Belgë zal zijn defensie-uitgaven fors moeten verhogen

Vorige week werd Trump ingezworen als 45ste president van de Verenigde Staten. De dag erna werd al meteen duidelijk dat Trump ook als president geheel zichzelf blijft. De komende vier jaar zal het een trumpiaans presidentschap worden en dus niet zozeer een presidentiële Trump. Zo gaf Sean Spicer, de woordvoerder van het Witte Huis, in zijn eerste persconferentie van een vijftal minuten de pers een uitbrander omdat ze de mensenmassa bij de inauguratie van Trump veel lager inschatte dan ten tijde van Obama. Dat werd nochtans door fotomateriaal duidelijk aangetoond door meerdere media. Ook de rest van de persconferentie was ongezien, met een verheerlijking van Trump en het geven van valse informatie.

Men kan deze zaken wegzetten als akkefietjes en “cheap talk”, uitspraken die de werkelijkheid niet beïnvloeden. En het is inderdaad nog steeds mogelijk dat het presidentschap van Trump uiteindelijk wel meevalt, ook al lijkt dit steeds onwaarschijnlijker. Er zijn echter nu reeds een aantal zaken die vrijwel zeker een impact zullen hebben op Europa en België. Eén van die zaken is volgens mij het lot van de Navo.

Trump heeft al meermaals aangeklaagd dat de meeste leden van de Navo onvoldoende militaire uitgaven doen. De uitgaverichtlijn van 2 procent van het BBP wordt slechts door 5 van de 27 leden gehaald, waaronder de VS, met 3,6% van het BBP aan defensie-uitgaven in 2016, en het Verenigd Koninkrijk (zie figuur). De 22 andere landen zitten eronder, met vijf landen zelfs onder 1 procent, waaronder België. Wij bengelen met 0,85% bijna helemaal achteraan; enkel Luxemburg doet het slechter. De VS spendeerden 664 miljard dollar aan defensie, bijna driekwart van de totale militaire uitgaven binnen de Navo.

tijddefensieuitgaven

Trump staat in de VS met zijn kritiek op zij die te weinig bijdragen niet alleen. Ook Hillary Clinton en Bernie Sanders klaagden dit aan tijdens de Amerikaanse voorverkiezingen. En ook Paul De Grauwe zei recent dat de lage uitgaven van de meerderheid van Navo-landen niet duurzaam zijn. Het is dan ook een terechte aanklacht: landen zoals België hangen voor hun veiligheid bijna volledig af van anderen. We nemen een free ride op de inspanningen van landen als de VS en het VK.

Het is goed mogelijk dat Trump de zwakke financiering van de meeste Navo-landen aangrijpt om het trans-atlantische verdrag op te blazen. Dan zit Europa, met nauwelijks een kwart van de Navo-slagkracht, plots zonder de VS als grote beschermheer. Een minder slecht scenario is dat Trump enkel dreigt om het verdrag op te zeggen om zo de free riders, zoals België, aan te zetten een grotere financiële inspanning te doen.

In beide gevallen zit België met een probleem. Met 0,85% zit België nog niet aan de helft van haar inspanning. Om tot 2 procent te komen zou de Belgische regering 1,15 procent of bijna 5 miljard extra militaire uitgaven moeten doen. Het Belgisch begrotingstekort zit echter al dicht tegen de 3 procent aan, wat betekent dat die 5 miljard bijkomend bespaard moet worden. En dat zal waarschijnlijk nog (deels) in deze legislatuur moeten gevonden worden.

Dat wordt geen wandeling in het park. Maar het alternatief is het risico dat Trump de Navo opblaast, waarna de Europese landen zelf moeten instaan voor hun veiligheid. Zal Europa dan het risico willen lopen om niet te investeren in militaire slagkracht, met een “strijdvaardig” Rusland als buur?

Het zilveren randje aan dit verhaal is dat extra militaire uitgaven de economie een duw kunnen geven waardoor de groei verhoogt en de begroting er iets beter voorstaat. Zo is de recessie van de jaren dertig van de vorige eeuw ook beteugeld. Maar het is geen geruststellende gedachte als we die geschiedenis min of meer aan het herbeleven zouden zijn.

Deze tekst verscheen eerst als column voor De Tijd

Nadruk moet blijven op verhogen werkzaamheidsgraad

De Tijd schreef vorige maand dat Nederland België macro-economisch met 4-0 naar huis speelt. De crisis was in Nederland dan misschien wel langer en dieper, maar het herstel verloopt nu een stuk sneller, klonk het.

Dat werd geïllustreerd met vier grafieken over werkloosheid, begrotingssaldo, bbp-groei en overheidsbeslag. Telkens met cijfers voor de periode van 2007 tot 2017. Ik heb wat kritische bemerkingen bij de grafieken, maar vraag me ook af of de impact van de crisis nog relevant kan zijn voor het beleid.

Het is belangrijk om voor ogen te houden wat er vergeleken wordt. Het ging De Tijd niet om het feit dat Nederland het economisch beter doet. Daar bestaat weinig discussie over, denk ik. De oefening ging om de manier waarop de twee landen de crisis hebben aangepakt en doorstaan. Dat is ook de reden waarom er vergeleken wordt met 2007. De prestaties uit het verdere verleden zijn dus irrelevant in deze oefening.

Als we met 2007 willen vergelijken, moeten we dus de verandering bekijken, en niet het niveau. Het klopt dat de werkloosheid in België nog altijd fors hoger is dan in Nederland, maar tegenover 2007 is ze wel slechts met 0.4 procentpunt gestegen, tegenover 1,1 procentpunt in Nederland.

Een andere kritiek gaat over het begrotingssaldo van de twee landen. Dat zal dit jaar in Nederland weer een evenwicht vertonen, terwijl er voor België een tekort van 2,3 procent voorspeld wordt. Toch is de vraag of de verandering van de schuldratio geen betere indicator is. Het is best mogelijk dat het begrotingssaldo beter is, maar dat de schuldratio stijgt, omdat je je kapot bespaart. Als je de verandering van de schuldratio bekijkt zal België, met een stijging van de schuldratio met 20 procent van het bruto binnenlands product (bbp), het nagenoeg even goed doen dan Nederland, met een stijging van 19 procent.

Groeicijfers

Ook de gekozen economische groeicijfers zijn vatbaar voor kritiek. De Tijd toont de jaarlijkse groeicijfers van het bbp en constateert dat die in 2017 hoger liggen voor Nederland dan voor België. Maar als je naar het bbp per capita kijkt en vergelijkt met 2007, blijkt België nog steeds een halve procent meer te zijn gegroeid dan Nederland.

België heeft de crisis dus beter doorstaan dan op basis van de grafieken van De Tijd blijkt. De vraag is wat de relevantie nog is. We zijn nu 2017m bijna 10 jaar na de start van de financiële crisis en vier jaar na de tweede dip in 2013. Als de economische prestaties in de toekomst tegenvallen, kan de schuld minder en minder aan die vermaledijde bankiers gegeven worden.

De crisis uit het verleden mag geen excuus meer zijn om het grote probleem van onze economie aan te pakken, en dat is de werkgelegenheidsgraad. Daar is Nederland nog steeds gidsland: in 2015 werkte 74% van de beroepsbevolking, overigens een lichte daling tegenover 2007. In België is dat 62 procent, nagenoeg constant tegenover 2007. Dat blijft een enorme kloof met Nederland.

Die kloof wordt vooral veroorzaakt in de groep van 55 tot 64-jarigen. De bijgaande grafiek toont dat de werkzaamheidsgraad in deze leeftijdscategorie sterk is gestegen in België: van 34% in 2007 naar 44% in 2015. Maar in Nederland steeg deze werkzaamheidsgraad nog ietsje meer: tot bijna 62%.

tijdwerkwaamheidsgraadJan2017

Dat de werkzaamheidsgraad bij de 55-64-jarigen blijft stijgen, is zonder meer een goede zaak. Het is noodzakelijk indien België op langere termijn in de buurt wil komen van Nederland wat betreft macro-economische prestaties. De focus van deze regering op het einde van de loopbaan mag dan ook niet verslappen, en wint steeds meer aan belang in vergelijking met het bestrijden van een crisis uit het verleden.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

ING toont de schaduwzijde van het kapitalisme

Ook dankzij de mensen die afgedankt worden, zijn we met zijn allen de afgelopen decennia zo rijk geworden. De maatschappij draagt daarom een grote verantwoordelijkheid tegenover hen.

Tegen 2021 schrapt ING 7.000 banen, waarvan ongeveer de helft in België. Sommigen, onder wie sp.a­voorzitter John Crombez, vinden het schandalig dat ING mensen massaal op straat zet, terwijl het bedrijf winst maakt. Het is ook wrang, omdat die winst natuurlijk ook dankzij het personeel wordt gemaakt.

Nochtans zijn de ontslagen bij ING, en eerder bij bijvoorbeeld Caterpillar, eigen aan ons economisch, kapitalistisch model. Het management is enkel verantwoording verschuldigd aan de aandeelhouders en die willen meestal een zo groot mogelijke opbrengst voor het genomen risico. Als daarvoor mensen ontslagen moeten worden, dan is dat maar zo.

Bedrijven opereren bovendien in een competitieve omgeving. Dat betekent dat ze hun aandeelhouders voldoende rendement moeten bieden. Doen ze dat niet, dan zullen aandeelhouders wegtrekken. Dan vermindert de waarde van het bedrijf en komt het in problemen of wordt het overgenomen door een ander bedrijf dat wel zijn waarde kan behouden. In een competitieve omgeving moeten bedrijven dus efficiënt blijven om het rendement op peil te houden.

Het beoogde effect is dat er bij voldoende concurrentie enkel nog (relatief) efficiënte bedrijven overblijven. Dat is goed nieuws, want efficiënte bedrijven creëren meer welvaart met minder kosten dan hun inefficiënte concurrenten van weleer. Het kapitalistisch model levert dan ook een economie op waarin elke werknemer jaar na jaar efficiënter produceert. Dat is de afgelopen decennia gebeurd, zoals de grafiek toont. De economische output per werknemer steeg sinds 1960 van 26.000 euro naar 83.000 euro (in euro’s van 2010). Een stijging met 220 procent, een onvoorstelbare prestatie.

figuur

Wel valt in de grafiek op dat het proces van efficiëntieverbetering sinds de economische crisis van 2008 gestokt is. Er is zelfs een daling van de efficiëntie, omdat bedrijven in de crisisperiode relatief weinig afgedankt hebben, gegeven de economische omstandigheden. Wellicht omdat ze hoopten op betere tijden en hun personeel ­ waar vaak veel in geïnvesteerd is ­ niet zomaar kwijt willen. Het is een indicatie dat bedrijven niet lichtzinnig mensen ontslaan.

Begroting

Dat maakt de ontslagen bij ING natuurlijk niet minder bitter voor de betrokkenen. Zij zijn de pechvogels in ons kapitalistisch systeem. Mensen die ontslagen worden, massaal of niet, tonen de schaduwzijde van dat systeem. De drang naar efficiëntie, die ons zeer welvarend maakt, betekent dat er meer kan gedaan worden met minder. En dus dat soms mensen overbodig worden voor het bedrijf. Dat is hard, omdat een job in onze maatschappij veel meer is dan enkel een inkomen. Hij is vaak ook een groot stuk van je identiteit en je sociale leven.

De pechvogels zijn onvermijdelijk verbonden aan dit systeem, en een ontslag kan iedereen overkomen. De maatschappij heeft daarom een verantwoordelijkheid tegenover hen. We moeten in een vangnet en in ondersteuning voorzien opdat wie uit de boot valt zo snel mogelijk een zinvolle job vindt. Het is een kerntaak van de overheid om een kader te scheppen dat de opvang en indien nodig de omscholing van de pechvogels regelt.

En dat mag wat kosten. Ook dankzij de pechvogels zijn we met zijn allen zo rijk geworden. Als we het sociale en economische drama van ontslag niet zouden toelaten of te sterk zouden bemoeilijken, zouden we nooit zo rijk zijn geworden. Het zou bijzonder cynisch zijn, mocht er in de komende begrotingsronde net bespaard worden op de middelen die de schaduwzijde van het kapitalisme kunnen verlichten. Die middelen zijn broodnodig om het kapitalisme te kunnen verantwoorden.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Besparen doe je op lange termijn

Agelopen week maakte minister Van Overtveldt (N-VA) duidelijk dat hij de kritiek op zijn cijfers beu is. Keer op keer wordt vastgesteld dat de eerder gebeurde ramingen te optimistisch zijn, waardoor het begrotingstekort groter uitvalt dan gedacht. Dat is een oud zeer in de Belgische politiek en het is dan alle hens aan dek om toch maar zoveel mogelijk dat tekort te verminderen.

De optimistische ramingen en de bijhorende urgentie om het tekort te dichten hebben evenwel een belangrijke negatieve impact op de efficiëntie van de te nemen maatregelen. Immers, maatregelen die pas op langere termijn hun vruchten afwerpen vallen door de urgentie uit de boot. De makkelijke oplossing om op korte termijn dan nog iets aan het begrotingstekort te doen is vaak het verhogen van de belastingen.

Om slim te besparen is er een visie nodig over de kerntaken van de overheid. Zo kan men zich afvragen of de overheid geld moet uitgeven aan media, recreatie, religie of cultuur. Alleen al deze vier domeinen zijn goed voor 5 miljard euro. Maar ook als je zou besluiten dat deze domeinen geen kerntaken zijn, kun je deze uitgaven niet met één pennentrek schrappen. Veel mensen hangen namelijk sterk af van deze overheidsuitgaven. In het ideale geval geef je de mensen de tijd om zich aan te passen. De besparingen moeten dan ook best geleidelijk gebeuren, met een vooraf gecommuniceerd besparingstraject op lange termijn.

Een ander domein waarop kan worden bespaard is het openbaar vervoer. Nu betalen de treingebruikers gemiddeld ongeveer een kwart van de totale kosten. Voor de bus ligt dat nog lager. De belastingbetaler past de ontbrekende miljarden bij. Dit zou sterk kunnen worden verminderd, maar zo’n besparing moet uiteraard gepaard gaan met het invoeren van intelligent rekeningrijden, als we willen vermijden dat de wegen helemaal dichtslibben. Ook dat beslis je best niet snel tijdens een begrotingsronde.

Voorts is er nog de grote uitgavepost van de sociale zekerheid. Hierop besparen ligt gevoelig, omdat nagenoeg alle mensen hierdoor worden geraakt en omdat het vaak om essentiële zaken gaat, zoals ziekte, ouderdom en werkloosheid. De sociale zekerheid is volgens mij dan ook vaak wél een kerntaak van de overheid en zal altijd een grote hap uit de begroting nemen.

Het grootste deel van de sociale zekerheid gaat naar pensioenen die al laag zijn, behalve bij de ambtenaren. Op pensioenen besparen kan ook door de loopbaan langer te maken, maar ook hier zijn de effecten slechts op lange termijn zichtbaar.

Wat wel zou kunnen, is de sociale zekerheid selectiever maken. Daarvoor was er in 2016 trouwens een uitgelezen kans met de kinderbijslag. De Vlaamse regering had kunnen opteren om kansarme gezinnen gevoelig meer en de hogere inkomensklassen gevoelig minder kinderbijslag te geven. Op die manier zou je kunnen besparen en tegelijk meer kinderen uit de armoede halen, een belangrijke doelstelling van de kinderbijslag. Dat is niet gebeurd. De Vlaamse regeringspartijen wilden vermijden dat gezinnen te veel zouden verliezen en dus is er weinig selectiviteit ingebouwd en weinig bespaard.

Kortom, goede besparingen zijn politiek moeilijk en hebben vaak pas op langere termijn effect. Dat belooft weinig goeds voor het komende rondje urgente begrotingsmaatregelen.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk in De Morgen.

Het leefloon houdt mensen in diepe armoede

Van zowat 800 euro kan je niet leven, maar dat is wel het leefloon. Dat bedrag optrekken tot de armoedegrens hoeft geen grote gaten in de begroting te slaan.

Het nieuwe TV-seizoen gaat van start met daarin ook de ‘Nieuwe Buren’, het nieuwe programma van Karen Damen. Daarin zal ze trachten rond te komen met een leefloon van 768 euro.

De reactie in De Morgen van Frederic Vanhauwaert, algemeen coördinator van het Netwerk tegen Armoede, was gemengd. Armoede is immers meer dan gebrek aan geld. Armoede gaat vaak gepaard met een onzekerheid over de toekomst en dus stress, een gebrek aan buffer voor tegenslagen, vaak ook een slechte gezondheid en een zwak sociaal netwerk. Het zijn zaken waar Karen Damen weinig last van heeft tijdens het programma, terwijl dat het leven in armoede extra zwaar maakt.

Anderzijds is een gebrek aan geld vaak ook de oorzaak van die extra problemen en stress. En kan meer geld die problemen indirect wel aanpakken. In die zin kan het programma wel helpen om de problematiek van het te lage leefloon op de kaart te zetten, aldus Vanhauwaert. Vijf, de tv-zender die het programma uitzendt, liet in een persbericht alvast weten dat het onmogelijk is rond te komen met zo’n budget.

Dat hoeft niet te verwonderen. Het leefloon lag in 2015 op 833 euro per maand voor een alleenstaande. De armoedegrens lag in 2015 op 1083 euro per maand. Dat betekent dat een alleenstaande 250 euro per maand onder de armoedegrens leeft, of 30 procent te weinig krijgt om niet in armoede te leven. Dat is niet net een beetje in armoede, maar er diep in.

Men probeert al jaren om het leefloon op te trekken tot de armoedegrens. Met de online simulatietool Flemosi van de KULeuven kan je makkelijk uitrekenen wat de kostprijs hiervan is: jaarlijks zou het optrekken van het leefloon tot de armoedegrens de overheid 0,7 miljard euro kosten. Dat lijkt veel, maar vergeleken met wat de overheid aan bedrijfssubsidies (9,5 miljard), de spoorwegen (3 miljard euro), cultuur (2 miljard), recreatie en sport (1,5 miljard), media (0.9 miljard) of religie (0.5 miljard) geeft, mag dat budgettair geen probleem zijn.

Ook macro-economisch zou het optrekken van het leefloon positieve effecten hebben. We zitten nog steeds in een laagconjunctuur, veroorzaakt door een vraaguitval. De Europese Centrale Bank tracht dat tegen te gaan door geld in de economie te pompen in de hoop dat de consumptie zal aantrekken. Dat gebeurt echter niet, net omdat we in een laagconjunctuur zitten en mensen en bedrijven onzeker zijn en dus minder consumeren en investeren. Maar dat geldt niet voor mensen die niet kunnen rondkomen: zij kunnen het bijkomende geld zeer goed gebruiken en dus uitgeven in de reële economie. Om het met economisch jargon te zeggen: de fiscale multiplicator van een hoger leefloon te geven, is zeer waarschijnlijk gevoelig meer dan 1.

Een negatief effect van een leefloon is dat de werkloosheidsval groter wordt: mensen die nu werken tegen een minimumloon zouden in de verleiding kunnen komen om te stoppen met werken en te leven van het hogere leefloon. Om dat tegen te gaan zou de werkbonus moeten opgetrokken worden en ook een aantal uitkeringen in de sociale zekerheid, wat een extra budgettaire kost heeft.

Ook kan er een aanzuigeffect gecreëerd worden wat vluchtelingen betreft. Dat zou tegengegaan kunnen worden door het hogere leefloon enkel te geven aan zij die al een paar jaar in België wonen. Dat is voor sommigen controversieel, maar kan wel belangrijk zijn om de negatieve effecten te beperken en zo het leefloon te kunnen verhogen.

Er zijn echter ook indirecte positieve effecten aan een hoger leefloon. Doordat mensen niet meer of nauwelijks nog in armoede leven, zullen veel andere maatschappelijke kosten die gelinkt zijn met armoede, zoals hoge uitgaven aan gezondheid, kunnen dalen.

Zowel het gedragseffect van de werkloosheidsval als de impact op de maatschappelijke kosten gelinkt aan armoede zijn niet exact te berekenen, omdat het over gedragseffecten in de toekomst gaat. Een mogelijke oplossing om budgettaire ontsporingen en andere onverwachte negatieve effecten te counteren is om stapsgewijs te werk te gaan. Een eerste stap kan zijn om de helft van de kloof met de armoedegrens te dichten en de werkbonus te verhogen. Vervolgens wacht men een paar jaar om de effecten te evalueren en bij te sturen. Indien de budgettaire en negatieve effecten beperkt blijven, kan men de volledige kloof dichten.

Het is dus realistisch dat de budgettaire netto-effecten beperkt zullen zijn. Dat betekent dat we tegen relatief lage kost mensen uit de diepe armoede halen. Vanuit ethisch oogpunt is er volgens mij dan ook weinig in te brengen tegen een stapsgewijze verhoging van het leefloon met als doel de kloof met de armoedegrens volledig te dichten.

Nog dit: zij die vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid pleiten voor een basisinkomen zouden volgens mij hun energie beter steken in het ijveren voor een hoger leefloon (en flankerende maatregelen, zoals hogere werkbonus en het verhogen van bepaalde uitkeringen in de sociale zekerheid), en wel om de volgende redenen:

  • Budgettair: de budgettaire impact van een hoger leefloon is veel beperkter dan van een redelijk basisinkomen. Een verhoging van het leefloon kost 0.7 miljard of 0.17% van het BBP. Een basisinkomen van 1000 euro kost volgens mijn ruwe schatting 4-8% van het BBP. Zelfs al zijn er extra kosten door een hogere woonbonus en hogere uitgaven in de sociale zekerheid en zelfs al zouden die niet gecompenseerd worden door lagere maatschappelijke kosten die gelinkt zijn met armoede, is de kostprijs van een decent leefloon wellicht nog steeds veel lager. En dus is de invoering ook veel realistischer.
  • Praktisch: het leefloon bestaat al en de verhoging van een leefloon en andere uitkeringen kan makkelijk in stapjes uitgevoerd worden om de effecten te evalueren en eventueel bij te sturen. Om een basisinkomen in te voeren zal je het systeem grondig moeten veranderen en zal je de effecten (zoals al dan niet minder werken en meer ondernemen) pas realistisch kunnen meten indien mensen geloven dat het geen tijdelijke maatregel is. De verhoging van het leefloon is dus veel makkelijker in te voeren. Je moet hiervoor geen zotte dingen doen. De invoering van het basisinkomen is volgens mij onnodig gokken met de sociale welvaartstaat.
  • Ethisch: een basisinkomen roept een aantal vragen op waarover maatschappelijk nog geen consensus bestaat. Mag de overheid de principiële keuze maken om aan iedereen zomaar geld te geven zonder dat er iets tegenover staat? En is het ethisch om aan iedereen net evenveel te geven, ook al zijn de reële noden van de mensen sterk verschillend? Die ethische consensus is er over het leefloon veel meer: weinig mensen zijn er tegen om mensen helemaal onderaan de inkomensladder te helpen. Je kan discussiëren over de armoedegrens, en of die relatief of absoluut moet zijn, maar een rijke maatschappij laat haar burgers niet diep in de armoede zitten, zeker niet als het budgettair makkelijk doenbaar is (wat dus voorzichtig kan getest worden door bijvoorbeeld in twee stappen te werken – zie punt hierboven)

Dit is een uitgebreide versie van de tekst die verscheen in DS Avond van De Standaard

Prioriteit is niet de topsporter, maar wel het kind

Geld voor belastingkortingen voor topsporters is er wel, geld voor kansarme gezinnen om hun kinderen aan sport te laten doen niet.

Econoom Geert Noels brak in deze krant een lans om sport en topsport te ondersteunen, ook in tijden van besparingen. (DM 8/8) Topsporters tonen volgens Noels hoe het echte leven eraan toe gaat: meer tegenslagen dan successen; daarom moeten we sport en topsport aanmoedigen. Dat zou goed zijn om onze jeugd weerbaarder maken. Noels suggereert ook dat sport het aantal zelfmoorden en psychische problemen kan verminderen, dat het kinderen van minderbedeelde bevolkingsgroepen kansen kan bieden, en dat het de verzuring tegengaat in steden.Ten slotte zou topsport mensen samenbrengen en het gemeenschapsgevoel versterken.

Sport en topsport lijken zo een wondermiddel voor vele kwalen waaraan onze maatschappij lijdt. Zelf ben ik sceptisch of sport en topsport deze effecten hebben. Het zou ook kunnen dat (top)sport de gemeenschap soms verdeelt, omdat leden en supporters van verschillende clubs niet altijd de beste vrienden zijn. Ook is het twijfelachtig dat topsport laat zien dat het leven meer tegenslagen dan successen kent: eigen aan topsport is net dat je enkel de toppers ziet, juist omdat ze veel meer succesvol zijn dan gemiddeld. Iedereen is morgen het verlies van Charline Van Snick vergeten, maar Greg Van Avermaet mag ongetwijfeld binnen tien jaar op tv nog eens het verhaal vertellen van zijn gouden plak.

Van alles proeven

Dat betekent niet dat Noels geen gelijk kan hebben. Dat kan best. Maar die discussie kan alleen beslecht worden met degelijk wetenschappelijk onderzoek naar de maatschappelijke baten van sport en topsport. Gezien de vele voordelen die Noels opnoemt, kan het niet moeilijk zijn om een paar degelijke wetenschappelijke studies op te snorren die mijn scepticisme terecht wijzen.

Echter, zonder die wetenschappelijke studies is de stelling van Noels niet meer dan een opinie. En om mensen via belastingen verplicht te laten betalen voor sport en topsport, ongeacht hun voorkeur, is meer nodig dan een opinie. Zolang de maatschappelijke baten niet aangetoond zijn, moeten volwassenen die sport en topsport zo geweldig vinden daar zelf voor betalen.

Geert Noels pleit ook voor meer sport voor kinderen. Dat is makkelijker te verantwoorden, omdat het om rechtvaardigheid gaat. Kinderen zijn immers nog niet verantwoordelijk voor hun eigen keuzes. Als we iedereen de mogelijkheid willen geven om op te groeien tot ontwikkelde en goed geïnformeerde volwassenen, dan moet elk kind de kans krijgen om van allerlei domeinen te proeven, ook van sport. Dat lijkt momenteel niet het geval. Sport in clubverband kost al gauw een paar honderd euro per kind per jaar. Dat en andere drempels zijn voor sommige gezinnen te hoog. Daardoor hebben kinderen uit arme gezinnen veel minder vaak een lidmaatschap van een sportvereniging dan kinderen uit rijkere gezinnen.

Des te zuurder

Dat leidt tot de voor mij bizarre vaststelling dat de overheid wel geld heeft voor voetbaltempels en belastingkortingen voor topsporters, terwijl de financiële en andere drempels voor kansarme kinderen vaak te hoog zijn voor vele sporten.

En die vaststelling wordt des te zuurder, indien de vele positieve effecten van sport die Noels naar voren schuift wetenschappelijk aangetoond zouden worden. Kansarme kinderen worden dan door het huidige beleid nog meer achtergesteld in plaats van geholpen. Dat zou dan ook de prioriteit moeten zijn: maak de toegang tot sport voor álle kinderen mogelijk.

De overheid heeft wel geld voor voetbaltempels en belastingkortingen voor topsporters, terwijl de financiële en andere drempels voor kansarme kinderen vaak te hoog zijn.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk in De Morgen.

Beter besparen op uitgaven die geen kerntaken zijn

Dat er niet kan bespaard worden op andere overheidsuitgaven dan die voor de sociale zekerheid en de gezondheidszorg, klopt niet. Bij die andere uitgaven zitten er heel wat die geen kerntaak zijn van de overheid.

Het aantal langdurig zieken is in tien jaar tijd met 64 procent gestegen naar 370.000 mensen (De Tijd, 10 mei). De overheid geeft nu bijna 5 miljard uit aan mensen die minstens een jaar ziek zijn. De regering wil daarom langdurig zieken zo veel mogelijk naar een aangepaste job begeleiden, zodat ze toch aan het werk zijn.

Als dat lukt, is dat in het belang van iedereen. De regering kan besparen en de langdurig zieke kan weer aan de slag en ziet zijn inkomen stijgen. Langdurig zieken hebben immers slechts recht op een beperkte uitkering.

De stijging van het aantal langdurig zieken is echter ook politiek belangrijk. Voor sommigen is het nog maar eens het bewijs dat de financiering van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg niet houdbaar is. De uitgaven blijven stijgen, terwijl het begrotingstekort in 2015 afklokte op 2,6 procent van het bbp. Om tot een evenwicht te komen moet er in een context van stijgende uitgaven netto meer dan 10 miljard euro bespaard worden.

In 2014 besteedde de overheid 112 miljard euro aan de sociale zekerheid en de gezondheidszorg, of iets meer dan de helft van de totale overheidsuitgaven. Door deze grote hap uit het budget lijkt het aantrekkelijk daarop te besparen. Een besparing van 1 procent levert al onmiddellijk ruim een miljard op.

Dat de sociale zekerheid en de gezondheidszorg zo efficiënt mogelijk werken, is uiteraard goed. Maar tegelijk zijn die twee beleidsdomeinen vaak essentieel in het leven van mensen. Het gaat onder meer om uitkeringen voor pensioen, werkloosheid en ziekte. Daarin sterk snoeien met het behoud van de levenskwaliteit van de mensen die geraakt worden, is niet zo eenvoudig.

En natuurlijk is het nodig om de profiteurs zo veel mogelijk te weren. Dat element speelt ook bij langdurig zieken. Maar de profiteurs onderscheiden van de mensen in nood is soms aartsmoeilijk. Ik vind het erger om een echte langdurig zieke zijn uitkering te ontzeggen dan om een veinzende langdurig zieke een uitkering te geven. Men geeft dus best het voordeel van de twijfel.

Er zijn bovendien veel goede argumenten voor een belangrijke rol van de overheid in de organisatie en de financiering van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg, en dat zowel vanuit het oogpunt van de rechtvaardigheid als van dat van de efficiëntie. Sociale zekerheid en gezondheidszorg zullen dan ook steeds de grootste hap uit het overheidsbudget (moeten) nemen.

Toch moet er worden bespaard: het gat van 10 miljard rijdt zich niet vanzelf dicht. Maar het is een misvatting dat er niet op andere overheidsuitgaven kan bespaard worden. Die andere overheidsuitgaven zijn ook goed voor 110 miljard euro.

Daar zitten heel wat uitgaven bij die geen kerntaak van de overheid zijn. De bijgaande figuur geeft de uitgaven van drie zulke beleidsdomeinen: economische subsidies (behalve voor vervoer), vervoer, en cultuur, religie en recreatie (waaronder ook bijna 1 miljard euro uitgaven voor media). Samen zijn die drie posten goed voor 25 miljard euro in 2014.

niet-kerntaken

Niet dat de volle 25 miljard euro bespaard kan worden. Zo zitten er heel wat lastenverlagingen in de post van economische subsidies, bijvoorbeeld voor dienstencheques en ploegenarbeid. Ook wegenonderhoud zit onder de post van vervoer. Maar ook de meer dan 5 miljard waarmee de overheid openbaar vervoer subsidieert, terwijl het maar instaat voor 5 procent van het woon­werkverkeer.

Mijn stelling is dan ook dat de uitgaven voor sociale zekerheid en gezondheidszorg vaak essentieel zijn voor mensen en belangrijker dan veel uitgaven in de posten die ik genoemd heb. Er zijn miljarden te besparen in bedrijfssubsidies, openbaar vervoer, recreatie, cultuur en religie. Indien dat lukt, worden besparingen in de sociale zekerheid minder dwingend, of misschien niet eens nodig.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.

Over zwaartekrachtgolven, vuurtorens en cultuursubsidies

De voorbije week werd bekend dat men voor het eerst zwaartekrachtgolven waargenomen heeft die Einstein voorspelde. Het is een belangrijke stap in het inzicht van de manier waarop het heelal in elkaar zit.

Felix De Clerck tweette de volgende vraag:

Staat ergens al een opiniestuk van @andreastirez over de positieve externaliteiten van fundamenteel onderzoek naar zwaartekrachtgolven ? 😉

— Felix De Clerck (@F3lixDeClerck) February 12, 2016

De tweet verwijst, met enige humor, naar mijn kritiek op cultuursubsidies, waar De Clerck dan weer een sterke voorstander van is. En mijn kritiek op cultuursubsidies is inderdaad dat er geen aantoonbare positieve externaliteiten zijn van cultuur, wat wil zeggen dat het volgens mij niet aangetoond is dat ook de niet-gebruiker baten heeft als iemand deelneemt aan cultuur. Zolang je die positieve externaliteiten niet kan aantonen zijn veel cultuursubsidies dan ook niet te verantwoorden.

Externaliteiten als marktfaling

Externaliteiten, of externe effecten, zijn een bepaalde soort van marktfaling, een mechanisme waarop de markt faalt om de uitkomst te bereiken die de maatschappij optimaal acht.

[Het erkennen van een marktfaling is het erkennen dat de onzichtbare hand van Adam Smith toch niet optimaal blijkt te werken. Alvast in mijn opleiding Economie werden marktfalingen uitvoerig besproken. Een goed begrip van marktfalingen is volgens mij essentieel om de rol van de overheid te begrijpen en te verantwoorden en onontbeerlijk in veel discussies over de overheid. Om het scherp te stellen: als je niet begrijpt wat marktfalingen zijn, kan je niet goed geïnformeerd discussiëren over de rol van de overheid (en dus ook niet over cultuursubsidies). En wees gerust, dat laat nog veel ruimte voor discussie, zowel over een juist begrip van de marktfaling (de theorie van de marktfalingen kan fout toegepast worden) als over het al dan niet wetenschappelijk bewijs over de aanwezigheid van marktfalingen (ik ken uiteraard niet alle wetenschappelijke papers hierover). Wikipedia heeft in ieder geval een goede pagina over marktfalingen.]

Externaliteiten kunnen positief en negatief zijn. Het klassieke voorbeeld van positieve externaliteiten is onderwijs: de persoon die studeert voor chirurg heeft daar zelf natuurlijk ook voordeel bij, maar ook de toekomstige patiënten hebben hier voordeel bij. Bovendien zal de student als chirurg later veel belastingen betalen waardoor iedereen er baat bij heeft. Er zijn dus ook heel wat aantoonbare voordelen voor de niet-gebruiker van de chirurgenopleiding, en bij uitbreiding hoger onderwijs. De economische theorie stelt dan dat indien de overheid hoger onderwijs niet zou subsidiëren er minder hoger onderwijs zou gevolgd worden dan voor de maatschappij optimaal is. De overheid kan dan tussenkomen om hoger onderwijs te subsidiëren. In economisch jargon: de positieve externaliteiten worden dan geïnternaliseerd, namelijk de gebruiker van hoger onderwijs krijgt (een deel van) de positieve effecten die hij of zij voor anderen veroorzaakt terugbetaald (onder de vorm van lagere studiekosten). De (potentiële) gebruiker van hoger onderwijs zal deze terugbetaling meerekenen in zijn of haar afweging om hoger onderwijs te volgen.

Het klassieke voorbeeld van negatieve externaliteiten is vervuiling. De fabriek stoot schadelijke gassen uit om zelf winst te maken. De gassen veroorzaken echter schade voor de niet-gebruiker van de fabriek. Dat is maatschappelijk niet optimaal. De overheid kan dan tussenkomen door bijvoorbeeld kosten aan te rekenen voor de uitstoot. In economisch jargon: de negatieve externaliteiten worden geïnternaliseerd, namelijk de veroorzaker van uitstoot moet (een deel van) de negatieve effecten die hij of zij voor anderen veroorzaakt betalen (meestal onder de vorm van belastingen). De (potentiële) vervuiler zal deze extra kost meerekenen in zijn of haar afweging om te vervuilen.

Mijn stelling ten aanzien van cultuursubsidies is dat de positieve externaliteiten van cultuur impliciet verondersteld worden, maar niet aangetoond zijn. Mijn kritiek is dus niet vaag, maar zeer precies: toon mij de voordelen voor de niet-gebruiker als iemand naar het theater of de opera of het ballet gaat. Als je zou kunnen aantonen dat ik als niet-gebuiker toch voordeel heb dat mijn buurman naar theather gaat, dan vervalt mijn tegenstand tegen cultuursubsidies. Meer nog, dan zou ik een voorstander van dergelijke subsidies worden!

Geen bewijs => willekeur

Dat “aantonen” van positieve externaliteiten en, bij uitbreiding, van de aanwezigheid van een marktfaling moet zowel theoretisch als empirisch gebeuren. Ten eerste moet aangetoond worden hoe het mechanisme van de positieve externaliteiten zou kunnen werken. Vervolgens moet dit dan bewezen worden met data. Dat alles moet via degelijke wetenschappelijke studies gebeuren waarbij de stelregel is dat één zwaluw de lente niet maakt.

[De vergelijking met de zwaartekrachtgolven gaat hier prima op: eerst kwam Einstein met zijn theorie, die pas echt aanvaard kan worden als hij meermaals bevestigd wordt door empirisch bewijs. Vandaar het grote nieuws dat zwaartekrachtgolven voor de eerste keer waargenomen zijn.]

Voor heel veel domeinen waar de overheid tussenkomt, zoals onderwijs, publieke gezondheidszorg, vervuiling, infrastructuur, sociale zekerheid en gelijke kansen, is de marktfaling met degelijk wetenschappelijk bewijs overvloedig aangetoond, zowel theoretisch als empirisch.

Er is bij mijn weten geen degelijk wetenschappelijk onderzoek (lees: meerdere peer-reviewed papers) over het bestaan van positieve externaliteiten van kunst en cultuur. Ik heb ook academici aangesproken, zoals Hans Abbing (gecontacteerd in 2014, kende geen peer-reveiwed papers) en Bart van Looy (gecontacteerd in 2012, die stelde dat er nog veel werk nodig was inzake externaliteiten, maar hij was vooral bezig met de alloctie van de cultuursubsidies, wat niet goed zou lopen). Ik heb in het verleden ook al heel wat links gekregen naar allerlei documenten en studies die de positieve externaliteiten zouden aantonen, helaas nooit naar peer-reviewed papers, soms zelfs totaal off-topic. Mijn stelling blijft dus dat het onvoldoende aangetoond is dat kunst en cultuur positieve externaliteiten heeft.

Het feit dat het bewijs ontbreekt, betekent niet dat de positieve externaliteiten niet bestaan. Het zou best kunnen dat de positieve externaliteiten van kunst en cultuur zeer moeilijk te meten zijn. Maar dat kan natuurlijk geen rechtvaardiging voor de subsidies zijn, want dan kan je alles waarvan de positieve externaliteiten (nog) niet zijn aangetoond subsidiëren. Waarom dan geen citytrips naar New York subsidiëren?

Deze vraag is niet bedoeld als een provocatie, maar om aan te tonen dat het pleiten voor subsidies voor bepaalde activiteiten ondanks dat de baten niet aangetoond zijn, maar niet voor andere activiteiten waarvan ze ook niet aangetoond zijn, is pleiten voor willekeur. Dat is totaal onaanvaardbaar: de hele rechtstaat hebben we opgebouwd net om willekeur te vermijden. Van Wikipedia: The rule of law is the legal principle that law should govern a nation, as opposed to being governed by arbitrary decisions of individual government officials. 

Bij gebrek aan bewijs van een marktfaling, is pleiten voor subsidies niet meer dan rent-seeking, namelijk het manipuleren van de sociale en/of politieke omgeving voor het gewin van een kleine groep (lobby) ten koste van een grote groep (kiezer/consument), zonder dat hierdoor extra welvaart gecreëerd wordt.

Publieke goederen als marktfaling

Onderzoek naar zwaartekrachtgolven heeft niet zozeer positieve externaliteiten als marktfaling (hoewel het zou kunnen), maar een andere, ook zeer gekende marktfaling, namelijk het feit dat (fundamenteel) onderzoek een publiek goed is.

Een publiek goed wordt in de economie gedefinieerd als een goed (of dienst) dat niet-uitsluitbaar en niet-rivaal is. Niet-uitsluitbaar betekent dat het moeilijk of onmogelijk is om mensen uit te sluiten om het goed te consumeren. Niet-rivaal betekent dat de consumptie van het goed er niet toe leidt dat er voor anderen minder overblijft.

Een voorbeeld dat zeker geen publiek goed is, is een brood: je kan makkelijk iemand de toegang ontzeggen tot een brood. Bovendien, als je er een stuk van consumeert, blijft er minder over voor anderen.

Kennis in het algemeen is niet-rivaal: als meer mensen iets weten, neemt de kennis niet af. Kennis kan wel uitsluitbaar gemaakt worden (bedrijfsgeheimen en patenten zijn soms heel veel geld waard), maar dat is dan weer moeilijk met (fundamenteel) wetenschappelijk onderzoek, waarbij je net moet publiceren om vooruitgang te kunnen boeken. Wetenschappelijk onderzoek kan je dus niet uitsluitbaar maken. Wetenschappelijk onderzoek kan dan ook beschouwd worden als een publiek goed.

Het grote probleem van publieke goederen is de financierbaarheid ervan. Een goed voorbeeld om dit te illustreren is het financieren van de bouw van een vuurtoren.

De financierbaarheid van de vuurtoren

Een vuurtoren is een klassiek voorbeeld van een publiek goed: je kan moeilijk iemand op zee uitsluiten te navigeren op de vuurtoren (niet-uitsluitbaar). Bovendien zal de vuurtoren niet minder nuttig zijn als er veel boten op navigeren (niet-rivaal).

Stel dat een vissersdorp 100 vissers telt. Alle vissers zouden graag een vuurtoren willen, omdat ze nu regelmatig averij oplopen als ze na zonsondergang gaan vissen. Elke visser zou dan 1000 euro moeten bijdragen, en elke visser is in principe bereid om die 1000 euro te betalen voor een vuurtoren. Elke visser weet echter ook dat als de vuurtoren er eenmaal staat, het quasi onmogelijk is om het gebruik van de vuurtoren uit te sluiten, ook al heb je niet betaald. Het is dus rationeeel voor elke visser om te gokken op een free-ride en te zeggen dat hij de vuurtoren niet nodig heeft en dus niet wil meebetalen, in de hoop dat het project toch doorgaat en hij kan meegenieten zonder de kost te betalen. Er moeten maar een paar vissers zijn die daadwerkelijk weigeren te betalen, en je krijgt een cascade-effect naar alle andere vissers toe. De vuurtoren komt er dus niet. Het resultaat voor het vissersdorp is niet optimaal: hoewel elke visser 1000 euro wil betalen opdat er een vuurtoren gebouwd wordt, zal er toch niets gebeuren en blijft hij zonder vuurtoren achter, met regelmatig averij als gevolg.

Dit is het moment waarop de overheid tussenkomt. De overheid, die we even als benevolent en goed geïnformeerd veronderstellen, weet dat het vissersdorp beter af zou zijn met een vuurtoren en dat de kostprijs van 1000 euro per visser aanvaardbaar is. De overheid verplicht bijgevolg elke visser een belasting van 1000 euro te betalen voor de vuurtoren. Iedereen blij.

Hetzelfde geldt voor fundamentaal onderzoek. In dit geval kunnen niet enkel burgers maar ook hele landen hopen op een free-ride in de hoop dat andere landen het onderzoek willen financieren terwijl hun burgers er dan achteraf van kunnen meeprofiteren zonder de kosten ervan te dragen. Om dat tegen te gaan wordt er gestreefd naar grote internationale onderzoeksprojecten waar (een groot deel van) de ontwikkelde landen een aandeel in de kosten betalen. Het CERN-project is een dergelijk internationaal project.

De voorwaarde is wel dat de politiek correct inschat dat voldoende burgers het fundamenteel onderzoek voldoende waarderen, zodat de subsidies verantwoord zijn. In een democratie kan je verwachten dat politici rekening houden met de wens van de meerderheid.

Er is dus een duidelijke marktfaling en dus kan de overheid hier tussenkomen. Let wel, het is geen plicht dat de overheid tussenkomt. Het kan even goed zijn dat de politiek beslist om fundamenteel onderzoek niet te financieren, ondanks de duidelijke aantoonbare marktfaling, omdat de politiek ervan uitgaat dat de (meerderheid van de) burgers dit niet wensen.

Kunst in het park

Er is overigens ook een bepaalde vorm van kunst en cultuur die dezelfde marktfaling kent, namelijk kunst en cultuur op het publieke domein, zoals bijvoorbeeld kunst in het park. Ook dit is een publiek goed, want moeilijk uitsluitbaar en niet-rivaal. In mijn discussies over cultuursubsidies heb ik hiervoor dan ook al duidelijk een uitzondering gemaakt: als de politiek kunst en cultuur in het publieke domein zou subsidiëren dan is dat te verantwoorden. We gaan er dan vanuit dat de politiek de wil van de burger volgt en deze graag kunst in het park wil.

Dat ik deze uitzondering maak voor kunst in het openbaar, zou moeten aantonen dat ik niet zozeer tegen cultuursubsidies ben (en al helemaal niet tegen cultuur), maar dat het me gaat over de verantwoording van de rol van de overheid.

Alternatieve en vrijwillige financiering van cultuur

Ik heb de laatste jaren al heel wat over cultuursubsidies gediscussieerd. En ik heb dus zelf ook al heel wat bijgeleerd en hier en daar mijn mening bijgesteld. Zo denk ik dat subsidies voor cultuurinnovatie verantwoord kunnen worden, met dank aan de discussie met Tom Potoms. Ook de link van Andreas Provo naar een studie die onder meer verwijst naar de waarde die sommige mensen zouden hechten aan de mogelijkheid om ooit cultuur te consumeren is interessant. Het geeft aan dat niet-gebruikers ook waarde kunnen hechten aan kunst en cultuur, omdat ze zichzelf zien als mogelijk gebruikers in de toekomst. Het is ook een argument dat Frederic Vermeulen (KULeuven) aanhaalt in deze opinietekst. Het heeft me aan het denken gezet om hiervoor een oplossing te zoeken.

Om te meten welke waarde mensen hechten aan een eventuele cultuurconsumptie in de toekomst wordt gebruikt gemaakt van enquêtes; het resultaat van deze enquêtes zijn dus stated preferences, geponeerde voorkeuren. Enig scepticisme is dan op zijn plaats: we willen liever the real stuff, want mensen kunnen zeggen wat ze willen dat ze zouden betalen. Het geeft immers een goed gevoel te zeggen dat je genereus bent. Het is echter pas als ze harde valuta op tafel leggen, dat we weten wat mensen echt willen betalen. Economen, en ik veronderstel iedereen, werken dan ook liever met revealed preferences.

Dit scepticisme kan echter ook ongefundeerd zijn. Het zou best kunnen dat mensen die zeggen dat ze nu willen betalen voor cultuur om er later eventueel gebruik van te kunnen maken, dit ook werkelijk willen doen. Maar hoe weten we dit?

De oplssing is relatief eenvoudig: geef cultuuropties uit, een soort van tegoedbon die mensen kunnen kopen en die ze later kunnen gebruiken om aan een culturele activiteit deel te nemen. Als er dan weinig cultuuropties verkocht worden, was het scepticisme over de stated preferences terecht en vervalt de verantwoording van cultuursubsidies wegens dit argument. Het scepticisme kan echter ook ongefundeerd zijn omdat mensen massaal cultuuropties kopen. Voor mij zou het eender zijn wie er gelijk krijgt. In beide gevallen zal kunst en cultuur gefinancierd worden door de gebruikers (uiteraard) en de niet-gebruikers die er ooit misschien gebruik van willen maken. Zij die totaal niet geïnteresseerd zijn, worden niet verplicht mee te betalen. Iedereen blij.

Niet enkel cultuur, ook recreatie, religie en sport, en bedrijfsubsidies

Om te eindigen nog dit: ik krijg regelmatig te horen dat mijn redenering over cultuursubsidies toch ook opgaat voor sport, religie en recratie. En dat beaam ik telkens. Ik heb dat zelfs al letterlijk geschreven. Ook over bedrijfssubsidies ben ik al zeer kritisch geweest (ze liggen in België veel hoger dan elders). Ik ben ook tegen de RSZ-korting die voetballers krijgen (als ik hier ooit goede data over vind, blog ik hier zeker eens over) en de financiering van voetbalstadions door de overheid. Het valt me echter op dat de tegenstanders zich niet laten horen als ik kritiek geef op subsidies voor recreatie en religie of bedrijven, of toch niet met dezelfde virulentie.

Mijn vermoeden is dat de cultuurlobby veel vocaler is dan andere sectoren, en volop in de tegenaanval gaat als je de subsidies in vraag stelt. Toen de Vlaamse regering eind 2014 met haar algemeen besparingsplan kwam, dus niet enkel voor cultuur, was ook toen de grootste tegenstand bij cultuur te vinden. Een krant als DeMorgen ging zelfs volledig in overdrive, met een volledige voorpagina gewijd aan de besparingen in de cultuursector en een apart katern met krantentitels als ‘There will be blood’ en ‘Paniek op de bühne’ (zie DM 25/9/2014). [En het was op hun vraag dat ik toen deze open brief schreef. Dat wordt me niet gevraagd als het over subsidies voor religie of recreatie gaat.]

Ook Tom Naegels als ombudsman van DeStandaard stelde de vraag in zijn stuk ‘Hebben de culturo’s een megafoon?’ of de redactie overmatig aandacht besteedde aan de beparingen op cultuur in vergelijking bijvoorbeeld met deze op onderwijs. Hij schreef onder meer:

Het valt op: de besparingen van de Vlaamse regering treffen tal van mensen en sectoren, maar de culturele sector protesteert het hardst. Of dat lijkt toch zo als je de opiniepagina’s leest. Tot en met gisteren verschenen in De Standaard dertien opiniestukken over de begroting van de regering-Bourgeois, waarvan er acht over cultuur gingen. Vier gingen over onderwijs en één over De Lijn.

Naegels concludeerde wel dat ondewijs en andere sectoren, zoals vakbonden, wellicht makkelijker via andere kanalen hun belangen verdedigen. Het lijkt me in ieder geval zo dat de culturele sector op het publieke forum veel lawaai maakt als er aan hun subsidies geraakt wordt, wat dus ook kan verklaren waarom ik me vaak tegen hun kritiek moet verdedigen. En waarom ik dan ook veel schrijf over cultuursubsidies, terwijl het me eerder gaat om het aantonen van marktfalingen in allerlei domeinen, ook buiten kunst en cultuur. En vandaar deze lange blogpost…

Conclusie

Als je pleit voor een overheidstussenkomst zoals subsdies, dan moet je de marktfaling aantonen (of aantonen dat de overheidstussenkomst de rechtvaardigheid verhoogt, iets wat ik in deze blogpost buiten beschouwing gelaten heb). Zoniet is pleiten voor subsidies niet meer dan rent-seeking. Marktfalingen kunnen echter meer zijn dan het bestaan van externaliteiten. Ook publieke goederen zijn marktfalingen, omdat de financierbaarheid zeer moeilijk te organiseren is. Onderzoek naar zwaartekrachtgolven is een dergelijk publiek goed, theatervoorstellingen zijn dat niet. Kunst in het park is dan weer wel een publiek goed.

Een goede discussie over de rol van de overheid betekent in ieder geval een goed begrip van de theorie en de empirie van marktfalingen. En ik denk inderdaad dat die kennis ontbreekt bij heel wat verdedigers van cultuursubsidies.

Bied alle kansarme gezinnen gezinsondersteuning aan

De reeks ‘Bank achteruit’ in De Morgen toont in de eerste plaats dat de kloof tussen kansrijke en kansarme kinderen in Vlaanderen nog steeds groot is. Taalachterstand en armoede komen in de verhalen vaak naar voren als de oorzaken van deze kloof. De scholen en leerkrachten lijken, ondanks de energie en het enthousiasme, niet opgewassen tegen de opdracht om elk kind een gelijke kans te geven.

Het is dan ook niet enkel de schoolse omgeving die kansen van kinderen bepalen. Het gezin neemt ook een belangrijke plaats in, wellicht de belangrijkste. Zo is er het verhaal van de Turkse vader wiens jongste dochter, nog in de kleuterklas, onvoldoende goed Nederlands spreekt. Dat hypothekeert haar kansen om te slagen in het eerste leerjaar, en zo haar hele verdere schoolse en professionele carrière. Toch blijkt de dochter vaak maar halve dagen naar de kleuterschool te komen, te weinig om het Nederlands voldoende machtig te worden.

Voor Wouter Duyck, professor psychologie (UGent), is de uitbreiding van de leerplicht naar de kleuterjaren dan ook een must (DM 26/8). Het is een dwingende maatregel, maar één die hier gepast lijkt. Je kan als overheid paternalistisch optreden ten aanzien van kinderen als er duidelijk bewijs is dat de dwang in het belang van het kind is.

Het is echter nogmaals de oplossing zoeken op school. Dat is nodig, maar onvoldoende. Er moet ook meer in het gezin zelf gebeuren. Die interventie is veel moeilijker af te dwingen, omdat je dan binnentreedt in de privacy van het gezin. Dwang zou hier zelfs het tegengestelde effect kunnen hebben.

Maar dwang hoeft niet: er zijn sterke aanwijzingen in de wetenschappelijke literatuur dat het voldoende is om de ondersteuning vrijwillig aan te bieden. Ouders van kansarme kinderen zijn immers in essentie net zoals ouders uit de middenklasse: veruit de meeste ouders willen het beste voor hun kinderen. Als ondersteuning vrijwillig aangeboden wordt, gaan de meeste ouders daar ook op in. En wat meer is, dergelijke programma’s hebben een significante en blijvende impact te op de latere ontwikkeling van de kinderen.

Uit Amerikaans onderzoek naar deze vorm van early child education blijkt dat kansarme kinderen uit gezinnen die ondersteund worden doorgaans meer aan het werk zijn, minder crimineel gedrag vertonen en gezonder zijn. En het effect is sterker als de gezinsondersteuning vroeger begint, startend bij de geboorte (en zelfs nog vroeger). Dat impliceert dus een focus op het gezin.

De Amerikaanse initiatieven zijn misschien niet zomaar over te zetten naar Vlaanderen, omdat de context te verschillend kan zijn. We zullen dus zelf moeten uitzoeken wat hier wel en niet werkt. Dat betekent dat er experimenten moeten opgezet worden die wetenschappelijk opgevolgd worden, waarbij sommige, willekeurig geselecteerde gezinnen ondersteund worden en andere niet. Na een bepaalde tijd, te meten in jaren, kunnen dan de eventuele effecten van de ondersteuning gemeten worden.

Dat vraagt extra middelen en de nodige tijd. Daarbij mogen budgettaire overwegingen niet in de weg staan. Professor Duyck verwijst naar het onderzoek van James Heckman die het jaarlijks rendement van dergelijke investeringen schat op 7 à 10 procent; het gaat dan om gezinsondersteuning dat zich richt op zeer jonge kinderen. De langetermijnrente staat slechts op 1 procent. Met andere woorden, elke CEO geeft zijn zegen voor een dergelijke investering omdat ze veel geld zal opbrengen.

Bovendien is de investering rechtvaardig. De politiek mag dus niet aarzelen. Er moet nu meer geld naar vrijwillige gezinsondersteuning, met ruimte voor experimenten en wetenschappelijke omkadering.

Deze tekst verscheen eerst als opinie in De Morgen

Overheid gokt te zwaar op de trein

Honderd jaar geleden kende België een spoorwegennet van meer dan 5000 kilometer. Vandaag is dat 3600 km, een daling met 30%. Vooral in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werden veel spoorlijnen opgedoekt, lijnen die verlieslatend geworden werden door de massale komst van de auto en de vrachtwagen.

Er staat het spoor, en ander openbaar vervoer, een nieuwe technologische uitdager te wachten, namelijk de zelfrijdende auto. Verschillende autoproducenten verwachten, samen met Google, dat de zelfrijdende auto voor het publiek reeds binnen vijf jaar beschikbaar zal zijn. Volvo verklaarde recent zelfs al in 2019 klaar te zijn.

De komst van de zelfrijdende auto zal op vele domeinen een ingrijpende impact hebben, ook op het openbaar vervoer. Autodelen zal immers de norm worden. Uber, de Amerikaanse gigant in autodelen, kan niet wachten om de zelfrijdende auto in te voeren. Op die manier zullen Uber en haar concurrenten een soort “geïndividualiseerd openbaar vervoer” aanbieden dat sterk zal concurreren met het “collectief openbaar vervoer”. Als enige aandeelhouder van het collectief openbaar vervoer moet de overheid deze ontwikkelingen op de voet volgen en nagaan wat de risico’s zijn. Zeker voor investeringen die een zeer lange levensduur en ditto terugbetalingsperiode hebben is dit essentieel; dat is vooral zo voor het spoor.

De vraag is of de overheid die risico’s wel goed inschat. De vorige regering keurde in 2013 het meerjareninvesteringsplan van de NMBS-Groep goed. Het gaat om 26 miljard euro voor de periode 2013-2025, of 2 miljard euro per jaar. Dat zijn gigantische bedragen, waarvan men zich kan afvragen of deze verantwoord zijn. Te meer omdat het spoorvervoer voor “slechts” elf miljard reizigerskilometer instaat; dat is tien keer minder dan via de weg. En de zelfrijdende auto zal die discrepantie nog verhogen.

Om de geplande spoorinvesteringen goed te kunnen vergelijken met de overheidsinvesteringen in het wegennet moeten de investeringen per reizigerskilometer berekend worden; voor de weg schat ik de overheidsinvesteringen op 1,2 miljard euro per jaar dat aan personenvervoer kan toegewezen worden. Ik heb hiervoor enkel de snel- en gewestwegen beschouwd omdat treingebruikers ook de gemeentelijke wegen gebruiken.

De bijgaande grafiek geeft het resultaat van deze berekeningen. Als die correct zijn, dan zal de overheid jaarlijks gemiddeld 183 euro per 1000 spoorreizigerskilometer investeren en slechts 11 euro voor de weg, of bijna 17 keer minder. De cijfers moeten correct geïnterpreteerd worden; het gaat om overheidsinvesteringen. De totale investeringen in wegvervoer zijn veel hoger, omdat autogebruikers ook moeten investeren in hun auto. Maar dat is een keuze die elk individu zelf mag maken. Dat is niet het geval met het treinvervoer: hier is het de overheid die beslist en iedereen betaalt verplicht mee.

tijdtreininvesteringen

En die overheid zet dus zwaar in op investeringen in het spoor. Een beslissing die maar weinig individuele investeerders zouden maken, gezien de risico’s verbonden met de nakende komst van de zelfrijdende auto en de exponentiële stijging van het gebruik van mobiele apps voor autodelen.

Dat betekent niet dat er geen investeringen moeten gebeuren in het spoor; maar er is wel een rationalisatie van die investeringen nodig. 80 van de 550 spoorstations, zo’n 15%, zorgen voor 80% van de treinreizigers; de overige 470 voor nauwelijks 20%. In haar jaarverslag van 2013 geeft de NMBS zelf als reden onder meer de wijzigende mobiliteit. De kans is groot dat deze trend zich zal doorzetten.

Het beleid kan nu nog gekeerd worden. Er zou een investeringsplan moeten komen dat rekening houdt met de waarschijnlijke en snelle komst van de zelfrijdende auto en de mobiele apps, met al haar mogelijke implicaties. Wellicht resulteert een dergelijke oefening om de investeringen te concentreren op de meer rendabele trajecten tussen grote steden. Het zal eveneens waarschijnlijk resulteren in een verdere daling van het aantal spoorkilometers en sluitingen van stations, zoals 50 jaar geleden. Geen nood, de zelfrijdende Uber zal wel klaarstaan om in de mobiliteitsnoden te voorzien. De hierdoor uitgespaarde investeringen kunnen de discussie over taxshift en taxcut misschien wat smeren.

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd.