Asielbeleid is onvermijdelijk hard

Afgelopen dagen was er opnieuw commotie over een beleidsdaad van Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Francken pakte zondag uit met het nieuws dat er identificatieteams uit Soedan in België waren om mensen zonder papieren uit het Maximiliaanpark te kunnen identificeren, waarna ze kunnen teruggestuurd worden.

Francken wordt verweten met een crimineel regime samen te werken, omdat het identificatieteam uit Soedan op één of andere manier verantwoording zal moeten afleggen aan dat regime. Deze manier van samenwerken met het Soedanese regime roept dan ook vragen op.

De vraag blijft echter hoe het dan wel opgelost moet worden. Voor een efficiënt en rechtvaardig asielbeleid is immers ook een effectief terugkeerbeleid noodzakelijk van mensen zonder verblijfsrecht. Indien je deze niet kan terugsturen, dan kan iedereen die in België geraakt hier ook blijven.

Als je mensen zonder verblijfsrecht wil kunnen terugsturen, dan moet het land van herkomst deze mensen ook terug toelaten op hun grondgebied. Er moet dus op één of andere manier gewerkt worden met de regimes van die landen. Daar zitten ook regimes bij die de mensenrechten schenden. Maar het asielrecht geeft net asiel aan mensen die in hun thuisland een groot risico lopen op vervolging en foltering. De erkenningsgraad van Soedanese asielzoekers ligt dan ook hoog, tot meer dan 50 procent.

In het geval waar het nu over gaat, is asiel echter geen optie, omdat de betrokkenen naar verluidt geen asiel willen vragen in België. Ze zouden wachten op een kans om door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. Daar zouden ze beter opgevangen worden, met een snellere procedure. Ook spreken ze er Engels, zoals veel Soedanezen, en hebben ze er vaak familie of vrienden wonen. Het is natuurlijk moeilijk om je in de plaats te stellen van een Soedanees in België, maar als het risico op vervolging bij terugkeer in Soedan zo groot zou zijn, waarom vragen ze dan niet alsnog asiel aan in België? Ik heb de indruk dat niemand het antwoord kent of wil geven, ook de critici van Francken niet.

Het asielbeleid is dan ook een makkelijk doelwit voor kritiek, om de eenvoudige reden dat we niet alle 60 miljoen vluchtelingen in de wereld kunnen en willen opvangen. Er is een overaanbod aan mensen die naar hier willen komen, maar een grote schaarste aan opvang in België en Europa. Het is onmiskenbaar dat we miljoenen mensen in nood weigeren te helpen. Dat is keihard, maar het alternatief is een opengrenzenbeleid. En daar pleit niemand voor.

De hardheid van het beleid kunnen we echter meestal goed verstoppen en negeren. Zo heeft de Europese Unie jaren geleden een wet gestemd dat ervoor zorgt dat asielzoekers niet met het vliegtuig of de ferryboot naar Europa kunnen komen. Dat is de reden dat ze hun toevlucht zoeken tot gammele bootjes en mensensmokkelaars. Dat is een serieuze, maar voor ons onzichtbare drempel voor mensen die een dergelijke overtocht niet kunnen of durven te maken. Hierdoor worden we in Europa veel minder geconfronteerd met vluchtelingen dan zonder die Europese wet het geval zou zijn. Maar daarmee is het vluchtelingenprobleem niet weg. Het komt gewoon veel minder tot bij ons. Meer nog, we maken zelfs een deal met Turkije om nog meer vluchtelingen daar te houden. Niemand is gelukkig met die deal, maar men hoopt tegelijk wel dat hij standhoudt.

Het zou humaner zijn om vluchtelingen ter plaatse te selecteren en met het vliegtuig naar hier te brengen. Dat zou dan wel een enorme toestroom creëren van mensen die volgens de huidige criteria recht hebben op asiel. Er zou dan onvermijdelijk een bovengrens op het aantal erkende vluchtelingen moeten komen. Een bovengrens die alleen maar rechtvaardig kan zijn als ze hoog is. Maar een bovengrens willen we dan weer niet, want wat doe je met een oorlogsvluchteling die er net boven zit? De hardheid van de weigering om die oorlogsvluchteling op te vangen zou te opzichtig zijn en dat willen we niet.

De critici van het huidige Belgische en Europese asielbeleid hebben gelijk als ze stellen dat dit beleid hard is. De kritiek is echter vaak oneerlijk, omdat er geen alternatieven zijn die geen hard beleid impliceren. Uiteraard kan alles beter, maar ook een verbeterd asielbeleid zal hard zijn, tenzij je pleit voor open grenzen. Ik zie voorlopig geen geloofwaardige tussenpositie.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Er is nooit een ‘Kamikaze-Michel’ geweest

Met het zomerakkoord op zak lijkt de federale regering haar tweede adem gevonden te hebben. In een interview met De Tijd van afgelopen weekend blaakte premier Michel van zelfvertrouwen. Niemand noemt dit nog een kamikaze-regering.

Dat was bij de vorming van Michel I wel anders. Veel waarnemers waren het eens dat de MR een groot risico nam om als enige Franstalige partij in een federale regering te stappen, gedomineerd door Vlaamse partijen. MR dreigde een paria te worden in het politieke landschap, één tegen allen, en dreigde bij de verkiezingen in 2019 afgeslacht worden. Politieke zelfmoord, klonk het onheilspellend.

Die doemberichten blijken nu onterecht, maar dat waren ze volgens mij al van bij de start van de regering in 2014. MR trad immers, als liberale partij, in een federale regering met twee andere partijen, N-VA en Open VLD, die op sociaal-economisch vlak minstens even liberaal zijn dan MR. Bovendien had de N-VA de communautaire eisen laten varen, net om te kunnen inzetten op sociaal-economische hervormingen. In 2014 gaven de Belgische overheden 55 procent van het BBP uit en ontvingen ze 52 procent van het bruto binnenlands product (BBP) aan inkomsten. In Vlaanderen was een afbouw van de overheid een duidelijk thema bij de regeringspartijen. Zouden de kiezers van MR hun partij werkelijk afstraffen als ze de overheidsuitgaven, de belastingen en het begrotingstekort zouden verminderen?

Want dat is wat deze regering doet. De Europese Commissie voorspelt dat de uitgaven in 2018 zullen terugvallen tot 52 procent in 2018, de inkomsten zullen dalen tot iets meer dan 50 procent, waardoor het tekort van 3 procent zal teruggedrongen worden naar 1,8 procent.

tijdkamikazemichel

Hoewel de trend van de overheidsfinanciën duidelijk is, is het minder spectaculair dan sommigen voorgespiegeld hadden. Maar spectaculaire veranderingen zijn ook niet gewenst. Het is een kunstig laveren om de overheidsuitgaven te verminderen zonder dat dit de groei al te zeer fnuikt en om tegelijk de belastingen te verlagen zonder dat het begrotingstekort stijgt. De regering zal, op basis van deze cijfers, hierin slagen. Dat de klus nog niet geklaard is, zal ongetwijfeld als argument gebruikt worden om een tweede termijn te vragen voor de regering Michel.

Bovendien wordt dit traject gerealiseerd in een context van stijgende sociale uitgaven, vooral in de pensioenen. Deze regering zal de vruchten nog niet kunnen plukken van de door haar besliste, broodnodige verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar. Die wordt in twee fasen ingevoerd, maar pas in 2025 en 2030.

Oppositie voeren tegen deze cijfers lijkt me zeer moeilijk. Het zal dan vooral gaan over de rechtvaardigheid. Zijn de inspanningen wel eerlijk verdeeld? En dat hangt af van je politieke voorkeuren. Deze regering gaat er prat op dat ze de werkenden wil ondersteunen, terwijl de oppositie de inspanningen oneerlijk verdeeld vindt. Beide standpunten zijn te verdedigen. Maar de kiezers van MR zullen hun partij allicht niet afstraffen voor de gekozen verdeling van de lasten.

Toegegeven, er zijn ook wel wat omstandigheden die onverwacht gunstig zijn voor Charles Michel en de MR. Zo bijvoorbeeld waren het vooral de Vlaamse partijen die met elkaar in de clinch gingen, wat communautair niet uitgespeeld kon worden. Ook de relatieve populariteit van Francken en Jambon in Franstalig België was van te voren niet verwacht. Ten slotte zijn er de schandalen die vooral de PS teisteren waardoor MR nu met cdH een medestander heeft in het Franstalige politieke landschap.

Het zijn stuk voor stuk onverwachte meevallers voor MR. Maar de fundamentele reden voor het succes voor MR ligt volgens mij dus elders: MR geeft met deze regering het sociaal-economisch beleid dat haar kiezers willen. En dat was al duidelijk bij de vorming van deze regering. Charles Michel is dan ook nooit een Kamikaze-piloot geweest.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Vroegtijdige schooluitval aanpakken is belangrijker dan kortere werkweek

Het voorstel van PS-voorzitter Elio Di Rupo om de werkweek te verkorten zal de werkloosheid niet terugdringen. Het probleem ligt in de grote schooluitval.

Het nieuwe boek van Elio Di Rupo kreeg de afgelopen dagen heel wat aandacht, ook in Vlaanderen. Daar moest vooral zijn voorstel voor een vierdagenwerkweek om de werkloosheid te bestrijden het ontgelden. Academici zoals Stijn Baert (UGent) en Ive Marx (UAntwerpen) waren bijzonder scherp. Volgens de eerste is het duidelijk dat de PS geen moer om de werkgelegenheid in Wallonië geeft, de tweede stelde dat de socialistische partij de trappers helemaal kwijt is.

Het is inderdaad contraproductief om de hoge werkloosheid in Franstalig België aan te pakken door arbeid duurder te maken. Enkel als de arbeidsduurverkorting niet leidt tot duurdere arbeid, door bijvoorbeeld het loon constant te houden en productiviteitsgroei om te zetten in meer vrije tijd, is het voorstel realistisch.

Bovendien kan je je de vraag stellen of het gebrek aan jobs het grootste probleem is in Franstalig België. Is het wel zo dat mensen die nu geen werk hebben, de jobs zullen innemen die vrijkomen door een arbeidsduurverkorting (als er al veel vrijkomen)? Het is verre van zeker dat veel van de huidige werklozen daarvoor de juiste vaardigheden hebben.

Mocht dat wel het geval zijn, dan zou de arbeidsmobiliteit van Wallonië, met een werkloosheid van net boven 10 procent, naar Vlaanderen, met een werkloosheid van nog geen 5 procent, wellicht veel groter zijn. Brussel, met een werkloosheid van bijna 17 procent, heeft die arbeidsmobiliteit zelfs niet nodig omdat in Brussel veel jobs beschikbaar zijn. Helaas hebben vele Brusselse werklozen niet de juiste kwalificaties, waardoor veel Vlamingen en Walen pendelen naar een Brusselse job.

Een gebrek aan de juiste vaardigheden bij veel werklozen is een belangrijke verklaring voor de verschillende werkloosheidscijfers in België. De bijgaande figuur, over de vroegtijdige schooluitval van 18- tot 24-jarige jongens en meisjes in de drie gewesten, geeft daarvan een indicatie. Een vroegtijdige schooluitval betekent dat die jongeren de middelbare school niet afgemaakt hebben. Dat percentage is in Wallonië de helft hoger dan in Vlaanderen, in Brussel meer dan het dubbele. De kloof tussen meisjes en jongens is wel het grootst in Vlaanderen, ook hier is dus nog werk aan de winkel.

figuur

Het Franstalig onderwijs levert dus een minder gekwalificeerde uitstroom op, ook al is dat in de drie gewesten de jongste vijftien jaar aan het verbeteren. Professor Wouter Duyck (UGent) gaf aan dat een Franstalige 15-jarige gemiddeld zelfs een vol jaar cognitieve achterstand heeft op zijn Vlaamse tegenhanger. Dat dat zich uit in lagere tewerkstellingscijfers hoeft niet te verbazen in een economie die almaar betere cognitieve vaardigheden vraagt.

De sociaal-economische achtergrond van de scholieren speelt ook een rol in de verschillen tussen de gewesten, zeker in Brussel. Kinderen uit rijke gezinnen doen het overal beter en Franstalig België kent, onder meer door de hogere werkloosheid, meer arme gezinnen dan Vlaanderen. Maar zelfs als je corrigeert voor die achtergrond, doen de Franstalige scholen het gemiddeld minder goed.

Dat blijkt althans uit een paper van de economieprofessor Vincent Vandenberghe (UCL) uit 2010, waarin hij de oorzaken voor het kwaliteitsverschil in het onderwijs onderzoekt. Vandenberghe stelt dat er een relevant verschil is in het beheer van de scholen, wat een belangrijke oorzaak kan zijn van het kwaliteitsverschil – dat al midden jaren 50 zou ontstaan zijn, lang vóór de eerste staatshervormingen. In Vlaanderen is het vrije onderwijs – waar scholen veel autonomie hebben – dominant, terwijl het Franstalige onderwijslandschap diverser is, met minder autonomie en een hybridere beheersstructuur. De onderzoeker pleit er daarom voor om het schoolbeheer aan te pakken.

Een grotere vrijheid voor scholen zal in de strijd tegen werkloosheid ongetwijfeld meer nut hebben dan een vierdagenwerkweek, zelfs zonder loonbehoud.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Minder werken met loonbehoud lijkt utopie

De vierdagenweek met loonbehoud lijkt utopie

PS-voorzitter Elio Di Rupo heeft een nieuw boek geschreven met daarin zijn ideeën om België te hervormen. Eén van de opvallende voorstellen is het invoeren van een werkweek van vier dagen, met loonbehoud. Het zou een oplossing zijn voor de hoge werkdruk van zij die werken en nieuwe jobs creëren voor zij die werkloos zijn. Vooral Franstalig België kampt met hoge werkloosheidscijfers, tot boven 10 procent, terwijl in Vlaanderen nauwelijks 5 procent werkloos is.

De reacties in Vlaanderen zijn overwegend negatief tot zeer negatief. Ik vind het voorstel wel interessant, maar niet als oplossing voor de werkloosheid. Een vierdagenwerkweek met loonbehoud maakt de arbeid immers net duurder, waardoor het aantal jobs daalt. Maar dit kan je oplossen door de vierdagenwerkweek slechts zeer geleidelijk in te voeren door de productiviteitsverbeteringen om te zetten in arbeidsduurverkorting, zodat een uur arbeid evenveel kost als oplevert in vergelijking met ervoor.

Dat zou ook al een breuk met het verleden zijn, omdat de voorbije decennia een hogere productiviteit nagenoeg volledig omgezet werd in hoger loon. In 1970 werkte een gemiddelde werknemer bijna 1900 uren per jaar. In 2016 was dat gezakt naar gemiddeld 1550 uren per jaar of een daling met 18 procent. Niet verwaarloosbaar, maar de gemiddelde compensatie voor de werknemer is in die periode in reële termen wel meer dan verdubbeld (berekend op basis van het loonaandeel). De arbeidsduur kon dus nog veel sterker verminderd worden zonder reëel loonverlies. Als je vergelijkt met 1990 kom je tot dezelfde conclusie. Kortom, werknemers hebben op de één of andere manier gekozen voor een hoger loon, niet voor meer vrije tijd.

Maar misschien vinden de meeste werknemers nu wel dat ze meer dan genoeg inkomen hebben en te weinig vrije tijd. Hebben de meesten onder ons het immers niet meer dan goed genoeg? Is er echt zoveel te bedenken wat we in 1990 niet hadden en nu wel én wat we echt nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden (en wat niet collectief gefinancierd wordt, zoals gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs)? Ik denk het niet en ik vind een expliciet debat over een maatschappelijke focus op minder werken relevant, waarbij ik ervan uitga dat niemand de concurrentiepositie van onze bedrijven wil ondermijnen. Simpel gesteld: willen we meer loon, of meer vrije tijd?

Ik weet echter niet of de gemiddelde werknemer liever meer tijd dan meer loon wil. Het betekent dat de gemiddelde werknemer niet rijker wordt. De aandeelhouder zal zijn inkomen echter wel zien aandikken. De reden is eenvoudig: de productiviteitsgroei komt er in grote mate doordat er in bijkomende kapitaalgoederen geïnvesteerd wordt en die bijkomende investering moet vergoed worden. De gemiddelde investeerder wordt dus rijker, maar de gemiddelde werknemer niet, waardoor de ongelijkheid stijgt.

Een remedie tegen die stijgende ongelijkheid is om het arbeidsaandeel te doen stijgen, namelijk het aandeel van de economische output dat naar de werknemers gaat, ten koste van kapitaal. Maar het arbeidsaandeel in België is al relatief hoog ten opzichte van de andere ontwikkelde landen (dit is wel vóór belastingen). Als je dat nog verhoogt, is het gevaar voor kapitaalvlucht reëel, wat op langere termijn dan weer nefast is voor de werkgelegenheid en productiviteitsgroei. Een andere oplossing is dat er in totaal meer gewerkt wordt, ondanks een daling van de gemiddelde arbeidsduur. Dat impliceert dat mensen die nu zonder job zitten massaal aan het werk gaan. Dat is een na te streven doel, maar dan denk ik dat maatregelen voor een beter onderwijs, minder schooluitval en langer werken effectiever zijn dan arbeidsduurverkortingen.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen.

Suiker- en vettaks zijn efficiënte belastingen

Vorige week pleitte de Gezinsbond voor het invoeren van een extra belasting op ongezonde voeding zodat mensen aangespoord worden om gezonder te eten. Daarmee wil de Gezinsbond verder gaan dan de suikertaks, een extra belasting op frisdranken. Die taks is vorig jaar in het leven geroepen om de taxshift mee te financieren, waardoor arbeid minder belast kan worden.

Fevia, de federatie van de Belgische voedselindustrie, reageerde al negatief. Fevia onderschrijft het doel om mensen aan te sporen gezonder te eten, maar wil dit niet via een extra belasting. Ze geeft daarvoor drie redenen, waarvan er volgens mij maar één eventueel terecht is, afhankelijk van de impact.

Een taks op ongezonde voeding is volgens Fevia onrechtvaardig, omdat vooral de lagere inkomensklassen proportioneel meer spenderen aan ongezonde voeding. Zij zouden dus relatief het meeste verliezen door een dergelijke extra belasting. En dat klopt. Maar de belasting geldt voor alle inkomensklassen. De opbrengst van de belasting is dus vele malen groter dan het verlies voor de lagere inkomensklassen (ook omdat rijkere mensen in absolute zin meer consumeren en dus meer extra belasting zullen betalen). Het is dus in principe makkelijk om het verlies voor lagere inkomensklassen financieel te compenseren. Dat wordt met de suikertaks overigens gedaan, omdat de laagste lonen door de taxshift het meeste winnen. En ook de uitkeringen zouden met het recente zomerakkoord stijgen.

Een tweede argument van Fevia is dat consumenten de prijsstijging kunnen vermijden door te kiezen voor de goedkopere, maar even ongezonde producten. Dan werkt de belasting niet. Althans niet om mensen gezonder te laten eten. Maar als financiering van de taxshift werkt de belasting dan wel. De reden voor de taxshift zijn de hoge arbeidslasten in België, waarvan nagenoeg iedereen overtuigd is dat ze zeer verstorend zijn. De taxshift moet die arbeidslasten verlagen, met meer jobs en welvaart als gevolg. Het is een oefening in optimale taxatie.

De kunst is dan om de taxshift te financieren met nieuwe belastingen die minder verstorend zijn, wat er in economische zin op neerkomt dat mensen hun gedrag minder laten beïnvloeden door de nieuwe belasting. Als mensen hun gedrag nauwelijks aanpassen bij een suiker- of vettaks, werkt de taks dus ook maar dan op het domein van optimale taxatie. Daarom werkt een suiker- of vettaks altijd, ook als mensen hun gedrag niet zouden aanpassen.

Het laatste argument van Fevia is volgens mij het beste. Fevia beweert dat een extra belasting op ongezonde voeding in België mensen aanzet om over de grens te shoppen. België is een klein land en men zit al snel over de grens. Als grensshoppen belangrijk wordt door de suiker- of vettaks, dan misloopt de regering een deel van de geplande belastinginkomsten en worden de grensshoppers niet gezonder. Bovendien kunnen er op termijn jobs verdwijnen.

De vraag is echter hoe belangrijk dit fenomeen is, ook in relatie met de positieve effecten van lagere arbeidslasten. Betrouwbare cijfers worden dan erg belangrijk. Fevia zegt dat het grensshoppen voor niet-alcoholische dranken in 2016 met 12 procent gestegen is tegenover het jaar ervoor en zou in 2016 90 miljoen euro bedragen. Die cijfers zijn gebaseerd op steekproeven, uitgevoerd door GfK, een marktonderzoeksbureau, aan de hand van kastickets van een vast panel gezinnen. Het is niet duidelijk of die cijfers ook rekening houden met wat buitenlanders bij ons komen grensshoppen of enkel wat Belgen over de grens kopen. Ook is het niet zeker of de stijging wel veroorzaakt wordt door de suikertaks. Zo zou grensshoppen voor voeding en drank in 2015 met 40 procent zijn toegenomen sinds 2008. Ruim vóór de suikertaks in voege trad. Eén van de redenen hiervoor is dat de hogere loonkosten in België consumentengoederen duurder maken (niet enkel voeding en drank). En net dat probleem pakt de taxshift aan. Misschien is het totale grensshoppen wel aan het verminderen door de taxshift? Er bestaan hier geen publiek beschikbare cijfers over. En het is begrijpelijk dat GfK deze cijfers niet wil publiek geven, gezien dat hun business model zou ondermijnen. Maar het is moeilijk discussiëren over partiële cijfers. Het is volgens mij geen overbodige luxe dat een overheidsinstelling zich hierover buigt.

Mensen aanzetten tot gezonder eten kan wellicht ook op andere manieren dan met een suiker- of vettaks. Maar de beste prikkels zijn vaak de financiële.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Economische basistheorie vloert Republikeinen bij Obamacare

Dinsdag werd in de Amerikaanse Senaat gestemd om de debatten over de ziekteverzekering verder te zetten. Alvast de Better Care Reconciliation Act (BCRA), het Republikeinse senaatsvoorstel voor een volledige afschaffing en vervanging van Obamacare, werd dinsdag weggestemd, ook door negen Republikeinse senatoren. De vraag is nu of Obamacare gedeeltelijk zal weggestemd worden, de zogenaamde ‘skinny repeal’.

Dat de volledige afschaffing van Obamacare wordt weggestemd met de hulp van Republikeinse senatoren, is opmerkelijk. Toen deze wet onder Obama van kracht werd begin 2010 was de toenmalige Republikeinse oppositie virulent tegen. Ze zwoeren jarenlang om Obamacare af te schaffen en te vervangen door iets beters. De mantra ‘repeal & replace’ was geboren. Meer dan 50(!) wetsvoorstellen werden daarvoor ingediend door de Republikeinse oppositie. Je zou dus denken dat de Republikeinen, nu aan de macht, al bij de start Obamacare zouden afgeschaft hebben.

Maar dat bleek moeilijker dan gedacht. Sommige Republikeinen begonnen te twijfelen. De reden is eenvoudig: Obamacare werkt.

Dat Obamacare zou werken, was voorspeld door economische basistheorie. Studenten Economie krijgen het mee in hun eerste jaren aan de universiteit: de vrije markt werkt zelden of nooit perfect. De overheid is bijgevolg nodig om de marktwerking te verbeteren (op voorwaarde dat de overheidsremedie niet slechter is dan de marktimperfectie). Marktimperfecties kunnen heel gevarieerde oorzaken hebben. Voor de markt van ziekteverzekeringen gaat het vooral om averechtse selectie: in een volledig vrije markt kunnen juist mensen die het nodig hebben zich niet of zeer moeilijk verzekeren.

Dat is vrij eenvoudig in te zien als je de groep mensen bekijkt die erfelijk belast zijn of al duidelijk symptomen van een ziekte hebben (‘pre-existing conditions’). Ziekteverzekeraars weten dat deze mensen hoge ziektekosten zullen veroorzaken en moeten deze mensen dan ook veel hogere premies aanrekenen als ze winstgevend willen blijven. Die premies kunnen echter zo hoog worden dat ze onbetaalbaar worden. Mensen met ‘pre-existing conditions’ vallen dan uit de boot.

Er is dus een overheid nodig om de markt te reguleren en averechtse selectie tegen te gaan. Dat kan door op te leggen dat er eenvoudig gesteld maar één premie mag aangerekend worden, ook voor mensen met ‘pre-existing conditions’. Die gemiddelde premie moet dus verhoogd worden, waardoor het voor de gezondste mensen niet meer rendabel is om een ziekteverzekering af te sluiten. Die mensen verdwijnen uit het klantenbestand, waardoor de gemiddelde kosten stijgen, en dus ook de gemiddelde premie. Hierdoor zullen ook de iets minder gezonde mensen geen ziekteverzekering meer kopen, waardoor de premies nog wat verhoogd moeten worden. Dit mondt uit in een zogenaamde ‘death spiral’ waarbij niemand nog een ziekteverzekering kan of wil kopen.

Obamacare lost dit op door op te leggen dat iedereen zich moet verzekeren, ook de meest gezonde mensen. Op die manier worden de verschillende gezondheidsrisico’s gepoold. Toch zal dit voor sommigen nog te duur zijn, maar Obamacare voorziet ook subsidies opdat iedereen een ziekteverzekering kan kopen. De ‘skinny repeal’ wil de individuele verplichting van Obamacare afschaffen, wat dus wellicht tot een ‘death spiral’ leidt.

Nu de Republikeinen aan de macht zijn, wordt duidelijk dat een efficiënt alternatief zonder verplichting en zonder subsidies niet bestaat, tenzij je miljoenen Amerikanen hun ziekteverzekering laat verliezen. Dat is te zien op bijgaande grafiek, die het aantal onverzekerden vergelijkt tussen het initiële senaatsvoorstel van de Republikeinen en Obamacare. Al in 2018 zouden 15 miljoen Amerikanen onder het Republikeinse systeem hun ziekteverzekering verliezen. Tegen 2026 loopt dat op tot meer dan 20 miljoen.

tijdobamacare

Politiek is een raar beestje, en het is dus best mogelijk dat de Republikeinen nog liever miljoenen Amerikanen zonder ziekteverzekering zetten dan hun gezicht te verliezen en te moeten toegeven dat hun zeven jaar lange mantra van ‘repeal and replace’ onzin was. Maar het betekent ook dat de Republikeinse partij in dat geval naar alle waarschijnlijkheid een zware verkiezingsnederlaag zal lijden bij de verkiezingen in november 2018.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Nationale Bank overdrijft Belgische gezondheidsuitgaven

Johan Swinnen, een bekend kankeronderzoeker van het UZ Leuven, stapt deze zomer te voet naar Compostela om geld in te zamelen voor de strijd tegen kanker. Bij zijn zoon Pieter werd zes jaar geleden een hersentumor ontdekt, toen hij 13 was. De Standaard deed vorig weekend een aangrijpend, maar tegelijk hartverwarmend interview met hen.

In dezelfde krant werd melding gemaakt van een studie van de Nationale Bank over de efficiëntie van de overheid. Dat zit volgens de Nationale Bank niet goed. Onder meer wat betreft gezondheidsuitgaven geeft België veel meer uit dan andere Europese landen zonder dat de kwaliteit erboven uitsteekt. Dat had Marcia De Wachter, directielid van de Nationale Bank, begin mei ook al verkondigd in Knack. Ze vergeleek de Belgische gezondheidsuitgaven met die in de buurlanden en de drie Scandinavische landen van de Europese Unie. “We geven pakweg 6 miljard euro teveel uit,” aldus De Wachter. Dat is zo’n 1,5 procent van het bruto binnenlands product (BBP).

Zes miljard is een fors bedrag. Het verraste me ook, omdat ik eerder al las dat België helemaal niet aan de kop zit wat betreft de uitgaven. Een snelle check met cijfers van de Oeso en Eurostat bevestigden mijn vermoedens: de cijfers van de Nationale Bank zijn hoogst merkwaardig en overschatten de Belgisch gezondheidsuitgaven (en die van Finland) en onderschatten de uitgaven onze buurlanden en van Zweden en Denenmarken.

De Nationale Bank baseert zich op cijfers van Eurostat. Ze berekent zelf de totale gezondheidsuitgaven door de uitgaven door de overheid (COFOG) en de gezinnen (COICOP) op te tellen.

Ik heb contact opgenomen met Eurostat om te vragen of de methode van de Nationale Bank kan toegepast worden. Eurostat antwoordde me dat ze daar niet op kunnen antwoorden, omdat dit geen officieel door Eurostat gebruikte methode is.

Meer nog, Eurostat meldde me dat in 2011 er internationaal een nieuwe methode werd opgesteld door Eurostat, de Oeso en de Wereldgezondheidsorganisatie dat resulteerde in the System of Health Accounts (SHA). Eurostat schrijft in hun mail het volgende:

“The SHA shares the goals of the system of national accounts (SNA): to constitute an integrated system of comprehensive, internally consistent, and internationally comparable accounts, which should as far as possible be compatible with other aggregated economic and social statistical systems.” (eigen onderlijning)

Eurostat publiceert met deze SHA-methode de totale gezondheidsuitgaven, die je dus internationaal kan vergelijken.

De Nationale Bank komt tot heel andere resultaten dan Eurostat, ook al baseert de Nationale Bank zich dus op cijfers van Eurostat. De oranje balkjes op de bijgaande grafiek geven voor 2014 de cijfers van Eurostat (SHA); de blauwe balkjes de cijfers van de Nationale Bank. Eurostat zet België in de middenmoot ten aanzien van de buurlanden en Scandinavische landen van de EU; Finland staat achteraan. De Nationale Bank zet België helemaal bovenaan, en Finland tweede.

figuur

Met deze bevindingen contacteerde ik de Nationale Bank. Ik vroeg hen of ze hun cijfers zouden aanpassen. Ze gaven toe dat hun methode mogelijks niet exhaustief was (“men kan niet uitsluiten dat sommige uitgaven niet opgenomen zijn”), maar verdedigden hun methode. Uit hun antwoord bleek dat de SHA-methode niet door de Nationale Bank gebruikt wordt.

Zij schreven onder meer het volgende: “Het grootste nadeel van deze alternatieve bron “SHA – System of Health Accounts” is dat de gegevens slechts tot 2014 beschikbaar zijn, met weinig historische gegevens.” Zo zijn de cijfers voor de periode 2000-2014 volgens Eurostat slechts beschikbaar voor drie landen.

Ik antwoordde hen dat hun reactie me nog meer overtuigde dat de Nationale Bank haar cijfers over de gezondheidsuitgaven moet aanpassen als ze een internationale vergelijking maakt. Het samentellen van COICOP en COFOG is niet verdedigbaar als de Nationale Bank tot een begrip wil komen van de ‘totale uitgaven’ en deze bovendien wil vergelijken met andere landen. Ik gaf daarvoor de volgende redenen:

1. Zoals de Nationale Bank zelf aanhaalt is de methode van de Nationale Bank mogelijks niet exhaustief (“men kan niet uitsluiten dat sommige uitgaven niet worden opgenomen”)

2. Eurostat heeft, na vier jaar werk, samen met de OECD en WHO in 2011 een nieuwe methode opgesteld om de gezondheidsuitgaven te berekenen. Uit de mail van de Nationale Bank kan ik opmaken dat de Nationale Bank deze cijfers niet gebruikt en mogelijks deze nieuwe methode nog niet kende. Eurostat schrijft zelf het volgende over het System of Health Accounts (SHA): “The SHA shares the goals of the system of national accounts (SNA): to constitute an integrated system of comprehensive, internally consistent, and internationally comparable accounts (eigen onderlijning) => voor internationale vergelijkingen moeten de SHA-cijfers gebruikt worden.

3. De voornaamste reden dat de Nationale Bank toch COICOP en COFOG wil gebruiken en niet SHA-cijfers is dat er onvoldoende data zijn om gemiddelden te nemen over de periode van 2000 tot 2014. Er zijn inderdaad niet van alle landen historische SHA-cijfers, omdat nog niet alle landen hun historische cijfers bijgewerkt hebben op basis van de nieuwe SHA-methode. Dat betekent simpelweg dat er nog geen betrouwbare, historische cijfers zijn voor alle landen en dat er dus gewoon geen cijfers kunnen gebruikt worden. Als reactie op het gebrek aan cijfers dan maar onbetrouwbare cijfers gebruiken kan natuurlijk niet. Overigens zijn voor 2014 SHA-cijfers voor alle landen gekend.

4. Er zijn wel al historische SHA-gegevens voor een aantal landen. België heeft SHA-cijfers sinds 2003 en ook Duitsland, Finland en Zweden hebben sinds minstens 2003 cijfers. De onderstaande tabel geeft de gemiddelde uitgaven voor de Nationale Bank-methode (COICOP+COFOG) en de SHA-Eurostat-methode voor 2003-2014 voor deze vier landen. De SHA-cijfers tonen dat de gemiddelde Belgische uitgaven voor deze periode lager liggen dan Duitsland en dicht bij die van Zweden, terwijl de Nationale Bank-cijfers heel andere conclusies geven (met een onderschatting van Duitse en Zweedse gezondheidsuitgaven en een overschatting van de Belgische en de Finse).

tabel1

5. De methode van Nationale Bank leidt tot inconsistenties. Zo komt de Nationale Bank tot cijfers voor België en Finland voor 2014 die hoger liggen dan de SHA-cijfers (ook al zijn de Nationale Bank-cijfers mogelijks niet-exhaustief). De Nationale Bank zet Zweden dan weer 2,5 procentpunt onder de SHA-cijfers (zie tabel voor 2014). Dit is inconsistent.

tabel2

6. De Nationale Bank schrijft zelf dat de cijfers van de gezondheidsuitgaven grondig zijn aangepast. Inderdaad, daarom was wellicht de vierjarige oefening door Eurostat, OECD en WHO inzake de SHA-cijfers noodzakelijk en leidde dit in 2011 tot de nieuwe methode van SHA.

Conclusie: op basis van wat Eurostat schrijft en op basis van de argumenten die de Nationale Bank zelf aanhaalt, is het duidelijk dat de methode van de Nationale Bank niet kan gebruikt worden. Tenzij de Nationale Bank zou kunnen aantonen dat de SHA-cijfers verkeerd zijn.

De discussie over deze verschillen in cijfers is niet onschuldig. De Nationale Bank stelt immers dat België ondanks de hoogste uitgaven niet de beste gezondheidszorg levert (gemeten volgens een door de Nationale Bank samengestelde index). Meer nog, zes Europese landen halen volgens de Nationale Bank een betere kwaliteit met –soms fors- minder middelen, waaronder Nederland, Zweden en Frankrijk. Grondige hervormingen en besparingen in de Belgische gezondheidszorg lijken dan onvermijdelijk.

De Nationale Bank berekende als reactie ook eens de efficiëntie met de cijfers van Eurostat.  Dan blijken er slechts drie landen (Oostenrijk, Italië en Spanje) het beter te doen met minder middelen. Zweden, Frankrijk en Nederland leveren wel betere kwaliteit, maar deze landen geven met de nieuwe cijfers gevoelig meer uit aan gezondheidszorg dan België. Denemarken en Duitsland geven evenveel of meer uit, maar leveren een lagere kwaliteit.

Met andere woorden, met de nieuwe cijfers verandert het plaatje grondig. Dat neemt niet weg dat de Belgische gezondheidszorg efficiënter kan, maar België bungelt niet hopeloos achteraan. We zitten eerder in de subtop. En het kan zelfs zinnig zijn om de gezondheidsuitgaven te verhogen, samen met de hervormingen die bezig en gepland zijn.

De publieke en politieke discussie over de gezondheidsuitgaven is letterlijk van levensbelang. Het interview van professor Swinnen en zijn zoon illustreert dat. Gezondheidszorg gaat over ziekte, leven en dood, over mensen die kwetsbaar zijn en soms wanhopig op zoek naar een behandeling, wat ook de kostprijs is. Toch is er ook een budgettaire realiteit waarbinnen de zorgverstrekkers moeten werken. Er moeten vaak harde keuzes gemaakt worden. Dan zijn correcte cijfers onontbeerlijk.

Wanneer de Nationale Bank gezondheidsuitgaven internationaal vergelijkt, moet ze de internationaal gangbare methode gebruiken. Concreet betekent dit dat ze haar gezondheidsuitgaven moet aanpassen. Doet ze dat niet, dan schiet ze tekort in haar opdracht om de politiek en het publiek correct te informeren.

Deze tekst is een uitgebreide versie van de column die in De Tijd verscheen

De pensioenuitgaven stijgen te snel

Afgelopen maandag presenteerde Daniel Bacquelaine, Minister voor Pensioenen, zijn oriëntatienota over het pensioen met punten aan de sociale partners. De details zijn me nog niet duidelijk, maar dit nieuwe systeem zou de pensioenen meer afhankelijk moeten maken van de arbeidsprestaties in het verleden en de productiviteitsgroei. Het systeem met punten is zonder twijfel één van de belangrijkste aanbevelingen van de Pensioencommissie onder leiding van Frank Vandenbroecke.

De link tussen pensioenen en de geproduceerde welvaart is er momenteel niet. Dat is goed te zien op onderstaande figuur. De blauwe lijn geeft de pensioenuitgaven in procenten van het bruto binnenlands product (BBP). De rode lijn geeft het aandeel van 65-plussers van de totale bevolking. De gegevens zijn gebaseerd op het verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing van 2016. De periode in de figuur loopt van 2000 tot 2040, waarbij de cijfers voor 2016 en later een projectie zijn van de Studiecommissie.

tijdpensioenen

Je zou kunnen verwachten dat bij ongewijzigd beleid de pensioenuitgaven niet meer stijgen dan het aandeel 65-plussers. Maar dat is niet wat er te zien is. Van 2007 tot 2009 maken de pensioenuitgaven een sprong van één procent van het BBP, van 8,6 procent naar 9,6 procent. De reden is niet een plots veel guller pensioenbeleid, maar wel de economische crisis. Daardoor ging het BBP in die periode 1,5 procent achteruit in plaats van de normale groei van ongeveer 2 procent, een verschil van 3,5 procent. De pensioenuitgaven werden echter niet aangepast.

Dat is overigens een goede economische praktijk. Als de overheidsuitgaven niet onmiddellijk aangepast worden aan de economische activiteit, vermijd je immers dat de economische crisis nog dieper wordt. Echter, na de crisisperiode is het belangrijk dat de overheidsuitgaven terug normaliseren.

Dat is voor de pensioenuitgaven niet gebeurd. De lagere economische groei van de voorbije jaren is niet doorgesijpeld naar de pensioenuitgaven en dat zal ook niet in de toekomst gebeuren als het beleid niet verandert. Hierdoor groeien de pensioenuitgaven gevoelig meer dan het aandeel 65-plussers, zoals ook te zien op de figuur. Indien de pensioenuitgaven dezelfde groei gekend hadden als het aandeel 65-plussers, dan zouden in 2017 de pensioenuitgaven 1,2 procent van het BBP lager liggen dan nu het geval is. Die kloof stijgt nog tot 1,5 procent in 2024.

Om de uitgaven terug te brengen naar de historische trend kan men de hoogte van de pensioenen aanpassen. Dat is haalbaar voor de relatief hoge ambtenarenpensioenen, maar is veel minder evident voor de werknemers- en zelfstandigenpensioenen.

Een tweede oplossing is langer werken. Dat is wat deze federale regering al beslist heeft, met een verhoging van de pensioenleeftijd tot 66 en later tot 67 jaar. Maar dat geldt pas vanaf respectievelijk 2025 en 2030, zoals de twee knikjes op de figuur tonen. Hierdoor verlagen de pensioenuitgaven met telkens ongeveer 0,5 procentpunt. Dat zou eigenlijk sneller moeten gebeuren. Als die maatregel 5 jaar eerder genomen wordt, dus in 2020 en 2025, zou de overheid cumulatief 5 procent minder uitgeven en kan de schuldratio verder afgebouwd worden.

En zoals op de figuur te zien is, brengt zelfs werken tot 67 jaar de pensioenuitgaven nog niet op hetzelfde groeiniveau van het aandeel van 65-plussers. Het is bovendien nog maar de vraag of de pensioenuitgaven überhaupt die groei moeten volgen en of het niet nog lager moet (waarbij de blauwe curve dan onder de rode komt te liggen). Het is een vraag die nauwelijks aandacht krijgt in het maatschappelijk debat.

Zeker is dat de pensioenuitgaven volgens alle criteria in de toekomst te snel stijgen en dat bijkomende maatregelen, zoals een pensioen met punten, nodig zijn en dat bestaande maatregelen, zoals de verhoging van de pensioenleeftijd, versneld zouden moeten ingevoerd worden.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Pas de pensioenen aan de productiviteitsgroei aan

In zijn column van vorige week ging Peter De Keyzer hevig te keer tegen de Vergrijzingscommissie. Hij vindt hun berekeningen van de toekomstige vergrijzingskosten onrealistisch, omdat ze gebaseerd zijn op veel te optimistische assumpties, vooral wat de toekomstige werkzaamheidsgraad en productiviteit betreft. Een griezelverhaal, aldus De Keyzer.

Ik deel die strenge kritiek op de Vergrijzingscommissie niet. Het klopt dat de productiviteitsgroei met 1,5 procent per jaar zeer hoog wordt ingeschat en dat dit een impact heeft op de betaalbaarheid. Maar de commissie doet ook een sensitiviteitsanalyse met lagere productiviteitsgroeivoeten waardoor de impact ervan kan ingeschat worden.

De echte kritiek moet elders gegeven worden, namelijk dat de productiviteitsgroei nauwelijks relevant zou mogen zijn voor de betaalbaarheid van de pensioenen. Dat kan door het pensioen afhankelijk te maken van de productiviteitsgroei: als die hoger is dan verwacht, kan je de gepensioneerden laten delen in die hogere welvaart en omgekeerd. Net zoals dat, alvast op langere termijn, bij lonen ook het geval is. Dit principe staat gekend als de Musgrave-regel, een aanbeveling van de pensioencommissie en ruimer uitgewerkt in het Leuvens Economisch Standpunt van april van dit jaar over de pensioenhervormingen. In dat Standpunt wordt trouwens opgeroepen om na de punctuele maatregelen ook structureel te hervormen. Daar maakt De Keyzer dus een belangrijk punt, maar dan eerder ten aanzien van de federale regering.

Werkzaamheidsgraad

De kritiek van De Keyzer op de toekomstige werkzaamheidsgraad vind ik dan weer te pessimistisch. De bijgaande figuur geeft voor de periode van 2000 tot 2035 de werkzaamheidsgraad per geslacht voor twee leeftijdscategorieën, evenals de totale werkzaamheidsgraad (aangeduid met de dikke zwarte lijn). De Vergrijzingscommissie rekent met een werkzaamheidsgraad die de komende tijd blijft stijgen tot ze in 2035 73% bereikt. In 2000 stonden we op 63.5%, in 2016 op 65.5%. In dit tempo komen we er dus inderdaad niet.

tijdwerkzaamheidsgraad

Maar de figuur toont dat alvast voor de 55-plussers het voldoende is dat de historische trend van de sterk stijgende werkzaamheidsgraad voor deze leeftijdscategorie zich gewoon moet doorzetten. Er zal geen “tandje moeten bijgestoken” worden. Dat geldt overigens ook voor vrouwen onder de 55 jaar: hun werkzaamheidsgraad heb ik moeten berekenen (omdat de Vergrijzingscommissie deze niet publiceert) en wordt door mij geschat op 68,4 procent in 2016, komende van 62.6 procent in 2000 of een stijging met bijna 6 procentpunt. In 2035 zou die op 72,4 procent moeten staan, of nog een stijging van 4 procentpunt. Er is dus meer tijd voor een kleinere stijging.

Het grote probleem zit bij de mannen jonger dan 55 jaar. Daar is de werkzaamheidsgraad sinds 2000 afgenomen van net geen 81 procent tot 75,6 procent nu. Die trend moet gekeerd worden, wat inderdaad niet evident is. Maar het is niet dat de Vergrijzingscommissie een mirakel vraagt. In haar voorspelling gaat ze -als mijn berekening correct is- uit van een werkzaamheidsgraad voor deze groep van net geen 79%. Dat is 2 procentpunt ónder de werkzaamheidsgraad in 2000.

Laaggeschoolde jongere mannen

Dat lijkt allemaal doenbaar, zonder dat ik wil zeggen dat dit vanzelf zal gaan. Zo wordt de dalende werkzaamheidsgraad van jongere mannen vooral veroorzaakt door de laaggeschoolden. En mannen zullen in de toekomst nog vaker laaggeschoold zijn dan vrouwen: een studie van het Vlaamse departement Werk en Sociale Economie toont dat de 25-jarige mannen driemaal(!) meer laaggeschoold zijn dan 25-jarige vrouwen: 19,5 procent tegenover 6,5 procent. Het wordt niet evident om al die laaggeschoolde mannen aan het werk te krijgen en te houden.

Wat de werkzaamheidsgraad betreft zijn de assumpties van de Vergrijzingscommissie realistisch. De productiviteitsgroei in het basisscenario is daarentegen te optimistisch. Maar het is vooral aan de federale regering om structurele maatregelen te nemen zodat de pensioenkost onafhankelijk wordt van de moeilijk te voorspellen variaties in de productiviteitsgroei.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.

Een neutrale staat mag actief immigratie sturen

Sinds een aantal jaren is het integratiedebat helemaal terug. Daarbij wordt de focus gelegd op de islam en is de tweedeling voelbaar. Er lijken soms maar twee extremen te bestaan: zij die kritiek hebben op de islam zijn islamofoob en zij die kritiek hebben op de blanke meerderheid zijn moslimknuffelaars.

Om dit polariserend klimaat te bevechten heeft Patrick Loobuyck, hoogleraar moraalwetenschappen, een boek geschreven waar hij het opneemt voor de mensen die zich redelijk willen opstellen. In Samenleven met Gezond Verstand stelt hij dat het mogelijk is dat redelijke mensen, ongeacht hun diepste overtuiging, een set van waarden kunnen delen dat gebaseerd is op de gelijkwaardigheid van elke mens. Die overlappende consensus leidt tot de individuele vrijheden die door de staat moeten gegarandeerd worden, desnoods tegen de wil van de meerderheid in. De staat moet daarbij een neutrale positie innemen ten aanzien van de verschillende ideeën en levensbeschouwingen.

In onze liberale democratie, met haar individuele grondrechten, kan niet verplicht worden dat iedereen instemt met die overlappende consensus. Eén van de essentiële kenmerken in een liberale democratie is immers net dat het woord en de gedachten vrij zijn. En bijgevolg mag je in een liberale democratie ook de liberale democratie afwijzen.

Dat is dan ook de zwakke plek van onze open en tolerante maatschappij: in welke mate laten we woord, gedachte en actie toe die ons samenlevingsmodel kunnen ondermijnen? Hoe weerbaar is onze maatschappij tegenover intolerantie? Sommigen noemen het naïef te denken dat een meerderheid echt kan tegengehouden worden indien ze individuele grondrechten aan banden zou willen leggen.

Loobuyck erkent dit probleem en pleit voor een actieve staat. Om de duurzaamheid van de liberale democratie te beschermen moet de neutrale staat actief de ideeën achter de liberale democratie promoten. Neutraliteit is geen excuus voor passiviteit.

De liberale democratie promoten doe je het beste bij nieuwkomers en de grootste groep nieuwkomers zijn de kinderen die hier geboren worden. Loobuyck heeft jaren geleden al de idee gelanceerd dat alle kinderen een vak Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie (LEF) zouden moeten volgen, met daarin de fundamenten van onze samenleving uitgelegd. Het zal de verbondenheid rond een gedeelde set van waarden te stimuleren. Het is een pleidooi waar volgens mij weinig tegenin te brengen is en ik steun zijn oproep voor LEF op school dan ook volledig, en velen met mij.

Dezelfde actieve houding van de neutrale staat ten aanzien van kinderen kan ook toegepast worden op volwassen nieuwkomers. Loobuyck vindt het dan ook evident dat de overheid inburgeringscursussen aanbiedt en laakt het feit dat Vlaanderen daar pas begin jaren 2000 mee begonnen is (Franstalig België overigens nog veel later).

Die actieve, maar niet dwingende houding van de overheid is dus noodzakelijk om ervoor te zorgen dat voldoende mensen overtuigd worden van de waarden van de liberale democratie. Enkel op die manier kan de duurzaamheid van de liberale democratie gegarandeerd worden. Als je die redenering doortrekt, dan moet de overheid dat ook toepassen op de selectie van volwassen nieuwkomers. Nu wordt al vaak gepleit voor economische immigratie, namelijk een selectie van de juiste talenten voor de arbeidsmarkt. Hier kan een dimensie aan toegevoegd worden zodat de overheid ook zou selecteren op de overtuiging van de nieuwkomer ten aanzien van de waarden van de liberale democratie, zoals gelijkheid van man en vrouw, tolerantie ten aanzien van andersdenkenden en vrijheid van meningsuiting. Loobuyck levert volgens mij dan ook een goede argumentatie om de ondertekening van een nieuwkomersverklaring als selectiecriterium ernstig te nemen.

Dat is niet toegeven aan de culturele angst, die mij weinig gefundeerd lijkt, maar is ingegeven door de bezorgdheid over de duurzaamheid van de liberale democratie. Meer nog, het toelaten van overtuigde liberaal-democratische nieuwkomers zou de sociale cohesie en zo ons samenlevingsmodel versterken.

Tot slot, waar het boek te weinig op ingaat is hoe de overlappende consensus in de praktijk moet gebracht worden. Op het einde lanceert Loobuyck het principe van de redelijke accommodatie, waarbij aanpassingen aan bestaande regels aanvaard kunnen worden als de regels niet gebaseerd zijn op een ethisch principe. Maar hij werkt de gegeven voorbeelden, zoals gescheiden zwemuren of de hoofddoek bij de politie, onvoldoende uit. Terwijl dat net de grote discussiepunten zijn van vandaag. Maar hij geeft in de rest van zijn boek wel voldoende materiaal om die discussie op een redelijke manier aan te gaan.

Samenleven met Gezond Verstand, Patrick Loobuyck, uitgegeven bij Polis

Deze tekst verscheen eerst als column bij De Tijd.