De slimme kilometerheffing is noodzakelijk in Vlaanderen

De Vlaamse regering besliste net voor het zomerreces 2018 om een “slimme” kilometerheffing in te voeren. Het is weliswaar slechts een principebeslissing, waarbij de uitvoering naar de volgende legislatuur wordt doorgeschoven. Toch moet het beschouwd worden als een mijlpaal, omdat de drie meerderheidspartijen N-VA, CD&V en Open VLD gezamenlijk zeggen dit te willen invoeren. En ook Groen en sp.a zijn principieel voorstander. Dat maakt de kans groot dat de volgende Vlaamse regering het ook effectief zal invoeren.

Vlaanderen als fileregio

Het probleem dat een slimme kilometerheffing wil oplossen is genoegzaam gekend: Vlaanderen en Brussel kennen veel files. En die files blijven maar toenemen. De figuur hieronder geeft voor de voorbije zeven jaar het maandelijkse verloop van de gemiddelde filezwaarte per dag op de snelwegen tijdens een werkdag zoals gemeten door het Vlaamse Verkeerscentrum. De filezwaarte is het aantal kilometer files vermenigvuldigd met het aantal uren en wordt uitgedrukt in kilometeruren. De zwarte lijn geeft het lopend gemiddelde, telkens van de voorbije twaalf maanden. Uit de figuur is het duidelijk: de filezwaarte blijft toenemen, van gemiddeld iets meer dan 500 kilometeruren in 2011 tot bijna 800 kilometeruren in 2018, of een stijging met ruim 50% op zeven jaar tijd. Bovendien zijn Antwerpen en Brussel één van de steden met de grootste filedruk in Europa.

 

Waarom de overheid moet tussenkomen bij teveel files

Je zou je de vraag kunnen stellen wat bij files eigenlijk het probleem is. Niemand verplicht de filerijder om in de file te gaan staan. Mensen kunnen op zoek gaan naar alternatieven, zoals openbaar vervoer, de (elektrische) fiets, deels thuiswerken, verhuizen of veranderen van werk.

Het probleem is echter dat er ook mensen zijn die niet in de file staan en er toch hinder van ondervinden. Heel wat mensen doen al dan niet bewust geen verplaatsing omdat ze anders in de file zouden staan. Zo zijn er mensen die geen job aan de andere kant van Brussel aannemen of zelfs maar zoeken omdat ze dan te lang in de file zouden staan. Het zijn hindernissen die we vaak niet meer zien, omdat ze deel van de context geworden zijn.

De wachttijd die de filerijders veroorzaken voor deze mensen hebben een economische en sociale kostprijs die de filerijders zelf niet moeten dragen. De voor de hand liggende oplossing is om de filerijders toch te doen betalen voor deze externe kosten die ze veroorzaken. Dat is dan ook net wat de slimme kilometerheffing zou moeten beogen.

Files zijn tijds- en plaatsgebonden

Het is een open deur, maar files zijn tijds- en plaatsgebonden. Je hebt zelden ’s nachts lange files en ze doen zich meestal voor rond grote steden.

De bovenstaande grafiek toont dat de wegcapaciteit meer en meer ontoereikend is om alle verkeer efficiënt te laten passeren. Maar de figuur geeft ook aan dat dat niet overal het geval is: de laatste twaalf maanden (juli 2017 – juni 2018) was de gemiddelde filezwaarte 762 kilometeruren per werkdag. Antwerpen en Brussel staan in voor respectievelijk gemiddeld 367 en 305 kilometeruren per dag of samen 88 procent van de filezwaarte. Gent neemt nog 7 procent voor haar rekening en de rest van Vlaanderen 5 procent. De files zijn dus duidelijk geconcentreerd rond Brussel en Antwerpen.

Bovendien zijn deze files ook tijdsgebonden. De bovenstaande grafiek toont dat de zomermaanden minder filegevoelig zijn dan andere maanden. Bovendien zijn per definitie de spitsuren ’s morgens en ’s avonds filegevoelig, terwijl dit doorheen de dag minder het geval is en ’s nachts al helemaal niet.

De uitdaging van een slimme kilometerheffing is dan om het kilometertarief te laten variëren volgens plaats en tijd en net hoog genoeg opdat er net geen files zouden zijn.

Welke kilometerheffing?

Tranport & Mobility Leuven (TML) heeft in 2010 in opdracht van het Vlaamse Milieuagentschap een studie uitgevoerd over de internalisering van de externe kosten in transport. Ze heeft deze studie ondertussen geactualiseerd tot het jaar 2014. In de studie worden de externe kosten geschat van allerlei vervoersmodi, zoals de personenwagen, de fiets, de vrachtwagen en de trein. Het betreft niet enkel externe kosten door files, maar ook door ongevallen die personenwagens kunnen veroorzaken, geluidsoverlast en luchtverontreiniging (milieu). De externe kosten aan de infrastructuur van een extra auto worden in de studie van TML verwaarloosd.

In de onderstaande grafiek heb ik de externe kosten samengevat voor een diesel- en benzinepersonenwagen. De kosten worden gerekend in euro per 100 kilometer dat de wagen rijdt en zijn geschat voor de snelweg tijdens dal- en spitsuren en voor stads- en andere wegen tijdens de spits.

Er zijn een aantal interessante observaties te maken op basis van deze cijfers. Ten eerste is de filekost (gele balkjes) steeds veruit de grootste externe kost in de spits, dus groter dan de kosten door geluidsoverlast en luchtverontreiniging samen (let wel, de impact van dieselgate zou nog niet meegerekend zijn in deze cijfers). De filekost is dus ook tijdens de daluren op de snelweg hoger dan de andere externe kosten.

Ten tweede, en dit is in deze context essentieel, variëren de totale externe kosten sterk en wordt deze variatie nagenoeg louter gedreven door de filekosten. Zo is voor de periodes en plaatsen die in de figuur getoond worden de externe kost het grootste op de snelweg tijdens de spits en het laagst tijdens de daluren. Ook opmerkelijk is dat de “andere wegen” tijdens de spits nagenoeg dezelfde externe kost hebben dan de snelweg tijdens de daluren. Ik vermoed dat dit verklaard wordt doordat er heel wat “andere wegen” zijn in weinig filegevoelige gebieden zoals West-Vlaanderen en Limburg en deze dus relatief sterk doorwegen in de analyse van TML in vergelijking met de snelwegen die in grote mate door verkeer van en naar Brussel en Antwerpen gesatureerd raken. Het is dus best mogelijk dat een slimme kilometerheffing resulteert in een tarief voor een snelweg in de buurt van Brussel dat tijdens de middag hoger is dan een tarief voor een gewestweg in Limburg tijdens de spitsuren. Of dat zou toch moeten.

Bij de bepaling van de tariefstructuur zal er een afweging moeten gemaakt worden tussen enerzijds de eenvoud van het systeem, met zomin mogelijk verschillende tarieven, en anderzijds voldoende differentiatie zodat de externe kosten zo correct mogelijk worden geïnternaliseerd. Zelf zou ik denken dat de afweging eerder in de richting van veel gedifferentieerde tarieven zou mogen overhellen, gezien digitale toepassingen makkelijk voor elk traject en op elk moment de kostprijs kunnen berekenen.

Men zou zelfs kunnen overwegen om tarieven dynamisch aan te passen: als er bijvoorbeeld op een mooie zomerdag veel file verwacht wordt op de E40 naar de kust, zouden de tarieven kunnen verhoogd worden. In ieder geval moet het tarief idealiter zodanig gezet worden dat er net geen congestie is, zodat de capaciteit optimaal benut wordt. De hoogte van het tarief is dus een objectief gegeven en zou niet door politici mogen vastgelegd worden, maar door technocraten die na trial-and-error tot een optimale tariefstructuur komen.

 Winnaars en verliezers

Ten derde geeft de figuur ook de belastingen weer die betaald worden (zwarte streepjes). Deze variëren enkel volgens het type wagen, benzine of diesel, en zijn dus onafhankelijk van de plaats of het tijdstip. Opvallend is dan dat een benzinewagen nu reeds in een aantal situaties meer belastingen betaalt dan de externe kosten die ze veroorzaakt. Zowel voor de snelweg tijdens de daluren als de “andere wegen” tijdens de spits worden de externe kosten bovenmatig geïnternaliseerd voor de benzinewagen. Bij een slimme kilometerheffing zouden de belastingen zo goed mogelijk moeten samenvallen met de veroorzaakte externe kosten, wat betekent dat de benzinerijders in bepaalde situaties dan minder belastingen betalen dan nu het geval is. Zij zullen dan de winnaars van het systeem zijn. Dit geldt overigens ondertussen waarschijnlijk ook voor dieselrijders, gezien de kostprijs van diesel sinds 2014 sterk verhoogd is door een verhoging van de accijnzen  (geen idee of dit teniet gedaan wordt door dieselgate). Zij die veel files veroorzaken zullen dan uiteraard tot de verliezers behoren.

Maar globaal genomen zal een slimme kilometerheffing leiden tot een efficiënter gebruik van de transportcapaciteit. Dat komt ten goede aan iedereen. Schattingen lopen uiteen wat de economische kost is van files, maar een studie waarnaar de Oeso verwijst (Van Essen, 2011) schat dat files 1 à 2 procent van het BBP kunnen kosten. Een andere studie (Profillidis, 2014) komt op 200 miljard euro voor Europa of 1,65 procent van het BBP. België, met veel files, zal dus eerder tegen 2 procent economisch verlies aanleunen door de files, wat neerkomt op ruim 8 miljard euro. Dat is uiteindelijk de enorme bonus die we jaarlijks zullen krijgen als we de files oplossen door de autogebruikers correct te laten betalen voor de kosten die ze veroorzaken.

Sociale impact

Er is heel wat vocale tegenstand tegen een slimme kilometerheffing. Sommigen gaan ervan uit dat het zal neerkomen op een belastingsverhoging en zijn om die reden tegen, ook al wordt beweerd dat een slimme kilometerheffing budgetneutraal zal zijn. Maar de grootste tegenstand lijkt ingegeven door een gevoel van rechtvaardigheid. Enkel zij die congestietaks kunnen betalen zullen nog met de auto (tijdens de spits) naar het werk kunnen.

En dat klopt natuurlijk. Maar files wijzen op schaarste, in dit geval te weinig wegcapaciteit. En bij schaarste wordt er altijd een allocatiemechanisme gebruikt om te beslissen wie het schaarse goed krijgt en wie niet. Bij een slimme kilometerheffing wordt de wegcapaciteit toegewezen aan zij die het tarief willen en kunnen betalen. Zonder slimme kilometerheffing wordt de capaciteit ook volgens een bepaald principe toegewezen, namelijk aan zij die tijd kunnen en willen opgeven om in de file te staan.

Er zitten nu ongetwijfeld pendelaars in de file die met een kilometerheffing ander werk zullen moeten zoeken. Maar er zitten ook heel wat filerijders die veel tijd hebben en even goed hun uitje een uur later hadden kunnen plannen (en dat met een kilometerheffing zeker zullen doen). En wat met de drukke tweeverdieners met jonge kinderen? Die pendelen nu niet naar Brussel of Antwerpen, of zijn helemaal op van de stress als de file weer wat langer geworden is en ze alsmaar vaker te laat op school of de opvang zijn om hun kinderen op te halen.

Met andere woorden, nu wordt er voor de wegcapaciteit tijdens de spits betaald met tijd. Dat creëert een ongelijkheid tussen zij die tijd hebben en zij die deze niet hebben. Bij een kilometerheffing wordt betaald met geld. En ook dat creëert een ongelijkheid op gebied van betalingscapaciteit. Ik vraag me echter af in welke mate dat een probleem is in België waar de inkomensongelijkheid relatief laag is, waardoor marktgebaseerde allocaties makkelijker aanvaard zouden moeten worden.

Bovendien zullen de winnaars bij een slimme kilometerheffing door de toegenomen efficiëntie meer winnen dan de verliezers verliezen. Globaal is er dus winst, en dat betekent ook dat er ruimte is om de verliezers te compenseren. Erg doelgericht zal dit niet kunnen uitgevoerd worden, maar het is niet ondenkbaar om bij de invoering van de slimme kilometerheffing tegelijk een belastingverlaging door te voeren voor de laagste inkomens.

Tot slot, met de gele hesjes in het achterhoofd, nog dit: met een fijn genoeg tariefsysteem zullen mensen die de auto nodig hebben waar weinig openbaar vervoer is, en dus weinig alternatieven, wel eens mínder kunnen betalen, omdat ze per definitie in weinig filegevoelige gebieden rijden.

Geluk daalt bij de hoogste inkomens? Ongefundeerde stelling

Een paar weken geleden publiceerden de UGent en levensverzekeraar NN een nieuw luik van hun Nationaal Geluksonderzoek. De blikvanger was deze keer dat meer geld wel degelijk gelukkiger maakt, maar slechts tot een bepaald niveau. Vanaf een maandinkomen van 4000 euro wordt de Belg gemiddeld niet gelukkiger meer. Meer nog, vanaf 5000 euro en meer zou de Belg gemiddeld ongelukkiger worden. De onderstaande grafiek komt uit het persdossier van het onderzoeksteam.

Het is wellicht onnodig te zeggen dat de afname van geluk voor de hoge inkomens veruit de meeste media-aandacht trok. Voor professor Annemans (UGent), betrokken bij het onderzoek, bewijzen de cijfers dat we het economisch systeem moeten herdenken om het geluksniveau op te krikken.

Dat er een verzadingspunt en zelfs een terugval is, vind je ook terug in ander, internationaal onderzoek. Een artikel van uit Nature Human Behaviour (‘Happiness, income satiation and turning points’) van begin dit jaar kwam tot eenzelfde resultaat. In het artikel stellen de auteurs dat er een verzadigingspunt optreedt op 95.000 dollar per jaar wat betreft levenstevredenheid. Wat betreft emotioneel welzijn ligt het verzadigingspunt tussen 60.000 en 75.000 dollar. Nochtans, zo stellen de auteurs, zijn er andere onderzoeken die geen verzadiging of terugval vaststellen. De wetenschap is er dus nog niet uit.

In het artikel uit Nature Human Behaviour worden er een aantal redenen opgesomd waarom vorige studies die concludeerden dat er een verzadigingspunt is belangrijke beperkingen hadden. Zo gebruikte een belangrijke studie categorische variabelen voor de inkomens. Een andere beperking is de bron van data: gegevens uit bevragingen zijn minder betrouwbaar dan uit een fiscale inkomensdatabank.

Gebrek aan data

Ten slotte is er het gebrek aan data, waardoor sommige studies geen uitspraak kunnen doen over het feit of er een verzadiginspunt is in de relatie tussen inkomen en geluk. Dat komt omdat het verzadigingspunt erg hoog ligt. Dat geldt ook voor de Belgische studie. De geciteerde inkomens uit die studie zijn immers netto-inkomens en zijn genormaliseerd, wat wil zeggen dat ze rekening houden met het aantal volwassenen en kinderen per gezin. Een genormaliseerd netto maandinkomen van 4500 euro komt dan overeen met een netto inkomen van 9450 euro voor een koppel met twee kinderen. Met een dergelijk hoog inkomen zit je makkelijk in de top 1%.

En die top 1% participeert niet makkelijk in allerhande onderzoeken die ook peilen naar het inkomen. In het persdossier zat de onderstaande grafiek met daarin het percentage van de 3770 respondenten per inkomenscategorie: uit deze grafiek blijkt dat het aantal respondenten al afneemt voor inkomens vanaf 2500 euro.

Het is opmerkelijk dat deze slechts gegevens geeft tot 2.500 euro, terwijl de blikvanger van het onderzoek gaat over wat er gebeurt vanaf 5.000 euro; dat is precies het dubbele. Ik heb de data dan opgevraagd bij de persverantwoordelijke van het onderzoeksteam en zij gaf me de onderstaande grafiek mee.

Uit deze grafiek blijkt dat ook in dit onderzoek het niet goed gelukt is om voldoende respondenten te vinden in de inkomenscategorie waar het om draait, wanneer men een goed gefundeerde uitspraak wil over het al dan niet bestaan van een verzadigingspunt. Van de 3770 Belgen die aan het onderzoek deelnamen, had slechts 0.2% een genormaliseerd inkomen van 5000 euro of meer. Het gaat dus over 6 tot 9 personen op 3770. De opmerkelijke conclusie van het onderzoek dat een netto-inkomen van 5000 euro of meer ongelukkiger maakt lijkt dan ook op los zand gebouwd.

Bijkomende informatie over het onderzoek

Het bovenstaande had ik ook in een opiniestuk geschreven op vraag van De Morgen. De dag erna was er een reactie van professor Annemans die onder meer inging op het zeer beperkt aantal respondenten. Hij schreef het volgende: “Bij zo’n analyse dragen álle deelnemers bij aan het eindresultaat. Stel u voor dat de bevinding, met name dat de levenstevredenheid opnieuw licht daalt bij de hoogste inkomens, gebaseerd zou zijn op slechts een handvol waarnemingen, zoals Andreas suggereert. Onze analyses steunen op honderden, zelfs duizenden waarnemingen. Het gevonden verband was bovendien statistisch uiterst significant.”

Gezien deze uitspraken me nog nieuwsgieriger maakten naar de gebruikte methode nam ik contact op met professor Annemans met een aantal vragen. Uit zijn antwoord bleek dat de gegevens verzameld zijn door middel van een bevraging, waarbij de respondenten moesten aangeven in welke inkomenscategorie hun gezin zich bevindt (met intervallen van 500 euro). Deze inkomens werden vervolgens genormaliseerd volgens gezinssamenstelling.

De professor schreef ook dat de eigenlijke analyse gebaseerd is op een multivariate regressie, corrigerend voor o.a. leeftijd, geslacht, opleidingsniveau,… waarbij zoals in ander onderzoek de inkomensvariabele ook wordt gekwadrateerd om na te gaan of er inderdaad een kwadratische relatie is. De kwadratische term in de analyse was zeer significant (p-waarde 0.00003), aldus de professor.

Dat riep bij mij weer een aantal bijkomende vragen op. De professor verwijst naar een kwadratische term in de multivariate regressie. Dat betekent echter niet meer dan dat er getest wordt of het inkomen een andere dan een constante, proportionele relatie met levenstevredenheid heeft (in jargon: is de relatie lineair of niet). Uit ander onderzoek weten we immers dat de levenstevredenheid inderdaad stijgt met het inkomen, maar dat die stijging niet in dezelfde mate blijft toenemen, naarmate men een hoger inkomen heeft. Er is dus geen constant stijgende levenstevredenheid naarmate het inkomen toeneemt (het verband is niet lineair).

Om een rekenvoorbeeld te geven: stel dat we vaststellen dat als het inkomen van 2000 naar 2500 euro stijgt, de levenstevredenheid gemiddeld gezien stijgt van 6 naar 6.5. Dat betekent dat een stijging van 500 euro leidt tot een stijging van 0.5 punt op de schaal van de levenstevredenheid. De vraag is dan in welke mate de levenstevredenheid stijgt als het inkomen verder stijgt van 2500 naar 3000 euro en verder naar 3500, 4000,…. Als de levenstevredenheid dan ook stijgt van 6.5 naar 7, en verder naar 7.5, 8,… dan kunnen we stellen dat de relatie tussen inkomen en levenstevredenheid proportioneel (lineair) is. De proporties van de stijging met het inkomen zijn immers gelijk.

Echter, dit is niet wat wordt vastgesteld. Naarmate het inkomen stijgt, stijgt de levenstevredenheid wel nog, maar in mindere mate. Het verband is dus niet proportioneel (lineair) maar iets anders. Om na te gaan of iets wel of niet lineair is kan men een kwadratische term toevoegen.

Als de coëfficiënt bij deze kwadratische term significant is (en in dit geval moet deze negatief zijn om te wijzen op de afnemende stijgingen), dan mag je inderdaad concluderen dat de relatie niet lineair is. Deze statistische significantie geeft dan uitsluitsel dat een kwadratische verband beter is dan een lineaire verband om het verband tussen inkomen en levenstevredenheid weer te geven.

Maar er zijn nog veel andere manieren om te testen of het verband lineair is of niet. Een kwadratische term toevoegen is er maar één van. Zo wordt in dit type onderzoek vaak ook een logaritmisch verband getest. In deze discussie is dat geen wiskundige haarkloverij, maar essentieel. Een kwadratisch verband met een negatief teken bij de kwadratisch term stelt een omgekeerde parabool voor. Dat betekent dat een kwadratisch verband stelt dat de levenstevredenheid bij hogere inkomens terug afneemt, na een maximum bereikt te hebben (= de top van de omgekeerde parabool). De logaritmische functie kent echter geen maximum: die blijft doorstijgen.

De blauwe lijn op de onderstaande figuur toont een kwadratische functie, waarbij het maximum zich op x=3 bevindt. De oranje lijn geeft de logaritmische functie. Deze lijn stijgt in het begin sneller dan op het einde, maar kent geen maximum. De lijn blijft doorstijgen, zij het heel traag.

Een logaritmisch verband geeft dus ook aan dat het verband tussen inkomen en levenstevredenheid niet lineair is (de stijging neemt af bij hogere inkomens), maar waar bij een kwadratisch verband de levenstevredenheid uiteindelijk terug moet afnemen, is dat niet het geval bij een logaritmisch verband. Bij een logaritmisch verband blijft de levenstevredenheid stijgen bij hogere inkomens, hoewel de stijging (veel) minder snel gaat dan bij lagere inkomens. En dat is net de conclusie van een ander onderzoek, van Stevenson en Wolfers uit 2013, namelijk dat er een logaritmische relatie is tussen inkomen en welzijn (“well-being”). De fout die in het Belgische onderzoek dan ook gemaakt is, is dat er op voorhand een bepaalde functionele vorm gekozen is, namelijk een kwadratische functie.

Als je bovenstaande grafiek bekijkt, dan lijkt het bijna onmogelijk dat je je kan vergissen tussen een kwadratisch of logaritmisch verband, omdat het verschil aan de rechterkant van de grafiek overduidelijk wordt. Maar dat verschil is er nagenoeg niet als je enkel de linkerkant van de grafiek bekijkt, met name het gedeelte met de blauwe achtergrond (tot x=3). Dan lijken de logaritmische en kwadratische functie sterk op elkaar.

En dat is net wat er aan de hand is met de gegevens van professor Annemans. In zijn onderzoek vallen bijna alle gegevens in het blauwe gedeelte. De maximale levenstevredenheid wordt immers pas bereikt tussen 4000 en 5000 euro, daarna zou deze afnemen. Maar daarna zijn er slechts een handvol gegevens. Als je enkel een kwadratische functie test met 99,8% van je gegevens die op of vóór het maximum van de kwadratische functie liggen, gelijkaardig aan de blauwe zone in de bovenstaande figuur, dan kan je geen uitsluitsel geven of het nu een kwadratisch of een logaritmisch verband is. Wil je dat wel kunnen, dan moet je veel meer gegevens hebben na de blauwe zone (en boven 5000 euro). Heb je die gegevens niet, dan kan je daar geen uitspraak over doen.

Ik heb deze analyse aan professor Annemans voorgelegd en hij erkende dat ze te snel gekozen hadden voor de kwadratische functie en dat ze ook de logaritmische relatie hadden moeten testen. Hij erkende dan ook dat ze de conclusie niet hadden mogen trekken dat levenstevredenheid afneemt bij hoge inkomens.

Op dat punt zijn we het dus eens en zou en het is belangrijk dat professor Annemans dit erkent. Hij stelde echter dat er geen gebrek aan data is om deze conclusie eventueel te kunnen trekken; er moet gewoon ook nog eens getest worden of de logaritmische functie beter is dan de kwadratische functie. Dat is volgens mij opnieuw een sterk betwijfelbare stelling. Meer nog, ik durf nu al te zeggen dat de data voor de zeer hoge inkomens veel te beperkt zijn om op een wetenschappelijk zinvolle manier uitsluitsel te geven tussen een logaritmische en kwadratische functie. Ik schat dat er immers maar 6 tot 9 datapunten in de inkomenscategorie van 5.000 euro en hoger zitten. Deze zullen geen statistische significante keuze kunnen maken tussen de kwadratische en de logaritmische functie. De enige wetenschappelijk aanvaarde conclusie moet zijn dat we op basis van de gegevens van professor Annemans niet kunnen weten of levenstevredenheid afneemt bij zeer hoge inkomens. Die conclusie is uiteraard minder sexy dan te kunnen stellen dat levenstevredenheid afneemt voor de hoogste inkomens, maar wetenschap is nu eenmaal niet altijd sexy (voor de media).

Tenzij ik iets over het hoofd zie, moet dit dan ook rechtgezet worden.

Meer uitleg over de kwadratische en logaritmische functies en een aantal simulaties vind je onderaan deze tekst.

 

Meer objectiviteit in plaats van meer subjectiviteit

Dat neemt niet weg dat de conclusie juist kán zijn dat de levenstevredenheid afneemt vanaf een zeer hoge inkomen. Maar zelfs als die conclusie correct zou zijn, dan nog is dat geen reden om ons economisch systeem te herdenken om het gelukniveau op te krikken. De reden is eenvoudig: geluk is subjectief. Er zijn mensen te vinden die arm zijn, maar veel gelukkiger dan de rijkeluiszoon die doodongelukkig is omdat hij geen Porsche kreeg voor zijn achttiende verjaardag. Om het geluksniveau dan op te krikken, zou je de arme meer moeten belasten om de Porsche van de rijke te betalen.

Het is een voorbeeld dat geïnspireerd is op het bekende artikel ‘Equality of What?’ van Amartya Sen uit 1979. Sen stelde zich de vraag wat we nu eigenlijk gelijk willen. Hij kwam tot de conclusie dat het niet om geluk (of nut) gaat. Sen stelde dat waar het om draait, is of mensen de mogelijkheid hebben om het goede leven te leiden. Daarvoor heb je een aantal basiscapaciteiten of -functies nodig. En die zaken kan je min of meer objectief vaststellen (hoewel ze in de tijd en tussen landen kunnen verschillen). Het gaat om basisbehoeften zoals voeding, wonen en veiligheid, maar ook over kunnen lezen en schrijven, politiek kunnen deelnemen en, in een maatschappij als de onze, toegang tot internet. Voor Sen is het duidelijk dat een maatschappij pas rechtvaardig is als deze objectieve noden voor elke mens vervuld kunnen worden. Of elke mens er ook daadwerkelijk gelukkig van wordt, is niet de verantwoordelijkheid van de maatschappij, maar van het individu zelf.

Tot slot, er is een andere reden waarom we hoge inkomens meer moeten belasten en lage inkomens minder. Er zijn drie oorzaken waarom mensen rijk zijn en die meestal samen in het spel zijn: erg rijke mensen werken vaak hard, hebben vaak ook veel talent en hebben ook gewoon geluk. Aan die twee laatste factoren heeft de rijke zelf geen verdienste, en daarom is het moreel aanvaardbaar dat we hogere inkomens meer belasten. Maar ook weer niet teveel, of rijke mensen gaan minder hard werken, waardoor je minder kan belasten en herverdelen. Er is dus ergens een optimum. Waar dit optimum ligt, is volgens mij een vraag voor de econoom die zich bezig houdt met de theorie van de optimale belastingstructuur. Voor het herdenken van ons economisch systeem hebben we dus eerder een ‘belastingseconoom’ dan een ‘gelukseconoom’.

 

 

BIJLAGE

Enkele simulaties over het kwadratische of logaritmische verband tussen levenstevredenheid en inkomen

De onderstaande figuur simuleert de relatie tussen inkomen en levenstevredenheid, gegeven dat de laatste 7 datapunten (vanaf 5000 euro) effectief een dalende levenstevredenheid vertonen. In de simulatie is dan rekening gehouden met het aantal datapunten dat er beschikbaar was voor elk inkomensinterval. Het resultaat staat in de onderstaande figuur. Voor 500 euro gaat het om 777 datapunten, voor 1000 euro gaat het om 754, enzovoort. Voor 5000 euro gaat het om 3 datapunten, voor 5500 om 2 datapunten en voor 6000 of meer ook 2 datapunten. Ik heb wat ruis op de datapunten gezet.

Wanneer er een regressieanalyse wordt uitgevoerd op deze datapunten met als verklarende variabelen voor de levenstevredenheid het inkomen en het inkomen in het kwadraat, dan blijkt dat de coëfficiënt van de kwadratische term negatief is en dat dit resultaat zeer significant is.

Je kan op dezelfde data echter ook een logaritmische relatie testen. De coëfficiënt bij de verklarende variabele is positief en ook dit resultaat is zeer significant (met p-waarde = 0). Bovendien blijkt de verklarende kracht van deze functionele vorm zelfs hoger te zijn: de R² voor een logaritmische relatie is 0.644 tegenover 0.628 bij de kwadratische vorm. Dit zou opmerkelijk moeten zijn, omdat we in deze simulatie aannemen dat de levenstevredenheid afneemt bij zeer hoge inkomens. Maar de 3300 datapunten tot 4000 euro volgen eerder een logaritmische functie en overstemmen de 7-8 datapunten van 5000 euro en hoger.

Ik heb ook eens dezelfde simulatie gedaan, maar voor de laatste 7 datapunten (vanaf 5000 euro) heb ik een stijging gesimuleerd: in deze wereld blijft de levenstevredenheid stijgen, ook bij grote inkomens. Met een regressieanalyse met de kwadratische vorm bekom ik opnieuw dat de coëfficiënt bij de kwadratische term significant negatief is.

Deze simulatie toont onweerlegbaar aan dat de conclusie die professor Annemans trekt niet kan getrokken worden op basis van zijn gegevens. De simulatie toont immers dat zelfs bij een sterk stijgende levenstevredenheid, ook bij zeer hoge inkomens, de conclusie van de statistische analyse is dat de coëfficiënt bij de kwadratische term negatief is, en dat dit zeer significant is.

En natuurlijk kan je dit ook met een logaritmische vorm trachten te beschrijven, zoals in onderstaande figuur. De verklaringskracht van de logaritmische functie is -weinig verrassend- ook nu groter dan bij de kwadratische term.

De conclusie is volgens mij duidelijk: op basis van de gegevens die professor Annemans en zijn team verzameld hebben kan je niet zeggen dat de levenstevredenheid daalt bij zeer hoge inkomens.

Een alternatief voor de Bruulparking in Leuven

In een vorige blogpost probeerde ik de terugbetalingsperiode te berekenen voor een nieuw te bouwen ondergrondse parking in het centrum van Leuven. De blogpost kreeg wat aandacht, vooral toen bekend werd dat het Leuvense stadsbestuur nog geen business plan heeft opgemaakt en ook geen enkele inschatting van de verwachte opbrengsten en (operationele) kosten van de parking, ook al heeft ze de beslissing al genomen om de parking te bouwen.

Opportuniteitskosten

Het meest opmerkelijke in deze context is ongetwijfeld de uitspraak van huidig schepen Carl Devlies (CD&V) toen hem werd voorgelegd dat er een business plan ontbrak. Hij stelde dat een dergelijk plan niet nodig is voor de nog te bouwen Bruulparking, “omdat we niet van plan zijn om winst te maken. Een business plan is dus totaal overbodig.”

Dat is een zeer opmerkelijke uitspraak voor een politicus die een investeringsdossier wil verdedigen. Een business plan dient immers niet enkel om de eventuele winst te berekenen, maar ook om een inschatting te maken van kosten en inkomsten en om het risico op eventuele grote verliezen te kunnen inschatten. Ook voor een maatschappelijk relevant project (lees: waar er positieve externaliteiten zijn) is dat nodig. Schepen Devlies kan wel stellen dat hij de Leuvense benedenstad wil doen herleven, maar dat kan je op veel verschillende manieren doen. Zo kan je ook een plan bedenken om iedereen die in de Mechelsestraat wil komen winkelen een taxi aan te bieden.. Of waarom niet met een helikopter of via ondergrondse tunnels? Iedereen voelt direct aan dat dit veel te kostelijk zou zijn. Het kostenplaatje doet er dus wel toe. Een business plan is dan ook onontbeerlijk voor dergelijke investeringsprojecten, of je nu winst wil maken of niet.

Diezelfde redenering van opportuniteiten moet je ook toepassen op de financieringskosten. De stad zegt niet te zullen lenen, maar ook dan zijn er financieringskosten. De Bruulparking zou 29 miljoen euro kosten. Door te investeren in een ondergrondse parking, wordt die 29 miljoen euro voor minstens 30 jaar vastgezet. Als je met dat geld overheidsobligaties zou kopen, dan krijg je daar 1.6 procent rente op, een investering met bovendien weinig risico’s. De opportuniteitskost is dan minstens 1.6 procent van 29 miljoen euro of 464.000 euro per jaar. Dit is minstens je financieringskost, ook al leen je niet. Je zou bovendien kunnen redeneren dat een investering in een ondergrondse parking erg risicovol is, gezien je dan de facto een weddenschap aangaat tegen de zelfrijdende auto. Een investering die risicovol is, vereist dan ook een hogere rentevoet. Stel dat je genoegen neemt met 5 procent per jaar, dan loopt de opportuniteitskost van de financiering op tot bijna 1.5 miljoen euro per jaar.

Alternatief

Voor dergelijke investeringsprojecten is het eveneens belangrijk om te bekijken of er alternatieven zijn. De doelstelling van de politiek is immers niet de ondergrondse parking op zich, maar om de middenstand en de Leuvense benedenstad beter toegankelijk te maken.

Dat alternatief zou wel eens vrij eenvoudig en veel goedkoper kunnen zijn, gezien er een nieuwe parking aan de Vaartkom is, op 1 kilometer wandelafstand van het centrum. Het is een parking met 1000 parkeerplaatsen die in dienst genomen is in 2015. De bezettingsgraad van de parking is echter laag. De onderstaande figuur geeft het aantal uitritten volgens parkeerduur voor de maand april 2018. De parking wordt vooral gebruikt door auto’s die minder dan één uur parkeren.

Op basis van de gegevens uit de figuur kan het totaal aantal parkeeruren geschat worden. Voor april 2018 komt dit neer op 77.000 parkeeruren. April 2018 kent 24*30 = 720 uren, dus waren er gemiddeld 107 auto’s aanwezig per uur. Indien we aannemen dat een parking enkel overdag wordt gebruikt (bijvoorbeeld van 7u tot 19u, dus 12u per dag in plaats van 24u), dan verdubbelt het gemiddeld aantal auto’s per uur naar 214. Op een totaal van 1000 plaatsen resulteert dat in een gemiddelde bezettingsgraad overdag van 21,4 procent.

uitrittenVaartkomApril2018

De gemiddelde bezettingsgraad overdag is nog geen kwart van het totaal aantal plaatsen, wat betekent dat er gemiddeld meer dan 750 parkeerplaatsen onbenut. Dat is ruim voldoende om het niet bouwen van de Bruulparking, voorzien voor 600 plaatsen, op te vangen.

Het alternatief in de plaats van een nieuwe ondergrondse parking is dan evident. Met een shuttle bus ben je op 5 minuten van de Vaartparking in het centrum, waardoor je met 3 shuttles een aanbod om de 5 minuten kan doen. Het is een werkwijze die Mechelen al sinds een aantal jaren toepast met de gratis Shopping Shuttle. Om de vijf minuten vertrekt er een shuttle om twee randparkings te verbinden met het centrum, een traject dat iets langer is dan nodig zou zijn voor Leuven (er zijn dan ook vier shuttles). De shuttle rijdt enkel zaterdag en op een paar speciale dagen, zoals koopzondagen. De stad Mechelen zou hiervoor 80.000 euro in de jaarlijkse begroting inschrijven. Dat is nog geen 0.3% van de totale investeringskost en slechts 15 procent van de jaarlijkse financieringskost voor de nieuwe Bruulparking.

Tot slot

Tot slot, ik ben geen verkeersdeskundige. Ik weet dus niet of de nieuwe Bruulparking vanuit verkeerskundig oogpunt het beste project is. Maar ik weet wel dat je voor dergelijke investeringen rekening moet houden met eventuele alternatieven en met opportuniteitskosten. En er moet op zijn minst een inschatting gemaakt worden van de kosten en de opbrengsten (via een business plan). Kosten en alternatieven doen er toe, ook als je geen winst wil maken. Doordat de stad Leuven dat blijkbaar onnodig vindt, kan je onmogelijk zeggen dat dit een goed doordacht plan is. Voor een dergelijk groot project is dat onaanvaardbaar.

 

Naschrift

Ik ben op de middag van 5 mei, een zonnige zaterdag, een kijkje gaan nemen in parking de Vaartkom om de bezettingsgraad in te schatten. Deze eenmalige steekproef bevestigt de bovenstaande bezettingsgraad. Hieronder de foto’s die ik toen genomen heb.

Inrit Vaartkom. Opmerkelijk: geen aanduiding dat je met je ticket gratis de bus kan nemen naar het centrum.

tariefblad

Eerste verdieping: 150 plaatsen, naar schatting meer dan halfvol.

eerste verdieping

Tweede verdieping: 150 plaatsen, 7 auto’s.

tweede verdieping (2)

Derde verdieping: 150 plaatsen, 1 auto.

derde verdieping (2)

Vierde verdieping: 150 plaatsen, 0 auto’s

vierde verdieping

Kelderverdieping -1 (Lidl): was goed gevuld

kelder -1 (2)

Kelderverdieping -2: 60 plaatsen (schatting): 2 auto’s

kelder -2 (2)

Er staat nergens aangeduid hoe je een bus naar het centrum moet nemen, noch dat je parkeerticket geldt als busticket.

Google Maps toonde me de onderstaande mogelijkheden om tot in het centrum te raken (Vismarkt). Met de auto kan het in 5 minuten. Te voet is het 13 minuten. Met het openbaar vervoer minstens 12 minuten, waarvan telkens 7 minuten te voet naar de bushalte.

Hier is heel wat ruimte voor verbetering.

google maps

 

Een economische analyse van een nieuwe ondergrondse parking in Leuven

Op 2 mei 2018 is het testproject met een zelfrijdende auto in Leuven voorgesteld. Het is een prima gelegenheid voor het Leuvense stadsbestuur om de investeringsbeslissing in de ondergrondse Bruulparking te herbekijken.

Het huidig stadsbestuur van Leuven plant een nieuwe ondergrondse parking in centrum Leuven. De plannen liggen klaar en voorzien een parking tot 600 nieuwe wagens onder het huidige park De Bruul.

Het project zou onder meer de middenstand in het Leuvense centrum moeten ondersteunen, maar buurtbewoners zijn een tegenactie gestart onder de naam “De Bruul Brult” om de nieuwe ondergrondse parking tegen te houden.

De actiegroep heeft me gecontacteerd om hun zaak te ondersteunen gezien ik eerder al twijfels uitte over een dergelijke, grote parking (zie deze blogpost uit 2014). Mijn twijfels in die eerdere blogpost zijn gebaseerd op het economisch nut van een nieuwe grote ondergrondse parking in het midden van een centrumstad, gezien de komst van de zelfrijdende auto. Het was in 2014 al duidelijk dat het niet de vraag is of de zelfrijdende auto er zal komen, maar wel wanneer.

De belangrijkste impact van de zelfrijdende auto zal wellicht op de verkeersveiligheid zijn. Veruit de meeste ongevallen gebeuren door een menselijke fout, zoals verstrooidheid, snelheid of dronken rijden. Dat heb je niet met een zelfrijdende auto. Een ander belangrijk direct effect is de verhoogde mobiliteit van ouderen en jongeren.

In de context van een ondergrondse parking is de impact van de zelfrijdende auto op de nood aan autoparking evident: die nood zal fors verminderen door de zelfrijdende auto. Zelfrijdende auto’s zullen immers veel makkelijker gedeeld kunnen worden en kunnen zich na de spits buiten de stad gaan parkeren, waar oppervlakte en overlast minder duur is.

Hoewel Uber het imago van de zelfrijdende auto recent een deuk bezorgde, is het duidelijk dat de zelfrijdende auto nog sneller operationeel zal zijn dan ik in 2014 dacht. Zo kondigde Waymo, een deel van Google dat de zelfrijdende auto ontwikkelt, aan dat het in Phoenix, een stad in Arizona, in 2018 zal starten met een commercieel project van zelfrijdende taxi’s. Belangrijk element is dat in deze zogenaamde robottaxi’s geen menselijke chauffeur meer zou zitten die eventueel kan overnemen indien nodig. Google acht zichzelf anno 2018 dus klaar om een volledig zelfrijdende auto in te zetten. En Google is niet de enige. General Motors heeft van de ontwikkeling van de zelfrijdende auto een speerpunt van haar strategie gemaakt. Ze is op relatief korte tijd de eerste achtervolger op marktleider Google.

De innovatiestrijd tussen Google en GM is ook af te leiden uit de data die testrijders van de zelfrijdende auto publiceren, op vraag van de Californische overheid. De onderstaande grafiek geeft de evolutie per maand van het aantal keer dat een menselijke rijder moest tussenkomen (“disengagements”) tussen december 2016 en november 2017. De data moeten voorzichtig geïnterpreteerd worden, omdat het niet duidelijk is onder welke (weers)omstandigheden de zelfrijdende kilometers gereden zijn, maar het geeft toch een indicatie van de evolutie die GM en Google maken. Zo moesten de zelfrijdende auto’s van Google de laatste maand (november 2017) op 49.100 gereden kilometer slechts één keer tussen komen (of 0.2 overnames per 10.000 gereden kilometers). GM reed 29.800 kilometer met 4 overnames (of 1.3 overnames per 10.000 gereden kilometers).

disengagements

Deze cijfers en het feit dat Google al dit jaar een zelfrijdende taxi commercieel zal inzetten, zou het Leuvense stadsbestuur moeten aanzetten om haar investeringsbeslissing in een grote ondergrondse parking onder het Bruulpark te herbekijken. We staan immers aan de vooravond van een nieuwe revolutie in de mobiliteit. Een revolutie waar overigens ook de stad Leuven zelf aan meewerkt: op 2 mei werd immers een testproject met zelfrijdende auto in Leuven voorgesteld. De wagen is al te bewonderen geweest in het Leuvense centrum.

Dit alles betekent niet dat we binnen een paar jaren met zijn allen in het bezit zullen zijn van een zelfrijdende auto. Maar een ondergrondse parking bouw je niet voor een paar jaar, maar voor verschillende decennia. Alleen al tijdens de periode van de bouw van de ondergrondse parking zal de zelfrijdende auto enorme vooruitgang maken.

De vraag is dus in welke mate het nuttig is om nu een ondergrondse parking te bouwen in de wetenschap dat er binnen 5, 10 of 15 jaar overal te lande zelfrijdende auto’s rondrijden. Of in de wetenschap dat je nu al relatief goedkope zelfrijdende shuttles, die steeds hetzelfde traject doen, kan inzetten. Met de zelfrijdende auto/shuttle is er nu of op zijn minst in de zeer nabije toekomst een valabel alternatief.

Kortom, langs de ene kant steunt het Leuvens stadsbestuur terecht een testproject van zelfrijdende auto’s in Leuven. Langs de andere kant wil ze tientallen miljoenen euro’s investeren in een project dat nauwelijks nog een nut heeft als de zelfrijdende auto er daadwerkelijk is. Dat is geen consequente politiek.

Business Plan

Om de bovenstaande kritiek te kwantificeren moet de rendabiliteit van de ondergrondse bruulparking berekend worden. Dat kan eenvoudig door het business plan van de stad Leuven op te vragen en na te gaan hoe degelijk dat plan is. Gebruik makend van de wet op de openbaarheid van bestuur heb ik dan ook het business plan van de bruulparking opgevraagd bij de stad Leuven. Echter, tot mijn verbazing heeft het Leuvens stadbestuur nooit een business plan opgesteld. Inderdaad, voor een project van 22-29 miljoen euro (zie infra), dus een kost van ongeveer 1000 euro per modaal gezin in Leuven, blijkt de stad géén business plan opgesteld te hebben. Dit is moeilijk te aanvaarden.

De afrekening

De stad heeft me dan wel enkele andere cijfers bezorgd die ik in de berekening hieronder zal gebruiken. Ik heb ook aan de actiegroep “De Bruul Brult” gevraagd wat zij van de cijfers vinden en heb dat in mijn analyse meegenomen. Ik heb vervolgens zowel de actiegroep als het Leuvens stadsbestuur om een reactie gevraagd op de gebruikte cijfers.

Het grootste verschil in de cijfers van de actiegroep en de stad zit in de investeringskost. Stad Leuven zegt dat dit 22 miljoen euro is. De actiegroep “De Bruul Brult” beweert dat in een recente Leuvense gemeenteraad het cijfer van 29 miljoen euro gegeven is. Ik reken hierna met het tweede cijfer, waar ik ook BTW bijtel (stad Leuven heeft op mijn vraag of ze BTW moeten betalen geen antwoord gegeven). Dat geeft een investeringskost van 35 miljoen euro.

Gezien de stad geen schattingen heeft van de kostprijs of de verwachte bezettingsgraad, heb ik zelf een aantal aannames moeten doen. Zo ga ik uit van 500 wagens en een gemiddelde bezettingsgraad van 50% tijdens de piekuren. De parkeerprijs bedraagt 2 euro per wagen per uur en volgt de inflatie (2% per jaar). Er zijn 12 piekuren tijdens zes dagen per week (maandag tot zaterdag). De operationele kosten (personeel, onderhoud, verzekeringen, herstellingen, energiekosten,…) zijn de helft van de inkomsten en volgen dus ook de inflatie. De financieringskost wordt verondersteld 2 procent per jaar te zijn (de intrestvoet van de lening of de opportuniteitskost indien het uit eigen middelen gefinancierd wordt).

Met bovenstaande assumpties wordt de ondergrondse bruulparking terugbetaald na 38 jaar. Dat betekent dat, uitgaande van de indienstneming in 2020, de parking pas zal terugbetaald zijn in 2058. Als de financieringskost daalt naar 1 procent, dan verlaagt de terugbetalingsperiode naar 32 jaar (of terugbetaald in het jaar 2052). Als de financieringskost stijgt naar 3% dan stijgt de terugbetalingsperiode naar 48 jaar (of het jaar 2068). Als de bezettingsgraad verhoogt naar 60 procent, dan is de parking terugbetaald na 32 jaar (of het jaar 2052). Met een bezettingsgraad van 40 procent wordt dat 48 jaar (of het jaar 2068).

Het zou kunnen dat de stad beslist om de parkeerprijs laag te houden, om zo extra auto’s aan te trekken. Op die manier kan de stad het succes van haar beleid trachten aan te tonen. Als de parkeerprijs de inflatie dus maar voor de helft volgt (dus geen 2% stijging van de ticketprijs, maar slechts 1%), dan wordt de terugbetalingstermijn 48 jaar (of het jaar 2067).

Het mag duidelijk zijn dat volgens bovenstaande aannames de bruulparking pas zal terugbetaald zijn tussen het jaar 2052 en 2068 (32 tot 48 jaar). Men moet zich ernstig de vraag stellen of dit nog wel een rendabel project kan zijn met een dergelijke lange terugbetalingstermijn, te meer omdat de zelfrijdende auto echt niet zo lang op zich zal laten wachten.

Stad Leuven kan beweren dat de indirecte positieve effecten, zoals bijvoorbeeld op de middenstand in het centrum, de terugbetalingsperiode sterk inkorten. Dat is best mogelijk, maar dan moet ze die indirecte effecten ook becijferen en moet ze niet alleen de positieve, maar ook de negatieve indirecte effecten meerekenen. Met andere woorden, de stad Leuven moet dan een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitvoeren, waar het business plan dan een onderdeel van uitmaakt. Dat is er echter niet.

Besluit

De lange terugbetalingsperiode over meerdere decennia (32 tot 48 jaar) voor de ondergrondse bruulparking zou de stad Leuven moeten doen nadenken over de wenselijkheid van het project. Bovendien is de kans groot dat de komst van de zelfrijdende auto de nood aan parking reeds binnen vijf à tien jaar sterk doet afnemen en de extra ondergrondse parking overbodig maakt. Ten slotte tonen vele innovatieve projecten rond zelfrijdende mobiliteit, zoals ook in Leuven, waar de stad Leuven terecht aan meewerkt, dat er nu of in de zeer nabije toekomst reeds alternatieven aanwezig zijn, zoals zelfrijdende shuttles tussen de rand van de stad en het centrum van Leuven.

Deze tekst werd voor feedback over de gebruikte cijfers voorgelegd aan de actiegroep “De Bruul Brult” en aan de Leuvense schepenen Mohamed Ridouani (sp.a) en Carl Devlies (CD&V). De actiegroep reageerde en bevestigde de gebruikte cijfers (hoewel ze aangeven dat de investeringskost wellicht een onderschatting is). Van de schepenen heb ik geen reactie mogen ontvangen.

Hogere erfbelastingen : rechtvaardig, efficiënt en erg onpopulair

Sp.a lanceerde deze week een voorstel om de erfbelasting te hervormen. De partij wil dat iedereen een belastingvrije som van 250.000 euro krijgt. Dat is niet per erfenis, maar geldt voor alles wat je in totaal in je leven erft of geschonken krijgt. Alles erboven wordt dan tegen oplopende tarieven belast. Sp.a wil op die manier de ongelijkheid verminderen.

Voor heel wat economen en filosofen is het zonneklaar: erfenissen hebben een grote impact op de instandhouding van de ongelijkheid, vooral omdat erfenissen erg groot kunnen zijn. Bovendien heeft de ontvanger van een erfenis hieraan geen enkele verdienste. Het is dus rechtvaardig om erfenissen sterk te belasten.

Een hogere erfbelasting is ook efficiënt, omdat je hierdoor de lasten op arbeid navenant kan verlagen. Nu wordt er gemiddeld 12% belastingen betaald op erfenissen, terwijl dat op arbeid dubbel zoveel is, zonder dan nog rekening te houden met de hoge socialezekerheidsbijdragen die op het arbeidsinkomen betaald worden.

Hogere erfbelastingen zijn voor de meeste experts dus een evidentie. Het contrast met de publieke opinie is enorm, die hiertegen sterk gekant is. Dat valt deels te verklaren doordat hogere erfenisbelastingen vaak geïsoleerd voorgesteld worden. Maar elk voorstel voor een hogere erfbelasting zou budgetneutraal moeten zijn voor de overheid. Dat betekent dat de hogere erfbelastingen toelaten om elders de belastingen te verlagen, zoals bijvoorbeeld de arbeidslasten. Dan moeten zij die werken voor hun welvaart minder betalen, en zij die het in de schoot geworpen krijgen meer. Dat zou de tegenstand al wat moeten doen afbrokkelen.

Maar de voornaamste reden voor de sterke tegenstand tegen hogere erfbelastingen is volgens mij dat economen en filosofen de maatschappij als een geheel van individuen bekijken. Ouders hebben hier een fundamenteel andere kijk op. Voor de meeste ouders is het welzijn van hun kinderen minstens zo belangrijk als het eigen welzijn. De individuele kijk van economen en filosofen op de ouder-kind-relatie (en andere relaties) botst daarmee.

Het is dan ook politiek onhaalbaar om tegen deze sterke oudergevoelens in te gaan. Sp.a lost dit goed op door een belastingvrij minimum voor het leven voor te stellen, dat bovendien hoog ligt. Ouders kunnen met dit voorstel meer dan gerust zijn: je zal je kinderen belastingvrij ruim kunnen helpen.

De vraag is hoe hoog de belastingvrije som moet zijn, evenals de progressieve tarieven die je boven die som betaalt. Een belastingvrije som van 250.000 euro zou kunnen leiden tot lagere inkomsten uit de erfbelasting. In dat geval kan je de arbeidslasten niet verlagen, integendeel! Dat kan niet de bedoeling zijn en dan moet de belastingvrije som omlaag of moeten de progressieve tarieven die je erboven betaalt naar omhoog. Of een combinatie van beiden.

Ten slotte is er bij elke belasting ook de vraag hoe het ontwijkingsgedrag kan vermeden worden. Vooral bij grote erfenissen is dat een uitdaging. Dat is nu ook al het geval, maar bij hogere belastingstarieven boven de belastingvrije som wordt dit nog belangrijker.

Het aanleggen van een vermogenskadaster is een oplossing. Als dat politiek moeilijk ligt, zou men zich kunnen beperken tot het goed opvolgen van de grote vermogens.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk bij De Morgen.

Over een zo rechtvaardig mogelijk asiel- en migratiebeleid

Met de getuigenissen over mishandeling van de door België teruggestuurde Soedanezen staat het asielbeleid opnieuw in het midden van de belangstelling. Het is weinig waarschijnlijk dat Theo Francken zal gedwongen worden ontslag te nemen, omdat niemand de regering wil doen vallen op dit thema. Iedereen vreest immers dat N-VA hier electoraal sterk mee zal scoren.

Die laatste afweging lijkt door niemand gecontesteerd te worden. De gevolgen ervan worden volgens mij echter niet doorgetrokken. Voor elk asiel- en migratiebeleid heb je democratische steun nodig. Internationale rechtsregels worden in binnen- en buitenland creatief ingevuld om toch maar niet electoraal afgerekend te worden.

In deze blogpost argumenteer ik dat het mogelijk is om een rechtvaardiger asiel- en migratiebeleid te voeren zonder de democratische steun te verliezen.

Niet rechtvaardig, maar wel zo rechtvaardig mogelijk

Wereldwijd zijn er ongeveer 60 miljoen mensen op de vlucht. Daarvan zijn er in 2015-2016 minder dan 2 miljoen naar Europa gevlucht. De grootste asiel- en migratiecrisis betrof dus nauwelijks 3% van de vluchtelingen. Het is een keiharde vaststelling: we laten vooral veel mensen die op de vlucht zijn niet toe.

Het is politiek en maatschappelijk onverdedigbaar om de grenzen open te zetten. Pleiten voor een opengrenzenbeleid is dan ook een zeer marginale positie in de publieke opinie. De reden is eenvoudig: het is politieke en maatschappelijke zelfmoord, omdat open grenzen de positie van de insiders (zij die reeds in het Westen wonen) sterk zou verslechteren.

Echter, ethisch is het maar zeer moeilijk te verdedigen om de grenzen niet open te zetten en mensen die hier niet geboren zijn buiten te houden. Waarom zou de plaats van de geboorte bepalen waar je wel en niet mag komen? Waarom heeft een Vlaamse baby veel betere toekomstperspectieven dan een Soedanese baby? Geen van beiden heeft ook maar één verdienste aan de aanwezigheid van een al dan niet goed functionerende staat die al dan niet veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs biedt. De Vlaamse baby heeft simpelweg een winnend lotje getrokken; de Soedanese baby een verliezend lotje. De ene heeft geluk; de andere brute pech.

Dat is ethisch moeilijk aanvaardbaar en het zou logischer zijn om op basis van deze ethische overwegingen te pleiten voor een opengrenzenbeleid. Het punt is echter dat enkel zij die een winnend lotje getrokken hebben het beleid in het Westen bepalen. Een Soedanees heeft hier geen stemrecht. En de insiders in het Westen willen dit natuurlijk zo houden. Het is een te verwachten en rationele behoudsgezinde reactie. Maar ethisch dus moeilijk verdedigbaar.

Geen open grenzen dus. En dus houden we de overgrote meerderheid van de tientallen miljoenen vluchtelingen buiten.

Hoe meer, hoe beter

Ik spreek dan ook bewust over een rechtvaardiger asiel- en migratiebeleid, omdat een asiel- en migratiebeleid dat in absolute zin rechtvaardig is politiek onmogelijk is.

Dat impliceert dat een asiel- en migratiebeleid rechtvaardiger wordt als je meer mensen in België en de rest van het Westen toelaat (ik ga ervan uit dat je ter plaatse de levensomstandigheden niet snel, significant en duurzaam kan verbeteren). En het zullen dus nooit genoeg vluchtelingen zijn die we toelaten om tot een echt volledig rechtvaardig beleid te komen. Maar de perfectie mag niet de vijand van het goede zijn. Dus: hoe meer vluchtelingen we toelaten, hoe beter.

De culturele angst is reëel, ook al is hij onterecht

Dat de insiders geen open grenzen willen is rationeel, ook al leidt het niet tot een ethische uitkomst. Maar het gaat verder dan dat. Zelfs bij een instroom van nog geen 2 miljoen vluchtelingen op twee jaar, wat neerkomt op minder dan 0.4% van de Europese bevolking, duikt het spook op van de culturele angst.

Het is iets wat N-VA goed lijkt begrepen te hebben: veel insiders zijn bang dat de nieuwkomers onze manier van leven gaan aantasten. Nieuwkomers, en zeker nieuwe moslims worden gezien als een bedreiging. Het zou bijvoorbeeld de gelijke behandeling van mannen en vrouwen onder druk kunnen zeten.

En ook al stelt ook de N-VA, bij monde van Bart De Wever in 2015, dat die culturele angst onterecht is, ze is wel reëel.

Het is dus belangrijk om aan de insiders duidelijk te maken dat de nieuwkomers geen bedreiging vormen voor de waarden van onze liberale democratie.

Controle…

De zomer en het najaar van 2015 gelden als de periode van de vluchtelingencrisis. Het was toen crisis, niet omdat er toen veel vluchtelingen waren (die zijn er nu nog), maar omdat er een grote instroom van vluchtelingen naar Europa was die de overheden maar moeilijk konden indammen.

Langs de ene kant was er de Conventie van Génève waardoor je elke vluchteling die gevaar loopt asiel moet geven. Langs de andere kant was er de culturele angst waardoor politici die veel vluchtelingen lieten opvangen dreigden weggestemd te worden.

Er was één belangrijke politica die stand hield: Angela Merkel. Duitsland, zo zei ze, kan deze instroom best wel aan. Wir schaffen das. En gelijk had ze. En gelijk kreeg ze. Ze werd niet weggestemd bij de Duitse federale verkiezingen van afgelopen september.

En toch is ook Merkel moeten bijdraaien. Eerst in 2016 door mee een deal te sluiten met Turkije om de vluchtelingen in Turkije te houden (waardoor de Conventie van Génève intact kon blijven; een knap staaltje van hypocriete realpolitik). Later, in oktober 2017, door een deal te sluiten met de zusterpartij CSU om een maximum instroom vast te leggen van 200.000 vluchtelingen per jaar. Een bovengrens die wel flexibel is, omdat ze kan verhoogd worden naargelang de internationale ontwikkelingen.

Het ordewoord is dus controle. Overheden moeten aan hun burgers tonen dat ze de situatie onder controle hebben. En de rechtsregels kunnen enkel verzoend worden met de democratische realiteit door een deal te sluiten met Erdogan.

…en selectie

Dat er een bovengrens aan de instroom wordt gesteld is een logisch gevolg van de culturele angst, ook al is die angst grotendeels onterecht.

Sommige opiniemakers vinden dat de politiek hier capituleert. Politici moeten leiderschap tonen in plaats van de bevolking naar de mond te praten. En dus zouden de politici moeten ingaan tegen hun burgers en hen uitleggen dat de culturele angst onterecht is.

Maar politici werken in een hoogst competitieve omgeving. Als de ene politicus de politieke moed toont om te zeggen dat de culturele angst schromelijk overdreven is, met de cijfers bij de hand, dan zal er rechts van hem een politicus opstaan die stelt dat dat naïef en wereldvreemd is. Want er zijn inderdaad voorbeelden te vinden die de culturele angst voeden, ook al is dat vaak anekdotisch. De moedige politicus belandt vervolgens op het politieke kerkhof. Zelfs de onaantastbaar gewaande Merkel heeft moeten plooien.

Het werkt dus niet als de politicus zegt dat de culturele angst onterecht is. Hij moet tonen dat hij de culturele angst begrepen heeft en er een antwoord op biedt. Theo Francken lijkt dat goed begrepen te hebben. Recent maakte hij bekend dat hij 150 humanitaire visa geeft aan Syrische vluchtelingen. De vluchtelingen zijn geselecteerd op hun “kwetsbaarheid”, namelijk gezinnen met kinderen, ouderen of mensen met een bijzondere medische problematiek. Bovendien zijn er verschillende geloofsgemeenschappen die zich zullen inzetten voor de opvang van deze vluchtelingen. Ze zullen niet aan hun lot overgelaten worden. Ten slotte zullen ze via het vliegtuig naar België komen, in plaats van een gevaarlijke overtocht te wagen in handen van mensensmokkelaars.

Hier wordt getoond dat de overheid de zaak onder controle heeft, omdat ze zelf selecteert. Bovendien gaat het om profielen die de culturele angst niet of veel minder aanwakkeren: gezinnen met kinderen, ouderen en zieken. Dus niet de 20-jarige alleenstaande man die wel de gevaarlijke overtocht durfde aan te gaan.

Een dergelijke selectie zou ook nog een tweede stap kunnen bevatten. Nadat de kwetsbare vluchtelingen zijn geïdentificeerd, zou binnen die groep moeten geselecteerd worden op integreerbaarheid. Daar kunnen verschillende criteria voor toegepast worden, zoals leeftijd en opleiding. Maar de overheid zou ook moeten selecteren op de overtuiging van de nieuwkomer ten aanzien van de waarden van de liberale democratie, zoals gelijkheid van man en vrouw, tolerantie ten aanzien van andersdenkenden en vrijheid van meningsuiting. Een neutrale staat mag actief de immigratie sturen.

Gezien er in de wereld 60 miljoen vluchtelingen zijn is er een overaanbod van kwetsbare vluchtelingen. Als er binnen die groep de best te integreren kwetsbare vluchtelingen geselecteerd worden zal de culturele angst bestreden worden.

Opnieuw: meer is beter

Ook al stelt Francken dat hij 8 keer meer humanitaire visa aflevert dan de vorige federale regering, toch is 150 vluchtelingen maar een schijntje. Als blijkt dat de opvang en integratie van de vluchtelingen vlot verloopt, is er geen enkele reden om de aantallen niet op te drijven tot tienduizenden per jaar, waarbij de selectiecriteria aangepast worden op basis van de opgedane ervaring.

Niets doen kan ook immoreel zijn

De focus van de kritiek ligt nu echter op het terugkeerbeleid (en eigenlijk is die al verschoven naar de politieke vraag of er gelogen is of niet en of er daarvoor ontslag genomen moet worden of niet). Ik denk dat de oppositie consequent is in haar kritiek op dit terugkeerbeleid. Ik denk echter ook dat het verhogen van het aantal vluchtelingen meer aandacht verdient. Dat is volgens mij het grootste onderbelichte mankement van het huidige asiel- en migratiebeleid.

Tienduizenden mensen per jaar niet helpen terwijl je dat wel zou kunnen is volgens mij dan ook erger dan het terugkeerbeleid naar een dictatoriaal regime waarbij je als overheid onvoldoende geverifieerd hebt of er niet mishandeld of gefolterd wordt. Het ene krijgt terecht aandacht, het andere onterecht niet.

UPDATE (3/1/2018)

De voorbije week is het erg onrustig in Iran. Duizenden mensen protesteren tegen het islamitisch regime. Honderden zullen wellicht opgepakt en vervolgd worden. Velen anderen zullen willen vluchten. Mijn vraag: zou het onze liberale democratie niet net versterken als we dergelijke vluchtelingen makkelijker opnemen? Je hoeft het niet over alles met haar eens te zijn, maar Darya Safai, een Iraanse vrouw die rond 2000 naar België vluchtte, lijkt me een uitstekend antwoord op deze vraag.

Paars begrotingsbeleid helpt vandaag de vergrijzing te betalen

Vorige week kwamen de sale-and-lease-back operaties van de paars regeringen (1999-2007) terug in het nieuws. Onder die operaties verkocht de overheid haar gebouwen om ze onmiddellijk terug te huren.

Er kan terecht kritiek gegeven worden op deze en andere eenmalige maatregelen onder paars. Ze hadden echter slechts een marginale impact op de sterke schuldreductie onder paars. Tussen 1999 en 2007 daalde die met 27 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Mijn stelling is dan ook dat, ondanks de eenmalige maatregelen, het begrotingsparcours van paars goed tot zeer goed was.

Ieder keer dat ik die stelling verdedig, merk ik dat ze werkt als een rode lap op een stier bij de critici van de paarse regeringen, waarvan sommigen een carrière lijken opgebouwd te hebben op het discours hoe verschrikkelijk onverantwoord de paarse begrotingen wel waren. De harde cijfers én het oordeel van de Europese Commissie zeggen echter iets anders. Ja, het kon beter, maar globaal gezien geldt de Belgische prestatie tussen 1993 en 2007 als een voorbeeld van forse schuldreductie.

Door die forse schuldreductie onder paars, die begon onder Dehaene, daalden de rentelasten van de overheid van 6,7 procent in 2000 naar 4 procent in 2007. Door de verdere daling van de interest zullen de rentelasten verder dalen naar 2,2 procent in 2019, in totaal een daling met 4,5 procent. Dat is te zien op de bijgaande figuur (grijze balkjes).

tijdpaars

Op die figuur zijn ook de sociale uitgaven te zien, waarbij de uitgaven voor de gezondheidszorg en de pensioenen apart getoond worden. De cijfers komen van de Vergrijzingscommissie. Tussen 2000 en 2019 is er een forste stijging van de sociale uitgaven met 5 procent. Die stijging wordt gedreven door de economische crisis en de lagere economische groei nadien, door de groeinorm in de gezondheidszorg en de hogere pensioenuitgaven.

Maar het is dankzij de dalende rentelasten dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën nauwelijks is aangetast door die stijgende sociale uitgaven. De som van de sociale uitgaven en de rentelasten zal in 2019 nagenoeg gelijk zijn aan 2000. Het paarse begrotingsbeleid heeft onmiskenbaar een belangrijke bijdrage geleverd aan de betaalbaarheid van de vergrijzing vandaag.

Nochtans hebben de paarse regeringen hier maar half werk geleverd. Ze hadden immers niet enkel de begroting op orde moeten zetten, wat dus goed gelukt is, maar ook de pensioenen. Daar heeft paars echter slechts een minieme impact gehad. Tussen 2000 en 2019 zullen de pensioenuitgaven met ruim 2 procent van het BBP gestegen zijn. De Vergrijzingscommissie verwacht dat ze tegen 2040 met nog eens 2 procent zullen stijgen.

In die 2 procent zit trouwens al de verhoging van de pensioenleeftijd meegerekend die deze regering beslist heeft en die in 2025 en 2030 ingaat. Dat had al veel eerder moeten gebeuren. En daar zijn alle vorige regeringen, ook de paarse, schuldig aan.

De stijging van de pensioenuitgaven is moeilijker te beheersen dan vele andere uitgaven. Voor de gezondheidsuitgaven kan de regering eenvoudigweg de reële groeinorm verlagen, wat deze regering ook gedaan heeft. Volgens de Vergrijzingscommissie stijgen de gezondheidskosten na 2019 nog eens met 2 procent van het bbp. Impliciet rekent de Vergrijzingscommissie dan volgens mijn berekeningen met een groeinorm van 2,4 procent. Als die teruggebracht wordt tot 1,5 procent, de huidige groeinorm, dan blijven de gezondheidsuitgaven nagenoeg constant op 8% van het bbp.

De groeinorm in de gezondheidszorg laag houden is dus een gemakkelijkheidsoplossing om de begroting te doen kloppen. Veel moeilijker is het om de werkzaamheidsgraad te verhogen en mensen langer aan het werk te houden. Maar een hogere werkzaamheidsgraad is duidelijk te verkiezen boven het stabiliseren van de gezondheidsuitgaven. Want dat laatste betekent dat de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in het gedrang komt. Dat zou pas onverantwoord zijn.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Drie “waarheden” over het paars begrotingsparcours nader bekeken

De voorbije week was er weer wat commotie rond de sale-and-lease-back-operaties van de paarse regeringen (1999-2007). Bij die operaties werden overheidsgebouwen verkocht en onmiddellijk terug gehuurd.

Dat was genoeg om op Twitter opnieuw een debat te laten losbarsten over het paarse begrotingsbeleid tussen 1999 en 2007.

Mijn stelling is dat het paarse begrotingsbeleid goed tot zeer goed was. Het was ook niet perfect, meer bepaald op het einde van de paarse regeerperiode. Ik schreef er ook een opiniestuk over voor De Morgen.

Om mijn stelling te onderbouwen lijst ik hieronder mijn argumenten nog eens op. Ik doe dat aan de hand van cijfers die ik van Ameco haal, de databank van de Europese Commissie.

Deze blogpost is als volgt opgedeeld. Ik geef eerst wat cijfers die de schuldreductie onder paars weergeven. Vervolgens geef ik data die volgens mij drie zogenaamde “waarheden” moet ontkrachten of nuanceren die vaak over het paarse begrotingsbeleid gezegd worden, met name

  1. de impact van eenmalige maatregelen (zoals sale-and-lease-back),
  2. de zogenaamde hoogconjunctuur onder paars, en
  3. het “opsouperen” van het primair surplus door paars.

De schuldreductie onder paars

In de periode van eind 1999 tot eind 2007 heeft België de schuldratio gereduceerd met 27.5%. Nergens anders in de EU15 is er in die periode een grotere schuldreductie geweest dan in België. De onderstaande figuur toont deze cijfers.

fig1

Het is natuurlijk zo dat landen met een lage schuldgraad geen noodzaak zien om hun schuld sterk te verminderen. De figuur hieronder geeft daarom de schuldratio voor alle landen van EU15 van eind 1999 tot eind 2007. Ook hier blijkt dat België een sterke prestatie aflevert in vergelijking met een aantal andere landen met een hoge schuldratio.

fig2

[Let wel, het is een misvatting te denken dat het voor landen met een hoge schuldratio makkelijker is om de schuldratio te verminderen. Dat is net omgekeerd het geval, omdat een hoge schuldratio vaak samengaat met een hoge rentelast (tenzij de hoge schuldratio het groeipotentieel sterk verhoogd heeft).]

Bovendien, en moeilijker te zien op de bovenstaande figuur, is de kloof met de buurlanden onder paars sterk teruggebracht. Terwijl eind 1999 de schuldration in België nog 54 procent van het BBP hoger was dan in Duitsland en Frankrijk, zakte die kloof eind 2007 tot 23 procent, of een vermindering van de kloof met 31 procent. Ook met het VK zakte de kloof met bijna 30 procent (van 75 tot 45 procent). Met Nederland zakte de kloof ook, maar slechts met zo’n 11 procent (van 56 procent naar 44,5 procent).

fig3

Kortom, onder paars zakte de schuld nergens zo sterk en zakte de kloof met de meeste buurlanden navenant.

 

3 “waarheden” ontkracht of genuanceerd

“Waarheid” 1: zonder de eenmalige paarse begrotingsmaatregelen zou de schuldreductie veel minder geweest zijn

De kritiek op de eenmalige maatregelen onder paars is ondertussen gemeengoed geworden in de Vlaamse publieke opinie. Dát er eenmalige maatregelen werden genomen is op zich niet vreemd: dat werd ook onder de vorige regeringen gedaan. De cruciale vraag is hoeveel eenmalige maatregelen er onder Verhofstadt genomen zijn. Enkel zo kunnen we nagaan of de afbouw van de schuldratio onder Verhofstadt significant werd beïnvloed door eenmalige maatregelen.

Eenmalige maatregelen, zoals de sale-and-lease-back, hebben uiteraard een positieve impact op de begroting. De vraag is hoe groot die impact is. In een blogpost uit 2014 heb ik de eenmalige maatregelen berekend. Ik heb getracht het te herrekenen, maar de data op Ameco die ik daarvoor nodig heb lopen nu maar terug tot 2010. Ik ken de reden hiervoor niet. In 2014 kon ik data terugvinden tot 2003. (er zijn ondertussen ook data over de schuldgraad herzien)

De berekening resulteerde in onderstaande grafiek inzake de grootte van de eenmalige maatregelen tegenover de schuldreductie in dezelfde periode. Hieruit blijkt dat de netto impact van de eenmalige maatregelen (waar overigens ook tegenvallers bijzitten) op de schuldratio miniem is: 1,24 procent van het BBP tegenover een schuldreductie van 20% (de impact is dus ruim minder dan een tiende).

Als er iemand betere cijfers heeft, dan lees ik dat graag.

fig4

Voor alle duidelijkheid: de stelling dat de eenmalige maatregelen een minieme impact hebben op de schuldreductie is niet hetzelfde als het verdedigen van de eenmalige maatregelen.

 

“Waarheid” 2: paars beleefde een hoogconjuctuur en dus was schuldreductie makkelijk

Of een economie het goed doet of niet kan erg bepalend zijn voor de schuldreductie. De schuld wordt immers uitgedrukt in procent van het BBP. Als het BBP sterk groeit, dan is schuldgraad verminderen ook veel makkelijker. Hierbij is het belangrijk op te merken dat de nominale groei moet bekeken worden (dus niet gecorrigeerd voor inflatie).

De grafiek hieronder geeft de jaarlijkse nominale groei van het BBP voor België, evenals een (niet-gewogen) gemiddelde van de EU15 en van de 7 buur- en/of toplanden (NL, DL, FR, VK, DK, ZW, FI). Uit de figuur blijkt dat België vaak minder snel groeit dan het gemiddelde van de beschouwde landen (behalve de eerste drie jaren na de financiële crisis).

fig5

Om relevante periodes beter te kunnen onderscheiden heb ik de gemiddelde nominale groei onder de vier regeerperiodes onder Dehaene en Verhofstadt getoond. Uit deze figuur blijkt dat zeker de eerste paarse regering helemaal geen periode van hoogconjunctuur was, noch in vergelijking met de periodes onder Dehaene, noch in vergelijking met EU15 en de 7 buur- en/of toplanden. Dat is in grote mate veroorzaakt door de dotcom-crisis in 2001. Enkel tijdens de tweede paarse regeringsperiode stijgt de nominale groei sterk, tot net boven 5%. Daarmee deed België het dus beter dan de drie eerdere regeerperiodes maar ten aanzien van de andere Europese landen was het maar gemiddeld.

fig6

 

“Waarheid” 3: paars heeft het primair surplus dat eerder was opgebouwd opgesoupeerd.

Misschien wel de belangrijkste claim van zij die het paars begrotingsbeleid afbranden is de bewering dat onder paars het primair saldo is weggesmolten. Het primair saldo is het begrotingssaldo zonder intrestbetalingen op de overheidsschuld.

De onderstaande grafiek geeft de evolutie van dat primair saldo sinds 1995 voor België, de EU15 (gewogen gemiddelde) en de 7 buur- en/of toplanden (niet gewogen gemiddelde).

fig7

De evolutie is als volgt:

–        Onder Dehaene is het primair saldo met zware saneringen tot boven 6 procent gebracht, ver boven wat de andere beschouwde landen doen.

–        Onder de eerste paarse regering is het primair saldo hoog gehouden tot en met 2002, ondanks de dotcom-crisis. In de andere beschouwde landen zakt het primair saldo door de crisis echter snel weg (tot een half procent in 2003).

–        Pas in 2003 zakt het primair saldo net onder 4 procent om in 2004 terug te stijgen tot 4,6 procent. In de rest van de beschouwde landen blijft het gemiddeld rond 1 procent of lager.

–        In 2005 was het primair saldo initieel 4 procent, maar is dat achteraf door de Europese Commissie herzien naar 1,6 procent omdat de NMBS-schuld (goed voor 2,3 procent van het BBP) door de overheid was overgenomen (een eenmalige tegenvaller voor paars)

–        In 2006 en 2007 blijft het primair saldo op 4 procent. Maar de economie trekt aan, waardoor in de rest van de beschouwde landen het primair saldo wél stijgt, tot gemiddeld boven 3 procent in 2007.

Het is dus duidelijk dat het primair saldo tot 2002 rond 6 procent blijft, waarna het zakt tot rond 4 procent (behalve in 2005 met de eenmalige kost). Het primair saldo blijft ook steeds hoger dan het gemiddelde in de beschouwde landen (weerom behalve in 2005).

Het is pas in 2006 en 2007 dat het primair saldo niet mee stijgt, terwijl dat door de aantrekkende conjunctuur (ook in ons land!) in de andere beschouwde landen wel gebeurt. Hier had paars meer kunnen doen. Maar dat gaat dan over 2 van de 8 jaar, waarvan het laatste jaar een verkiezingsjaar.

Conclusie

Het paarse begrotingsparcours was goed tot zeer goed. Zeer goed, omdat de schuldreductie van 27 procent op 8 jaar tijd, met onderwijl een dotcom-crisis, een zeer sterke prestatie is. Goed, omdat op het einde duidelijk is dat paars wel degelijk meer had kunnen doen. Dat zou extra schuldreductie opgeleverd hebben. Echter onvoldoende volgens mij om een slecht rapport te geven.

En dat was ook het oordeel van de Europese Commissie. In maart 2007 had de Commissie een aantal opmerkingen op het ingediende begrotingsplan voor de komende jaren. Maar globaal genomen prees ze België voor haar begrotingsparcours. De Commissie schreef letterlijk: Overall, the continued and significant reduction of the high debt stock provides an example of fiscal policies conducted in compliance with the Pact.”

Dure eenpersoonskamers zijn geen prioriteit in de gezondheidszorg

Vorige week publiceerde deze krant een aantal resultaten van de jaarlijkse ziekenhuisbarometer van de Socialistische Mutualiteiten. Uit de studie blijkt dat de ziekenhuisfactuur dat de patiënt zelf moet betalen sterk blijft stijgen indien de patiënt voor een eenpersoonskamer kiest. In 2016 was de extra kost al opgelopen tot gemiddeld 147 procent bovenop het vastgelegde tarief. In Wallonië en zeker in Brussel is dat nog een pak hoger.

De Socialistische Mutualiteiten bepleiten een plafonnering van de extra kostprijs voor de eenpersoonskamer. Dat betekent minder inkomsten voor het ziekenhuis. Dat zou dan moeten gecompenseerd worden via een fonds.

En daar wringt het schoentje, natuurlijk. Niemand ontkent dat een eenpersoonskamer veel aangenamer is om in te verblijven. En het lijkt zeer sympathiek om ervoor te ijveren dat iedereen zonder al te veel extra kosten in een eenpersoonskamer kan verblijven. Maar is het wel aangewezen om hier zoveel aandacht aan te geven? Zijn de steeds duurdere eenpersoonskamers werkelijk prioritair?

Ik denk het niet. Ten eerste kiest slechts ongeveer 20 procent van de patiënten bij een klassieke opname voor een eenpersoonskamer. Ondanks de stijging van de kostprijs van een eenpersoonskamer is dat aandeel min of meer stabiel gebleven.

Ten tweede krijgt een patiënt die het medisch nodig heeft nu reeds een eenpersoonskamer toegewezen tegen de kostprijs van een tweepersoonskamer. Met andere woorden, ook zij die het niet kunnen of willen betalen krijgen een eenpersoonskamer indien nodig.

Ten slotte, en dat komt in de recente discussie niet naar boven, zijn de kosten voor de patiënt die kiest voor een tweepersoonskamer in reële termen sterk gedaald. Uit cijfers van de ziekenhuisbarometer van de Christelijke Mutualiteiten van vorig jaar blijkt dat een tweepersoonskamer ongeveer 277 euro kostte in 2015 tegenover 382 euro in 2004. Dat is een daling met 27,5 procent. Een ziekenhuisopname is dus voor vier op de vijf patiënten fors goedkoper geworden. Dat mag een groot succes genoemd worden.

tijd1pkamer

Die daling is te verklaren doordat kamer- en ereloonsupplementen afgebouwd werden voor twee- of meerpersoonskamers. Ziekenhuizen gingen dat verlies dan compenseren door extra’s aan te rekenen bij de 20 procent patiënten die niet uit medische noodzaak in een eenpersoonskamer liggen, maar uit vrije keuze. Dat is bovendien slechts een zeer gedeeltelijke compensatie, omdat in absolute euro’s de supplementen voor een eenpersoonskamer ongeveer evenveel stegen als ze daalden voor de tweepersoonskamer, terwijl er vier keer meer mensen voor een tweepersoonskamer kiezen.

Duurdere eenpersoonskamers zijn dus niet de grote uitdaging in de gezondheidzorg. Het is een erg zichtbare trend, maar het zorgt voor een solidariteit die de meer kapitaalkrachtigen blijkbaar willen dragen, ook omdat ze er meer comfort en privacy bijkrijgen.

Het verlies aan inkomsten van een eventuele verlaging van de supplementen wil de Socialistische Mutualiteiten laten compenseren door een fonds. Ik heb de grootste moeite met deze redenering. Er heerst immers een steeds grotere schaarste in de gezondheidszorg door de toenemende technologische innovatie. Als er extra geld kan vrijgemaakt worden voor de gezondheidszorg dan is de prioriteit niet om dit te besteden aan goedkopere eenpersoonskamers voor 20 procent van de patiënten.

Technologische innovatie zorgt ervoor dat meer mensen kunnen geholpen worden met nieuwe geneesmiddelen en ingrepen. De grote uitdaging van de toekomst is om voldoende geld te vinden opdat die innovatie toegankelijk en betaalbaar blijft voor iedereen. Die uitdaging is echter minder zichtbaar, omdat patiënten het vaak niet zullen weten als er in de toekomst een bepaalde nieuwe ingreep of geneesmiddel niet of trager terugbetaald wordt. Het is ethisch immers niet evident om een therapie aan te bieden die niet terugbetaald wordt. Ook al gaat het soms om leven en dood. De problematiek van de toegankelijkheid en betaalbaarheid heeft de perceptie dus niet mee, omdat de omvang van het probleem minder duidelijk is voor de patiënt. Maar beleid voeren op perceptie is zelden in het voordeel van de patiënt. Die wil vooral genezen.

Deze tekst verscheen eerst als column in DeTijd.

Vlaktaks van 30 procent is cadeau voor hoogste inkomens

Open VLD publiceerde vorige week hun voorstellen voor het partijcongres van eind november. Een voorstel dat in het oog springt is een vlaktaks van 30 procent voor de inkomensbelasting. Open VLD zou de vlaktaks combineren met een verhoogde belastingvrije som, zonder deze te specifiëren. De vlaktaks zou in de plaats moeten komen van het huidige systeem waarbij de tarieven gestaag oplopen tot 50% voor een netto belastbaar inkomen boven 38.000 euro. Let wel, zowel de vlaktaks als het huidige systeem werken met marginale tarieven. Dat betekent dat je bijvoorbeeld in het huidige systeem enkel 50 procent betaalt op het deel dat boven 38.000 euro ligt. Voor het deel onder 38.000 euro betaal je minder belastingen. Je totale inkomensbelasting kan dus nooit hoger zijn dan 50 procent.

Het bestaande systeem, met haar oplopende marginale tarieven, leidt tot een progressieve belasting: de hoogste inkomens betalen effectief ook het hoogste tarief. Concreet betaalden in 2015 de laagste tien procent inkomens niets (ze kregen zelfs iets terug), terwijl de hoogste tien procent gemiddeld bijna 34 procent inkomensbelastingen betaalt. De rest zit daar tussen. Dus ondanks de veelheid aan bestaande aftrekken en belastingverminderingen wordt het progressieve karakter van de inkomensbelasting goed behouden. De reden is dat hogere inkomens weliswaar meer profiteren van de belastingverminderingen, maar dat ook middeninkomens er vaak baat bij hebben. Belangrijke verminderingen gaan immers over kinderen en het huwelijksquotiënt.

Met een vlaktaks van 30 procent, gecombineerd met een belastingvrije som, wordt de progressiviteit van de inkomensbelasting sterk verminderd. Als de inkomensbelasting budgetneutraal moet zijn, dan kan dit nagenoeg enkel als alle huidige belastingverminderingen worden afgeschaft en kan je maar een belastingvrije som van 5300 euro toekennen. Dat is gevoelig lager dan nu.

Dat is eenvoudig te simuleren met de publiek beschikbare Mefisto-rekentool die professor André Decoster (KU Leuven) en zijn onderzoeksteam hebben ontwikkeld. Deze tool simuleert niet enkel de impact op de totale belastinginkomens, maar ook de impact op het netto gezinsinkomen, per inkomensniveau. De resultaten voor de budgetneutrale vlaktaks zijn te zien op de bijgaande figuur (blauwe balkjes). Uit deze figuur blijkt duidelijk dat een budgetneutrale vlaktaks van 30 procent een cadeau is aan de 20 procent hoogste inkomens, gefinancierd door de rest.

tijdvlaktaks

Maar voor Open VLD mag de hervorming van de inkomensbelasting niet budgetneutraal zijn. Ze wil het overheidsbeslag, dat tegen 2019 zal gedaald zijn naar 50 procent, verder verminderen naar 45 procent. Dat geeft ruimte om bijvoorbeeld de belastingverminderingen in de inkomensbelasting toch te behouden en de belastingvrije som te verhogen naar pakweg 10.000 euro. Uit de Mefisto-simulatie blijkt dat een dergelijke belastinghervorming maar liefst 14 miljard minder belastinginkomsten zou opleveren (evenwel zonder rekening te houden met alle terugverdieneffecten, die sowieso moeilijk te voorspellen zijn).

Het klopt dat alle inkomens er dan bij winnen, maar dat is niet moeilijk als je sinterklaas kan spelen met 14 miljard euro belastingsverlaging. Het is niet te zien op de figuur, maar de simulatie toont dat 37 procent van de 14 miljard euro naar het hoogste inkomensniveau gaat (de tien procent hoogste inkomens) en 18 procent naar het tweede hoogste. De 20 procent hoogste inkomens krijgen zo meer dan de helft van de belastingsvermindering. Aftrekken afschaffen helpt daarbij niet echt, omdat, zoals gezegd, ook middeninkomens hier vaak baat bij hebben.

Het is dan ook moeilijk uit te leggen dat een vlaktaks sociaal kan zijn. Om met een vlaktaks toch de progressiviteit te behouden zou men per inkomensinterval een andere belastingvrije som kunnen toekennen. De vraag is dan of de vlaktaks met “variabele” belastingsvrije som niet complexer is dan het huidige systeem. Naar mijn mening zou het beter zijn om het huidige systeem te behouden, maar om de inkomensdrempels te verhogen waarop de marginale tarieven van toepassing zijn. Want we betalen in België inderdaad heel snel hoge inkomensbelastingen.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd.