegenomen efficiëntie meer winnen dan de verliezers verliezen. Globaal is er dus winst, en dat betekent ook dat er ruimte is om de verliezers te compenseren. Erg doelgericht zal dit niet kunnen uitgevoerd worden, maar het is niet ondenkbaar om bij de invoering van de slimme kilometerheffing tegelijk een belastingverlaging door te voeren voor de laagste inkomens.

Tot slot, met de gele hesjes in het achterhoofd, nog dit: met een fijn genoeg tariefsysteem zullen mensen die de auto nodig hebben waar weinig openbaar vervoer is, en dus weinig alternatieven, wel eens mínder kunnen betalen, omdat ze per definitie in weinig filegevoelige gebieden rijden.

Hogere erfbelastingen : rechtvaardig, efficiënt en erg onpopulair

Sp.a lanceerde deze week een voorstel om de erfbelasting te hervormen. De partij wil dat iedereen een belastingvrije som van 250.000 euro krijgt. Dat is niet per erfenis, maar geldt voor alles wat je in totaal in je leven erft of geschonken krijgt. Alles erboven wordt dan tegen oplopende tarieven belast. Sp.a wil op die manier de ongelijkheid verminderen.

Voor heel wat economen en filosofen is het zonneklaar: erfenissen hebben een grote impact op de instandhouding van de ongelijkheid, vooral omdat erfenissen erg groot kunnen zijn. Bovendien heeft de ontvanger van een erfenis hieraan geen enkele verdienste. Het is dus rechtvaardig om erfenissen sterk te belasten.

Een hogere erfbelasting is ook efficiënt, omdat je hierdoor de lasten op arbeid navenant kan verlagen. Nu wordt er gemiddeld 12% belastingen betaald op erfenissen, terwijl dat op arbeid dubbel zoveel is, zonder dan nog rekening te houden met de hoge socialezekerheidsbijdragen die op het arbeidsinkomen betaald worden.

Hogere erfbelastingen zijn voor de meeste experts dus een evidentie. Het contrast met de publieke opinie is enorm, die hiertegen sterk gekant is. Dat valt deels te verklaren doordat hogere erfenisbelastingen vaak geïsoleerd voorgesteld worden. Maar elk voorstel voor een hogere erfbelasting zou budgetneutraal moeten zijn voor de overheid. Dat betekent dat de hogere erfbelastingen toelaten om elders de belastingen te verlagen, zoals bijvoorbeeld de arbeidslasten. Dan moeten zij die werken voor hun welvaart minder betalen, en zij die het in de schoot geworpen krijgen meer. Dat zou de tegenstand al wat moeten doen afbrokkelen.

Maar de voornaamste reden voor de sterke tegenstand tegen hogere erfbelastingen is volgens mij dat economen en filosofen de maatschappij als een geheel van individuen bekijken. Ouders hebben hier een fundamenteel andere kijk op. Voor de meeste ouders is het welzijn van hun kinderen minstens zo belangrijk als het eigen welzijn. De individuele kijk van economen en filosofen op de ouder-kind-relatie (en andere relaties) botst daarmee.

Het is dan ook politiek onhaalbaar om tegen deze sterke oudergevoelens in te gaan. Sp.a lost dit goed op door een belastingvrij minimum voor het leven voor te stellen, dat bovendien hoog ligt. Ouders kunnen met dit voorstel meer dan gerust zijn: je zal je kinderen belastingvrij ruim kunnen helpen.

De vraag is hoe hoog de belastingvrije som moet zijn, evenals de progressieve tarieven die je boven die som betaalt. Een belastingvrije som van 250.000 euro zou kunnen leiden tot lagere inkomsten uit de erfbelasting. In dat geval kan je de arbeidslasten niet verlagen, integendeel! Dat kan niet de bedoeling zijn en dan moet de belastingvrije som omlaag of moeten de progressieve tarieven die je erboven betaalt naar omhoog. Of een combinatie van beiden.

Ten slotte is er bij elke belasting ook de vraag hoe het ontwijkingsgedrag kan vermeden worden. Vooral bij grote erfenissen is dat een uitdaging. Dat is nu ook al het geval, maar bij hogere belastingstarieven boven de belastingvrije som wordt dit nog belangrijker.

Het aanleggen van een vermogenskadaster is een oplossing. Als dat politiek moeilijk ligt, zou men zich kunnen beperken tot het goed opvolgen van de grote vermogens.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk bij De Morgen.

Vlaktaks van 30 procent is cadeau voor hoogste inkomens

Open VLD publiceerde vorige week hun voorstellen voor het partijcongres van eind november. Een voorstel dat in het oog springt is een vlaktaks van 30 procent voor de inkomensbelasting. Open VLD zou de vlaktaks combineren met een verhoogde belastingvrije som, zonder deze te specifiëren. De vlaktaks zou in de plaats moeten komen van het huidige systeem waarbij de tarieven gestaag oplopen tot 50% voor een netto belastbaar inkomen boven 38.000 euro. Let wel, zowel de vlaktaks als het huidige systeem werken met marginale tarieven. Dat betekent dat je bijvoorbeeld in het huidige systeem enkel 50 procent betaalt op het deel dat boven 38.000 euro ligt. Voor het deel onder 38.000 euro betaal je minder belastingen. Je totale inkomensbelasting kan dus nooit hoger zijn dan 50 procent.

Het bestaande systeem, met haar oplopende marginale tarieven, leidt tot een progressieve belasting: de hoogste inkomens betalen effectief ook het hoogste tarief. Concreet betaalden in 2015 de laagste tien procent inkomens niets (ze kregen zelfs iets terug), terwijl de hoogste tien procent gemiddeld bijna 34 procent inkomensbelastingen betaalt. De rest zit daar tussen. Dus ondanks de veelheid aan bestaande aftrekken en belastingverminderingen wordt het progressieve karakter van de inkomensbelasting goed behouden. De reden is dat hogere inkomens weliswaar meer profiteren van de belastingverminderingen, maar dat ook middeninkomens er vaak baat bij hebben. Belangrijke verminderingen gaan immers over kinderen en het huwelijksquotiënt.

Met een vlaktaks van 30 procent, gecombineerd met een belastingvrije som, wordt de progressiviteit van de inkomensbelasting sterk verminderd. Als de inkomensbelasting budgetneutraal moet zijn, dan kan dit nagenoeg enkel als alle huidige belastingverminderingen worden afgeschaft en kan je maar een belastingvrije som van 5300 euro toekennen. Dat is gevoelig lager dan nu.

Dat is eenvoudig te simuleren met de publiek beschikbare Mefisto-rekentool die professor André Decoster (KU Leuven) en zijn onderzoeksteam hebben ontwikkeld. Deze tool simuleert niet enkel de impact op de totale belastinginkomens, maar ook de impact op het netto gezinsinkomen, per inkomensniveau. De resultaten voor de budgetneutrale vlaktaks zijn te zien op de bijgaande figuur (blauwe balkjes). Uit deze figuur blijkt duidelijk dat een budgetneutrale vlaktaks van 30 procent een cadeau is aan de 20 procent hoogste inkomens, gefinancierd door de rest.

tijdvlaktaks

Maar voor Open VLD mag de hervorming van de inkomensbelasting niet budgetneutraal zijn. Ze wil het overheidsbeslag, dat tegen 2019 zal gedaald zijn naar 50 procent, verder verminderen naar 45 procent. Dat geeft ruimte om bijvoorbeeld de belastingverminderingen in de inkomensbelasting toch te behouden en de belastingvrije som te verhogen naar pakweg 10.000 euro. Uit de Mefisto-simulatie blijkt dat een dergelijke belastinghervorming maar liefst 14 miljard minder belastinginkomsten zou opleveren (evenwel zonder rekening te houden met alle terugverdieneffecten, die sowieso moeilijk te voorspellen zijn).

Het klopt dat alle inkomens er dan bij winnen, maar dat is niet moeilijk als je sinterklaas kan spelen met 14 miljard euro belastingsverlaging. Het is niet te zien op de figuur, maar de simulatie toont dat 37 procent van de 14 miljard euro naar het hoogste inkomensniveau gaat (de tien procent hoogste inkomens) en 18 procent naar het tweede hoogste. De 20 procent hoogste inkomens krijgen zo meer dan de helft van de belastingsvermindering. Aftrekken afschaffen helpt daarbij niet echt, omdat, zoals gezegd, ook middeninkomens hier vaak baat bij hebben.

Het is dan ook moeilijk uit te leggen dat een vlaktaks sociaal kan zijn. Om met een vlaktaks toch de progressiviteit te behouden zou men per inkomensinterval een andere belastingvrije som kunnen toekennen. De vraag is dan of de vlaktaks met “variabele” belastingsvrije som niet complexer is dan het huidige systeem. Naar mijn mening zou het beter zijn om het huidige systeem te behouden, maar om de inkomensdrempels te verhogen waarop de marginale tarieven van toepassing zijn. Want we betalen in België inderdaad heel snel hoge inkomensbelastingen.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Suiker- en vettaks zijn efficiënte belastingen

Vorige week pleitte de Gezinsbond voor het invoeren van een extra belasting op ongezonde voeding zodat mensen aangespoord worden om gezonder te eten. Daarmee wil de Gezinsbond verder gaan dan de suikertaks, een extra belasting op frisdranken. Die taks is vorig jaar in het leven geroepen om de taxshift mee te financieren, waardoor arbeid minder belast kan worden.

Fevia, de federatie van de Belgische voedselindustrie, reageerde al negatief. Fevia onderschrijft het doel om mensen aan te sporen gezonder te eten, maar wil dit niet via een extra belasting. Ze geeft daarvoor drie redenen, waarvan er volgens mij maar één eventueel terecht is, afhankelijk van de impact.

Een taks op ongezonde voeding is volgens Fevia onrechtvaardig, omdat vooral de lagere inkomensklassen proportioneel meer spenderen aan ongezonde voeding. Zij zouden dus relatief het meeste verliezen door een dergelijke extra belasting. En dat klopt. Maar de belasting geldt voor alle inkomensklassen. De opbrengst van de belasting is dus vele malen groter dan het verlies voor de lagere inkomensklassen (ook omdat rijkere mensen in absolute zin meer consumeren en dus meer extra belasting zullen betalen). Het is dus in principe makkelijk om het verlies voor lagere inkomensklassen financieel te compenseren. Dat wordt met de suikertaks overigens gedaan, omdat de laagste lonen door de taxshift het meeste winnen. En ook de uitkeringen zouden met het recente zomerakkoord stijgen.

Een tweede argument van Fevia is dat consumenten de prijsstijging kunnen vermijden door te kiezen voor de goedkopere, maar even ongezonde producten. Dan werkt de belasting niet. Althans niet om mensen gezonder te laten eten. Maar als financiering van de taxshift werkt de belasting dan wel. De reden voor de taxshift zijn de hoge arbeidslasten in België, waarvan nagenoeg iedereen overtuigd is dat ze zeer verstorend zijn. De taxshift moet die arbeidslasten verlagen, met meer jobs en welvaart als gevolg. Het is een oefening in optimale taxatie.

De kunst is dan om de taxshift te financieren met nieuwe belastingen die minder verstorend zijn, wat er in economische zin op neerkomt dat mensen hun gedrag minder laten beïnvloeden door de nieuwe belasting. Als mensen hun gedrag nauwelijks aanpassen bij een suiker- of vettaks, werkt de taks dus ook maar dan op het domein van optimale taxatie. Daarom werkt een suiker- of vettaks altijd, ook als mensen hun gedrag niet zouden aanpassen.

Het laatste argument van Fevia is volgens mij het beste. Fevia beweert dat een extra belasting op ongezonde voeding in België mensen aanzet om over de grens te shoppen. België is een klein land en men zit al snel over de grens. Als grensshoppen belangrijk wordt door de suiker- of vettaks, dan misloopt de regering een deel van de geplande belastinginkomsten en worden de grensshoppers niet gezonder. Bovendien kunnen er op termijn jobs verdwijnen.

De vraag is echter hoe belangrijk dit fenomeen is, ook in relatie met de positieve effecten van lagere arbeidslasten. Betrouwbare cijfers worden dan erg belangrijk. Fevia zegt dat het grensshoppen voor niet-alcoholische dranken in 2016 met 12 procent gestegen is tegenover het jaar ervoor en zou in 2016 90 miljoen euro bedragen. Die cijfers zijn gebaseerd op steekproeven, uitgevoerd door GfK, een marktonderzoeksbureau, aan de hand van kastickets van een vast panel gezinnen. Het is niet duidelijk of die cijfers ook rekening houden met wat buitenlanders bij ons komen grensshoppen of enkel wat Belgen over de grens kopen. Ook is het niet zeker of de stijging wel veroorzaakt wordt door de suikertaks. Zo zou grensshoppen voor voeding en drank in 2015 met 40 procent zijn toegenomen sinds 2008. Ruim vóór de suikertaks in voege trad. Eén van de redenen hiervoor is dat de hogere loonkosten in België consumentengoederen duurder maken (niet enkel voeding en drank). En net dat probleem pakt de taxshift aan. Misschien is het totale grensshoppen wel aan het verminderen door de taxshift? Er bestaan hier geen publiek beschikbare cijfers over. En het is begrijpelijk dat GfK deze cijfers niet wil publiek geven, gezien dat hun business model zou ondermijnen. Maar het is moeilijk discussiëren over partiële cijfers. Het is volgens mij geen overbodige luxe dat een overheidsinstelling zich hierover buigt.

Mensen aanzetten tot gezonder eten kan wellicht ook op andere manieren dan met een suiker- of vettaks. Maar de beste prikkels zijn vaak de financiële.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minister Tommelein moet erfbelasting verhogen en arbeidsbelasting verlagen

De Tijd berichtte op 23 maart dat de Vlaams Minister van Begroting Bart Tommelein de erfbelasting wil hervormen. Hij wil dat erfgenamen, zoals broers en zussen, minder erfbelasting betalen. Dat ligt in het verlengde van een eerdere hervorming in Vlaanderen waarbij schenkingen minder worden belast.

De Tijd verwees in het artikel naar het gevoel van onrechtvaardigheid dat veel mensen ervaren als het over belastingen op hun erfenis gaat. Vaak wordt het argument gebruikt dat erfbelastingen een dubbele belasting zijn, omdat op dit vermogen al belastingen betaald zijn. Dat is technisch niet correct, omdat het niet de eigenaar van het vermogen is die belast wordt (want die is dood), maar wel de ontvangers van de erfenis. Bovendien zijn vele, zoniet alle, belastingen op geldstromen dubbele of meervoudige belastingen. Zo kan je bijvoorbeeld ook de BTW bekijken als een dubbele belasting, omdat ook je beroepsinkomsten, waarmee je aankopen doet, reeds belast zijn. En wat te zeggen van de belasting op dividenden, nadat de vennootschap reeds vennootschapsbelasting betaald heeft? Het is voor mij dan ook moeilijk te begrijpen dat het argument van de dubbele belasting überhaupt nog gebruikt wordt ter verdediging van lage erfbelastingen.

Ook ethisch is het verhogen van de erfbelasting relatief gemakkelijk te verdedigen. De erfenis-ontvanger heeft immers heel waarschijnlijk niets moeten doen voor het ontvangen van de erfenis. Toch denk ik dat dit argument weinig indruk maakt. Het is immers een zeer individuele kijk op erfbelastingen en dat botst bij veel ouders die hun kinderen vaak voor een stuk als een verlengde van zichzelf zien, en veel, zoniet alles, over hebben om hun kinderen te helpen. Deze gevoelens zijn zeer sterk en heel goed begrijpen. Dat verklaart volgens mij de enorme tegenkanting tegen hogere erfbelastingen, ondanks de hierboven aangehaalde argumenten.

Toch denk ik dat de erfbelasting moet verhoogd worden. Een hogere erfbelasting is niet alleen rechtvaardig, maar is ook voordelig voor de overgrote meerderheid van de bevolking (en de samenleving in haar geheel), op voorwaarde dat de opbrengst gebruikt wordt om de personenbelasting te verminderen.

Die vermindering van de personenbelasting kan significant zijn. In 2016 inde de Vlaamse overheid 1,3 miljard euro aan erfbelasting op een totaal van 10,5 miljard erfenissen, of een gemiddelde belastingsvoet van 12,4%. In Vlaanderen inde de federale overheid op basis van het inkomstenjaar 2014 29 miljard euro via de personenbelasting op een totaal van 122 miljard totaal netto belastbaar inkomen. Dat is een gemiddelde aanslagvoet van bijna 24 procent.

Indien Vlaanderen de erfbelasting op hetzelfde niveau zou brengen als de personenbelasting, wat gegeven de bovenstaande argumentatie het minimum minumorum zou moeten zijn, dan levert dit ongeveer 1,3 miljard euro extra op en kan de personenbelasting met 4,5 procent dalen. Als de erfbelasting op gemiddeld 50% wordt gezet, levert dit bijna 4 miljard euro op en kan de personenbelasting dalen met 13,5 procent.

Dat betekent dat ook arbeidsbelastingen, die het grootste deel uitmaken van de personenbelasting, met minstens 4,5 of 13,5 procent kunnen dalen. Dat zou voor de samenleving als geheel wenselijk zijn, omdat arbeid nu te veel belast wordt en de economische groei fnuikt. Bovendien is het ook rechtvaardiger, omdat bij het arbeidsinkomen de factor toeval veel lager ligt dan bij een erfenis: hier is het heel waarschijnlijk dat de ontvanger voor het inkomen heeft moeten werken.

En, ten slotte, bij een dergelijke taxshift van arbeid naar erfenissen, zal de overgrote meerderheid hier bij winnen. De inkomensverdeling is immers gelijker verdeeld dan de vermogensverdeling van 65-plussers, zoals te zien is op bijgaande figuur. De hogere percentielen hebben wat betreft vermogen een hoger aandeel in vergelijking met het inkomen. Dat betekent dat het voor de meerderheid van erfgenamen voordelig wordt indien ze meer belasting moeten betalen op hun erfenissen, op voorwaarde dat hun arbeidsinkomen minder belast wordt. Heel wat ouders die dan pleiten tegen hogere erfbelastingen en lagere personenbelasting, ageren dan tegen het belang van hun kinderen.

vermogens en inkomensverdeling

 

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Besparen doe je op lange termijn

Agelopen week maakte minister Van Overtveldt (N-VA) duidelijk dat hij de kritiek op zijn cijfers beu is. Keer op keer wordt vastgesteld dat de eerder gebeurde ramingen te optimistisch zijn, waardoor het begrotingstekort groter uitvalt dan gedacht. Dat is een oud zeer in de Belgische politiek en het is dan alle hens aan dek om toch maar zoveel mogelijk dat tekort te verminderen.

De optimistische ramingen en de bijhorende urgentie om het tekort te dichten hebben evenwel een belangrijke negatieve impact op de efficiëntie van de te nemen maatregelen. Immers, maatregelen die pas op langere termijn hun vruchten afwerpen vallen door de urgentie uit de boot. De makkelijke oplossing om op korte termijn dan nog iets aan het begrotingstekort te doen is vaak het verhogen van de belastingen.

Om slim te besparen is er een visie nodig over de kerntaken van de overheid. Zo kan men zich afvragen of de overheid geld moet uitgeven aan media, recreatie, religie of cultuur. Alleen al deze vier domeinen zijn goed voor 5 miljard euro. Maar ook als je zou besluiten dat deze domeinen geen kerntaken zijn, kun je deze uitgaven niet met één pennentrek schrappen. Veel mensen hangen namelijk sterk af van deze overheidsuitgaven. In het ideale geval geef je de mensen de tijd om zich aan te passen. De besparingen moeten dan ook best geleidelijk gebeuren, met een vooraf gecommuniceerd besparingstraject op lange termijn.

Een ander domein waarop kan worden bespaard is het openbaar vervoer. Nu betalen de treingebruikers gemiddeld ongeveer een kwart van de totale kosten. Voor de bus ligt dat nog lager. De belastingbetaler past de ontbrekende miljarden bij. Dit zou sterk kunnen worden verminderd, maar zo’n besparing moet uiteraard gepaard gaan met het invoeren van intelligent rekeningrijden, als we willen vermijden dat de wegen helemaal dichtslibben. Ook dat beslis je best niet snel tijdens een begrotingsronde.

Voorts is er nog de grote uitgavepost van de sociale zekerheid. Hierop besparen ligt gevoelig, omdat nagenoeg alle mensen hierdoor worden geraakt en omdat het vaak om essentiële zaken gaat, zoals ziekte, ouderdom en werkloosheid. De sociale zekerheid is volgens mij dan ook vaak wél een kerntaak van de overheid en zal altijd een grote hap uit de begroting nemen.

Het grootste deel van de sociale zekerheid gaat naar pensioenen die al laag zijn, behalve bij de ambtenaren. Op pensioenen besparen kan ook door de loopbaan langer te maken, maar ook hier zijn de effecten slechts op lange termijn zichtbaar.

Wat wel zou kunnen, is de sociale zekerheid selectiever maken. Daarvoor was er in 2016 trouwens een uitgelezen kans met de kinderbijslag. De Vlaamse regering had kunnen opteren om kansarme gezinnen gevoelig meer en de hogere inkomensklassen gevoelig minder kinderbijslag te geven. Op die manier zou je kunnen besparen en tegelijk meer kinderen uit de armoede halen, een belangrijke doelstelling van de kinderbijslag. Dat is niet gebeurd. De Vlaamse regeringspartijen wilden vermijden dat gezinnen te veel zouden verliezen en dus is er weinig selectiviteit ingebouwd en weinig bespaard.

Kortom, goede besparingen zijn politiek moeilijk en hebben vaak pas op langere termijn effect. Dat belooft weinig goeds voor het komende rondje urgente begrotingsmaatregelen.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk in De Morgen.

Don’t penalize people advocating for one kind of policy

In ‘Who Really Cares About the Poor?: A Socratic Dialogue’, Bryan Caplan, an American economist, let two characters, Glaucon and Socrates, discuss a public policy to help the poor.

Glaucon, a left-wing politician, wants to increase money transfers to the poor, paid by taxes, but was blocked by the right-wing majority. Glaucon complains about those uncaring right-wing politicians and claims that they are only voting for their self-interest.

But Socrates argues that it could well be possible that right-wing politicians just don’t believe the lift-wing policy would actually work. Maybe their opposition is genuine and not about their self-interest.

Moreover, Socrates argues that if Glaucon is sincere about the effectiveness of his proposed policy, Glaucon can still help the poor by giving away his own money to the poor. Surely, Socrates argues, it won’t cure poverty, but it will help at least some poor families.

This reasoning set out by Caplan is a classic argument against people wanting
a policy that needs extra taxes: why don’t they pay more taxes themselves? It was exactly the same argument against Warren Buffett when he said the US needs higher taxes on income from capital gains (the so-called Buffett rule): he could already do it himself.

Will Wilkinson argued against this kind of reasoning, referring to the fact we face a collective action problem: one individual giving extra money will not solve anything.

I think there is an additional argument against the reasoning of Caplan. If Caplan’s reasoning would be followed, then no one could advocate for a policy which increases taxes, without paying more taxes herself. This would impose an individual penalty on those advocating for higher taxes. Consequently, this would decrease the probability one would advocate for this kind of policies, whether the policy is good or bad.

A more striking example is the following: in Belgium, newspapers receive a lot of subsidies for physically distributing newspapers (about 400 million euro’s for a country of 11 million people, each year). Assume a newspaper is against these kind of subsidies, because they think there is no market failure that justifies the subsidy. Stopping these subsidies and, for example, lowering taxes on wages would be a much more efficient outcome.

Following Caplan’s reasoning, this newspaper could not accept the subsidies, because not accepting the subsidies would lead to lower unjustified subsidies. This would lead to lower taxes on wages, increasing overall welfare.

But not receiving those subsidies would lead to a much more expensive home-delivered newspaper compared to their competitors, putting themselves at a disadvantage. In a competitive environment, they would certainly lose market share or even go bankrupt. So following Caplan’s reasoning, not accepting subsidies would lead to fewer papers being sold that advocate for lower subsidies.

[You could also see this differently: the newspaper argues for a world where not one newspaper receives subsidies. They do not argue for a world where everybody is receiving subsidies, except one. To stretch the argument a bit: the true rational individual, but selfish position would be to argue for subsidies for oneself and for no one else. But knowing that this is never to be accepted, the second best is that no one receives subsidies.]

The goal should be to create an environment where the debate on policy is on the policy itself. For that to succeed, two conditions should be met:

  1. One point Caplan makes clear in his dialogue, is that you should not accuse political opponents of being morally inferior. Let us assume that in all political parties there will be more or less the same share of politicians who just want to make the world a better place for everybody. They just differ in the way to accomplish this.

  2. Don’t penalize people advocating for one kind of policy, because it creates a disadvantage for advocating that policy. For example, you cannot set a penalty on those wanting to increase taxes, because that would lead to less people willing to advocate for higher taxes, even though this could be the right policy.

To conclude, the political battle field should be: will your policy work the way you say? And what is your theoretical and empirical evidence to support your claim? Questions on the personal reasons why someone is arguing for a specific policy is an argument ad hominem, hindering an honest debate.

Taxshift kan ook binnen inkomstenbelasting

Die shift zou moeten gaan van laag en midden naar hoog, waarbij de lasten op de lagere en middeninkomens dalen, terwijl die op de hogere inkomens stijgen. Dat is ook het advies van Anthony Atkinson, de bekende Britse econoom die net een boek over ongelijkheid uit heeft. Daarin ook een aantal maatregelen, zoals het verder laten doorstijgen van de progressiviteit van inkomensbelastingen. Concreet stelt hij een inkomensbelasting van 55 procent voor vanaf 100.000 pond (138.000 euro) en 65 procent vanaf 200.000 pond (278.000 euro).

Deze marginale belastingvoeten zijn vrij spectaculair en het lijkt me onwaarschijnlijk dat ze in de huidige politieke context haalbaar zijn. Het zou ook niet meer dan een symbolische taxshift zijn, omdat de opbrengst, gesimuleerd met de Flemosi-tool van de KULeuven, niet hoger zou liggen dan 83 miljoen euro. Dit lage cijfer moet waarschijnlijk wel genuanceerd worden omdat de tool werkt op basis van inkomensenquêtes, waardoor topinkomens ondervertegenwoordigd en ondergerapporteerd zijn.

Toch is de discussie over een taxshift naar hoge inkomens daarmee niet noodzakelijk van de baan. Laten we eens de effectieve inkomensbelasting nemen voor de top 10 procent in België voor 2005 en 2012. Opgedeeld in tien percentielen (de 10 hoogste inkomensklassen op een totaal van 100), start het 91ste percentiel in 2012 vanaf een jaarlijks netto belastbaar inkomen van 60.000 euro. De laag daarboven, het 100ste percentiel of de top 1 procent inkomens, start vanaf 133.500 euro.Uit de cijfers blijkt dat de effectieve belastingvoet voor de top 10 procent licht gedaald is, van gemiddeld 34,6 procent in 2005 naar 33,8 procent in 2012, een daling met 0,8 procentpunt. De daling is het grootste voor de hoogste inkomensklasse, (1,5 procentpunten). Hieruit kan afgeleid worden dat mocht de effectieve belastingvoet in 2012 hetzelfde gebleven zijn als in 2005, de top 10 procent inkomens 472 miljoen euro extra belastingen zouden betaald hebben, waarvan 209 miljoen door de top 1 procent (zonder rekening te houden met gedragsveranderingen).

top10percentielen

Een ander opvallend punt is dat de progressiviteit van belastingen ook voor bijna de hele top 10 procent blijft toenemen: hogere inkomens betalen relatief meer belastingen. Enkel voor de top 1 procent is dat niet zo: hier daalt de effectieve belastingvoet. Die daling was nog prominenter in 2012, toen de topklasse 2,3 procentpunten minder belastingen betaalde dan de inkomensklasse er net onder. Als de progressiviteit ook voor de top 1 procent blijft stijgen, kan dit een meerinkomst opleveren van 488 miljoen euro (weerom zonder rekening te houden met gedragsveranderingen).

Je kan de twee effecten niet zomaar optellen, maar ze zouden gecombineerd 890 miljoen euro opleveren, waarvan de top 1 procent inkomens 627 miljoen euro of 70 procent voor zijn rekening neemt. Dat komt overeen met een stijging van de effectieve belastingvoet voor de hele top 10 procent met 1,5 procentpunten. Niet verwaarloosbaar, maar ook niet spectaculair. Voor de top 1 procent zou de effectieve belastingvoet met 4,5 procentpunten stijgen van 34,6 procent naar 39,1 procent. Dat is nog steeds ver af van confiscatiebelastingen.

Ik heb niet onmiddellijk een verklaring voor de daling van de gemiddelde effectieve belastingvoet van de top 10 procent inkomens tussen 2005 en 2012, noch voor de daling van de effectieve belastingvoet voor de top 1 procent. Wellicht ligt de verklaring in het aftrekken van kosten en andere fiscale maatregelen.

In ieder geval gebeurt een taxshift binnen de inkomensbelasting beter door te sleutelen aan aftrekposten en dergelijke dan door het verhogen van de marginale belastingvoeten voor de topinkomens. Dat is politiek makkelijker verteerbaar en het heeft een veel grotere impact.

Deze tekst verscheen eerst als column in DeTijd.

AANVULLING: op Twitter stelde Philippe Nys dat de grafiek het netto belastbaar inkomen toont en dat bijvoorbeeld beroepskosten hier al vanaf getrokken zijn. En dat klopt. Bovendien tweette hij ook een link naar een presentatie die professor André Decoster (KULeuven) in oktober 2013 gaf voor federale Kamercommissie met daarin ook een figuur met de gemiddelde belastingsvoet op het het bruto inkomen en het effect van de verschillende aftrekposten; uit de figuur, die hieronder hernomen is, blijkt dat de aftrekposten de daling niet kunnen verklaren. Nys gaf ook de link naar de bijhorende tekst waarin Decoster stelt dat (pg3)

de personenbelasting is wel degelijk progressief en herverdelend. Zelfs in het topdeciel blijft ze progressief. De stijging neemt wat af maar blijft stijgen. Alleen voor de laatste drie percentielen, 97, 98, 99, neemt het af. Dat komt in hoofdzaak door de afzonderlijk belastbare inkomsten, niet door wat men vaak denkt de fiscale uitgaven.

Hier vind je een lijst van afzonderlijk belastbare inkomsten. Het is een hele lijst, met onder meer dividenden, meerwaarden op bepaalde gronden en gebouwen,… Het lijkt er dus op dat indien we de progressiviteit willen laten doorstijgen tot en met de top1%, een taxshift naar vermogen nodig is.

taksopbrutoinkomen

Selectieve sociale uitgaven kunnen loonkosten verlagen

Door sommige sociale uitgaven minder universeel maar wel selectiever te maken, kunnen in principe de arbeidslasten worden verlaagd terwijl de sociale bescherming wordt versterkt.

In het Radio 2-programma ‘De rotonde’ vroeg de acteur Herman Verbruggen, ‘Markske’ uit ‘F.C. De Kampioenen’, zich af waarom zijn gezin ook kinderbijslag kreeg. Hij en zijn vrouw verdienen genoeg en kinderbijslag is voor tweeverdieners niet nodig, zegt Verbruggen. Als er dan toch moet worden bespaard, is dit een gemakkelijke kostenpost om af te bouwen.

Wim Van Lancker, onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen, reageerde in De Morgen: het idee lijkt misschien goed, maar kinderbijslag heeft als doelstelling om de kosten van kinderen deels te compenseren. Dat betekent dat alle inkomens kinderbijslag zouden moeten krijgen: het is dus universeel. Maar aangezien kinderen relatief duurder zijn voor mensen met lage inkomens, zouden die meer kinderbijslag moeten krijgen. Kinderbijslag zou dus best ook een zekere selectiviteit hebben.

Een volgens mij belangrijkere reden die Van Lancker nog aanhaalt om de kinderbijslag te behouden voor hogere inkomens is het maatschappelijke draagvlak voor kinderbijslag. Hij verwijst naar de ‘paradox van de herverdeling’: als de sociale uitgaven te veel worden gericht op diegenen die het nodig hebben, brokkelt het draagvlak voor die sociale uitgaven af en dalen de totale sociale uitgaven. Uiteindelijk zijn de minstbedeelden er zo nog slechter aan toe. Bovendien, als iedereen het krijgt, kleeft er ook geen stigma op en heb je geen administratieve controle nodig om na te gaan of je wel in aanmerking komt voor de sociale uitgaven.

Dat zijn belangrijke argumenten, maar ik vraag me af of ze doorwegen als je ze afweegt tegen de kosten van belastingen. Universele sociale uitgaven, die je dus aan veel mensen wil toekennen, moeten voldoende hoog zijn als je ook de lage inkomens significant wil helpen. Dat maakt dat de totale sociale uitgaven onvermijdelijk zeer hoog zijn. En dat vormt in de toekomst, met nog stijgende pensioen- en gezondheidskosten, een probleem. De sociale uitgaven worden immers met belastinggeld gefinancierd.

Die belastingen worden in grote mate op arbeid geheven, en ontmoedigen mensen om (meer) te gaan werken. In weinig andere landen worden middeninkomens zo sterk marginaal belast als in België: als je een bijbaantje in het wit neemt, hou je amper 35 procent over van wat je werkgever betaalt.

figuurTijd

Door sommige sociale uitgaven minder universeel maar wel selectiever te maken, kunnen in principe de arbeidslasten worden verlaagd terwijl de sociale bescherming wordt versterkt. Bijgaande grafiek geeft een maat voor de selectiviteit versus de universaliteit van de sociale uitgaven. De grafiek geeft voor België en een aantal Europese landen het aandeel van de sociale uitgaven dat naar de hoogste en laagste 20 procent van de inkomens gaat. In alle landen, behalve in Frankrijk, krijgen de laagste inkomens een groter aandeel dan de hoogste inkomens. In Denemarken en het Verenigd Koninkrijk is het verschil echter het grootst, een pak groter dan in België. Let wel, de grafiek zegt weinig over herverdeling. Het is goed mogelijk dat in Frankrijk de topinkomens alle sociale uitgaven financieren en dat in Denemarken ook de laagste inkomens fors moeten bijdragen, bijvoorbeeld via een consumptiebelasting.

De grafiek toont dat als België meer opschuift naar het Deense model, de selectiviteit van sociale uitgaven in België wordt vergroot: lagere inkomens krijgen een groter aandeel, hogere inkomens een kleiner. Die besparing kan worden gecompenseerd door een lastenverlaging voor de middeninkomens, door de hoge marginale inkomensbelasting voor die categorie te verlagen. Dat geeft op zijn beurt een prikkel om (meer) te werken.

Om die taxshift efficiënt te kunnen uitvoeren is het cruciaal te weten welke sociale uitgaven selectiever kunnen zonder dat het draagvlak voor die uitgaven wordt aangetast. En misschien is dat wel de kinderbijslag. Dan krijgt ‘Markske’ toch nog deels gelijk.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Overheid verdient meer aan hoger onderwijs dan hogergeschoolde

Door de besparingen van de nieuwe Vlaamse regering zal het inschrijvingsgeld voor het hoger onderwijs stijgen met 270 euro naar 890 euro per jaar. Voor beursstudenten blijft het inschrijvingsgeld nagenoeg gelijk op 105 euro.

In de discussie over de rechtvaardigheid van de verhoging van het normale studiegeld argumenteerden sommigen dat de overheid nu veruit het grootste deel van de kosten betaalt van de opleiding. Zo zou de directe kost van een universitaire opleiding voor de overheid gemiddeld ongeveer 12,000 euro per jaar bedragen;  met het huidige inschrijvingsgeld van 600 euro betaalt de student dus slechts 5% van deze kost, terwijl een hoger diploma toch een hoger inkomen oplevert voor de hooggeschoolde. Deze zou dus wat meer mogen bijdragen, zo luidt de redenering.

Dit is echter een beperkte analyse van de kosten. Een student heeft meer kosten dan enkel het inschrijvingsgeld: er is ook de opportuniteitskost van de gemiste inkomsten tijdens de opleiding. Dat bedrag kan aardig oplopen. En het klopt dat een hogergeschoolde later meer verdient, maar ook de overheid verdient hierop via de progressieve inkomstenbelasting en de sociale bijdragen; in België roomt de overheid meer dan de helft van dat hogere inkomen af.

De Oeso heeft de kosten en baten voor de (geslaagde) student en de overheid berekend (pdf vanaf pg 167). De figuur hierbij geeft de netto geactualiseerde waarden voor België. De cijfers gelden voor 2010, dus vóór de verhoging van het inschrijvingsgeld. Hieruit blijkt verrassend dat de kosten voor de student hoger zijn dan die voor de overheid: bijna 40,000 euro voor de student, vooral bepaald door misgelopen inkomsten uit arbeid tijdens de opleidingsjaren. Voor de overheid is de kost slechts 34,000 euro. Ook hier wordt gerekend met gederfde inkomsten, namelijk de belasting die de niet-student moet betalen op zijn inkomen.

kostenbatenHO

Maar ook verrassend zijn de baten: de overheid in België verdient gemiddeld gezien meer aan iemand met een diploma hoger onderwijs dan de persoon in kwestie zelf: 170,000 euro voor de overheid, vooral door hogere belastingsinkomsten en sociale bijdragen; de persoon met het hoger diploma wint er netto bijna 118,000 euro bij. De overheid neemt dus ongeveer 60% van de gegenereerde winst voor haar rekening, terwijl die ook nog eens minder kosten maakt.

Voor de overheid lever dit een gemiddelde IRR op van 15%; voor de hogergeschoolde is dat 12% of 3 procentpunten minder. Er zijn in het lijstje van de Oeso maar drie landen waarbij het verschil in rendement van de overheid tegenover dat van de privé-persoon groter is dan 3 procentpunt. In de meeste landen is het rendement voor de privé-persoon zelfs hoger dan dat voor de overheid. Niet voor België dus. Eén van de redenen waarom het rendement voor de overheid zo hoog is, komt juist door de hoge en progressieve inkomensbelasting in België.

Op basis van deze cijfers lijkt het onrechtvaardig om het studiegeld voor de Belg te verhogen: de hogergeschoolde betaalt de kosten die de overheid moet maken ruimschoots terug door de hoge belastingen en sociale bijdragen die hij of zij zal betalen. Bovendien zijn de baten voor de overheid nog onderschat: hogergeschoolden betalen niet enkel meer belastingen, maar zouden de samenleving ook minder kosten voor wat betreft gezondheidszorg en criminaliteit.

Investeren in hoger onderwijs heeft op basis van deze cijfers duidelijk een positieve externaliteit en dus zou hoger onderwijs meer gestimuleerd moeten worden; een verhoging van het inschrijvingsgeld lijkt niet de aangewezen manier.

Tot slot nog een bedenking bij deze cijfers. Belastingen heffen om hoger onderwijs te financieren heeft ook een verstorend effect op de economie. Die verstoring genereert kosten die hier niet meegerekend zijn. Echter, gezien de hoge winst voor de overheid en de hogergeschoolde vermoed ik dat deze kosten ruimschoots gecompenseerd zullen worden.

Deze column verscheen eerst in De Tijd.