Kunst en het maatschappelijke debat

Peter Casteels, columnist bij Apache, schreef een opmerkelijke blog over cultuursubsidies. Hij reageert op mijn stelling dat er geen bewijs lijkt te zijn dat cultuur positieve externaliteiten heeft en dus ook geen subsidies zou mogen krijgen. Casteels reageert ook op de volgens mij uitstekende blogpost van Kurt Verstegen die het allemaal iets plastischer uitlegt aan de hand van lelijke broeken. Ik vind de blog van Casteels opmerkelijk, omdat hij voorstander is van cultuursubsidies en ten gronde reageert op de kritiek dat cultuur geen positieve externaliteiten oplevert en dus geen subsidies mag krijgen. Het is de beste verdediging voor cultuursubsidies die ik tot nu toe gelezen heb.

Casteels lijkt te zeggen dat de voornaamste positieve externaliteiten van cultuur liggen in de meerwaarde dat cultuur levert voor het maatschappelijke debat, met een verwijzing naar universiteiten. Of eerder zou kunnen leveren. Want op dit moment doet cultuur dat niet. Ik citeer hem over theater:

Het enige theater waarvan ik mij herinner dat de inhoud ook buiten de zalen werd besproken, was geschreven door Tom Lanoye.

Uit mijn ervaring als theaterbezoeker – louter anekdotisch, waarvoor excuses – kan ik getuigen dat die weinige aandacht terecht is. De intellectuele kwaliteit van het meeste theater is zodanig pover dat het best genegeerd wordt in het publieke debat.

En hij gaat nog een stapje verder door hiervoor de schuld juist bij de subsidies te leggen:

Ik denk – met tegenzin – dat de reden hiervoor de overmatige subsidiëring door de overheid is. Makers hoeven – kort door de bocht – enkel verantwoording aan elkaar af te leggen, waardoor een milieu kon ontstaan dat losstaat van de werkelijkheid.

Theater zit dus met een probleem dat ze niet maatschappelijk relevant moet zijn, omdat ze toch gesubsidieerd is. Daardoor kunnen ze lekker onder zichzelf wat aanmodderen en heeft de rest van de goegemeente er niets aan waardoor je eigenlijk de subsidies zou moeten afschaffen, want geen maatschappelijke meerwaarde.

Het lijkt me een juiste analyse: als je echt geïnteresseerd bent in hoe mensen zijn en samenleven, en hoe je dat zou kunnen verbeteren, dan moet je volgens mij niet naar theater gaan of naar een museum (ja, ik heb het geprobeerd). Als je dat wil weten, dan lees je wetenschappelijke studies en boeken (vooral non-fictie, maar sommige fictie is nuttig om de empathie te trainen, wat mij broodnodig lijkt als je regels wil bedenken die de samenleving ook voor anderen beter zouden moeten maken). En dan ga je op zoek naar gegevens om bepaalde stellingen te onderbouwen, of nog beter, ze te weerleggen.

En ik vermoed dat theatermensen en cultuurwerkers dat net niet doen. Ik vermoed dat ze niet weten  hoe ons belastingsysteem werkt, of wat de argumenten zijn voor het verplichtende karakter van onze sociale zekerheid, laat staan dat ze ook maar iets kennen van hoe financiële markten werken. Ook al leven we in financial times. Ik geef maar wat voorbeelden. (En daarmee wil ik niet zeggen dat je alleen maar mag deelnemen aan gelijk welk publiek debat op voorwaarde dat je iets kent van financiële markten; wat ik wil zeggen is dat er (momenteel) heel wat thema’s zijn in het publieke debat die daarvan enige kennis vereisen.)

Casteels zegt vervolgens dat het voorbeeld van de universiteiten ook niet lang meer zou kunnen gelden, omdat universiteiten meer en meer gedomineerd worden door het marktdenken. Dat kan kloppen, maar het is alvast niet wat ik bepleit voor de cultuursector. Meer nog, ik vind niet dat cultuur hun marktwaarde moet aantonen voor subsidies, maar wel hun maatschappelijke meerwaarde (positieve externaliteiten). En dat geldt ook voor universiteiten, die dat overigens aantoonbaar doen, onder meer -maar niet alleen- door deel te nemen aan het maatschappelijke debat. Daar vind je talloze voorbeelden van, zoals vandaag nog in De Morgen met een naar mijn mening sterke opinietekst van Wim Van Lancker over een maatschappelijk thema dat zeer relevant is.

Casteels eindigt  met bescheidenheid in het weten.

Theatermakers en kunstenaars zullen zich moeten heruitvinden als ze willen blijven rekenen op de steun van de samenleving. Het cultuurbeleid van de overheid moet daarvoor veranderen. Zodat niemand het zich in zijn hoofd haalt theater te vergelijken met lelijke broeken. Ik weet alleen niet hoe.

Mijn voorstel: alle cultuurwerkers terug naar de universiteit, voor een master Economische Wetenschappen. Dan kunnen ze meediscussiëren over dingen zoals dit. Dat gaat theater geven.

 

Leave a Reply

Your email will not be published. Name and Email fields are required.