Een belasting van 75 procent is rechtvaardig

In mei zijn het presidentsverkiezingen in Frankrijk. De kandidaat van de oppositie, de socialist François Hollande, lag lange tijd op kop in de peilingen. Enkele weken terug begon Sarkozy echter aan een remonte en nu worden de twee tenoren in elkaars buurt gepeild. Het is in deze context dat Hollande zijn controversieel plan bekend maakte om een taks van 75 procent in te stellen voor inkomens boven 1 miljoen euro. Het werd door zijn tegenstanders dan ook snel afgedaan als een geïmproviseerde, populistische zet, getuigend van amateurisme en naïviteit.

Wat dat laatste betreft is de redenering dat Frankrijk met een dergelijke taks boven alle andere Europese landen zou uitsteken: Zweden heeft met 56,5 procent de hoogste topbelasting, Duitsland zit op 47,5 procent en Frankrijk momenteel op 41 procent met een tijdelijk extra van 3 en 4 procent voor inkomens boven respectievelijk 250.000 en 500.000 euro. De geviseerde rijken kunnen dus gemakkelijk de grens oversteken. Bovendien zou de taks maar 200 miljoen euro opbrengen.

Een deuk in een pakje boter dus. Maar dat zijn argumenten over de efficiëntie van de belasting. Belangrijker is om eerst na te gaan of de belasting rechtvaardig is: mag een overheid jaarlijks driekwart van het inkomen onder dwang afnemen van een individu, ook al is dat pas op het deel boven 1 miljoen euro? Als dat zo is, dan worden de efficiëntie-argumenten belangrijk. Zoniet hoeven we er zelfs niet over te discussiëren.

Risico, talent en hard werk

Om de rechtvaardigheid te kunnen nagaan, moeten we weten hoe iemand een jaarinkomen van meer dan 1 miljoen euro kan vergaren. Stel je een ondernemer voor die een bedrijf opstart en eigen spaargeld gebruikt als startkapitaal, ondanks het grote risico. Vervolgens werkt hij of zij jaren keihard en wordt het bedrijf, dankzij het talent van de ondernemer, erg succesvol waarna deze zich een loon kan uitbetalen tot ver boven 1 miljoen euro. Ik maak me sterk dat ik hier het meest voordelige voorbeeld tégen de 75-procenttaks neem. Als het rechtvaardig is om van deze hardwerkende ondernemer driekwart af te nemen, dan mag het zeker bij de anderen die hun positie met meer geluk hebben verworven.

Het is duidelijk dat de ondernemer veel van het succes verdiend heeft: veel talent, risico genomen en hard gewerkt. Maar zoals ik in een eerdere column voor MO.be schreef, er is ook een deel van het succes niet verdiend: talent kan pas ontplooid worden binnen een maatschappelijk kader dat dit mogelijk maakt en er kansen voor geeft. En een ondernemer heeft een kader nodig waarin een contract afdwingbaar is, zijnde een rechtstaat. De maatschappij mag dus een deel van het succes opeisen.

Toeval

Maar mag dat deel dan 75 procent zijn? Wel, iemand die zó succesvol is dat hij een jaarinkomen ontvangt van meer dan 1 miljoen euro, die heeft zonder twijfel ook erg veel geluk gehad. Malcolm Gladwell illustreert dat mooi door de lijst van de 75 rijkste mensen ooit te analyseren, beginnende bij de farao’s en zo tot Bill Gates. Hij stelt vast dat er 9 van de 75 personen geboren zijn in een tijdspanne van 10 jaar. Het gaat om Amerikanen die geboren zijn tussen 1831 en 1840 en die hun fortuin gemaakt hebben tijdens een periode in de geschiedenis waarbij de economie een gigantische ontwikkeling kende.

Waarschijnlijk namen industriëlen zoals Rockefeller risico en bulkten ze van het talent. Ook zullen ze hard gewerkt hebben voor hun succes. Maar iemand vóór 1830 geboren was wellicht te oud om de transformatie te kunnen vatten en de kansen te zien, en na 1840 was je te laat. Er is geen zinnig mens die kan beweren dat enkel tussen 1830 en 1840 zulke genieën en hardwerkende, risiconemende ondernemers werden geboren. En dat is algemeen zo: ja, succes kan niet zonder talent en hard werk, maar eens voorbij een bepaald niveau betekent meer succes ook meer toeval.

75 procent

Met de extra opbrengst door een hogere belasting op de super-succesvollen-met-super-geluk kan je de belasting van de minder-succesvollen-met-minder-geluk verlagen. Want dat is een bijkomend argument: in de ontwikkelde wereld kennen we bijna overal een progressief systeem: hoe meer je verdient, hoe meer je betaalt, niet allen in absolute waarde, maar ook in procenten. In België betaal je bijvoorbeeld boven een jaarinkomen van 8000 euro 30 procent belastingen. Dat percentage stijgt tot 50 procent voor een jaarinkomen vanaf 35.000 euro.

Maar vreemd genoeg blijft het na 35.000 euro 50 procent, dus ook als je 1 miljoen euro verdient. We aanvaarden een progressiviteit tussen 0 en 35.000 euro, maar er is geen progressiviteit tussen 35.000 euro en één, twee of vijf miljoen. Waarom eigenlijk? Rechtvaardiger zou zijn om de 50 procent pas vanaf pakweg 70.000 euro te innen en vervolgens de belastingvoet gradueel te laten stijgen tot 75 procent vanaf één miljoen euro.

Politieke ongelijkheid

Een bijkomend en volgens mij onderbelicht argument voor een hoge marginale belastingsvoet betreft politieke ongelijkheid. Paul Verhaeghe behandelt dit in een essay, dat door Liberales eind vorig jaar gelauwerd werd. Hij schrijft dat “de winnaars zeer snel aan de top (komen), met als gevolg dat zij na korte tijd zelf de meetlat kunnen gaan definiëren in de richting die hen het best uitkomt, waardoor de nieuwe hiërarchie zelfbevestigend werkt.”

Ook economen maken zich meer en meer zorgen over de politieke ongelijkheid, zoals Daron Acemoglu and James Robinson. Deze economen hebben het vooral over de VS, waar de topinkomens gigantische proporties aannemen. Maar ook in België en vele andere landen heeft de top 1 procent een groter inkomensaandeel naar zich toegetrokken. De Oeso publiceerde onlangsgegevens (excel, 45 kb) waaruit blijkt dat het aandeel van de top 1 procent in België op minder dan 20 jaar met 23 procent is gestegen (van 6,3 naar 7,7 procent van het totaal inkomen). In Frankrijk is het gestegen van 8,2 naar 8,9 procent.

Iedereen tekent voor 1 miljoen

Tot slot, voor zij die beweren dat een taks van 75 procent ondernemersschap en hard werk zal ontmoedigen, nog drie woorden: één miljoen euro. Een jaarlijks inkomen van die grootte betekent dat je heel, heel succesvol bent. Beeld je zelf in dat je een zaak start en je krijgt gegarandeerd een jaarinkomen van meer dan 1 miljoen euro op voorwaarde dat je boven 1 miljoen euro 75 procent belastingen betaalt in plaats van 50. Elke beginnende ondernemer tekent hiervoor.

Laat de discussie over de efficiëntie van een marginale belastingvoet van 75 procent beginnen…

Deze opinie verscheen eerst bij MO* en daarna bij Liberales.

 

Tegen een algemeen hoofddoekenverbod op school

Het hoofddoekendebat woedt al jaren in Vlaanderen. De vorige opflakkering van het debat ging over ambtenaren met een loketfunctie die al dan niet een hoofddoek mochten dragen. Nu gaat het om de hoofddoek op school.

Binnen Liberales, en waarschijnlijk bij uitbreiding binnen de liberale beweging, zijn er voor- en tegenstanders van een verbod op hoofddoeken. De voorstanders van een verbod in het geval van de ambtenaren beriepen zich voornamelijk op de neutraliteit van de staat. In het geval van de scholenkwestie wordt dan weer de nadruk gelegd op de vrijheid van het individu: in concentratiescholen zou er te veel sociale druk zijn op meisjes om toch maar een hoofddoek te dragen, ook al willen ze dat niet. Liberale tegenstanders van een hoofddoekenverbod hebben in de beide kwesties steeds geschermd met het argument van de individuele vrijheid: elk individu moet kunnen kiezen wat hij of zij op het hoofd draagt.

In de scholenkwestie gebruiken liberale voor- en tegenstanders dus hetzelfde argument, namelijk de individuele vrijheid. En terecht: enerzijds heeft elk individu het recht om de godsdienst (of geen godsdienst) te belijden van zijn of haar keuze, maar anderzijds houdt dat recht op wanneer deze keuze andere individuen belemmert in hun keuze. Het klassieke principe van ‘mijn vrijheid eindigt waar jouw vrijheid begint’ dus, of anders uitgedrukt: ‘streven naar zoveel mogelijk vrijheid voor élk individu’. Typisch liberaal, dus.

Voorstanders van het verbod aanvaarden dus dat acties van individuen gevolgen kunnen hebben voor andere individuen, en wel zodanig dat een overheid of andere autoriteit (i.c. de school) een algemene (verbods)regel oplegt. En weerom terecht. Individuen leven niet op een eiland, maar zijn verbonden met elkaar en hebben positieve en negatieve effecten op elkaar. Als de negatieve effecten te groot zijn, moet er tussenbeide gekomen worden.

Dit is dus géén pleidooi tegen het hoofddoekenverbod dat directrice Heremans in het Antwerpse Atheneum heeft ingesteld. Zelf kan ik niet oordelen of de meisjes in haar school die geen hoofddoek wilden dragen een dermate grote druk ervoeren om er wel een te dragen. Maar als er één instantie hierover kan oordelen, dan is het wel het lerarenkorps en de directrice. In die zin is het een goede zaak om de directie van de scholen zelf te laten beslissen over dit verbod. Zij zijn het die dagelijks in de praktijk staan, niet de commentatoren of politici, zelfs niet de ouders van de leerlingen. En de leerlingen zelf mogen uiteraard hun stem laten horen, maar het is uiteindelijk de directie die beslist. Een school is geen democratie.

Maar één van de argumenten van directrice Heremans is bijzonder: haar school kent pas sinds enkele jaren een verhoogde instroom van meisjes die per se een hoofddoek willen dragen. Daarvoor was er geen probleem, ook al kende de school 50 % moslims. Van waar dan plots die verhoogde instroom van wat ik – uit gemak – radicale leerlingen noem? Dat is blijkbaar veroorzaakt doordat ándere scholen in het Antwerpse op individuele basis de hoofddoek verboden hadden, waardoor de scholen waar dit verbod nog niet ingesteld was deze radicale leerlingen aantrok. Met het gekende gevolg.

Directrice Heremans zegt daar in een interview met de Standaard (27 juni 2009) het volgende over: “Ik heb niets tegen de hoofddoek, laat dat duidelijk zijn. Daarom heb ik me ook zo lang verzet tegen een verbod. Maar de laatste vijf jaar is het aantal moslimleerlingen op het Koninklijk Atheneum gestegen van 51 naar 80 procent. Moslima’s kwamen hierheen omdat ze wisten dat ze hier wel nog een hoofddoek mochten dragen. Ik wil geen concentratieschool zijn.” De individuele scholen die in het verleden een hoofddoekenverbod hebben ingesteld (volgens sommigen vooral om hun goede naam te behouden), hebben er dus voor gezorgd dat het Antwerpse Atheneum geen keuze meer had: om de rechten van alle meisjes te verdedigen, werd – blijkbaar met pijn in het hart – een hoofddoekenverbod ingesteld.

Het argument van de voorstanders van een verbod, namelijk dat ‘de hoofddoekdragers negatieve effecten veroorzaken voor de niet-hoofddoekdragers, zodanig dat deze niet meer vrij kunnen kiezen of ze een hoofddoek dragen’, kan ook gebruikt worden door de tegenstanders van een verbod. De tegenstanders kunnen immers argumenteren dat ‘de scholen met hoofddoekenverbod negatieve effecten veroorzaken voor de scholen zonder hoofddoekenverbod, zodat deze niet meer vrij kunnen kiezen of ze een hoofddoekenverbod willen instellen’. Inderdaad, individuele scholen met een hoofddoekenverbod zorgen ervoor dat er een concentratie van radicale leerlingen ontstaat in scholen zonder verbod. Een oplossing voor de hoofddoekenkwestie kan dus bestaan uit een algemeen verbod op hoofddoeken, maar even goed uit een algemeen gebod om hoofddoeken toe te laten. Nadeel van een algemeen gebod is de huidige, historisch gegroeide situatie waarbij er scholen zijn met concentraties van radicale leerlingen. Dit kan men oplossen door toe te staan dat scholen toch een verbod op hoofddoeken kunnen instellen wanneer een belangrijk aantal van de vrouwelijke leerlingen een hoofddoek dragen.

In hoeverre dit praktisch haalbaar is, weet ik niet. Maar deze regeling zou het voordeel hebben dat er met de twee belangrijkste argumenten in dit hoofddoekendebat rekening wordt gehouden: enerzijds de vrijheid van godsdienstbeleving (en dus geen algemeen verbod), maar anderzijds rekening houdend met de externe negatieve effecten, zoals sociale druk, die de keuze van andere individuen kan fnuiken.

Tot slot nog dit: persoonlijk zou ik liever zien dat er helemaal geen hoofddoeken gedragen worden, noch keppeltjes of kruisjes. Ik heb het niet zo op religie (dingen klakkeloos aannemen, waar kan dat goed voor zijn?). Maar die persoonlijke overtuiging is irrelevant in dit debat. Het gaat hier om liberale grondrechten. Dat betekent dat sociale druk inderdaad een belangrijk argument kan zijn om iets te verbieden. Maar als er een alternatief bestaat dat de vrijheid van elk individu garandeert, dan moet dit alternatief ondersteund worden, los van de persoonlijke overtuiging.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Kan de doodstraf rechtvaardig zijn?

Exact twee weken geleden vermoordde een 20-jarige jongeman in Sint-Gillis bij Dendermonde twee peuters en een begeleidster en verwondde hij twaalf anderen, voornamelijk peuters. In de nasleep van deze verschrikkelijke gebeurtenissen werden op alle mogelijke internetfora en in lezersbrieven heftig gediscussieerd over een passende straf voor de dader. Voor iedereen staat het vast dat de dader de meest verschrikkelijke feiten gepleegd heeft die men kan plegen: de moord op onschuldige, weerloze wezens zonder enige directe aanleiding. Voor velen bestaat hiervoor maar één gepaste straf: de doodstraf. Tegenstanders van de doodstraf lieten zich echter ook horen op het publieke forum, zonder dat ze de wreedheid van deze daden ontkenden.

De gebeurtenissen roepen bij iedereen zeer sterke emoties op die zich bij velen vertalen in een verlangen om de doodstraf terug in te voeren. Het is volgens mij niet juist om de roep om de doodstraf af te doen als een dwaze, emotionele reflex van ‘het volk’. Integendeel, dat deze emoties zo sterk zijn, is een sterk signaal dat we de kwestie zeer belangrijk vinden. Dat is opmerkelijk, omdat de meesten geen directe band hebben met de slachtoffers. De bekommernis om het lijden van anderen, de empathie, is de basis van onze moraliteit en in die zin moeten deze sterke emoties ernstig genomen worden.

Maar na de erkenning van het belang van deze emoties (en dus van de ernst van de misdaad), moet over de zaak rationeel nagedacht worden. De sterke emotie op zich betekent immers niet dat de gevraagde actie – de invoering van de doodstraf – goed te keuren is. Emoties zijn evolutionair geëvolueerd en het evolutiemechanisme is blind voor goed en kwaad. Het enige wat telt is of het werkt: draagt een bepaald emotie bij tot de kans dat de genen in de geldende omstandigheid worden gereproduceerd of niet? Emoties zijn dus door een neutraal mechanisme geselecteerd, waardoor bepaalde (instinctieve) acties die volgen uit emoties goed of slecht kunnen zijn. Ja, als we rationeel nadenken over de emotionele liefde van de ouders voor hun kind, dan bestempelen we dit als goed. Als we rationeel nadenken over xenofobie, eveneens een geselecteerde emotie, dan bestempelen we dit als fout.

De kernvraag is: kan iemand de doodstraf verdienen, bijvoorbeeld iemand die een onschuldige bewust vermoordt? En zo ja, voeren we de doodstraf dan ook uit? Nog dit: wat de dader van de steekpartij in Dendermonde betreft, is het nog niet duidelijk of hij toerekeningsvatbaar is en dit specifieke geval wordt dan ook buiten beschouwing gelaten.

Op het eerste gezicht lijkt de vraag of de doodstraf een passende straf is een vraag over rechtvaardigheid te zijn. Dat blijkt echter maar zelden uit de argumenten van de voor- en tegenstanders. Zo bijvoorbeeld is een veel gehoord argument van de voorstanders dat deze straf als afschrikking dient voor andere potentiële moordenaars. Ook wordt vaak het argument aangehaald dat het goedkoper is voor de maatschappij. Beide argumenten worden door de tegenstanders bestreden: er zou nog niet afdoende bewezen zijn dat de doodstraf het aantal zware misdrijven vermindert en de kost om een mens ter dood te brengen is hoog, toch als we het risico op onschuldige slachtoffers willen uitsluiten of tenminste minimaliseren. Dit soort argumenten handelen over het nut van de straf en moeten dan ook in dit domein beslecht worden, namelijk op basis van empirische data.

Een echte discussie over de rechtvaardigheid van de doodstraf gaat echter over de vraag of iemand, los van alle praktische bezwaren, het verdient om te sterven voor zijn daden. Dus stel dat we 100 procent zeker weten dat iemand bewust en zonder enige aanleiding een ander mens vermoord heeft die volledig onschuldig was, verdient deze moordenaar dan de doodstraf? Of anders: verdient deze moordenaar het nog om te leven?

Bij een moord op een onschuldige beslist een persoon op eigen houtje dat een ander persoon niet meer mag leven. De moordenaar beëindigt het leven van een vader/moeder, zoon/dochter, echtgenoot/echtgenote, collega, vriend,… En die persoon komt nooit meer terug. Hoe kan deze moordenaar dan zelf nog aanspraak maken op zijn recht om te leven? Hij die van een ander vond dat die geen recht meer had op het leven. Dat is de echte onrechtvaardigheid: elke mens is gelijkwaardig en de schending van dit principe wordt niet aanvaard. De moordenaar ontzegt iemand onterecht het recht om te leven en daardoor kan deze persoon zelf geen aanspraak meer maken op dat recht. Alle connotaties van ‘middeleeuws’, ‘barbaars’, ‘oog-om-oog’ en andere ten spijt, lijkt me dit logisch. En daarom is het ook niet correct om de roep naar de doodstraf te willen afdoen als een dwaze, emotionele reactie van “de man in de straat”. Integendeel, er is een goede rationele grond voor.

Stel dat men bovenstaande paragraaf aanvaardt, dan is het nog niet uitgeklaard of we de doodstraf ook effectief mogen uitvoeren. Er zijn immers tal van praktische bezwaren. Misschien wel de meest belangrijke is de feilbaarheid van het systeem: 100 procent zekerheid over de dader is een utopie. DNA-materiaal kan vervalst worden, het onderzoek kan vooringenomen zijn,… waardoor er een onschuldige door de overheid vermoord kan worden en dat is eveneens onaanvaardbaar. En stel dat later duidelijk wordt dat het niet de juiste dader was, dan kan er geen rehabilitatie meer zijn: dood is dood. Een tweede praktische bezwaar is waar we de grens trekken. Wat als het slachtoffer niet 100 procent onschuldig is (door bijvoorbeeld uitlokking)? Wat als iemand niet vermoord is, maar in een jarenlange coma terecht komt waar hij volgens specialisten onmogelijk uit geraakt? Of stel dat iemand niet vermoord maar moedwillig besmet wordt met een dodelijk virus en daardoor nog 5-10-20-30-50 jaar te leven heeft? Enfin, er zijn tientallen grensgevallen te bedenken die de discussie erg moeilijk en technisch maken. Toch is dit tweede bezwaar van secundair belang omdat op het democratische forum een keuze kan gemaakt worden, die echter steeds deels arbitrair zal zijn.

Op basis van deze praktische bezwaren is een pleidooi voor het effectief toepassen van de doodstraf volgens mij moeilijk houdbaar, ook al is de doodstraf op zich rechtvaardig. Een second best oplossing is logischerwijze levenslange opsluiting. In België is levenslang effectief mogelijk en wordt deze straf dus niet, zoals velen denken, automatisch omgezet in 30 jaar. Een tot levenslang veroordeelde kan in België echter wel in aanmerking komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling. Enkel Estland en Nederland zouden een levenslange gevangenisstraf kennen zonder de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij er wel een procedure van gratieverlening bestaat, die echter zelden gebruikt wordt. Volgens mij zou hetzelfde mogelijk moeten zijn in België: de rechter moet levenslang kunnen geven als strafmaat, zonder een automatische omzetting naar 30 jaar en zonder de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Ethische aspecten van klimaatverandering

Hoeft het nog een betoog dat de klimaatverandering één van de grote thema’s van deze verkiezingen is? De Al Gore-hype, het debat over kernenergie, de 4×4’s versus de vleeseters en recent nog de publicatie van het derde VN-klimaatrapport. Voor Groen! is dit een godsgeschenk. Ze profileren zich uiteraard sterk op het klimaatthema. In hun klimaatplan pleiten ze ervoor dat België 1% van het BNP spendeert aan doortastende klimaatinvesteringen zodat er tegen 2050 een reductie van 80% van de uitstoot van broeikasgassen gerealiseerd wordt.

Groen! verwijst hierbij expliciet naar het Stern-rapport, een lijvig document over klimaatverandering dat eind oktober 2006 op vraag van de Britse overheid gepubliceerd werd door Nicholas Stern, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank. Het rapport is het eerste in zijn soort dat de beleidsvoorstellen in verband met klimaatverandering toetst aan zowel milieudoelstellingen als aan economische doelstellingen. De conclusie van het Stern-rapport is duidelijk: we moeten nu 1 % van het wereldwijde BNP besteden aan de problemen van de klimaatverandering om te vermijden dat er later een schade zal zijn van 5% tot 20% van het BNP.

De discussie over klimaatverandering is niet zo gemakkelijk. Dat komt door de complexiteit van de klimaatverandering zelf, maar ook doordat de klimaatverandering pas in de verre toekomst een groot probleem wordt. De pleitbezorgers van radicale actie, zoals bijvoorbeeld Groen!, appelleren daarom aan ons ethisch gevoel: hoe kunnen wij de toekomstige generaties opzadelen met zulke hoge kosten terwijl het ons nu slechts 1% van het BNP kost om dat te vermijden? Dat is toch zeer onrechtvaardig, niet? De ironie van de zaak is dat het net de ethiek is die de conclusie van het Stern-rapport op losse schroeven zet, en daarmee ook de 1%-norm van Groen!.

De voornaamste kritiek op het Stern-rapport heeft betrekking op de gehanteerde discontovoet, de parameter die gebruikt wordt om toekomstige kosten en baten te verrekenen naar vandaag. Dat verrekenen naar vandaag, het actualiseren of verdisconteren, is nodig om te beslissen om nu actie te nemen of niet, en hoeveel die actie mag kosten. Om een voorbeeld te geven: stel dat het dak van je garage lekt en dat de herstelling 5.000 euro kost. Je wil dan weten welke kosten je met de herstelling vermijdt. Stel nu dat je weet dat, wanneer je het dak niet herstelt, je binnen vijf jaar je auto voor 6.000 euro moet laten herstellen omdat het chassis verroest is. Zal je dan het dak herstellen? Een econoom kijkt daarvoor naar alle kosten en baten: als je 5.000 euro investeert in de herstelling van het dak en je dat bedrag van je spaarrekening haalt, dan verlies je de intrest op dat bedrag, stel 4% intrest. Het bedrag dat je na vijf jaar zou gespaard hebben in het geval je de investering niet had gedaan is 6.083 euro.

Maar ook: als je binnen vijf jaar 6.000 euro moet uitgeven, dan is het voldoende om daarvoor nu 4.931 euro op de bank te zetten. Het is dus voordeliger om 4.931 euro op de bank te zetten en vijf jaar later je auto te laten herstellen dan onmiddellijk het dak te herstellen voor 5.000 euro (er mogen dan natuurlijk geen andere kosten zijn dan een verroeste auto). De investeringsbeslissing hangt dus af van de kosten en de baten, maar ook van de intrest (of discontovoet). De discontovoet gebruik je om toekomstige kosten en baten naar nu te actualiseren, zodanig dat je alle kosten en baten met elkaar kan vergelijken. Als in ons voorbeeld de kosten en baten gelijk blijven, maar de intrest zakt naar 3,5%, dan krijg je op 5.000 euro na vijf jaar nog slechts 5.938 euro in plaats van 6.083 en dan zou je beslissen om het dak wel te laten herstellen.

Ook op het maatschappelijke vlak moeten er veel beslissingen genomen worden waarbij de kosten en baten in de toekomst liggen. In deze gevallen is het niet zonder meer duidelijk welke discontovoet men moet nemen, omdat er andere aspecten zijn dan louter financiële. De keuze van de discontovoet is echter geen detail. Zeker in het geval van klimaatverandering is dit erg belangrijk, omdat de termijn zeer lang is en de invloed bijgevolg zeer hoog (het verband met de tijd is exponentieel). In de praktijk wordt er bij maatschappelijke beslissingen meestal een discontovoet gebruikt van 2% tot 10%. Als de discontovoet daalt, dan betekent dit dat gebeurtenissen in de toekomst meer gewicht krijgen.

Nicholas Stern pleit voor een discontovoet van nul. Dat is hoogst controversieel, maar hij verdedigt zijn keuze met ethische argumenten. Voor Stern zijn de levens van alle toekomstige mensen evenveel waard. Als een generatie in de verre toekomst 1.000 euro verliest ten gevolge van bijvoorbeeld klimaatverandering, dan is dat even erg als wanneer onze generatie 1.000 euro verliest. Omdat er toch elk jaar een zeer kleine kans is dat de mensheid uitgeroeid wordt, past hij de nul-discontovoet lichtjes aan naar 0,1%, wat economisch gezien weinig of niets uitmaakt. Over die 0,1% valt er wel nog wat te discussiëren, maar we kunnen als rationele wezens enkel maar akkoord gaan met zijn centrale argument, namelijk dat de mensen in de toekomst evenveel waard zijn als de mensen nu.

En toch is het onzin. Stel dat er in de toekomst een probleem is waarbij alle toekomstige generaties 10 euro verliezen. Als onze generatie nu 1.000 euro investeert, dan vermijden we dat alle toekomstige generaties 10 euro verliezen. Moeten we de investering doen of niet? Nee, zegt het gevoel, ja, zegt de Stern-regel die we rationeel afgeleid hebben. De 10 euro’s van al die toekomstige generaties, geactualiseerd naar nu met een quasi-nul discontovoet, resulteren in een bedrag dat veel groter is dan de 1.000 euro die wij verliezen door ze nu te investeren. En dus moeten we investeren. Zelfs als we die 10 euro verlagen naar 1 euro, dan nog moeten we investeren. Dat is redelijk absurd.

Dit gebeurt in de ethiek wel meer: uiterst rationele en rechtvaardige redeneringen die uiteindelijk tot pure onzin leiden en die in de praktijk, gelukkig maar, niet gevolgd worden. De moraalfilosoof Derek Parfit heeft dit reeds in 1984 aangetoond in zijn boek Reasons and Persons. In dit boek gaat hij op zoek naar een morele theorie die ons kan zeggen hoe we rechtvaardig moeten omgaan met toekomstige generaties. Ik kan het einde van zijn zoektocht al verklappen: hij vindt er geen.

Een voorbeeld van Parfit van een rationele redenering die tot een onaanvaardbare uitkomst leidt is het volgende. We weten dat als de conceptie van een persoon niet zou plaatsvinden op het moment dat ze in werkelijkheid gebeurt, dat deze persoon dan nooit zou bestaan. We kunnen ons ook voorstellen dat dagelijks al dan niet bewust beslissingen worden genomen waardoor de conceptie van een persoon effectief wel of juist niet plaatsvindt. Als we die twee zaken samenbrengen kunnen we rationeel afleiden dat we ons niks moeten aantrekken van de toekomstige wereld. Stel, we moeten nu kiezen tussen niets doen, hetlaisser-faire scenario, of drastisch ingrijpen. Wanneer we voor laisser-faire kiezen, dan betekent dit dat we miljoenen en miljarden andere beslissingen nemen dan wanneer we voor het drastische beleid zouden kiezen. Op termijn zou dat verschil in beslissingen leiden tot een totaal andere toekomstige populatie. En zelfs als de toekomstige populatie bij het drastische beleid veel en veel gelukkiger zou zijn dan de toekomstige populatie onder het laisser-faire beleid, dan nog maakt het niet uit welke populatie we kiezen, op voorwaarde dat de laisser-faire-populatie nog enigszins gelukkig is. Immers, de laisser-faire-populatie heeft niets te klagen, want ze zouden er gewoon niet geweest zijn indien we voor het drastische beleid gekozen zouden hebben. Dit is een vrijgeleide om willekeurig beslissingen te nemen, zolang de toekomstige mensen enigszins gelukkig zijn. En de redenering lijkt weerom waterdicht.

En toch is het onzin. Of het voelt toch zo aan: we vinden wél dat we rekening moeten houden met de toekomstige generaties. Wat Parfit met deze en andere denkoefeningen duidelijk maakt is dat de niet-religieuze moraalfilosofie nog in haar kinderschoenen staat. We weten helemaal niet zo goed waarom we rekening willen houden met toekomstige generaties, maar we willen het wel. Een mogelijke verklaring kan gegeven worden door de evolutietheorie. Gemeenschappen die niet of weinig rekening houden met de toekomstige generaties hebben een kleinere kans om te overleven en zijn al (grotendeels) verdwenen. Gemeenschappen met mensen die een positief gevoel krijgen als ze zorg dragen voor de toekomstige generaties hebben daarbij een grotere kans om de struggle for life te overleven. Maar is dat voldoende als morele basis om rekening te houden met toekomstige generaties? Moraalfilosofen, zoals Parfit, erkennen dan ook dat er nog wat werk aan de winkel is.

John Rawls bedoelt iets gelijkaardigs met zijn concept van het reflexieve evenwicht, dat ontstaat door de wisselwerking tussen praktijk en theorie via onze spontane oordelen. De theorie is in ons geval een discontovoet van 0,1%. De praktijk blijkt een absurde situatie te zijn, dus moeten we de theorie aanpassen. Op die manier kunen we radicalisme, dat gebaseerd is op rationele en logische argumenten, maar leidt tot een verwerpelijke of absurde wereld, vermijden.

Om tot een reflexief evenwicht te komen passen we ons voorbeeld van de 1.000 euro als volgt aan aan. We zullen enkel 1.000 euro investeren als we daarmee vermijden dat minstens één toekomstige generatie afzonderlijk 1.000 euro verliest. Dat klinkt al veel aannemelijker, maar de consequentie is dan wel dat je de discontovoet van het Stern-rapport afwijst en bijgevolg ook de conclusie van de 1%-norm. Het heeft ook tot gevolg dat je géén investering van 1.000 euro zal doen, ook al kun je daarme vermijden dat alle toekomstige generaties 999 euro verliezen.

Trouwens, de 1.000 euro die je nu zou investeren om te vermijden dat één toekomstige generatie 1.000 euro verliest, is misschien ook al niet zo ethisch als op het eerste gezicht lijkt. Het inkomen van toekomstige generaties zal immers stijgen. Het Stern-rapport gaat uit van een jaarlijkse groei van het BNP per capita met 1,3%. Dat betekent dat het BNP per capita zal stijgen van 7.800 $ vandaag naar bijna 26.000 $ in 2100, een vermenigvuldiging met 3,3. We passen bijgevolg onze theorie aan en stellen als regel dat we pas 1.000 euro investeren wanneer daarmee een verlies van minstens 3.300 euro gecompenseerd wordt in 2100. Dat klinkt al beter, maar toch blijft dit een absurde vorm van solidariteit waarbij de relatief armere moet opdraaien voor de relatief rijkere. Want dat is wat de toekomstige generaties zullen zijn: rijker. En waarschijnlijk veel rijker. Solidariteit is een kerngedachte bij Liberales, maar solidariteit moet in de juiste richting lopen: de sterkeren moeten de zwakkeren bijstaan en niet omgekeerd.

Betekent dit dat we niets moeten doen? Nee, de klimaatverandering is een ernstig probleem en kan de toekomstige generaties echt veel schade toebrengen als er helemaal niets gedaan wordt. De vraag is in welk tempo we moeten investeren. William Nordhaus, professor economie aan de Amerikaanse Yale-universiteit en gespecialiseerd in klimaatverandering, heeft de berekeningen van het Stern-rapport herhaald met een andere discontovoet. De discontovoet is in zijn model het eerste jaar 3% en daalt traag tot 1% tijdens de daaropvolgende 300 jaar. Uit deze analyses blijkt dat er in 2005 een reductie moet zijn van 6%, in 2050 een reductie van 14% en in 2100 een reductie van 25%. Dat is meer dan nu afgesproken is, maar veel minder drastisch dan het Stern-rapport of het klimaatplan van Groen!.

In het debat over klimaatverandering wordt geappelleerd aan ons ethisch gevoel. We moeten echter voorzichtig zijn met het aanvaarden van ééndimensionele theorieën over rechtvaardigheid. We hebben simpelweg nog geen algemeen aanvaarde rechtvaardigheidstheorie voor intergenerationele solidariteit. En dus is het belangrijk dat we de uitkomst van de theorieën toetsen aan onze spontane oordelen. Het is immers in die spontane oordelen dat de complexiteit in haar geheel kan beoordeeld worden.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.