Bart De Wever in Amerika

Sinds jaren stellen onderzoekers zoals Pikkety en Saez dat de ongelijkheid in de VS sterk toeneemt, met vooral de hoogste inkomens die er spectaculair op vooruitgaan. En eindelijk is dit thema nu op de publieke agenda gekomen. Het begon met Occupy Wall Street die met de slogan ‘we are the 99%’, waarmee ze eigenlijk de top 1% viseerden, kernachtig uitlegden wat het probleem volgens hen is. Ook Warren Buffet, een steenrijke investeerder, pleitte voor een hogere belasting voor de superrijken. En Mitt Romney, de rijke presidentskandidaat voor de Republikeinen, kwam onder vuur te liggen wegens zijn enorme inkomen waarop hij minder dan 15% belastingen betaalt.

Maar sinds kort is het debat een stapje verder gegaan. De vaststelling dat de inkomensongelijkheid sterk gestegen is, wordt niet echt meer gecontesteerd. Het gaat nu om de reden voor de stijging en welke actie er nodig is. David Brooks, een bekende NYTimes-columnist, is lyrisch over Coming Apart, het recentste boek van Charles Murray. Murray, ook bekend van The Bell Curve, beschrijft hoe de VS verglijden naar een twee-kaste-systeem, met haves en haves-not. Volgens Murray is de reden voor deze tweedeling dat de onderklasse, de bodem 30%, niet de juiste waarden heeft. Zo worden 45% van de kinderen uit de onderklasse buiten het huwelijk geboren tegenover 7% uit de topklasse (top 20%). En bijna alle mannen uit de topklasse werken, terwijl meer en meer mannen uit de onderklasse verdwijnen van de arbeidsmarkt .

En de hogere klasse kan misschien doen alsof ze ook losse zeden heeft, maar in feite heeft ze volop de traditionele, conservatieve waarden terug omhelst: er wordt veel minder gescheiden, men is terug strenger in de opvoeding en de werkethos is helemaal terug van nooit weggeweest. Een groot contrast met de onderklasse, die in al deze domeinen net het omgekeerde doet. En de oplossing is volgens Murray dan ook duidelijk: de topklasse moet weer meer richting geven aan de onderklasse.

Dalrymple

Dat is een betoog dat heel sterk doet denken aan Theodore Dalrymple. Deze Britse voormalige gerechtspsychiater maakt dezelfde analyse: de onderklasse is haar moreel kompas kwijt met alle problemen van dien. Een analyse die volop gedeeld wordt door Bart De Wever die stelt dat de vrijheid-blijheid van mei ‘68 misschien wel bevrijdend was voor de hogere klasse, maar rampzalig voor de onderklasse, omdat ze die vrijheid niet aankan. De onderklasse moet dus terug naar de normen en waarden van weleer.

Nochtans stellen Paul Krugman en anderen vast dat het met die normen en waarden nog wel meevalt. Krugman haalt statistieken aan over misdaad en tienerzwangerschappen in de VS die beide sterke dalingen vertonen sinds de jaren ‘90. Ook bij ons blijkt het nogal mee te vallen, zoals Marc Hooghe al in 2009 schreef. Er lijkt dus weinig bewijs voor de stelling dat onze waarden moeten heroverd worden.

30.000 dollar per jaar

Maar wat is dan wel de oorzaak van het grotere aantal scheidingen in de onderklasse en de lagere participatie op de arbeidsmarkt? Een interessante verklaring komt verrassend genoeg uit conservatieve hoek: David Frum, nog speech-schrijver geweest van Bush jr., schrijft in zijn recensie van Coming Apart dat mannen uit de onderklasse te weinig verdienen. Zo stelt hij dat een man in de jaren ‘50 ongeveer 50.000 dollar kon verdienen met een fabrieksjob (in geld van vandaag), in de jaren ‘70 was dat nog maar 40.000 dollar.

Maar nu, als je al het geluk hebt een job te vinden, verdien je minder dan 30.000 dollar. Je kan daar van rond komen, maar gegeven dezelfde normen en waarden als vroeger, mag men verwachten dat er nu minder mannen kiezen voor een gezinsleven en de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengen.

België

Je kan over de oorzaken van de groeiende tweedeling in de VS eindeloos discussiëren. De vraag is in welke mate deze discussie ook relevant is voor België. De inkomensongelijkheid is volgens recente cijfers laag en niet gestegen in België, in tegenstelling tot de meeste ontwikkelde landen. België is een zeer sterk herverdelend land en in de jaren 2000 hebben de sociale uitgaven een relatief sterke stijging gekend. Dat was wellicht nodig, na de zware saneringen die Dehaene uitvoerde in de jaren ‘90. En het zorgt ervoor dat het met België eigenlijk veel beter gaat dan we vaak horen. Het is dan ook wat vreemd dat de boodschap van Dalrymple en De Wever hier zo gemakkelijk ingang vindt.

Dat komt volgens mij doordat hun discours de verantwoordelijkheid bijna volledig legt bij de onderklasse. De hogere klassen worden in het beste geval ervan beschuldigd dat ze te veel doen voor de onderklasse, waardoor die zich in de afhankelijkheid kan nestelen. Ik pleit er helemaal niet voor dat het discours over verantwoordelijkheid vervangen zou worden, maar het is wel maar de helft van het verhaal is. Het zou moeten aangevuld worden met een pleidooi voor meer gelijke kansen en sociale mobiliteit, iets waar de hogere klassen ook verantwoordelijk voor zijn (al was het maar via het betalen van belastingen). Want op het vlak van gelijke kansen presteren we veel minder goed. Dat is volgens mij de inzet van de discussie.

Deze tekst verscheen eerst als opinie bij MO*.

Talent drijft niet boven

Voetbal is zonder enige twijfel de nationale sport van België: vele honderdduizenden kinderen en volwassenen uit alle lagen van de maatschappij beoefenen wekelijks actief en passief deze sport. Er gaat dan ook heel wat geld om in deze sector, met topvoetballers die vereerd worden als halfgoden en lonen opstrijken waar menig topmanager jaloers op is. Kortom, het is een sector waarbij het loont als je je talent kan ontwikkelen.

Dat geldt ook voor de voetbalclubs: ook voor hen loont het om het talent op te sporen en te trainen. Met zoveel geld en status op het spel zou je denken dat iemand met voetbaltalent wel doorstroomt tot de top. Te meer omdat voetbal een democratische sport is met een lage financiële drempel, in tegenstelling tot pakweg golf of zeilen.

Maar de data spreken dat radicaal tegen. In de onderstaande figuur wordt het aantal Belgische voetballers in de Belgische eerste klasse getoond per geboortekwartaal.

voetbalb
Het aantal Belgische voetballers in eerste klasse (seizoen 2007-2008) per kwartaal waarin ze werden geboren.Bron: Eduratio

Het valt op dat er veel meer voetballers zijn uit het eerste kwartaal van het jaar (januari, februari of maart) dan uit de tweede helft van het jaar: iemand geboren in januari heeft zelfs tweemaal meer kans om in eerste klasse te spelen dan iemand uit de tweede jaarhelft. Tenzij iemand kan aantonen dat personen die in januari geboren zijn gemiddeld gezien intrinsiek betere voetbalkwaliteiten hebben, is de figuur een duidelijk bewijs dat niet iedereen gelijke kansen heeft om het tot de eerste klasse van de Belgische voetbalcompetitie te schoppen.

Het onrechtvaardigheidsmechanisme dat hier speelt, werkt als volgt: kinderen worden al op jonge leeftijd, rond 6 jaar, gescreend: de spelers die het beter doen worden geselecteerd voor de A-kern, de anderen gaan naar de B of C-kern. De A-spelers krijgen het etiket van ‘goede speler’ met als gevolg gemiddeld meer aandacht van de trainer en van de ouders, en misschien nog het belangrijkste: meer zelfvertrouwen in de eigen voetbalkwaliteiten. Daarenboven worden de jonge spelers samengezet en kunnen ze trainen met spelers die net zoals zij beter gemotiveerd en beter getraind zijn, en meer zelfvertrouwen hebben. Deze kinderen krijgen jaar na jaar een betere training en dat resulteert in betere volwassen spelers.

20 % voorsprong

Binnen hetzelfde kalenderjaar kunnen kinderen tot 12 maanden van leeftijd verschillen. Hoe jonger kinderen zijn, hoe groter dit verschil relatief is. Op zesjarige leeftijd is een kind uit januari bijna 20% ouder dan een kind uit december. Op die leeftijd, wanneer de ontwikkeling nog volop gaande is, is een voorsprong van bijna 20% belangrijk: de oudere kinderen zullen gemiddeld beter voetballen, zonder dat ze gemiddeld gezien intrinsiek beter zijn, en dus worden deze oudere kinderen geselecteerd op een irrelevant criterium, wat tot de onrechtvaardigheid en inefficiëntie leidt. En die oudere kinderen zijn in ons voetbalsysteem kinderen die in januari geboren zijn, omdat de afkapdatum voor voetbal op 1 januari ligt.

Onrechtvaardig: ok, maar relevant? Het gaat toch maar over voetbal. Akkoord, maar het effect is niet alleen bekend bij voetballers. De bron van mijn gegevens, de uiterst interessante website eduratio.be geeft ook nog gegevens over de Belgische toptennissers. En nog belangrijker, het geboortemaandeffect speelt ook in andere domeinen dan sport. Zo vermeldt EduRatio dat kinderen die in het Buitengewoon Onderwijs zitten disproportioneel geboren werden in de laatste maanden van het kalenderjaar. En zeer recent publiceerde een Engelse onderzoeksinstelling een studie die stelde dat de geboortemaand een effect heeft op het welzijn (zie artikel in The Guardian). Kinderen in december hebben niet minder talent of minder motivatie of minder zelfbeheersing dan kinderen uit januari en toch doen ze het op tal van domeinen minder goed.

Afkapdata

Er zijn pogingen geweest om een rechtvaardiging te vinden voor de vastgestelde fenomenen. EduRatio vermeldt een studie uit 2006 over de hogere kans die kinderen lopen op zelfmoord en psychische problemen als ze geboren zijn in de maanden april-juni. De onderzoekers probeerden dit fenomeen te verklaren door te stellen dat deze kinderen tijdens de winter in de baarmoeder zaten, met als gevolg negatieve omgevingsfactoren (zonlicht, temperatuur,…). De onderzochte kinderen kwamen uit Wales en Engeland, met een afkapdatum voor school op 1 juli.

Een gelijkaardige studie van andere onderzoekers, nota bene uit 2003, over kinderen uit Schotland vond als risicomaanden november-februari. In Schotland is de afkapdatum voor school dan ook 1 maart. De vaststelling dat het geboortemaandeffect door de afkapdatum op school wordt bepaald is dan ook een (bijna) sluitend bewijs dat het effect wel degelijk bestaat. Dit vindt men trouwens ook terug in de sport: voor baseball is de afkapdatum niet 1 januari (zoals bij de Belgische voetballers), maar 1 augustus, waardoor kinderen die in augustus geboren zijn proportioneel meer aan de top geraken dan kinderen uit juli.

Onbekend

Aan het geboortemaandeffect zitten een aantal opmerkelijke aspecten vast. Ten eerste is het effect maar weinig bekend. Zelfs de wetenschappers van de studie uit 2006 over psychische problemen wisten er niet van. Dat is opmerkelijk, want het effect is eenvoudig te begrijpen en duidelijk en objectief vast te stellen. Bovendien is het effect al decennia gekend.

Het tweede opmerkelijke feit is dat er weinig of niets ondernomen wordt om het tegen te gaan, terwijl het relatief eenvoudig te verhelpen is. Zo bijvoorbeeld stelde reeds in 1993 een studie vast dat er een geboortemaandeffect is bij verwijzing naar het buitengewoon onderwijs (de geboortemaanden november en december zijn oververtegenwoordigd). EduRatio ging na of het effect ondertussen verdwenen was, maar dat bleek niet het geval. Nochtans zou het voldoende zijn kinderen op te delen in kwartalen in plaats van jaren, of een screening door te voeren met aangepaste testen.

Ten derde toont het geboortemaandeffect aan dat er onbekende, ongewilde onrechtvaardigheden zitten in onze maatschappij waar iedereen mee geconfronteerd kan worden (het kan heel makkelijk je kind zijn).

De vaststelling van het geboortemaandeffect heeft een veel bredere maatschappelijke impact dan louter de onrechtvaardigheid van dit effect. Het is het onomstotelijke bewijs dat onze maatschappij geen gelijke kansen biedt en dat er bijgevolg veel talent verspild wordt. Meer nog, het toont aan dat zelfs een eenvoudig uit te leggen onrechtvaardigheid die iedereen kan treffen (onderklasse of middenklasse) en die bovendien relatief makkelijk te remediëren is, grotendeels ongekend en onopgelost blijft. Wat moet het dan zijn met minder eenvoudige zaken die veel moeilijker op te lossen zijn en die enkel de lagere klassen treffen, zoals het feit dat de lage sociaal-economische status van de ouders de kinderen sterk benadeelt?

Hardnekkig fatalisme

Wetenschappelijk onderzoek heeft al uitgebreid aangetoond dat ondersteuning van kansarme gezinnen met zeer jonge kinderen verbluffende en kostenefficiënte resultaten kan geven (zie bijvoorbeeld James Heckman). Maar dat wetenschappelijk onderzoek is ingewikkeld en focust op de onderklasse, niet bepaald de maatschappelijke groep die de politieke agenda zet. Bovendien zijn oplossingen hier minder eenvoudig, omdat het vaak gaat om interventies in het gezin.

Maar de belangrijkste drempel is het hardnekkige fatalisme dat leeft bij de publieke opinie, namelijk dat initiatieven om kansarme kinderen te helpen niets uithalen: kansarm impliceert arm aan talent of arm aan motivatie. Echt talent drijft wel boven, zo denkt men, en het is bijgevolg niet gewenst en niet nuttig om dit proces te verstoren. Maar talent drijft niet boven, zoals het geboortemaandeffect aantoont. Er moet hard gewerkt worden om het alle kansen te geven dat het nodig heeft.

Dat is volgens mij de grootste troef van het geboortemaandeffect: het kan de publieke opinie laten inzien dat er ongelijke kansen zijn waar we ons als maatschappij niet of onvoldoende van bewust zijn en dat dit onmiskenbaar leidt tot een verspilling van talent. Het zou de publieke opinie moeten kunnen overtuigen dat deze en andere onrechtvaardige mechanismen kunnen en moeten aangepakt worden. Wat trouwens ook zal resulteren in beter voetbal op tv.

Deze tekst verscheen eerst als opinie bij MO*.

Hoe vermogensbelasting vanaf 1,25 miljoen euro onrechtvaardig kan zijn

De onderhandelaars voor een federale regering zijn sinds korte tijd bezig met het sociaal-economische luik. Het voornaamste doel lijkt genoeg miljarden te vinden om het begrotingstekort te beperken. Voor volgend jaar gaat dit al om 10 miljard euro of grofweg 1000 euro per Belg. Dat zijn enorme uitdagingen die de ideologische tegenstellingen op scherp zetten. Economisch ‘rechts’ legt de nadruk op meer besparingen, terwijl economisch ‘links’ meer nadruk legt op meer belastingen, met onder meer een belasting op vermogens boven 1,25 miljoen euro. De rijken, zeg maar.

Als je een belasting wilt instellen op grote vermogens, is het belangrijk te weten hoe die vermogens tot stand gekomen zijn. Een belasting op een vermogen dat je in de schoot gevallen is, is rechtvaardiger dan wanneer dat vermogen door hard werk en spaarzaam leven vergaard is. Met andere woorden, het is belangrijk te weten hoe rijken rijk geworden zijn.

De Canadese schrijver Malcolm Gladwell stelt deze vraag centraal in zijn uitstekende boekUitblinkers. Hij komt tot de weinig verrassende conclusie dat er drie voorwaarden zijn: talent, kansen en oefening. Talent is wat moeder natuur je meegegeven heeft, kansen worden door je omgeving geboden. Enkel oefening heb je zelf in de hand. En met oefening bedoelt hij véél oefening: 10.000 uren of 3 uur per dag gedurende 10 jaar.

Dit betekent dat uitzonderlijk succes ook op zijn minst gedeeltelijk verdiend is: iemand met succes heeft er over het algemeen ook hard voor moeten werken. Succes heeft dus een duidelijk meritocratisch karakter. Anderzijds is een gedeelte van het succes tegelijkertijd ook niet verdiend: iemand met succes heeft onmiskenbaar talent en kansen gekregen die de persoon in kwestie in de schoot gevallen zijn. Meer nog, talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt en er kansen voor geeft.

Self-made bestaat niet

De self-made man in absolute termen bestaat dus niet. Een ondernemer, bijvoorbeeld, heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De mate waarin iemand ‘zichzelf gemaakt’ heeft is dan ook steeds relatief ten opzichte van andere personen. De zogenaamde self-made man heeft niet alleen veel te danken aan zichzelf, maar ook aan de maatschappij waarin hij leeft. Dat is ook de positie van Warren Buffet, een steenrijke en wereldberoemde Amerikaanse belegger. Buffet erkent volledig dat zijn kwaliteit als belegger enkel in een maatschappij als de VS volledig tot ontplooiing kan komen. Hij is die maatschappij dan ook erkentelijk en kondigde aan dat hij 99% van zijn fortuin zou schenken aan de Bill & Melinda Gates Foundation, het filantropisch vehikel van Bill Gates.

Dat betekent dat er ook een rechtvaardige grond is om de gevolgen van uitzonderlijk succes (een groot vermogen) gedeeltelijk terug te vorderen door de maatschappij, zeg maar te belasten. Het is immers de maatschappij die de randvoorwaarden gecreëerd heeft die het succes mogelijk maakt. Zonder dat publiek kader zou het succes er niet zijn, of niet in die mate. Het belasten van dat succes is dan geen diefstal, maar een rechtvaardig opeisen van een deel van het succes.

Dit is echter enkel een kwalitatieve rechtvaardiging. Hoe hoog deze belasting dan wel mag zijn en in welke mate rijkeren procentueel meer moeten betalen (de progressiviteit van de belastingen) is een andere zaak. Zoals hierboven gezegd, je wordt over het algemeen maar rijk als je er hard voor werkt. Als je de rijken dan te veel zou belasten, dan neem je de prikkel weg om nog hard te werken, omdat er simpelweg te veel van je rijkdom wordt afgeroomd.

De filosoof John Rawls heeft hier een antwoord op gegeven. Hij stelde dat de maatschappij zodanig moet georganiseerd worden dat de positie van de minstbedeelden het minst slecht is. Dat betekent niet dat er geen inkomensongelijkheid mag zijn, maar die ongelijkheid moet dan wel ten goede komen aan de minstbedeelden. Zo mag een chirurg best een pak meer dan gemiddeld verdienen, want dat zorgt ervoor dat de beste studenten aangetrokken tot het beroep. En dat komt ons allemaal ten goede, ook de minstbedeelden. Ook de succesvolle ondernemer moet voldoende vruchten van zijn arbeid kunnen plukken, want hij heeft hard gewerkt en risico genomen, en brengt innovatieve producten op de markt die het leven van ons allemaal beter maken (anders was de ondernemer niet succesvol).

Sporten op de ladder

De belastingen op de rijken mogen dus niet te hoog zijn, omdat er anders te weinig prikkels zijn om hard te werken en vooruit te komen. Maar er is ook een ander effect: als de inkomensongelijkheid te hoog wordt, dan blijkt dit nadelig te zijn voor hen die onderaan de ladder zitten, omdat de kloof tussen rijk en arm te groot wordt. Deze mensen blijken dan te veel drempels te ondervinden om nog vooruit te kunnen komen. De sociale mobiliteit, de mobiliteit op de socio-economische ladder, wordt dan lager. De prikkel om hard te werken en veel te verdienen is er wel, maar de sporten op de ladder zijn te wijd uit elkaar om de ladder nog op te klimmen.

Dat is bijvoorbeeld het geval in de VS: een kind dat behoort tot de 20% armsten heeft 40% kans om later bij de 20% armsten te blijven, en maar 8% kans om in de top 20% te geraken. In Denemarken, met een lagere inkomensongelijkheid, is de kans maar 25% om bij de armsten te blijven, en 14% om bij de top 20% te geraken (zie Paul De Grauwe op VoxEU.org).

Een correcte inkomensongelijkheid ligt dus in het midden: te weinig inkomensongelijkheid geeft niet genoeg prikkels om hard te werken, maar teveel inkomensongelijkheid zorgt voor te hoge drempels voor de minderbedeelden om vooruit te kunnen komen. De twee mechanismen zijn tegengesteld en werken tegelijkertijd. Om te weten welk mechanisme doorweegt, moet de werkelijkheid onderzocht worden. In haar rapport Going for Growthuit 2010 heeft de OESO een dergelijk onderzoek gedaan voor de ontwikkelde landen en daaruit blijkt dat de sociale mobiliteit groter is naarmate de inkomensongelijkheid kleiner is. Met andere woorden, in landen met een grote inkomensongelijkheid zou de kloof tussen arm en rijk te groot zijn opdat mensen kunnen opklimmen, ondanks de sterke prikkel om rijk te worden.

In die landen, onder meer de VS en UK, zou een hogere belasting voor de rijken de mensen uit de lagere klassen meer kansen kunnen geven om op te klimmen, wat die belasting rechtvaardig maakt. Voor België is deze conclusie moeilijker, omdat onze inkomensongelijkheid al laag ligt. Opmerkelijk is dat de sociale mobiliteit echter niet navenant hoog is. Landen zoals Finland en Oostenrijk hebben dezelfde inkomensongelijkheid als België, maar een veel hogere sociale mobiliteit. Vermoedelijk wordt de lage sociale mobiliteit in België dus niet veroorzaakt door het niveau van de inkomensongelijkheid, maar zijn er andere factoren die meespelen.

Rijk met 1,25 miljoen?

Het is dus niet zo simpel om te stellen dat deze crisis rechtvaardig kan opgelost worden door de rijken meer te belasten. In de VS en de UK zeer waarschijnlijk wel. In België ligt de inkomensongelijkheid al vrij laag en deze nog willen verlagen zal waarschijnlijk niet tot een rechtvaardiger maatschappij leiden. Tenzij het om een belasting op de ‘superrijken’ gaat, omdat dan het ‘supervermogen’ meer veroorzaakt is door geluk en kansen dan door hard werk.

Maar ben je met een vermogen van 1,25 miljoen euro ‘superrijk’? Het leidt geen twijfel dat dat veel geld is. Maar de ene rijke is de andere niet: iemand met 1,25 miljoen euro op de bank kan armer zijn dan iemand zonder geld. Een koppel topambtenaren die zeer hard gewerkt hebben en op hun 65 jaar beiden een topfunctie hebben, hebben samen recht op een pensioen van ruim 6000 euro netto per maand. Een koppel succesvol en hardwerkende zelfstandigen die op pensioen gaan krijgen ongeveer 1000 euro pensioen.

Als de zelfstandigen dezelfde levensstijl willen aanhouden als de ambtenaren, dan is een vermogen van 1,25 miljoen euro opgesoupeerd tegen dat ze 82 jaar zijn, terwijl de levensverwachting op 65 bijna 84 jaar is. Worden ze 90 jaar dan hebben ze 2 miljoen euro nodig, voor 100 jaar 3,2 miljoen. En dan houden we nog geen rekening met het feit dat de ambtenaren ongetwijfeld ook gespaard hebben, noch met het feit dat de zelfstandigen meer risico genomen hebben dan de ambtenaren. Zo gesteld kan een vermogensbelasting vanaf 1,25 miljoen euro onrechtvaardig zijn. Dat kan opgelost worden door de definitie van vermogen breder te nemen, of door de drempel van 1,25 miljoen euro te verhogen.

Een goede huisvader investeert in kansarme kinderen

Om uit de huidige, aanslepende crisis te geraken, mogen de overheden niet in een defensieve kramp van blinde besparingen schieten opdat ze toch maar het etiket van de goede huisvader zouden krijgen. Ze moeten daarentegen offensief optreden en volop investeren in het menselijk kapitaal uit de onderklasse. Dat is niet enkel rechtvaardig, maar onderzoek toont aan dat het ook rendabel en duurzaam is. Het is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van onze welvaartstaat.

De crisis duurt nu al meer dan drie jaar en is geëvolueerd van een bankencrisis naar een crisis van de overheden. Die overheden hebben immers de bankencrisis bedwongen door de schulden van de banken over te nemen, waardoor hun eigen schuldenberg spectaculair gestegen is. Daarbovenop komt de vergrijzing waardoor de uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg zullen toenemen.

Goede huisvader

Er zijn dus twee oorzaken, de crisis en de vergrijzing, voor het verhoogde risico dat de overheden in de ontwikkelde wereld hun schulden niet (volledig) zullen kunnen terugbetalen. Weinig verrassend wordt er gepleit om de overheidsschuld drastisch te verminderen. De overheid zou zich moeten gedragen als een “goede huisvader” en op zijn minst niet méér mogen uitgeven dan er binnen komt. Dat is toch de logica zelve?

Toch is dit te simpel. Er is niet noodzakelijk iets mis met meer uitgeven dan er binnenkomt, op voorwaarde dat het geld goed besteed wordt. Om met dezelfde metafoor te werken: een huisvader die 10.000 euro leent om op vakantie te gaan is een totaal andere huisvader dan diegene die 100.000 euro leent om de aankoop van zijn huis te financieren.

De laatste is een goede huisvader, ook al gaat hij een schuld aan die 200% tot 300% van zijn jaarinkomen bedraagt, terwijl het gedrag van de eerste terecht wordt afgekeurd. Lenen om extra te consumeren is op lange termijn immers onhoudbaar en leidt uiteindelijk tot wanbetaling, terwijl lenen om te investeren op de lange termijn opbrengt, ook al zorgt dit voor een hogere schuld. De voorwaarde is wel dat het investeringsproject rendabel is.

Investeren in de onderklasse

We stellen vast dat de rente die de overheden moeten betalen historisch laag staat: België kan op dit moment lenen tegen een reële intrestvoet van minder dan 2 procent (voor leningen op tien jaar). Dat betekent dat indien een investeringsproject meer opbrengt dan 2 procent, de overheid een slechte huisvader zou zijn als ze niet zou lenen om te investeren, ook al loopt de schuld daardoor op.

Er zijn heel wat projecten te vinden die veel meer opbrengen dan 2 procent, bijvoorbeeld het isoleren van sociale woningen. Zelf zou ik pleiten om te investeren in mensen, meer bepaald in gezinnen met zeer jonge kinderen uit de onderklasse van de samenleving. Onderzoek van onder anderen James Heckman, een Amerikaanse arbeidseconoom en Nobelprijswinnaar, heeft aangetoond dat dergelijke investeringen een return on investment kunnen hebben van 7 tot 10 procent.

En wellicht is de opbrengst nog hoger, omdat de onderzoekers enkel de effecten op de arbeidssituatie en criminaliteit konden analyseren. Wegens een gebrek aan gegevens kon men geen analyse maken van de effecten op de gezondheidszorg, waarvan ook verwacht wordt dat die positief zijn. En belangrijk: de positieve effecten zijn duurzaam, vooral wat betreft de niet-cognitieve vaardigheden van de kinderen (zoals motivatie, zelfbeheersing en doorzettingsvermogen).

Dit gaat volledig in tegen de populaire gedachte dat investeren in de onderklasse weggesmeten geld is: domme ouders krijgen immers domme kinderen en dus is investeren niet nuttig. Maar dat blijkt dus niet uit het onderzoek van Heckman. Er is natuurlijk wel een genetische component die overgeërfd wordt, maar dat effect is relatief zwak. Investeren in kinderen uit de onderklasse kan dus wel opbrengen.

Meer nog, investeren in kansarme kinderen brengt méér op dan investeren in kansrijke kinderen. Dit geldt weliswaar enkel tot de leeftijd van van 6 tot 8 jaar, waarna een investering in kansrijke kinderen meer opbrengt. De opbrengst neemt echter zowel voor kansrijke als kansarme kinderen af naarmate ze ouder worden. De boodschap is dus om vroeg in te grijpen, nog voor er zich problemen voordoen. En een geruststelling is alvast deze: een belangrijke voorwaarde is dat de kansarme gezinnen vrijwillig instappen in het project. Dus geen dwang van de overheid: de autonomie van het gezin is heilig.

Efficiënt

De bovenstaande redenering is zeer economisch en het gaat voorbij aan de ethische plicht om te investeren in kansarme gezinnen. Maar in de huidige context kunnen overheden enkel lenen om te investeren in rendabele projecten. Het is dus belangrijk om aan te tonen dat er projecten bestaan die én rechtvaardig én rendabel zijn. Enkel lenen om een onrechtvaardige situatie te verbeteren, zonder te kijken naar de efficiëntie van de maatregel zal niet langer getolereerd worden door de financiële markten.

Men kan dat immoreel vinden, maar de werkelijkheid is wat ze is. Trouwens, zo immoreel is dat niet: indien efficiëntie niet mee in rekening gebracht wordt, wordt de welvaartstaat op lange termijn onhoudbaar en zal ze imploderen, wat een nog veel grotere onrechtvaardigheid is. We moeten er alles aan doen om ons huidig niveau van solidariteit te behouden. De financiële markten geven de overheden dus een belangrijk signaal: wil je de welvaartstaat behouden, dan kan dat enkel door ze duurzaam te maken en dat betekent dat de investeringsprojecten, hoe rechtvaardig ze ook moge zijn, ook getoetst moeten worden aan de efficiëntie. De luxe om het anders te doen hebben we niet meer.

Deze tekst verscheen eerst als opinie bij MO*.

Over kinderarmoede, LINA’s en vrouwenquota

De afgelopen weken wordt de mediaberichtgeving gedomineerd door de dramatische ontwikkelingen in Japan dat achtereenvolgens een 9.0-aardbeving, een tsunami en een bijna-nucleaire ramp kreeg te verwerken, en door de burgeroorlog in Libië waar de internationale gemeenschap deze keer niet passief aan de zijlijn blijft staan. Het is dan misschien ook niet te verwonderen dat een bericht over de stijgende kinderarmoede in Vlaanderen geen debat heeft doen losbarsten over het gebrek aan rechtvaardigheid en efficiëntie in onze samenleving.

Op 15 maart berichtte de armoedebarometer dat in 2009 8% van de baby’s werden geboren in een kansarm gezin, tegenover 4% in 1997. Een verdubbeling op twaalf jaar tijd. Dit komt niet als een verrassing. De studiedienst van de Vlaamse regering publiceerde in 2009 al een lijvig rapport over ‘De sociale staat van Vlaanderen’. Hieruit bleek dat er op sociaal vlak een algemene vooruitgang merkbaar was tegenover 25 jaar terug: een hogere scholingsgraad, meer woningbezit, een sterk groei van de welvaart, veel minder verkeersdoden, nog steeds een rijk verenigingsleven en een hogere levensverwachting. Maar op een aantal vlakken deed Vlaanderen het slechter, onder andere op het vlak van kinderarmoede, die de voorbije 25 jaar sterk gestegen was.

Ook toen was er geen breed debat over de grote onrechtvaardigheid dat steeds meer kinderen in kansarme gezinnen moeten opgroeien. De reden is waarschijnlijk dus niet enkel te zoeken in Japen of Libië: de politieke agenda wordt bepaald door de middenklasse, en die laat haar slaap niet voor de onderklasse. Daarenboven leeft er in Vlaanderen (en in Nederland?) een zeker fatalisme als het om (kans)armoede gaat: de publieke opinie lijkt van mening te zijn dat er weinig aan te verhelpen is. Arme ouders zijn ofwel onwillig om iets aan hun situatie te doen of te dom (en waarschijnlijk beide). Dat hun kinderen ook in armoede terechtkomen, is ook logisch: domme/onwillige ouders krijgen domme/onwillige kinderen. Het creëren van gelijke kansen is dan wel een mooi initiatief, zeker ten aanzien van kinderen, maar het is een hopeloze zaak. Case closed.

Dit fatalistisch denkbeeld is traditioneel sterk aanwezig in conservatieve kringen. De Britse gerechtspsychiater Theodore Dalrymple, goeroe van Bart De Wever, wijst het streven van gelijke kansen zelfs af. Voor conservatieve denkers is het duidelijk: de onderklasse kan de vrijheid die een liberale democratie biedt niet aan, en er is dus nood aan enig paternalisme ten aanzien van de onderklasse. Dat is ook de mening van Wouter Beke, huidig voorzitter van de CD&V en auteur van het boek ‘De mythe van het vrije ik’ waarin hij stelt dat het soms beter is dat mensen keuzes overlaten aan anderen.

Socialisten van hun kant hebben een iets optimistischere visie op de onderklasse. Ze gaan ervan uit dat deze mensen in principe de talenten in zich hebben om uit de armoede te geraken en zelf de keuzes te maken in hun leven. Maar helaas laat de maatschappij dit niet toe. Ze pleiten er bijgevolg voor dat de benadeelde uitkomst van de mensen uit de onderklasse wordt bijgepast, omdat ze slachtoffer zijn van de onrechtvaardige maatschappij. Deze visie is tot op zekere hoogte correct, zeker als het over kinderen gaat. Maar mensen ontslaan van hun individuele verantwoordelijkheid heeft op langere termijn een sterk negatieve impact op hun zelfredzaamheid: ze gaan zich immers nestelen in hun afhankelijkheid. Dat is overigens net de kritiek van mensen zoals Theodore Dalrymple, en die is deels terecht: de onderklasse nestelt zich effectief teveel in de afhankelijkheid.

De socialistische visie kan ook leiden tot overdrijving. Zo bijvoorbeeld zal de Vlaamse regering investeren in de vakantiemogelijkheid voor de onderklasse, zodat iedereen op vakantie kan gaan, ongeacht zijn of haar inkomen. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo onzinnig: mensen zijn sociale wezens, en als iedereen op vakantie gaat, dan wordt vakantie de sociale norm, en dan voelt de onderklasse zich uitgesloten wanneer ze dat niet kan doen. En een gevoel van uitsluiting heeft zeer negatieve gevolgen voor het geluk en de zelfredzaamheid van een individu. Maar vakantie aanbieden is louter symptoombestrijding: is het niet beter om het individu in kwestie te leren weerbaarder te zijn zodat hij kan weerstaan aan de sociale norm? We moeten er niet voor zorgen dat de mensen de norm kunnen beleven, maar dat ze kunnen kiezen wat ze zelf belangrijk vinden. Echte vrijheid is het zich kunnen ontrekken aan de sociale norm, zonder zich daarbij ongelukkig te moeten voelen.

Dat is dan ook het liberale uitgangspunt in deze kwestie. Armoede op zich is niet het probleem, maar wel de mogelijkheid om goed geïnformeerd keuzes te kunnen maken. Liberalen zijn er immers net zoals de socialisten van overtuigd dat individuen de capaciteit in zich hebben om zelf hun keuzes te kunnen maken in het leven. Ze moeten er echter wel de kansen toe krijgen. En de maatschappij kan en moet deze leveren, via onderwijs (voor iedereen) en, op basis van recent wetenschappelijk onderzoek, via gezinsondersteuning van mensen uit de onderklasse.

Meer en meer onderzoek toont aan dat de onwillige ouders wel degelijk bestaan, maar dat ze een kleine minderheid vormen. De meeste ouders uit de onderklasse willen immers wat de meeste ouders uit de middenklasse willen: het beste voor hun kinderen. Ouders uit de onderklasse schrijven zich dan ook massaal in voor vrijwillige ondersteuningsprogramma’s, mits die er zijn, natuurlijk. Tevens blijkt uit onderzoek dat deze ondersteuningsprogramma’s effectief nuttig zijn: het creëren van meer kansen voor de onderklasse is mogelijk.

Daarmee zijn de twee vooroordelen die leven bij de publieke opinie (lees: de middenklasse) door wetenschappelijk onderzoek ontkracht: kansarmen willen wel degelijk vooruit, en er bestaan ondersteuningsprogramma’s die efficiënt en effectief zijn. Nochtans blijven de vooroordelen dat de onderklasse het niet wil en het niet kan hardnekkig standhouden in onze maatschappij, ook bij liberalen. Of, beter: bij LINA’s (Liberalen In Naam Alleen). Inderdaad, liberalen die niet overtuigd zijn dat mensen zelf hun keuzes kunnen en willen maken en niet overtuigd zijn dat de maatschappij zodanig kan georganiseerd worden dat ze daartoe ook de mogelijkheid krijgen, zijn liberalen die enkel de naam dragen, maar niet de ideologie. Het liberalisme staat of valt met gelijke kansen en sociale mobiliteit. En een liberaal die daarvan niet een essentieel onderdeel van zijn of haar beleid maakt is een LINA.

Tot slot nog dit: allerlei organisaties ijveren tegen discriminatie en voor gelijke kansen, maar deze organisaties richten zich veel te weinig op kinderarmoede. Het lukte ze wel om in België een wettelijk initiatief te nemen om vrouwenquota op te leggen voor de raden van bestuur, waarbij ze de bedrijfslobby wisten te verschalken, wat wijst op hun maatschappelijke macht. Nochtans zijn vrouwenquota een bagatel in vergelijking met de steeds maar groeiende onrechtvaardigheid inzake kinderarmoede (overigens, beste vrouwenorganisaties, zijn het vooral alleenstaande moeders die kansarme gezinnen moeten rechthouden). Ik had graag gezien dat vrouwen- en andere organisaties hun energie, kennis en maatschappelijke invloed zouden gebruiken om te pleiten voor meer onderzoek naar gelijke kansen en sociale mobiliteit, voor meer vrijwillige gezinsondersteuning, voor meer GOK-middelen in het onderwijs en voor meer betaalbare kinderopvang. De alleenstaande moeders en andere ouders die hun kansarme gezin draaiende moeten houden, hebben het, samen met hun kinderen, veel meer nodig dan de ambitieuze carrièrevrouw. Die laatste komt er vanzelf wel, hoor.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Parlement wordt te vrouwelijk

In België gelden quota bij het samenstellen van verkiezingslijsten: er moeten evenveel vrouwen als mannen kandideren en in de top drie van elke lijst moet minstens één vrouw staan. Deze maatregel werd ingevoerd omdat men veronderstelde dat vrouwen, gezien de dominantie van mannen, niet genoeg kansen zouden krijgen om politiek actief te worden. En een democratie is uiteraard pas echt democratisch als iedereen met gelijke kansen aan politiek kan doen. Deze maatregel mist haar doel niet: verkiezing na verkiezing zijn er meer vrouwen in het parlement. Voor Kamer en Senaat zijn er zondag langs Vlaamse kant 48 vrouwen verkozen , tegenover 65 mannen, wat neerkomt op 42,5 procent vrouwen.
We zijn er dus nog niet en de quotaregeling moet nog niet afgeschaft worden, zou je denken. Maar het omgekeerde is waar: de maatregel heeft ondertussen te goed gewerkt en veroorzaakt een nieuwe discriminatie, namelijk van jonge mannen die aan politiek willen doen. Dat blijkt duidelijk wanneer we de gekozenen opdelen volgens leeftijd. De gemiddelde leeftijd van een Vlaams parlementslid in het nieuw gekozen federale parlement is 44,5 jaar. Als we enkel de ‘jonge’ parlementsleden bekijken (jonger dan 44,5 jaar), zijn er 23 mannen verkozen, tegenover 31 vrouwen. Er is dus een derde meer jonge vrouwen verkozen dan jonge mannen. In de leeftijdscategorie boven het gemiddelde is het juist omgekeerd: hier zijn er 42 verkozen mannen, tegenover 17 verkozen vrouwen, veel meer mannen dan vrouwen dus.

Dit is te verklaren door de quotaregeling: de gevestigde ‘oude’ mannen doen er alles aan om op hun plaats te blijven zitten, waardoor partijen verplicht zijn vrouwen als nieuwe kandidaten op de lijst te plaatsen (wat juist de bedoeling is van de quota). Maar aangezien nieuwe kandidaten vaker jong zijn, werd er bij de jongeren overmatig veel vrouwen gerekruteerd (wat niet de bedoeling is van de quotaregeling). Het ironische van de hele anti-discriminatiemaatregel is dat er een nieuwe discriminatie ontstond.

Deze nieuwe discriminatie van jonge mannen was waarschijnlijk onvermijdelijk om het politieke mannenbastion te doorbreken. Toch is het duidelijk dat de maatregel te ver is doorgeschoten, omdat er nu méér jonge vrouwen zijn dan mannen. En deze nieuwe vrouwelijk parlementsleden zullen hun positie net zo verdedigen als de oude mannelijke garde, waardoor er na verloop van tijd een overwicht zal komen van vrouwen. Dus in plaats van de quotaregeling nog even aan te houden om de magische grens van 50 procent vrouwen te bereiken, moet ze direct afgeschaft worden. En eigenlijk is het al te laat, want zelfs al worden de quota nu afgeschaft, dan nog zal men door de demografische evolutie in de toekomst een periode hebben waarin er een meerderheid van vrouwen in het parlement zetelt.

Deze tekst verscheen eerst in De Standaard.

De relativiteit van de stijgende inkomensongelijkheid

Op 3 maart 2010 publiceerde de FOD Economie nieuwe cijfers over de inkomensongelijkheid in België [1]. Daaruit bleek dat de inkomensongelijkheid, gemeten aan de hand van de bekende Gini-coëfficiënt, gestegen was. Deze coëfficiënt heeft waarden tussen 0 en 1, waarbij 0 een totale gelijkheid voorstelt (iedereen heeft evenveel) en 1 een totale ongelijkheid (één persoon heeft alles, de rest niets). Hoe lager de Gini-coëfficiënt, hoe lager de ongelijkheid. De Gini-coëfficiënt (vóór belastingen) in België is in de periode van 1990 tot 2007 gestegen van 0,246 naar 0,312 met gelijkaardige niveaus in Vlaanderen en Wallonië en een hogere coëfficiënt in Brussel.

Een stijgende ongelijkheid kan een aantal nefaste implicaties hebben en als men deze ongelijkheid zou willen bestrijden, moet men ook de onderliggende oorzaak kennen. Vaak wordt de globalisering met de vinger gewezen: door de globalisering worden laaggeschoolde werknemers in competitie gesteld met werknemers uit lageloonlanden, waardoor er een neerwaartse druk is op hun lonen. Ook het ‘ongebreidelde kapitalisme’, wat dat ook moge zijn, zou deze dagen gemakkelijk als zondebok gebruikt kunnen worden, ondanks de sterke correcties in ons systeem.

Het meten van ongelijkheid is echter een secure oefening. Johan Aelbrecht, onderzoeker bij het Itinera Institute, argumenteerde reeds in oktober 2007 dat de stijgende ongelijkheid vooral een statistische aangelegenheid zou kunnen zijn [2]. Zijn stelling komt erop neer dat het aantal belastingsaangiftes (waarop de berekeningen van de FOD Economie zijn gebaseerd) sterk gestegen is en dat dit de ongelijkheidstoename zou kunnen verklaren. Inderdaad, het aantal aangiftes is toegenomen van 4,3 miljoen in 1995 tot 6,1 miljoen in 2007, een toename van 1,8 miljoen of 42 %. De bevolking zelf steeg met slechts 0,4 miljoen in de periode van 1990 tot 2007. Hieronder wordt een simulatie uitgevoerd om na te gaan wat een toename van 40 % belastingsaangiftes kan betekenen voor een Gini-coëfficiënt.

In de simulatie beschouwen we tien gezinnen met telkens twee kinderen die een inkomen hebben tussen 10.000 en 100.000 euro, met stappen van 10.000 euro. Dat geeft voor deze tien belastingsaangiftes een Gini-coëfficiënt van 0,27 [3]. Wanneer de gezinnen met de vier laagste inkomens zich splitsen (doordat ze scheiden, of doordat ze nooit getrouwd zijn, maar wel kinderen krijgen) dan stijgt het aantal belastingsaangiftes met vier, of in ons geval met 40 %. Hetzelfde gezinsinkomen van deze vier gesplitste gezinnen moet echter wel verdeeld worden over acht gezinnen in plaats van vier. De Gini-coëfficiënt stijgt in dit geval spectaculair tot 0,36. Let wel, de stijgende inkomensongelijkheid kan in dit geval in het geheel niet toegeschreven worden aan de globalisering of het ‘ongebreidelde kapitalisme’, tenzij deze fenomenen verantwoordelijk geacht worden voor een toenemend aantal scheidingen in de laagste inkomensklassen wat onwaarschijnlijk lijkt. Omgekeerd, indien de vier gezinnen met het hoogste inkomen splitsen, dan kent de Gini-coëfficiënt een daling tot 0,22. Indien de middelste vier gezinnen splitsen dan blijft de Gini-coëfficiënt nagenoeg constant [4].

Uit deze simulatie blijkt dat het erg belangrijk is om te weten in welk inkomenssegment het aantal gezinnen gesplitst is (of kleiner geworden is). Uit een studie over Amerikaanse gezinnen blijkt dat het opleidingsniveau van de vrouw in toenemende mate het scheidingspercentage kan verklaren [5]: van de vrouwen met een opleidingsniveau dat lager is dan high school en die trouwden in de periode 1975-79 scheidden er bijna 28,5% binnen de tien jaar. Voor dezelfde periode scheidden de universitair geschoolde vrouwen in 26,5 % van de gevallen binnen de tien jaar. Vijftien jaar later, de periode 1990-1994, is dit voor de laaggeschoolde vrouwen toegenomen tot bijna 40 %, terwijl dit voor de hooggeschoolde vrouwen gedaald is tot 15,5 %. Met andere woorden, gescheiden vrouwen blijken in de VS in toenemende mate ook laaggeschoolde vrouwen, met een sterk verhoogde kans op armoede. Stel dat deze trend zich in België ook heeft ingezet maar dan wel tien of twintig jaar later, dan zou al heel veel van de stijgende inkomensongelijkheid verklaard kunnen worden.

Echter, zelfs al zou de stijgende inkomensongelijkheid volledig te verklaren zijn doordat gezinnen met lage inkomens meer scheiden, dan nog is de stijging relevant. Deze gescheiden gezinseenheden verliezen immers een aantal schaalvoordelen doordat ze twee woningen moeten bekostigen, met elk hun verwarmingskosten, verzekering, telefoon, tv, internet,… Verder is er ook nog het verlies van risicospreiding op gezinsniveau, zoals inkomensverlies en ziekte; een tweeoudergezin verzekert elkaar als het ware. Het inkomen van de voormalige gezinsentiteit blijft dus gelijk na een echtscheiding, maar de kosten en de risico’s stijgen, waardoor het te besteden inkomen verkleint en de kans op armoede stijgt. Maar desondanks is er niet noodzakelijk sprake van een asociaal beleid, of een economische ontwikkeling, zoals de globalisering, die de inkomensongelijkheid in de hand werkt.

Meer nog, door de globalisering zijn consumentengoederen, zoals GSM’s en wasmachines, relatief goedkoper worden. Goederen waar lagere inkomens relatief veel geld aan besteden in vergelijking met hogere inkomens. Anderzijds zijn veel diensten, zoals bijvoorbeeld financieel advies, relatief duurder geworden. Die diensten worden door hogere inkomens relatief meer gekocht. Uit een studie van twee economen blijkt dat in de VS ongeveer 66 % van de stijgende inkomensongelijkheid sinds 1984 in het verleden zou weggewerkt worden, als men rekening houdt met dit verschillend bestedingspatroon van de inkomensklassen [6]. In het verleden is de inflatie dus zachter uitgevallen voor de lagere inkomens, waardoor de stijgende inkomensongelijkheid deels overschat werd.

Toch moet een stijgende inkomensongelijkheid liberalen zorgen baren, vooral dan ten aanzien van de kinderen die in deze gezinnen opgroeien. Zij hebben deze ongelijke situatie immers niet gekozen, terwijl ze er wel onder lijden. Nog belangrijker is ook de link die vastgesteld wordt tussen inkomensongelijkheid en sociale mobiliteit (de mate waarin je toekomst bepaald wordt door je afkomst). Landen met een hoge inkomensongelijkheid, zoals de VS, blijken ook een lage sociale mobiliteit te kennen (ondanks alle praatjes over de VS als zijnde the land of the opportunities), en omgekeerd [7+8]. De stimulans om hard te werken die inkomensongelijkheid ongetwijfeld geeft, wordt blijkbaar meer dan teniet gedaan door een gebrek aan kansen door diezelfde inkomensongelijkheid. Landen als Denemarken en Finland bewijzen echter dat een hoge sociale mobiliteit mogelijk is, zoals nog maar eens gebleken is uit een recente Oeso-studie [8]. Deze studie stelt ook dat een lage sociale mobiliteit nefast is voor de economische groei én dat de overheid daar iets kan aan doen: “Policy reform can remove obstacles to intergenerational social mobility and thereby promote equality of opportunities across individuals. Such reform will also enhance economic growth by allocating human resources to their best use.” Sociale mobiliteit verhogen is dus niet alleen rechtvaardig, maar leidt ook tot meer economische groei.

Sociale mobiliteit is dus een kolfje naar de hand van liberalen, zou je denken. Een eenvoudige zoekopdracht op de website van Open VLD op de term ‘economische groei’ levert 264 resultaten. Op ‘sociale mobiliteit’… twee [9]. Die twee resultaten slaan op de volgende passage die op het congres van februari 2009 blijkbaar werd goedgekeurd: “Het liberalisme staat of valt met sociale mobiliteit, want liberalen geloven in een samenleving die inzet beloont en ambitie waardeert.” [10]. Volledig terecht, maar van een partij die beweert dat haar ideologie staat of valt met sociale mobiliteit, mag verwacht worden dat ze toch iets meer aandacht heeft voor deze problematiek. We leven op hoop met het oog op het congres in juni!


Voetnoten:

[1] De Excel tabel + uitleg is te downloaden van de website van de FOD Economie (http://economie.fgov.be/nl/binaries/Gini_1990_2007_NL_tcm325-96587.xls

[2] Aelbrecht, Johan; 2007; “Rijker maar ongelijker? Is de recente toename van de inkomensongelijkheid een statistische constructie?”, Itinera Insitute, 25 oktober 2007, te downloaden ophttp://www.itinerainstitute.org/nl/presruimte/persmededelingen/_press/richer_but_less_equal/

[3] Er wordt rekening gehouden met de zogenaamde Oeso-schaal (uit de Excel-tabel van de FOD Economie)

[4] data i.v.m. simulaties zijn te verkrijgen op eenvoudig verzoek op andreas@liberales.be

[5] Martin, Steven P. 2006. Trends in Marital Dissolution by Women’s Education in the United. States. Demographic Research 15:537 – 560

[6] N.N. (28 juli 2008), Cheap and cheerful, The Economist

[7] N.N. (23 oktober 2008), Pain all around, please, The Economist

[8] N.N. (10 februari 2010), A Family Affair: Intergenerational Social Mobility across OECD Countries, OECD, te downloaden via http://www.oecd.org/dataoecd/17/42/44566315.pdf

[9] op 7 maart 2010 via www.google.be met volgende zoekopdrachten “economische groei” site:openvld.been “sociale mobiliteit” site:openvld.be

[10] N.N., 13-14-15 februari 2009, Nieuwe uitdagingen: vrijheid & solidariteit, goedgekeurde congrestekst, te downloaden via www.openvld.be/…/370_congrestekst_vrijheid_en_solidariteit_februari_2009.pdf

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Uitblinkers’ door Malcolm Gladwell

Wat maakt sommige mensen succesvol en andere niet? Hoe komt het dat bijvoorbeeld Bill Gates wereldberoemd is en zo rijk als de zee diep? De Canadese schrijver Malcolm Gladwell stelt deze vraag centraal in zijn boekUitblinkers, een vertaling van het Engelse Outliers. Verwacht geen zelfhulpboek om zelf succesvol te worden, maar wel een scherpe analyse van de weg naar het succes en wat we kunnen doen om zoveel mogelijk mensen die te laten bewandelen.

De eenvoudigste verklaring voor uitzonderlijk succes is uitzonderlijk talent. Bill Gates was gewoon een visionair en uiterst intelligent man, dat is de reden voor zijn uitzonderlijk succes. De auteur strijdt deze visie niet af, maar stelt dat talent niet de enige voorwaarde is waaraan moet worden voldaan voor uitzonderlijk succes. Ook kansen en oefening zijn nodig. Voor het geval Bill Gates betekende dit de kans om al in 1968 te kunnen ‘prutsen’ op een computerterminal zonder het tijdrovend gebruik van ponskaarten, wat in die tijd zeer modern was. En die kans greep Gates, samen met Paul Allen, medestichter van Microsoft, met beide handen aan: hij spendeerde al zijn vrije tijd, zelfs ’s nachts, aan het programmeren. Met andere woorden, Bill Gates had het geluk (of de kans) om zijn talent te ontplooien en greep die ook. Malcolm Gladwell hanteert de vuistregel van 10.000 uren: succes blijkt er pas te komen als je echt iets onder knie hebt en daarvoor moet je minstens 10.000 uren geoefend hebben, wat neerkomt op 3 uur per dag gedurende 10 jaar.

In het hele boek staat deze stelling dan ook centraal: voor uitzonderlijk succes zijn drie voorwaarden nodig: talent, kansen en oefening. Op zich is dit niet wereldschokkend, maar de auteur verfijnt verder, talent zelf is ook niet zo eenvoudig te definiëren. IQ, het veel gebruikte criterium voor talent, blijkt in ieder geval niet voldoende. Een hoog IQ is geen garantie voor succes; het IQ moet enkel voldoende hoog zijn. Vanaf een bepaald niveau spelen andere factoren, zoals assertiviteit, een belangrijke rol.

De auteur is erg overtuigend in zijn argumentatie voor de stelling dat uitzonderlijk succes drie dimensies kent. Hij refereert overvloedig naar interessante studies en data die stuk voor stuk op zich al zeer interessant zijn. Maar daar eindigt het niet. In het tweede deel gaat hij op zoek naar de manieren waarop we van zoveel mogelijk mensen uitblinkers kunnen maken. Gezien talent en doorzettingsvermogen om te oefenen min of meer gegeven zijn, blijft er maar één aspect over waarop een maatschappij kan inspelen, namelijk kansen.

Glawdell argumenteert dat kansen sterk afhangen van de omgeving van het individu. Sommige omgevingen zijn kansrijk, andere niet. Zo citeert hij een onderzoek naar onderwijsprestaties van leerlingen. Het is ondertussen algemeen bekend dat leerlingen van wie de ouders een lage sociaal-economische status hebben, ook minder presteren. Voor velen is dit vanzelfsprekend: domme ouders, die bijgevolg een lage sociaal-economische status hebben, krijgen domme kinderen die bijgevolg ook minder presteren. En daarmee is de kous af. Investeren in gelijke kansen is dus weggesmeten geld, deze kinderen kunnen het gewoon niet.

Als dat waar zou zijn, en de empirische gegevens lijken hierop te wijzen, dan klopt het liberale mensbeeld niet. Er zijn dan blijkbaar mensen die het gewoon niet kunnen en waarvoor een beetje paternalisme geen kwaad kan. Meer nog, het zou onethisch zijn als we deze mensen niet een handje zouden ‘helpen’. Gelukkig voor het liberale mensbeeld is de situatie iets ingewikkelder. Ja, het klopt dat kinderen uit lagere klassen minder goed presteren, maar dat komt omdat ze in hun gezinssituatie onvoldoende gestimuleerd worden. De geciteerde studie geeft dan ook een genuanceerd beeld van de lagere prestaties van deze kinderen. Leerlingen uit hogere en lagere milieus blijken ongeveer evenveel bij te leren in de periode dat ze naar school gaan. Het is pas na een lange zomervakantie dat er een verschil optreedt: bij leerlingen uit hogere klassen is er geen verminderde prestatie te merken, terwijl dit zeer duidelijk wel het geval is bij kinderen uit lagere klassen. Na een paar jaar is dit verschil geaccumuleerd tot een serieuze kloof tussen de twee groepen. Dit toont aan dat leerlingen uit lagere klassen het wel degelijk kunnen, maar dat de omgeving, in dit geval de gezinssituatie, ervoor zorgt dat ze toch een blijvende achterstand oplopen.

Deze leerlingen hebben dus nood aan een schoolomgeving die continu aanwezig is. En die kan in de praktijk effectief aangeboden worden. Gladwell verwijst naar de zogenaamde KIPP-scholen (Knowledge Is Power Program) die zich richten op leerlingen uit lagere sociale klassen en die een zeer intensief lesprogramma aanbieden; de bereikte resultaten die in het boek vermeld worden zijn zeer bemoedigend. Sociale mobiliteit, waarbij de maatschappelijke positie van een kind niet of weinig afhankelijk is van de positie van zijn of haar ouders, is dus mogelijk.

Jammer genoeg gaat het boek niet in op een belangrijk gevolg van zijn centrale stelling. Immers, indien het correct is dat succes de drie bovenstaande voorwaarden nodig heeft, dan is uitzonderlijk succes ook op zijn minst gedeeltelijk verdiend: iemand met succes heeft er ook hard voor moeten werken (minsten 3 uur per dag gedurende 10 jaar). Succes heeft dus een duidelijk meritocratisch karakter. Anderzijds, als Gladwells stelling correct is, dan is een gedeelte van het succes tegelijkertijd ook niet verdiend: iemand met succes heeft dan onmiskenbaar talent en kansen gekregen waarvoor de persoon in kwestie per definitie zelf niets heeft moeten doen. Meer nog, talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt.

De self-made man in absolute termen bestaat dus niet. Een ondernemer bijvoorbeeld, heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De mate waarin iemand ‘zichzelf gemaakt’ heeft is dan ook steeds relatief ten opzichte van andere personen; de zogenaamde self-made man heeft niet alleen veel te danken aan zichzelf, maar ook aan de maatschappij waarin hij leeft. Dat is ook de positie van Warren Buffet, die andere steenrijke en wereldberoemde Amerikaan. Buffet erkent volledig dat zijn kwaliteit als belegger enkel in een maatschappij als de VS volledig tot ontplooiing kan komen.(1) Hij is die maatschappij dan ook erkentelijk en kondigde aan dat hij het grootste deel van zijn fortuin zou schenken aan de Bill & Melinda Gates Foundation, het filantropisch vehikel van Bill Gates.

Dat betekent dat er ook een rechtvaardige grond is om de gevolgen van uitzonderlijk succes gedeeltelijk terug te vorderen door de maatschappij, zeg maar belasten. Het is immers de maatschappij die de randvoorwaarden gecreëerd heeft die het succes mogelijk maakt. Zonder dat publiek kader zou het succes er niet zijn, of niet in die mate. Het belasten van dat succes is dan geen diefstal, maar een rechtvaardig opeisen van een deel van het succes. Dit is wel enkel een kwalitatieve rechtvaardiging. Hoe hoog deze belasting dan wel mag zijn (en of ze progressief moet zijn) is een andere kwestie.

Dit boek is voor liberalen verplichte lectuur omdat het op basis van wetenschappelijk onderzoek argumenten aanreikt voor het liberale mensbeeld. Ja, succes is deels bepaald door genetische factoren (talent) en doorzettingsvermogen (oefening), maar een derde voorwaarde is voldoende kansen. Uit de onderzoeken die de auteur citeert blijkt dat die kansen nog zeer ongelijk verdeeld zijn en dat het voornamelijk lagere sociaal-economische klassen zijn die deze kansen ontberen. Met andere woorden, afkomst blijkt nog steeds een belangrijk obstakel te zijn voor de zelfontplooiing van veel mensen. Het goede nieuws is dat we hier iets kunnen aan doen. En voor liberalen, die geloven in de kracht van het individu, is het een plicht om deze obstakels te verminderen, tenminste als ze geloofwaardig willen blijven.


(1) Zie wikiquote van Warren Buffett: “Take me as an example. I happen to have a talent for allocating capital. But my ability to use that talent is completely dependent on the society I was born into. If I’d been born into a tribe of hunters, this talent of mine would be pretty worthless. I can’t run very fast. I’m not particularly strong. I’d probably end up as some wild animal’s dinner.” (To Barack Obama, quoted in The Audacity of Hope, page 191)

Malcolm Gladwell, Uitblinkers, Contact, 2008

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Liberale politici verkopen hun ideologie niet

Uit internationaal onderzoek van de OESO, namelijk de zogenaamde PISA-enquêtes, blijkt dat in Vlaanderen het onderwijs algemeen bekeken op een goed niveau staat, zowel voor de top als de middenmoot. Vlaanderen scoort echter zeer slecht als het op de zwakker presterende leerlingen gaat. Meer dan in veel andere landen kan je in Vlaanderen voorspellen wie de zwak presterende leerlingen zullen worden, nog voor ze één stap op de school gezet hebben, simpelweg door naar hun afkomst te kijken. Leerlingen die uit een gezin met een lagere sociaal-economische status (SES) komen, scoren gemiddeld slechter dan leerlingen uit een gezin met een hoge SES. Mensen met gezond verstand noemen dat normaal: ‘domme’ ouders krijgen ‘domme’ kinderen; het nature-argument is dan ook aan een comeback bezig. Maar hoe komt het dan dat de link tussen afkomst en prestaties zoveel groter is in Vlaanderen, vergeleken met bijvoorbeeld Denemarken of Finland? Zouden daar andere genetische mechanismen aan het werk zijn? Nee, toch.

Naar aanleiding van onder meer het OESO-onderzoek worden scholen door sommige onderzoekers met de vinger gewezen: Vlaamse scholen zouden de sociale mobiliteit beperken. Professor Ides Nicaise, een onderzoeker verbonden aan het HIVA-instituut (KULeuven), schreef in 2007 samen met twee andere auteurs het boek met de veelzeggende titel De school van de ongelijkheid.(1) In dit boek wordt onder meer aangeklaagd dat scholen de sociale ongelijkheid buiten de schoolmuren niet kunnen wegwerken; integendeel, de ongelijkheid wordt zelfs versterkt door de scholen zelf, aldus deze auteurs. Het feit dat Vlaanderen (en Franstalig België, dat overigens ook gemiddeld zwakker scoort) het minder goed doet voor de zwakker presterende leerlingen dan andere landen of regio’s lijkt deze stelling te ondersteunen.

Niet iedereen is het eens met de stelling dat scholen de ongelijkheid versterken. Integendeel, uit een onderzoek van 2001 naar de prestaties van Amerikaanse leerlingen blijkt dat net een gebrek aan schooluren voor de ongelijkheid zorgt.(2) Immers, volgens dit onderzoek gaan tijdens het schooljaar leerlingen uit gezinnen met een lagere sociaal-economische status (lagere SES-leerlingen) evenveel vooruit dan hogere SES-leerlingen. Dit betekent dus dat de school voor elke leerling dezelfde ‘toegevoegde waarde’ levert en dus de sociale ongelijkheid helemaal niet vergroot. Er is echter een groot verschil tussen de vooruitgang tijdens de zomermaanden, wanneer er geen school is: dan blijkt dat hoge SES-leerlingen blijven vooruitgaan, terwijl lage SES-leerlingen geen vooruitgang vertonen. Na enkele jaren is dit verschil in vooruitgang geaccumuleerd tot een grote kloof, die ten onrechte aan de school wordt toegeschreven. De jaar na jaar grotere ongelijkheid in de prestaties van leerlingen komt dus in hoofdzaak door de buitenschoolse omgeving. De school doet volgens deze onderzoekers wél wat er van haar verwacht wordt, namelijk alle leerlingen veel en evenveel bijbrengen. Deze vaststelling gaat lijnrecht in tegen de stelling van professor Nicaise en anderen.

Dezelfde filosofie wordt min of meer toegepast in het project De Katrol (3), waarover initiatiefnemer Jean-Pierre Markey het boek Van kansarm naar kansrijk? schreef en dat ook in deze nieuwsbrief besproken is (zie boekbespreking). Het project De Katrol gaat ervan uit dat ‘schoolse problemen van kansarme kinderen veelal hun voedingsbodem vinden in de gezinnen zelf’. Om deze problemen te verhelpen moet dus niet gefocust worden op de school, maar op de omgeving daarbuiten, met name het gezin. Het project voorziet dan ook in studie-ondersteuning in het gezin zelf. Het project, dat oorspronkelijk in Oostende werd opgestart, werd inmiddels overgenomen in Rotterdam en Gent, waar het blijkbaar ook een succes is, zoals ook bleek uit een artikel in De Standaard van 28 december 2009.

De problemen die in dit boek over het project De Katrol naar voor geschoven worden, klinken bekend in de oren. Het zijn ongeveer dezelfde als de vertegenwoordigster van DOMO Leuven verwoordde op de Liberales-studiedag over sociale mobiliteit in oktober 2008. DOMO Leuven (Door Ondersteuning Mee Opvoeden) is een vrijwilligersorganisatie die kansarme gezinnen ondersteunt in hun opvoedende taak.(4) Net zoals bij De Katrol, wil ook DOMO de gezinnen terug zelfredzaam maken, maar in het geval van DOMO blijven de vrijwilligers een langere periode in het gezin. Brigiet Croes van DOMO Leuven sprak over kansarmoede dat onder meer veroorzaakt wordt door het feit dat kansarmen de taal van de middenklasse niet begrijpen en vice versa. Ook structurele financiering van het project was (en is nog steeds) één van de grote problemen. Daarbij blijkt al te vaak dat er wel geld is voor nieuwe projecten, opdat de politici in kwestie kunnen scoren met projecten die zij mede mogelijk gemaakt hebben. Projecten die reeds bestaan en goed werken, vallen echter vaak uit de boot en dreigen te verdwijnen. De politieke logica is te begrijpen, maar het heeft perverse gevolgen.

Een belangrijk punt is dat deze beide bottom-up projecten, De Katrol en DOMO Leuven, het vooroordeel tegengaan dat ouders uit kansarme gezinnen schuld treffen omdat ze te weinig begaan zijn met hun kinderen, of dat kinderen uit deze gezinnen gewoon de kwaliteiten niet zouden hebben om het goed te doen op school. Daardoor zou elke inspanning om de leerprestaties van deze kinderen structureel te verbeteren zinloos zijn, waardoor dit soort gezinnen niet capabel is om zelf hun leven in te richten; en dus is enig paternalisme aangewezen voor deze mensen. Het succes van deze projecten spreekt dit tegen en toont aan dat deze kansarme gezinnen wel degelijk op een structurele manier kansrijk(er) kunnen gemaakt worden.

Zowel de onderzoekers die de oplossing (en schuld) bij de scholen leggen, als zij die zich richten op de thuissituatie hebben wel één ding gemeen: ze zijn er beiden van overtuigd dat het mogelijk is om leerlingen met een achterstand te helpen en de gezinnen zelfredzaam te maken. Te empoweren, zoals de liberale filosofe Martha Nussbaum het omschrijft. Ze geloven in de mogelijkheid van opwaartse sociale mobiliteit, namelijk dat de afkomst van kinderen uit kansarme gezinnen hun toekomst niet hoeft te bepalen. Beide groepen van onderzoekers zijn ervan overtuigd dat er in elke mens talent zit en dat de erfelijke armoede waarmee sommige gezinnen belast lijken, kan opgelost worden; met andere woorden dat ze niet genetisch bepaald is. Vergelijk dat met het volgende citaat uit het mission statement van Liberales: ‘De leden geloven in de kracht, de eigenheid en de zelfontplooiing van de mens om als ontvoogd individu zijn verantwoordelijkheid op te nemen in de samenleving. Opdat ieder individu in staat zou zijn dit te doen, dienen wij ernaar te streven dat er zoveel mogelijk gelijke startkansen zijn.’ Ik zie geen verschil.

Het is daarom opmerkelijk en betreurenswaardig te moeten vaststellen dat liberale politici weinig vertrouwd zijn met dit soort onderzoeken en projecten. Het wordt teveel afgedaan als ‘links’ of ‘socialistisch’, terwijl de doelstellingen van deze projecten op en top liberaal geïnspireerd zijn (zonder dat de initiatiefnemers dit vaak zelf beseffen). Het einddoel van deze projecten is om kansarme gezinnen en kinderen meer kansen te geven, om ze uiteindelijk zelfredzaam te maken, zodat ze op een goed geïnformeerde manier hun eigen leven vorm kunnen geven. Dit gaat volledig in tegen het gedachtegoed van Theodore Dalrymple en aanverwanten, waarmee conservatieve politici zoals Bart De Wever zo graag mee koketteren. Zij stellen dat de bevrijding van mei ’68 goed was voor de grote groep van middenklassers –zij kunnen die vrijheid aan -, maar dat de middenklassers deze vrijheid aan de lagere klassen hebben opgedrongen; een vrijheid die ze, zo stellen deze conservatieven, in wezen niet aankunnen waardoor ze ontsporen. Als dit zou kloppen, dan zou het liberalisme zich inderdaad veel bescheidener moeten opstellen (en zou Liberales haar mission statement moeten herschrijven). Maar het klopt dus niet. En dat bewijzen onder meer net dit soort projecten als De Katrol en DOMO.

Nieuwe projecten zouden snel en gemakkelijk een soort van trial and error subsidie moeten krijgen. Deze projecten zouden dan na 1 à 2 jaar wetenschappelijk geëvalueerd moeten worden, vooraleer ze structureel gefinancierd worden. En zeker projecten die al jaren door vrijwilligers gedragen worden, zoals dat van DOMO Leuven, zouden zonder veel regeltjes op duurzame manier gefinancierd moeten worden. Het loutere feit dat die projecten al zo lang bestaan wijst met grote waarschijnlijkheid op hun deugdelijkheid en recht op financiering. Immers, de vrijwilliger zal zijn inzet nooit lang volhouden als hij niet merkt dat de inspanning nuttig is en dus doven dergelijke projecten vanzelf uit wanneer de vrijwilligers merken dat het project niet of weinig opbrengt. De financiering kan dan gebeuren in functie van het aantal vrijwilligers en eventueel hun anciënniteit.

Kortom, liberale politici, en vooral zij die lokaal actief zijn, moeten meer aandacht hebben voor deze problematiek en dit soort projecten, die daarenboven van onderen uit worden gedragen. Op die manier zou de sociale mobiliteit realiteit kunnen worden, en zou men de nefaste ideeën van conservatieven kunnen weerleggen.


(1)‘De school van de ongelijkheid’, Nico Hirtt, Ides Nicaise, Dirk De Zutter, uitgeverij EPO, 2007, 172p

(2)‘Schools, Achievement, and Inequality: A Seasonal Perspective’, Karl L. Alexander, Doris R. Entwisle en Linda S. Olson, gepubliceerd in Education Evaluation and Policy Analysis 23, nr. 2 (zomer 2001): p. 171-191. Te downloaden via: http://www-personal.umich.edu/~dkcohen/Alexander_2001.pdf

(3) zie http://www.dekatrol.be/

(4) zie http://www.domoleuven.be/

Deze tekst verscheen eerder als column bij Liberales.

Verkiezing Obama geen bewijs van American Dream

In de wereldwijde euforie na de verkiezing van Barack Obama bleek iedereen er plots weer van overtuigd dat in the land of the opportunities alles mogelijk was. Het bewijs was geleverd: een afro-Amerikaan die president wordt, dat kan alleen in Amerika. En met de slogan ‘Yes, we can!‘ werd het nog eens in de verf gezet: als je maar hard genoeg werkt, dan kan je zelfs president worden!

Dat is de meritocratische gedachte ten top: zij die het talent hebben en er hard voor werken, verdienen en geraken aan de top. En dat is niet alleen rechtvaardig, het is ook efficiënt: de beste man of vrouw op de juist plaats. Maar dat is enkel rechtvaardig en efficiënt als élke talentvolle, hardwerkende het kan maken, ongeacht geslacht, ras en -en dat blijkt de belangrijkste drempel- sociaal-economische status van die persoon.

Ondanks al het hip-hip-hoera-gedoe, blijkt dit niet het geval te zijn in de VS. Uit een artikel dat professor Paul De Grauwe publiceerde op VoxEu.org blijkt dat als in de VS je ouders behoren tot het laagste inkomensquintiel (armste 20%), de kans dat je zelf in dat laagste inkomensquintiel blijft hangen ongeveer 40% is. In Denemarken, daarentegen, is deze kans slechts 25%. En ook: de kans dat je van het laagste inkomensquintiel naar het hoogste springt, het o zo bejubelde from zero to hero, is in de VS net geen 8%; in Denemarken is dat 14%, bijna dubbel zoveel dus. Ook de andere Scandinavische landen, die ironisch genoeg in de VS bekend staan als rigide maatschappijen, scoren een pak beter dan de VS. Met andere woorden, de kans om in de armoede te blijven hangen is in de VS een pak groter.

Uit een recent artikel in The Economist blijkt dat dit algemeen is: hoe hoger de inkomensongelijkheid, hoe hoger de correlatie tussen het inkomen van de ouders en het kind. Nochtans zou die grotere inkomensongelijkheid een grote prikkel moeten zijn om hard te werken. En dat is zeker een correcte redenering. Maar er werkt ook een tegengesteld mechanisme: een lager inkomen geeft aan de ouders minder middelen om te investeren in hun kinderen. In een kennismaatschappij is die investering echter broodnodig om de nodige talenten te ontwikkelen om mee te kunnen draaien. Blijkbaar is het tweede mechanisme sterker dan de prikkel die uitgaat van een (veel) hoger loon. Met andere woorden, de lagere inkomens in de VS willen wel, maar kunnen niet.

En dat blijkt ook uit de correlatie tussen ouders en kinderen inzake het bereikte onderwijsniveau. Een uitgebreide studie toont dat in de VS deze correlatie ongeveer 0,5 is, terwijl ze in Denemarken onder de 0,2 ligt. Vlaanderen scoort met 0,4 trouwens ook niet zo goed, hoewel het gemiddelde onderwijspeil wél erg goed is in Vlaanderen. Maar dat is in Finland ook het geval en daar is de correlatie rond de 0,3. In de VS, maar dus ook in Vlaanderen, zit je meer vast aan wat je ouders gedaan hebben, dan in Denemarken of Finland. En nogmaals, die correlatie wordt niet bepaald door ras of geslacht, maar vooral door de sociaal-economische status. Dat Barack Obamatot president is verkozen, zou dus pas echt verwonderlijk geweest zijn, indien hij kind was van een stel daklozen of laagopgeleide ouders, quod non.

We kunnen dus nog even wachten om de VS terug als gidsland uit te roepen. Op gebied van sociale rechtvaardigheid en het ontwikkelen van alle aanwezige talenten moeten we de blik nog steeds op de Scandinavische landen richten. En het is niet de inkomensongelijkheid op zich die daarbij belangrijk is. Immers, zoals gesteld, is een zekere mate van inkomensongelijkheid nodig om de talentvolle en harde werkers te belonen voor hun inspanningen. Er moet een inkomenstop zijn waar men naartoe kan werken. Een redelijke inkomensongelijkheid, in combinatie met gelijke kansen, zorgt voor de ruimte die nodig is opdat een hardwerkend mens met talent ook beloond kan worden. Als inkomensongelijkheid de sociale mobiliteit vergroot, dan is ze dus rechtvaardig.

 

Deze tekst verscheen eerst in De Tijd.