Boekbespreking – ‘De zwarte zwaan’ door Nassim Nicholas Taleb

Bescheiden politici citeren wel eens graag het antwoord van Harold Macmillan, voormalig Brits premier, op de vraag wat hij het meest vreesde als staatsman: ‘Events, dear boy, events’. Met dit antwoord wees Macmillan op de onvoorspelbaarheid van belangrijke gebeurtenissen. Het is meteen de centrale idee van De zwarte zwaan van Nassim Nicholas Taleb, die stelt dat de moderne wereld gedomineerd wordt door zeer zeldzame en onverwachte gebeurtenissen die de heersende consensus omgooien. Het is de zwarte zwaan die plots opduikt en de heersende gedachte dat alle zwanen wit zijn naar de geschiedenisboeken verwijst. Het probleem, aldus Taleb, is dat bijna iedereen doet alsof die zwarte zwanen niet bestaan.

Nassim Nicholas Taleb is econoom en werkt als kwantitatieve analist op de financiële markten. Dat weerhoudt hem er niet van om grote kritiek uit te oefenen op de heersende opvattingen die deze wereld zolang hebben gedomineerd. Heel veel financiële modellen baseren zich op inductie: de toekomst valt af te leiden uit het verleden. Een veelgebruikte methode zoalsValue at Risk steunt hier sterk op: met dit model probeert een financiële instelling met 99% zekerheid in te schatten wat ze maximaal kan verliezen in de komende tien dagen. Het model neemt aan dat opbrengsten van een financieel product een bepaalde statistische eigenschap heeft, namelijk de normaalverdeling die uitgedrukt wordt met de bekende Gaussiaanse klokfunctie. Taleb wijst deze methode radicaal af, omdat de normaalverdeling eerder zeldzaam is in de sociale wereld (zoals de financiële wereld), waardoor al deze modellen fundamenteel fout zitten.

Taleb deelt de wereld op in twee soorten: Mediocristan en Extremistan. In Mediocristan kunnen gebeurtenissen geen echt extreme waarden aannemen. Het gaat dan bijvoorbeeld over het gewicht en de lengte van mensen. Je hebt inderdaad zeer grote mensen, maar de grootste mens is nog steeds minder dan twee- of driemaal zo groot als de kleinste mens. Voeg de grootste mens toe aan een groep van duizend willekeurig gekozen mensen en de gemiddelde lengte van deze groep zal nauwelijks verhogen. In Mediocristan volgen de onbekende variabelen inderdaad een klokvormige kansverdeling, met zeer veel waarden rond en op het gemiddelde. Maar hoe verder weg van het gemiddelde, hoe kleiner de kans dat er nog een waarde voorkomt (en die kans neemt exponentieel af). In Extremistan, de verzamelnaam voor gebeurtenissen uit voornamelijk de sociale wereld, is dat volledig anders. Voeg Bill Gates toe aan een groep van duizend willekeurig gekozen mensen en het gemiddelde inkomen van deze groep zal drastisch verhogen. Gebeurtenissen in de sociale wereld, zoals de financiële markten en de politiek, behoren typisch tot Extremistan.

Zijn kritiek op de financiële wereld is vlijmscherp. Hij gaat in tegen het heersende paradigma en stelt dat de huidige financiële modellen niet gebruikt kunnen en mogen worden om de toekomst te voorspellen. Ze geven een vals gevoel van veiligheid. Gezien de huidige economische crisis die veroorzaakt werd door onder meer foute financiële modellen, lijkt deze kritiek volledig terecht. En wat opmerkelijk is: het oorspronkelijk Engelstalige boek is uitgebracht in 2007, voordat de economische crisis toesloeg. De huidige crisis is dan ook een typische ‘zwarte zwaan’ en aan Taleb wordt toegeschreven dat hij deze crisis voorspeld heeft. Hij schreef in De Zwarte Zwaan dan ook het volgende (pagina’s 225-226 van de Engelstalige paperbackeditie –eigen vertaling):

“Financiële instellingen zijn gefuseerd tot een kleiner aantal van zeer grote banken. Bijna alle banken zijn nu met elkaar verbonden. Aldus is de financiële ecologie aan het zwellen tot gigantische, incestueuze, bureaucratische banken – wanneer er één failliet gaat, gaan ze allen failliet. The toegenomen concentratie in de bankwereld lijkt de kans op een financiële crisis te verkleinen, maar als het gebeurt zal ze globaler zijn en ons zeer hard treffen. We zijn weggegaan van een diverse ecologie van kleine banken met gevarieerde leenstrategieën naar een homogener kader van bedrijven die allemaal op elkaar gelijken. Het klopt dat we nu minder faillissementen hebben, maar als het gebeurt…. Ik huiver bij de gedachte.” En in de voetnoot: “Wanneer ik de risico’s bekijk van Fannie Mae, de door de overheid gesubsidieerde instelling, dan lijkt ze op een vat dynamiet te zitten, kwetsbaar voor de kleinste rimpeling. Maar geen zorgen: haar uitgebreide staf van wetenschappers acht dit ‘onwaarschijnlijk’.”

Met andere woorden, het financiële systeem lijkt stabiel, maar is dat helemaal niet. Alle financiële instellingen maken gebruik van dezelfde modellen die zich baseren op Gaussiaanse klokfuncties die gelden in Mediocristan, terwijl de financiële wereld behoort tot het domein van Extremistan. Taleb zelf is bescheidener: hij heeft de crisis niet voorspeld en zal ook de volgende crisis niet voorspellen. Hij zegt alleen maar dat er nog crisissen zullen komen, zeker als men niet afstapt van de huidige waan dat men de toekomst kan voorspellen of, algemener, dat men de wereld begrijpt. Misschien is dat wat mager, maar “it is better to be broadly right rather than precisely wrong”.

Het boek besteedt veel aandacht aan de redenen waarom we zo weinig rekening houden met ‘zwarte zwanen’. Het komt erop neer dat we als mens nu eenmaal zo in elkaar zitten. De menselijke conditie die Taleb beschrijft is op zich niet vernieuwend. Zo verwijst hij veelvuldig naar het onderzoek van Daniel Kahneman, een psycholoog die de Nobelprijs Economie gekregen heeft (en volgens Taleb één van de weinige verdiende winnaars van deze prestigieuze prijs). Kahneman is één van de grote namen die mechanismen als ‘anchoring’ en ‘framing’ hebben bestudeerd. Ook, zo stelt de auteur, behandelen mensen ideeën als ware het hun bezit waar ze heel wat in geïnvesteerd hebben. Daardoor kunnen ze moeilijk afstand doen van die ideeën, ook als het duidelijk is dat ze fout zijn.

De auteur gaat lijnrecht in tegen de heersende opvattingen binnen de economische wereld. Hij verhaalt in het boek ook over de tegenkanting die hij mocht ervaren van het establishment. Talebs boek is dan ook veel meer dan alleen maar een aanklacht tegen het gebruik van verkeerde modellen in de financiële wereld. Het is ook de visie op de wereld van een vrijdenker. Iemand die doordrongen is van Poppers idee dat we uit het verleden geen betrouwbare inductie kunnen doen over de toekomst; dat we als mensen veel bescheidener moeten zijn als het om onze kennis over de toekomst gaat. En dat verdedigt hij op een zeer onbescheiden manier.

En hier en daar laat de auteur nog een schitterend inzicht noteren. Of wat vind je van de volgende: de vrije markt is zo succesvol omdat het een systeem is dat domme CEO’s kan verdragen. Aangezien niemand weet wat de toekomst brengt, maakt het niet veel uit welke keuze bedrijfsleiders nemen. De vrije markt kiest de winnaars, die achteraf heel precies kunnen uitleggen waarom zij succesvol waren, terwijl ze volgens de auteur gewoon geluk gehad hebben. De factor geluk, aldus de auteur, bepaalt dus veel meer het succes dan algemeen wordt aangenomen (zeker door zij die succesvol zijn) en dat is op zich niet zo slecht. Het maakt de maatschappij veel gelijker dan gelijk welke andere ordenaar (zoals talent). Iedereen kan immers geluk hebben – dat is haar intrinsieke eigenschap – terwijl niet iedereen talentvol is.

 

Nassim Nicholas Taleb, De Zwarte Zwaan, uitgeverij Nieuwezijds, 2008

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Uitblinkers’ door Malcolm Gladwell

Wat maakt sommige mensen succesvol en andere niet? Hoe komt het dat bijvoorbeeld Bill Gates wereldberoemd is en zo rijk als de zee diep? De Canadese schrijver Malcolm Gladwell stelt deze vraag centraal in zijn boekUitblinkers, een vertaling van het Engelse Outliers. Verwacht geen zelfhulpboek om zelf succesvol te worden, maar wel een scherpe analyse van de weg naar het succes en wat we kunnen doen om zoveel mogelijk mensen die te laten bewandelen.

De eenvoudigste verklaring voor uitzonderlijk succes is uitzonderlijk talent. Bill Gates was gewoon een visionair en uiterst intelligent man, dat is de reden voor zijn uitzonderlijk succes. De auteur strijdt deze visie niet af, maar stelt dat talent niet de enige voorwaarde is waaraan moet worden voldaan voor uitzonderlijk succes. Ook kansen en oefening zijn nodig. Voor het geval Bill Gates betekende dit de kans om al in 1968 te kunnen ‘prutsen’ op een computerterminal zonder het tijdrovend gebruik van ponskaarten, wat in die tijd zeer modern was. En die kans greep Gates, samen met Paul Allen, medestichter van Microsoft, met beide handen aan: hij spendeerde al zijn vrije tijd, zelfs ’s nachts, aan het programmeren. Met andere woorden, Bill Gates had het geluk (of de kans) om zijn talent te ontplooien en greep die ook. Malcolm Gladwell hanteert de vuistregel van 10.000 uren: succes blijkt er pas te komen als je echt iets onder knie hebt en daarvoor moet je minstens 10.000 uren geoefend hebben, wat neerkomt op 3 uur per dag gedurende 10 jaar.

In het hele boek staat deze stelling dan ook centraal: voor uitzonderlijk succes zijn drie voorwaarden nodig: talent, kansen en oefening. Op zich is dit niet wereldschokkend, maar de auteur verfijnt verder, talent zelf is ook niet zo eenvoudig te definiëren. IQ, het veel gebruikte criterium voor talent, blijkt in ieder geval niet voldoende. Een hoog IQ is geen garantie voor succes; het IQ moet enkel voldoende hoog zijn. Vanaf een bepaald niveau spelen andere factoren, zoals assertiviteit, een belangrijke rol.

De auteur is erg overtuigend in zijn argumentatie voor de stelling dat uitzonderlijk succes drie dimensies kent. Hij refereert overvloedig naar interessante studies en data die stuk voor stuk op zich al zeer interessant zijn. Maar daar eindigt het niet. In het tweede deel gaat hij op zoek naar de manieren waarop we van zoveel mogelijk mensen uitblinkers kunnen maken. Gezien talent en doorzettingsvermogen om te oefenen min of meer gegeven zijn, blijft er maar één aspect over waarop een maatschappij kan inspelen, namelijk kansen.

Glawdell argumenteert dat kansen sterk afhangen van de omgeving van het individu. Sommige omgevingen zijn kansrijk, andere niet. Zo citeert hij een onderzoek naar onderwijsprestaties van leerlingen. Het is ondertussen algemeen bekend dat leerlingen van wie de ouders een lage sociaal-economische status hebben, ook minder presteren. Voor velen is dit vanzelfsprekend: domme ouders, die bijgevolg een lage sociaal-economische status hebben, krijgen domme kinderen die bijgevolg ook minder presteren. En daarmee is de kous af. Investeren in gelijke kansen is dus weggesmeten geld, deze kinderen kunnen het gewoon niet.

Als dat waar zou zijn, en de empirische gegevens lijken hierop te wijzen, dan klopt het liberale mensbeeld niet. Er zijn dan blijkbaar mensen die het gewoon niet kunnen en waarvoor een beetje paternalisme geen kwaad kan. Meer nog, het zou onethisch zijn als we deze mensen niet een handje zouden ‘helpen’. Gelukkig voor het liberale mensbeeld is de situatie iets ingewikkelder. Ja, het klopt dat kinderen uit lagere klassen minder goed presteren, maar dat komt omdat ze in hun gezinssituatie onvoldoende gestimuleerd worden. De geciteerde studie geeft dan ook een genuanceerd beeld van de lagere prestaties van deze kinderen. Leerlingen uit hogere en lagere milieus blijken ongeveer evenveel bij te leren in de periode dat ze naar school gaan. Het is pas na een lange zomervakantie dat er een verschil optreedt: bij leerlingen uit hogere klassen is er geen verminderde prestatie te merken, terwijl dit zeer duidelijk wel het geval is bij kinderen uit lagere klassen. Na een paar jaar is dit verschil geaccumuleerd tot een serieuze kloof tussen de twee groepen. Dit toont aan dat leerlingen uit lagere klassen het wel degelijk kunnen, maar dat de omgeving, in dit geval de gezinssituatie, ervoor zorgt dat ze toch een blijvende achterstand oplopen.

Deze leerlingen hebben dus nood aan een schoolomgeving die continu aanwezig is. En die kan in de praktijk effectief aangeboden worden. Gladwell verwijst naar de zogenaamde KIPP-scholen (Knowledge Is Power Program) die zich richten op leerlingen uit lagere sociale klassen en die een zeer intensief lesprogramma aanbieden; de bereikte resultaten die in het boek vermeld worden zijn zeer bemoedigend. Sociale mobiliteit, waarbij de maatschappelijke positie van een kind niet of weinig afhankelijk is van de positie van zijn of haar ouders, is dus mogelijk.

Jammer genoeg gaat het boek niet in op een belangrijk gevolg van zijn centrale stelling. Immers, indien het correct is dat succes de drie bovenstaande voorwaarden nodig heeft, dan is uitzonderlijk succes ook op zijn minst gedeeltelijk verdiend: iemand met succes heeft er ook hard voor moeten werken (minsten 3 uur per dag gedurende 10 jaar). Succes heeft dus een duidelijk meritocratisch karakter. Anderzijds, als Gladwells stelling correct is, dan is een gedeelte van het succes tegelijkertijd ook niet verdiend: iemand met succes heeft dan onmiskenbaar talent en kansen gekregen waarvoor de persoon in kwestie per definitie zelf niets heeft moeten doen. Meer nog, talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt.

De self-made man in absolute termen bestaat dus niet. Een ondernemer bijvoorbeeld, heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De mate waarin iemand ‘zichzelf gemaakt’ heeft is dan ook steeds relatief ten opzichte van andere personen; de zogenaamde self-made man heeft niet alleen veel te danken aan zichzelf, maar ook aan de maatschappij waarin hij leeft. Dat is ook de positie van Warren Buffet, die andere steenrijke en wereldberoemde Amerikaan. Buffet erkent volledig dat zijn kwaliteit als belegger enkel in een maatschappij als de VS volledig tot ontplooiing kan komen.(1) Hij is die maatschappij dan ook erkentelijk en kondigde aan dat hij het grootste deel van zijn fortuin zou schenken aan de Bill & Melinda Gates Foundation, het filantropisch vehikel van Bill Gates.

Dat betekent dat er ook een rechtvaardige grond is om de gevolgen van uitzonderlijk succes gedeeltelijk terug te vorderen door de maatschappij, zeg maar belasten. Het is immers de maatschappij die de randvoorwaarden gecreëerd heeft die het succes mogelijk maakt. Zonder dat publiek kader zou het succes er niet zijn, of niet in die mate. Het belasten van dat succes is dan geen diefstal, maar een rechtvaardig opeisen van een deel van het succes. Dit is wel enkel een kwalitatieve rechtvaardiging. Hoe hoog deze belasting dan wel mag zijn (en of ze progressief moet zijn) is een andere kwestie.

Dit boek is voor liberalen verplichte lectuur omdat het op basis van wetenschappelijk onderzoek argumenten aanreikt voor het liberale mensbeeld. Ja, succes is deels bepaald door genetische factoren (talent) en doorzettingsvermogen (oefening), maar een derde voorwaarde is voldoende kansen. Uit de onderzoeken die de auteur citeert blijkt dat die kansen nog zeer ongelijk verdeeld zijn en dat het voornamelijk lagere sociaal-economische klassen zijn die deze kansen ontberen. Met andere woorden, afkomst blijkt nog steeds een belangrijk obstakel te zijn voor de zelfontplooiing van veel mensen. Het goede nieuws is dat we hier iets kunnen aan doen. En voor liberalen, die geloven in de kracht van het individu, is het een plicht om deze obstakels te verminderen, tenminste als ze geloofwaardig willen blijven.


(1) Zie wikiquote van Warren Buffett: “Take me as an example. I happen to have a talent for allocating capital. But my ability to use that talent is completely dependent on the society I was born into. If I’d been born into a tribe of hunters, this talent of mine would be pretty worthless. I can’t run very fast. I’m not particularly strong. I’d probably end up as some wild animal’s dinner.” (To Barack Obama, quoted in The Audacity of Hope, page 191)

Malcolm Gladwell, Uitblinkers, Contact, 2008

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

De keerzijde van gelijke kansen

In 2004 verscheen er een merkwaardig bericht in de Belgische media: artsen beklaagden zich over de langere wachttijden voor transplantaties waardoor meer mensen stierven dan de jaren ervoor. De oorzaak van de langere wachttijden was de campagne waarmee men het aantal verkeersdoden probeerde terug te dringen. Deze campagne was succesvol, met als gevolg een tekort aan donoren. Slachtoffers van zware verkeersongevallen vormen immers een belangrijke groep van donoren. De artsen pleitten uiteraard niet voor méér verkeersslachtoffers – het was duidelijk dat de totale afweging zeer positief was – maar ze lieten wel de keerzijde zien van deze daling. In dit essay probeer ik aan te tonen dat ook gelijke kansen een keerzijde hebben.

In het mission-statement van Liberales staat dat ‘de leden geloven in de kracht, de eigenheid en de zelfontplooiing van de mens om als ontvoogd individu zijn verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving. Opdat ieder individu in staat zou zijn dit te doen, dienen wij ernaar te streven dat er zoveel mogelijk gelijke startkansen zijn.’ De basis voor dit standpunt is gelegd door onder meer John Rawls. Om het belang van zijn hoofdwerk nog maar eens aan te tonen herinner ik aan een in 2004 uitgevoerde bevraging van Filosofie Magazine onder de Vlaamse en Nederlandse hoogleraren filosofie. De vraag was: wat is het belangrijkste filosofische werk aller tijden? Na klassiekers van Aristoteles, Plato en Kant kwam John Rawls op de vierde plaats met zijn A Theory of Justice. Hij werkt in dit boek een rechtvaardigheidstheorie uit die gebaseerd is op rationele gronden, zonder beroep te moeten doen op emotie of religie. Hoe hij dit op verbluffend eenvoudige wijze klaarspeelt, is al in andere Liberales-essays aan bod gekomen. John Rawls is dan ook niet alleen hot onder filosofen, maar ook onder liberalen.

In zijn theorie pleit hij onder meer voor gelijke kansen. Na Rawls is het duidelijk: als je een rechtvaardigere maatschappij wilt, dan moet je zorgen voor meer gelijke kansen. We kijken er al niet meer van op, zó vanzelfsprekend is die stelling geworden in onze sociaal-liberale maatschappij. De palmares van de gelijke kansen bestaat echter niet louter en alleen uit glansrijke overwinningen. Gelijke kansen kunnen een negatieve invloed hebben op het totale geluk in een maatschappij. Om dit aan te tonen een gedachte-experiment. Stel: er zijn 100 mensen die rechter willen worden en dit kwalitatief gezien ook zouden kunnen, mochten ze daarvoor de juiste middelen – kansen – ter beschikking hebben. Er is echter slechts één ambt van rechter. In een maatschappij zonder gelijke kansen, waarbij de overgrote meerderheid van de bevolking dom gehouden worden, zijn er van deze 100 mensen slechts een beperkt aantal kandidaat voor het ambt van rechter, laten we zeggen drie. De rest had immers niet de kans en het geld om ervoor te studeren. In een gelijke kansenmaatschappij zijn door de democratisering van het onderwijs en een rechtvaardige verdeling van middelen alle 100 mensen kandidaat-rechter voor het ambt. Abstractie makend van een in de praktijk niet-perfecte selectieprocedure gaan we ervan uit dat effectief de beste kandidaat rechter wordt. Het is duidelijk dat de gelijke kansenmaatschappij rechtvaardiger is. En niet alleen dat, ze zal ook efficiënter werken door de betere toewijzing van de juiste persoon op de juiste plaats.

Maar rechtvaardigheid is geen synoniem voor geluk. In de maatschappij waarin de grote meerderheid dom gehouden wordt en er geen gelijke kansen zijn, worden slechts twee mensen als mislukt beschouwd, terwijl in de gelijke kansenmaatschappij er 99 mensen zich mislukt zullen voelen. Het invoeren van gelijke kansen heeft van de maatschappij een meritocratie gemaakt: wat je bereikt hebt, dat heb je verdiend. Maar ook omgekeerd: als je mislukt bent, dan is dat aan jezelf te wijten. En ook al is dat niet noodzakelijk écht zo, het wordt maatschappelijk wel zo bekeken in een meritocratie, dit in tegenstelling met het maatschappijmodel dat gold voordat gelijke kansen ingang vonden. Alain de Botton, een hedendaags filosoof, beschrijft in Statusangst hoe de manier waarop de gemeenschap armoede interpreteert en verklaart in de loop van de tijd veranderd is. Vroeger werden armen niet verantwoordelijk gesteld voor hun situatie. Tot voor tweehonderd jaar was het eenvoudig: God had de maatschappelijke verdeling zo gewild. En ieder mens voelde zich nuttig in de rol die God himself voor hem had uitgedacht.

Door het invoeren van gelijke kansen is het duidelijk dat iemands sociale positie afhangt van zijn of haar persoonlijke kwaliteiten. Rijke mensen zijn niet alleen welgestelder, ze zijn waarschijnlijk ook beter! Armen worden niet meer omschreven als onfortuinlijk, maar als mislukt. Men spiegelt de mensen voor dat ‘als je maar hard genoeg je best doet, je kan bereiken wat je wilt’. En lukt het niet, dan heb je niet genoeg geprobeerd. Eigen schuld, dikke bult.

Moeten we dan de strijd voor de gelijke kansen dan afschaffen? Natuurlijk niet. Het is zoals met de verkeersdoden en het tekort aan donoren: niemand pleit voor meer verkeersdoden opdat er genoeg donoren zouden zijn. De afweging tussen geluk en rechtvaardigheid is echter nog veel complexer. Meer gelijke kansen kunnen het geluk verminderen, maar ook óngelijke kansen verminderen het geluk. Het gedachte-experiment heeft dus ook een aantal gebreken. Zo bijvoorbeeld houdt het geen rekening met de stijgende vraag naar beter opgeleide werknemers, waardoor mensen die niet aan de bak komen als rechter, wel elders terecht kunnen. Maar wat ik wil aantonen is dat achter de uitsluitend positieve connotatie die het principe van gelijke kansen heeft wel degelijk een donker kantje schuil gaat. De erkenning dat gelijke kansen niet in alle gevallen automatisch tot meer geluk leiden, de erkenning dat de meritocratie waarin we nu leven ook een aantal ongewenste neveneffecten heeft, is de eerste stap om die neveneffecten te verzachten.

De naoorlogse generatie is de eerste generatie die volop kan genieten van meer individuele vrijheid en die de nodige kansen krijgt om, met die vrijheid, zichzelf te ontplooien. Tegelijkertijd is er een overdreven risicoaversie. Een mislukking, zoals een ontslag of een faillissement, weegt heel zwaar op het persoonlijk geluk van een individu, zelfs wanneer het inkomensverlies wordt gecompenseerd. Dat individu wordt door de maatschappij en door zichzelf op dat moment immers als ‘mislukt’ beschouwd. Deze mentaliteit, een gevolg van de meritocratie, moet veranderen: een mislukking maakt je hoegenaamd niet ‘mislukt’. Na een faling zou je moeten (kunnen) recht krabbelen en opnieuw proberen, onder het motto dat ‘als je nooit iets fout doet, je niet goed bezig bent’. Het is immers onvermijdelijk dat je tijdens de ontwikkeling van je talenten, precies datgene waardoor een mens gelukkig wordt, van tijd tot tijd eens plat op het gezicht gaat. Onze maatschappij zou haar individuen moeten stimuleren om op een berekende manier de grenzen af te tasten. Hiervoor is het nodig dat je kan omgaan met mislukkingen, want als je je grenzen aftast, dan zit je er onvermijdelijk eens over.

Gezien de betrekkelijk korte periode waarin we van al deze vrijheden en kansen kunnen profiteren, is het niet verwonderlijk dat we nog niet op een juiste manier gebruik maken van de nieuwe context. En omdat gelijke kansen deze nieuwe context hebben geschapen, zou het promoten ervan moeten geflankeerd worden met het veranderen van de risicoaversie mentaliteit, zodat men zichzelf niet meer als mislukt ervaart wanneer men eens faalt.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.