De vreemde dynamiek van de overheidsschuld

De overheidsschuld staat vaak centraal in discussies over het beleid van de overheid. Dat zal met de komende begrotingsbesprekingen niet anders zijn. Een goed begrip van de overheidsschuld is dan ook belangrijk en dat is sinds de financiële crisis en de vergrijzing alleen maar toegenomen.

De evolutie en het niveau van de overheidsschuld wordt vaak aangegrepen om de gezondheid en draagkracht van de overheidsfinanciën te illustreren. Een te hoge overheidsschuld kan leiden tot een ineenstorting van de welvaartstaat. Een stijgende overheidsschuld wordt dan ook vaak negatief bekeken.

De Europese Commissie heeft sinds de eurocrisis heel wat bevoegdheden gekregen om de landen van de eurozone te bestraffen indien ze een te groot overheidstekort hebben: landen mogen in principe geen hoger begrotingstekort hebben dan 3% en dat zal in de toekomst nog aangescherpt worden. Dat moet de overheidsschuld in de eurozone stabiliseren.

In een eerdere blogpost heb ik al de impact van de inflatie op de overheidsschuld bekeken. In deze blogpost zal ik een vreemde eigenschap van de overheidsschuld illustreren, namelijk dat een zelfde begrotingstekort kan leiden tot zowel een stijging als tot een daling van de overheidsschuld, afhankelijk van de startpositie.

Om dit te illustreren simuleer ik de 20-jarige evolutie van de overheidsschuld van twee fictieve landen die schijnbaar gelijke prestaties afleggen, echter enkel verschillen wat betreft de initiële overheidsschuld (of beter: schuldratio).

Beide landen hebben gedurende 20 jaar:

  • een reële groei van 2% per jaar
  • een inflatie van 2% per jaar
  • een begrotingssaldo van -2% jaar (een begrotingstekort)
  • een jaarlijkse interest van 4% per jaar op hun uitstaande overheidsschuld

Het eerste land heeft een initiële schuldratio van 100%; het tweede land een initiële schuldratio van 20%.

De  onderstaande figuur geeft de evolutie van de schuldratio van de twee landen voor de komende 20 jaar . En deze evolutie is opmerkelijk: beide lande presteren economisch op het eerste gezicht perfect gelijk, maar de schuldratio daalt in het land met hoge schulden van 100% naar 74% en stijgt in het land met lage schulden van 20% naar 37%. Formeel kan aangetoond worden dat de schuldratio voor beide landen asymptotisch zal evolueren naar 52% (zie onderaan deze blogpost voor een formele afleiding).

evolutieSR

Bron: eigen simulatie (xls)

Het land met hoge schulden lijkt het dus veel gemakkelijker te hebben om de schuldratio af te bouwen dan het land met lage schulden. Dat lijkt niet logisch.

En dat is ook niet het geval. Wat hier beschouwd werd was het uiteindelijke begrotingstekort, dat 2% verondersteld werd. Het begrotingstekort is inclusief de interest die het land moet betalen op zijn uitstaande overheidsschuld. Met de veronderstelling dat de interest op de schuld 4% per jaar is, moet het land met een initiële schuldratio van 100% het eerste jaar 4% van het BBP gebruiken om de interest te betalen; het land met 20% overheidschuld moet maar 0.8% van het BBP aan intrest betalen. De betalingen van interest op overheidsschuld is een last uit het verleden dat niet onmiddellijk iets te maken heeft met de prestaties in het huidige jaar.

Om de prestaties te kunnen beoordelen voor het huidige jaar, moet er gekeken worden naar het  begrotingstekort exclusief de interestbetalingen, het zogenaamde primair saldo (of primary surplus). Het primair saldo is in het eerste jaar +2% voor het land met hoge schulden en -1,2% voor het land met lage schulden. Het land met hoge schulden doet het dus eigenlijk een pak beter dan het land met lage schulden, alleen is dit niet te zien in het begrotingstekort, maar enkel in het primair saldo. En dat betere primair saldo is de verklaring dat de schuldratio daalt voor het land met hoge schulden en stijgt voor het land met lage schulden (evenals het effect van de nominale groei).

Naarmate de jaren verstrijken en gezien in deze simulatie het begrotingssaldo constant wordt gehouden op -2%, zal het primair saldo afnemen voor het land met hoge schulden, maar het blijft in deze simulatie positief. Voor het land met lage schulden verbetert het primair saldo maar blijft het negatief, zoals te zien op de onderstaande figuur.

evolutiePS

Bron: eigen simulatie (xls)

Het bovenstaande is theorie, maar kan ook in de praktijk waargenomen worden. Hieronder de grafiek met de evolutie van de laatste 21 jaar van het begrotingstekort van België en het gemiddelde begrotingsterkort van zeven buur- en/of toplanden (zijnde Nederland, Frankrijk, Duitsland, UK, Denemarken, Finland en Zweden). België wordt voorgesteld door de zwarte lijn, het gemiddelde van de 7 landen door de rode lijn. De groene balkjes op de figuur geeft het verschil tussen België en het gemiddelde van de 7 landen. Hieruit blijkt dat het begrotingstekort van België gemiddeld -2,6% was; dat van de 7 buur- en/of toplanden was gemiddeld -2%; België presteert dus iets slechter dan het gemiddelde van de 7 landen.

begrotingstekort21jr

Bron: Ameco

Echter, als er gekeken wordt naar de evolutie van de schuldratio over dezelfde periode voor dezelfde landen, dan blijkt de schuldratio van België steeds veel hoger te zijn dan het gemiddelde van de 7 landen, maar de Belgische schuldratio is wel fors afgenomen (met bijna 29 procentpunt) terwijl die van de 7 landen gemiddeld is toegenomen (met 16 procentpunt): België presteerde de laatste 21 jaar dus 45 procentpunt beter wat betreft de vermindering van de schuldratio, ondanks een slechtere prestatie wat betreft het begrotingstekort.

overheidsschuld21jr

Bron: Ameco

Dat is echter niet zo vreemd, zoals hierboven geïllustreerd door de simulatie, als er gekeken wordt naar de evolutie van het primair saldo, het begrotingssaldo zonder intrestbetalingen op de overheidsschuld.  De onderstaande grafiek geeft deze evolutie voor dezelfde landen en dezelfde periode. Het gemiddelde primair saldo voor België is +3,6%; dat van de 7 landen slechts +1%.

[noot in de marge: de groene balkjes geven het verschil van het Belgisch primair saldo met het gemiddelde primair saldo van de 7 buur- en/of toplanden; dat 7-landen-gemiddelde dient als benchmark. Twee opmerkelijke zaken: (1) België heeft gedurende 20 van de 21 jaar een primair saldo dat hoger ligt dan het gemiddelde van de 7 buur- en/of toplanden; (2) tijdens de periode 2001-2004 (grosso modo Verhofstadt I) kent België een hoger primair saldo in vergelijking met de 7 buur- en/of toplanden dan de periode 1996-1999 (grosso modo Dehaene II)]

primairsaldo21jr

Bron: Ameco

Op basis van het bovenstaande is het begrotingstekort niet de goede maatstaf om prestaties van  landen te willen beoordelen. Daarvoor zou men beter kijken naar het primair saldo of, nog beter, gewoon naar het niveau en de evolutie van de schuldratio.

Als we de schuldratio beschouwen, dan blijkt België de laatste 21 jaar een topprestatie te hebben afgeleverd, indien België vergeleken wordt met het gemiddelde van de genoemde buur- en/of toplanden.

 

———————————

Formele afleiding – de vreemde dynamiek van de schuldratio

Totale economische activiteit : GDP in euro
Totale overheidsschuld: D in euro
Schuldratio: schuld in % van GDP: SR = D/GDP (in % van GDP)

Jaarlijkse reële groei (in % per jaar): r
Jaarlijkse inflatievoet (in % per jaar): i
Jaarlijkse begrotingstekort (in % van GDP): d

Referentiejaar 0

Stel op referentiejaar 0 is
Totale economische activiteit  = GDP0
Totale overheidsschuld (D) in euro = D0
=> schuldratio (SR) in referentiejaar 0 = SR0 = D0 / GDP0

Jaar 1

GDP1 = GDP0 + (i+r) * GDP0 = (1+i+r) * GDP0
D1 = D0 + d * GDP1

Jaar 2

GDP2 = (1+i+r) * GDP1 = (1+i+r) * (1+i+r) * GDP0 =  (1+i+r)2 * GDP0
D2 = D1 + d * GDP2 = D0 + d * GDP1 + d * GDP2 = D0 + d * [GDP1 + GDP2]

Jaar n

GDPn = (1+i+r)n * GDP0
Dn = D0 + d * [GDP1 + GDP2 + … + GDPn] = D0 + d * Σ GDPj     met j = 1 tot n

=> Dn = D0 + d * GDP0* Σ (1+i+r)j     met j = 1 tot n

Gegeven dat:

Dus

Dus

Als n ->  dan vallen eerste twee termen weg (als i+ r > 0).

Dus SR evolueert op termijn naar

Dus als SR <  dan zal de SR verminderen, ook al is er een begrotingstekort (d>0).

Als SR >  dan zal de SR vermeerderen, ook al is het begrotingstekort en de nominale groei (i+r) hetzelfde.

Leidt hoge overheidsschuld tot lage groei?

Er is onder economen nogal wat te doen rond de vraag of een hoge overheidsschuld per se leidt tot een lage economische groei. Daarbij wordt vaak verwezen naar een artikel dat twee economen, Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff, publiceerden in 2010 in de American Economic Review. De meest geciteerde conclusie van Reinhart&Rogoff is de empirische vaststelling dat eens de overheidsschuld de 90% van het BBP overstijgt, de economie trager groeit.

Nu zijn er enkele problemen met dit -overigens niet peer-reviewed – artikel. Ten eerste kan je vragen stellen over de gebuikte data. Het artikel is gebaseerd op gegevens die ver terug gaan in de tijd. Heel ver. Voor België wordt gekeken naar economische groei versus overheidsschuld voor de periode van 1835 (!) tot 2009. Voor de VS wordt zelfs teruggegaan tot 1790. Het lijkt me zeer moeilijk om perioden met elkaar te vergelijken die in de geschiedenis zo verschillend waren. Bovendien wordt voor andere landen andere beginperiodes genomen: voor Australië, bijvoorbeeld, wordt pas geteld vanaf 1902, voor Ierland vanaf 1949.

Als men de periode beperkt tot de laatste 50 jaar dan zijn er volgens Paul Krugman, een groot criticus van het artikel van Reinhart&Rogoff, slechts 4 ontwikkelde landen die een overheidstekort hadden dat hoger was dan 90%: Japan, Italië, België en Griekenland (volgens mij zes: ook Canada en Ierland). Op basis van 4 (of 6) landen een algemene wetmatigheid poneren, is wat mager. Bovendien, ironisch detail, kende België de hoogste groei in de periode dat de overheidsschuld hoger was dan 90% (zie tabel 1 van het artikel van Reinhart&Rogoff).

Bovendien zouden de gegevens in verband met de economische groei moeten gecorrigeerd worden voor de beroepsbevolking. Als die sterk groeit, dan is het niet zo moeilijk om een hoge economische groei neer te zetten. Omgekeerd, als de beroepsbevolking krimpt, dan daalt ook de groei. Dat zou al heel wat van de lage economische groei van bijvoorbeeld Japan kunnen verklaren, zeker sinds 2000.

Een tweede belangrijk kritiek is die van correlatie versus causaliteit. Het is niet omdat er een correlatie wordt vastgesteld tussen hoge overheidsschuld en lage economische groei dat de lage economische groei veroorzaakt werd door hoge overheidsschuld. Het kan ook omgekeerd, namelijk dat lage groei leidt tot hoge overheidsschulden, omdat er minder belastingen kunnen geïnd worden en er meer uitgaven moeten gedaan worden (bijvoorbeeld voor werkloosheidsuitkeringen). Het zijn twee problemen die niet in het artikel van Reinhart&Rogoff behandeld worden. (Voor een meer uitgebreide kritiek op Reinhart&Rogoff: zie hier.)

Hieronder ga ik de stelling van Reinhart&Rogoff bekijken voor landen en voor een periode waarvoor de data gemakkelijk toegankelijk zijn, namelijk via de databank van de Europese Commissie AMECO. De periode waarvoor gegevens zijn voor een voldoende groot aantal landen loopt van 1990 tot 2012. Ik laat de periode lopen tot 2007, net vóór de crisis, en ik beperk me tot de ontwikkelde landen (waarvoor er data zijn).

Wat ik doe is het volgende: voor elk land bepaal ik het jaar waarin de overheidsschuld het hoogste is in de periode 1990-2007. Vervolgens bereken ik de gemiddelde reële economische groei van de drie jaren voor dit maximum, inclusief het jaar van het maximum. Ik doe hetzelfde voor de drie jaren na het maximum, exlcusief het jaar van het maximum.

Voor België gaat dat dan als volgt: het jaar met de hoogste overheidsschuld in de periode 1990-2007 is 1993 toen België volgens de Ameco-databank een overheidsschuld had van 134%. De economische groei tijdens 1991-1993, dus in aanloop naar het maximum, was gemiddeld 0,8% per jaar. Na het maximum, de periode 1994-1996 was de groei gemiddeld 2,8% per jaar.

De onderstaande grafiek geeft deze gegevens voor alle beschouwde landen. De blauwe lijn geeft de gemiddelde economische groei in de drie jaren in de aanloop naar de maximale overheidschuld (van dat land). De rode lijn geeft de gemiddelde de drie jaren erna. De groene balkjes geven het niveau van de maximale schuld (op de rechtse as, als procent van BBP). De zwarte lijn geeft het niveau aan dat overeenkomt met 90% overheidsschuld.

growthMaxDebt

Bron: AMECO + eigen berekeningen (xls)

De figuur toont volgende dingen: ten eerste is de economische groei voor 15 van de 17 landen lager vóór de maximale overheidschuld dan de drie jaar erna. Dat lijkt er op te wijzen dat de lage economische groei de oorzaak is van de maximale overheidsschuld, en niet omgekeerd. Door sterker te groeien is het mogelijk de schuldratio te doen dalen (en is men voorbij het maximum).

Ten tweede, de gemiddelde groei in de drie jaren van de aanloop naar het maximum is 2,1% voor de zes landen met een maximale overheidsschuld boven 90%. Voor de 11 landen met een maximale overheidsschuld onder de 90% is dat iets lager, namelijk 1,7%. Dat is tegen wat men volgen Reinhart&Rogoff zou verwachten, maar het verschil is klein. Voor de periode na het jaar met de maximale overheidsschuld groeien de ‘hoge-schulden-landen’ met 3,1% tegenover 3,4% voor de ‘lage-schulden-landen’. Dat is in de lijn met Reinhart&Rogoff, maar ook nu is het verschil klein.

Voor alle duidelijkheid: ik ben er mij van bewust dat mijn analyse de wetenschappelijke test niet doorstaat. Er wordt bijvoorbeeld geen statistische testen gedaan om na te gaan hoe toevallig de resultaten kunnen zijn en er wordt evenmin rekening gehouden met correlaties van economische groei tussen landen en aanliggende jaren (waardoor de kracht van de statistische test zou afnemen en de rol van toeval waarschijnlijker wordt). Maar de methode van Reinhart&Rogoff is evenmin wetenschappelijk in orde, omdat ze het probleem van correlatie versus causaliteit niet aanpakken (en de vraag niet stellen of het wel zinvol is om periodes uit 200 jaar economische ontwikkeling te vergelijken).

Ik heb dus niet aangetoond dat lage groei de oorzaak is van hoge overheidsschuld, hoogstens een indicatie gegeven. Net zoals Reinhart&Rogoff niet hebben aangetoond dat een overheidsschuld boven 90% nefast is voor de economische groei. Ze hebben enkel indicaties. Het kán dat Reinhart&Rogoff een economische wetmatigheid gevonden hebben, net zoals het kán dat de bovenstaande figuur een economische wetmatigheid toont. Maar het pleit is niet beslecht.

Over inflatie, de staatsschuld en een indexsprong

De laatste dagen lijkt het economisch en politiek nieuws alleen maar rond de indexsprong te draaien. Vakbonden en  socialisten zijn tegen, werkgevers en liberalen zijn voor. Hieronder wil ik dit debat vanuit een andere hoek bekijken, namelijk vanuit de staatsschuld en de impact van inflatie op de staatsschuld. Inflatie is de rechtstreekse oorzaak voor een indexaanpassing of -sprong, maar inflatie heeft ook een sterke impact op de staatsschuld.

De staatsschuld wordt immers uitgedrukt ten opzichte van de totale economie, in % van het BBP. Als de economie groeit en de schuld blijft constant (of groeit trager aan dan de economie) dan daalt de schuldratio. En het is de schuldratio die telt, aangezien het een maat is voor de capaciteit van terugbetalen: een overheid kan 100 miljard schuld gemakkelijker terugbetalen indien ze belasting kan heffen op een economie van 1.000 miljard dan indien de economie van het land maar 100 miljard is.

Het BBP wordt op twee manieren gemeten: reëel en nominaal. Een reële groei betekent effectief een groter geldvolume aan goederen en diensten die geproduceerd worden. Nominale groei is gelijk aan de reële groei + de inflatie (of deflatie). Een voorbeeld: stel dat het BBP in jaar 1 gelijk is aan 100. In het volgende jaar is er een reële groei van 2%, en is de inflatie 3%. Het nominale BBP is in dat jaar dan gestegen met 5% tot 105, maar het reële BBP is slechts 102, gerekend in prijzen van jaar 1.

Stel dat de overheidsschuld in het eerste jaar gelijk was aan 80. In dat jaar was de schuldratio 80% (= 80/100). Stel dat de schuld in het volgende jaar stijgt tot 83, dan is de schuldratio in dat jaar gelijk aan 79% (=83/105). Dus ondanks een stijging van de schuld in absolute waarde, daalt de schuldratio. Stel echter dat er geen inflatie was in het tweede jaar, dan was het BBP slechts 102 geweest en dan zou de schuldratio wel gestegen zijn, namelijk tot 81,4% (=83/102).

Inflatie kan dus een belangrijke rol spelen om de overheidsschuld betaalbaar te houden. In feite is inflatie een transfer van mensen (en organisaties) met geld naar mensen (en organisaties) met schuld. Hoe hoger de inflatie, hoe hoger de transfers. En aangezien de overheid veel schulden heeft, kan inflatie helpen om de schulden betaalbaar te houden. En ook belangrijk: hoe hoger de schuld, hoe sterker inflatie de schuldratio kan verminderen (zie ook infra).

Overheden met hoge schulden hebben dus twee redenen om veel inflatie toe te laten: de houdbaarheid van de staatsfinanciën staat onder druk én de gunstige impact van inflatie op de schuldratio is hoog. België, met een schuldratio van 100%, heeft dus een objectief belang bij hoge inflatie.

De tabel hieronder geeft aan in welke mate inflatie de Europese overheden tijdens de crisisperiode 2007-2012 geholpen heeft om de schulden te beheersen. Ik bekijk België en zijn buurlanden en drie Scandinavische landen. De kolommen zijn genummerd van 1 tot 10.

Bron: AMECO  –  zie excel-file met de tabel (eigen berekeningen)

In kolom 3 staat de verandering van de schuldratio van 2007 tot 2012. Hieruit blijkt dat België het nog relatief goed gedaan heeft: de schuldratio steeg met 16,5 procentpunt van het BBP, nagenoeg hetzelfde als in Duitsland en veel minder grote stijging dan in Frankrijk en Nederland. Denemarken en Finland deden iets beter en vooral Zweden, met een daling van de schuldratio, is opmerkelijk. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich de UK met een stijging van de schuldratio met 47 procentpunt van het BBP.

Kolom 6 geeft de inflatie over de beschouwde periode. Ook deze varieert sterk. In België was de inflatie in totaal 10%, lager dan Denemarken, Finland en UK, maar hoger dan Zweden, Frankrijk en zeker Duitsland en Nederland. Deze laatste twee blijven onder de zes procent.

Kolom 7 geeft de stijging van de schuldratio indien er geen inflatie zou geweest zijn. Deze is voor alle landen hoger in vergelijking met de werkelijke situatie met inflatie. De relatieve positie van België verslechtert echter ten opzichte van kolom 3: met een stijging van de schuldratio van 26 procentpunt zit België nu boven Duitsland en komen we aardig in de buurt van Nederland.

Kolom 8 geeft de impact van de inflatie op de schuldratio: zonder inflatie zou de Belgische schuldratio 9,9 procentpunt hoger geweest zijn. Frankrijk 6,4 procentpunt; in Nederland en Duitsland heeft inflatie maar voor 4,1 procentpunt geholpen. Enkel de UK had meer baat bij inflatie dan België.

De laatste kolom geeft de gevoeligheid van de schuldratio voor inflatie: voor België is die bijna 100%: als de inflatie stijgt met x %, dan daalt de schuldratio ook met bijna x% (onderaan deze blogtekst wordt deze relatie formeel bekeken). De impact van inflatie is voor Frankrijk 90%, voor Duitsland 80% en voor Nederland 70%. Zweden heeft met 34% de laagste gevoeligheid.

[Voor zij die nu denken dat landen met een hoge schuldratio het gemakkelijker hebben om die af te bouwen: dat klopt niet. Een hogere schuldratio betekent ook hogere interestbetalingen op die hogere schuld. Deze staan in kolom 9 van de tabel. Zoals te zien is, is het nadeel ten gevolge van de hogere interestbetalingen (soms veel) groter dan het voordeel ten gevolge van hogere inflatie.]

Specifiek voor België is dit een gevaarlijke situatie: onze lonen zijn gekoppeld aan de inflatie, waardoor de burgers zich (op korte termijn!) geen zorgen hoeven te maken over een hoge inflatie. Er zal dus weinig democratische controle zijn op de overheid om de inflatie in toom te houden. Tegelijk heeft de overheid alle belang bij een hoge inflatie om de staatsschuld beheersbaar te houden, en hoeft ze dus weinig controle te vrezen op haar inflatiebeleid.

De inflatie heeft de Belgische overheid dus beter geholpen dan onze buurlanden (behalve UK) om de staatsschuld beheersbaar te houden. Maar de inflatie is ook hoger uitgevallen dan in die buurlanden (behalve UK). Door de indexatie van de Belgische lonen, zijn deze mee gestegen met deze hogere inflatie. Ik heb geen goed zicht op de stijging van de loonkosten in onze buurlanden, maar als zij geen loonopslag gehad hebben bovenop de inflatie, dan hebben we concurrentiekracht verloren.

Dat betekent dat we deze concurrentiekracht kunnen terugwinnen door een indexsprong. Dat is niet aangenaam, maar anderzijds heeft de hogere inflatie er wel toe bijgedragen dat de Belgische overheid haar schuld beter kon beheersen. Misschien een magere troost, maar toch iets…

 

——————————-

Formele afleiding van de gevoeligheid van de vermindering van de schuldratio ten opzichte van inflatie.

Stel jaar 1 en 2, met een BBP1 en BBP2 en een schuld D1 en schuld D2. In jaar 2 is er een inflatie van i%.

De verandering van de schuldratio van jaar 1 naar jaar 2 is dan:

met inflatie: D2/BBP2 – D1/BBP1  (1)

zonder inflatie: D2/BBP2reëel – D1/BBP1   (2)

Om de impact van de inflatie te kennen op de vermindering van de schuldratio moeten we (1) aftrekken van (2). Dat geeft:

D2/BBP2reëel – D2/BBP2    (3)

De teller en noemer van de eerste term vermenigvuldigen met 1+i:

D2 * (1+i) / [BBP2reëel * (1+i)] – D2/BBP2   (4)

Het BBP2 is gelijk aan het reële BBP, vermeerderd met de inflatie: BBP2 = BBP2reëel * (1+i)     (5)

Dus (5) in (4) geeft:
D2*(1+i)/BBP2  –  D2/BBP2  = i * D2/BBP2
De impact van de inflatie op de vermindering van de schuldratio is D2/BBP2, of recht evenredig met de schuldratio. Dat is ook te zien in onderstaande figuur, met cijfers uit kolommen 2 en 10 uit de tabel.

Over het winteruur, wisselkoersen en de eurocrisis

De voorbije nacht zijn we met zijn allen overgeschakeld op het winteruur. Buiten de voorspelbare klachten van ouders van jonge kinderen en mijn ergernis over het asymmetrische karakter (winteruur loopt vanaf 2 maanden vóór 21 december tot 3 maanden na 21 december; iemand een verklaring?), heb ik weinig klachten. Het maakt de winter wat gezelliger…

Je kan je echter de vraag stellen waarom we het uur veranderen. Waarom kunnen we niet afspreken dat we alle activiteiten een uur later laten beginnen? Dat zou net hetzelfde effect hebben: je wekker loopt pas af om 8u in plaats van 7u, school begint pas om 9u30, je trein haal je een uur later, je middaglunch een uur later,…

Het effect zou net hetzelfde zijn. Alleen zou het veel moeite kosten. Zo bijvoorbeeld zouden alle treintabellen moeten veranderd worden, omdat die niet elk uur hetzelfde zijn (de piekuurtrein van 7u zou bijvoorbeeld pas om 8u rijden). Eigenlijk alles waar er een tijdstip in afgesproken wordt, zou moeten aangepast worden.

Het is dus logisch dat we alles houden en dat we gewoon de klok een uur terugdraaien.

Het is dit voorbeeld dat Milton Friedman, een Amerikaans econoom en vader van het monetarisme, gebruikte om uit te leggen waarom flexibele wisselkoersen beter zijn dan vaste wisselkoersen. Ik heb het leren kennen via een blog post van Paul Krugman. Friedman stelt dat een vaste wisselkoers tussen twee landen best wel mogelijk, maar dan moeten de prijzen in die contracten wel constant aangepast worden aan de economische realiteit in de twee landen. Dat is mogelijk, maar heel omslachtig en dus inefficiënt.

Dit mechanisme is echter ook van belang voor de eurocrisis. Binnen de eurozone heb je geen flexibele wisselkoersen, want er is maar één munt, de euro. Landen die onvoldoende competitief zijn ten opzichte van andere landen binnen de euro, zoals Spanje en Griekenland, zouden vroeger hun munt hebben laten devalueren om hun competitiviteit te herstellen. Maar dat is niet mogelijk. In deze landen zou je dus het omslachtige proces moeten toepassen om alle contracten aan te passen zodat de lonen en prijzen aangepast (lees: gedaald) zijn tot de competitiviteit terug herwonnen is.

Economen noemen dit een interne devaluatie, en (bijna) alle economen zijn het erover eens dat dit een lang en pijnlijk proces is, ook in landen die een flexibel loonbeleid hebben zoals de VS. Dat komt omdat elk contract moet aangepast worden, elke prijs in de winkel. En vooral een daling van het nominale loon blijkt zeer veel tegenstand op te wekken. Een interne devaluatie, waarbij nominale lonen moeten dalen, is moeilijk en zeer omslachtig en gebeurt niet of veel te traag.

Maar er is een alternatief voor dit lange, pijnlijke proces, en dat is inflatie. Heel simpel gezegd: terwijl de lonen in bijvoorbeeld Spanje en Griekenland constant gehouden worden (dus geen nominale daling), zorgt de ECB voor meer inflatie. Dat verlaagt de reële lonen in Spanje en Griekenland. De lonen in de kernlanden moeten dan meestijgen met de inflatie (of zelfs nog meer), waardoor Spanje en Griekenland competitiever worden ten opzichte van de kernlanden. Net wat we willen. (in een column voor MO* heb er meer over geschreven).

De coördinatieproblemen die we zouden hebben als we het winteruur invoeren zonder de klok terug te draaien maar gewoon met zijn allen de uurtabellen zouden aanpassen zijn net dezelfde coördinatieproblemen die we hebben als we een interne devaluatie willen. Dat werkt niet. Gemakkelijker en efficiënter is om gewoon af te spreken dat de klok een uur wordt teruggedraaid en dat het geld wat minder waard wordt. Het effect is hetzelfde, maar met minder gedoe.

Lagere loonkosten door minder bedrijfssubsidies

De aangekondigde sluiting van Ford Genk heeft de voorbije dagen het nieuws beheerst. Met een verlies van 3.300 directe jobs en waarschijnlijk nog eens het dubbele aan indirecte jobs wordt Limburg zwaar getroffen. De economie draait bovendien niet goed, waardoor de ontslagen werknemers het moeilijk kunnen hebben een nieuwe job te vinden.

De voornaamste verklaring voor de sluiting is wellicht de overcapaciteit in autoproductie, niet enkel in België, maar ook in andere landen. De productie van Ford Genk zou echter wel verschoven worden naar Spanje en dus wordt ook de vraag gesteld of de hoge arbeidslasten, en de bijhorende problemen met de concurrentiekracht van Belgische bedrijven, een rol heeft gespeeld.

Het is moeilijk te oordelen of de loonkost in dit geval doorslaggevend was voor de sluiting. Maar in het algemeen zijn de Belgische loonkosten hoog en moet dit gecompenseerd worden met een hoge productiviteit. Dat betekent ook dat de eisen aan werknemers hoger zijn dan elders en dat er dus meer mensen niet aan deze eisen kunnen voldoen. En dat heeft dan weer het gevolg dat België met een relatief hoge werkloosheid kampt.

De oplossing is dus een verlaging van de loonkost. Dat kan door een indexsprong, waarbij de lonen een keer niet verhoogd worden ook al heeft de inflatie een bepaalde drempel bereikt. Dat zou de loonkost met 2% verminderen. Het is, niet verwonderlijk, vooral populair bij werkgevers en wordt hevig bestreden door de vakbonden.

Een andere oplossing is een verschuiving van de belasting op bedrijven. In 2011 bracht de vennootsschapsbelasting 11,5 miljard euro op. Maar, opmerkelijk, de overheid gaf in 2011 ook voor 10 miljard euro aan bedrijfssubsidies (cijfers NBB). En dat laatste is vooral sinds 2005 sterk beginnen stijgen (zie figuur). Men zou dus heel eenvoudig de vennootsschapsbelastingen drastisch kunnen verminderen door de bedrijfssubsidies af te schaffen. Het is een idee dat zowel Vlaams parlementslid Lode Verreeck (LDD)als blogger Maarten Verheyen eerder dit jaar naar voren schoven.

Bron:NBB (nominale cijfers)

 Men kan ook kiezen om met de afgeschafte subsidies de lasten op arbeid te verminderen. De overheid ontving in hetzelfde jaar 52 miljard euro aan sociale premies. Een afschaffing van de subsidies zou dus kunnen leiden tot een vermindering van de sociale lasten met bijna 20%. In 2008 waren de sociale premies goed voor 25% van de totale loonkost (link). Een vermindering met 20% van de sociale lasten resulteert bijgevolg in een daling van de loonkost met 5%. Dat is 2,5 keer een indexsprong.

Maar het is niet zo eenvoudig. Ten eerste wordt slechts de helft van de 10 miljard subsidies door de federale overheid uitgegeven (cijfers NBB). De rest gebeurt door de regio’s en lokale besturen. Het verminderen van de arbeidslasten of de vennootsschapsbelasting betekent echter minder inkomsten voor de federale overheid. Ten tweede is een deel van de subsidies niet zomaar een belastingvermindering, maar eerder steun voor opleidingen en voor onderzoek en ontwikkeling. Het wegvallen van deze subsidies kunnen dan leiden tot te weinig opleiding of onderzoek en ontwikkeling, wat op lange termijn negatief kan uitvallen.

En waar de subsidies wel duidelijk een belastingvermindering zijn, gaat het om zaken waar men op het eerste gezicht best niet aan raakt. Zo wordt een groot deel van de subsidiestijging veroorzaakt door de bijpassing bij de dienstenchecques door de federale overheid: in 2011 was dit goed voor 1,4 miljard euro subsidies (grafiek 70 NBB). De federale overheid geeft ook nog eens voor zo’n 1 miljard euro kortingen voor ploegen- en nachtarbeid en 1,5 miljard euro voor algemene verminderingen van de bedrijfsvoorheffing. Dit afschaffen zou bedrijven zoals Ford Genk nog sneller in moeilijkheden kunnen brengen.

Maar dat is wat men ziet. Wat men niet ziet zijn de vele bedrijven die niet uit de subsidieruif van 10 miljard euro kunnen eten. Zij betalen dus mee voor zij die wel in aanmerking komen voor subsidies. De subsidietrekkers zouden meestal grote bedrijven zijn, omdat zij gemakkelijker hun weg vinden in de subsidieregeling, ten koste van de KMO’s. Tegelijk verhoogt het subsidiesysteem de administratieve last bij zowel de bedrijven als bij de overheid, aangezien er een subsidiedossier moet opgesteld worden, met controle achteraf van het correct besteden van de middelen.

Op zich zou dit nog te verdedigen zijn, indien de subsidies het ondernemen en de economische groei bevorderen. En dat is zeker de bedoeling van bedrijfssubsidies. Maar het verkrijgen van subsidies heeft niets met de markt te maken: je moet geen goede producten of diensten leveren om subsidies te ontvangen. Je moet enkel de politici kunnen overtuigen dat je de subsidies nodig hebt. En met een prijzenpot van 10 miljard euro, kan het al de moeite zijn om hiervoor te lobbyen.

Het lijkt daarenboven logisch dat bedrijven die in moeilijkheden zitten sneller subsidies krijgen. Maar misschien is er wel een goede reden waarom het bedrijf in moeilijkheden zit: slecht beheer, veranderde marktomstandigheden, een disruptieve nieuwe technologie,… De subsidies zorgen echter voor hogere loonkosten voor de bedrijven die niet in moeilijkheden zitten, maar het door de hogere kosten wel kunnen worden. Dat is een pervers effect, en niet onrealistisch.

Dus ondanks het feit dat subsidies ongetwijfeld veel zichtbare positieve effecten hebben, moet de effectiviteit van de subsidies onderzocht worden waarbij ook de onzichtbare effecten meegerekend moeten worden, namelijk het feit dat meer subsidies leiden tot hogere belastingen voor de bedrijven die niet kunnen profiteren van de subsidies. Daarbij moeten subsidies het nadeel van de twijfel krijgen: als de effectiviteit niet kan bewezen worden, dan moet ze geschrapt worden en kan er een navenante loonkostenverlaging doorgevoerd worden. Dat is in dat geval niet alleen efficiënter, door de kleinere subsidiepot zal ook de invloed van lobby’s verkleinen en wordt het vriendjeskapitalisme ingedijkt.

 

Deze tekst verscheen eerder als column bij Liberales.

Boekbespreking – ‘End this depression now!’ door Paul Krugman

 Sinds 2000 is Paul Krugman columnist voor de New York Times wat hem heel wat bekendheid opleverde, en dat verminderde natuurlijk niet toen hij in 2008 de Nobelprijs voor Economie kreeg. Hij is waarschijnlijk dan ook de bekendste econoom van deze tijd. In zijn columns en op de bijhorende blog,The Conscience of a Liberal, levert hij vlijmscherpe kritiek op andere economen en op beleidsmakers indien ze volgens hem verkeerde keuzes maken. Hij brak het beleid van Bush af en ook voor Barack Obama is hij niet altijd even positief, hoewel zijn kritiek op Obama veel minder scherp is. Hij krijgt het verwijt partijdig te zijn, wat dodelijk is voor de geloofwaardigheid van een columnist die beleid bekritiseert.

Krugman strijdt dit ten stelligste af en stelt dat hij zijn uitspraken doet op basis van economische hypothesen die met reële data geverifieerd worden op hun deugdelijkheid. En die data, zo stelt hij, blijken een liberal bias te hebben, waarmee hij bedoelt dat als je naar de feiten kijkt, je vanzelf een liberal wordt.

Sinds de financiële en economische crisis in 2007-2008 begon, heeft Paul Krugman in zijn bekende stijl van bij het begin een duidelijke positie ingenomen: dit is een crisis zoals in de jaren ‘30. Hij pleit dan ook al een aantal jaar voor de recepten die John Maynard Keynes naar voren schoof in zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money, zijn belangrijkste werk, uit 1936. Daarin stelde Keynes dat de economische depressie van de jaren ‘30 bleef voortduren door een gebrek aan vraag naar diensten en goederen. Gezinnen en bedrijven probeerden via extra sparen immers hun schuld af te betalen. Maar omdat ze dat allen tesamen deden, verminderde de consumptie waardoor bedrijven minder verkochten en werknemers werden ontslaan. Daardoor steeg de werkloosheid waardoor de consumptie nog verder daalde, meer mensen ontslaan werden, enzovoort. Om uit deze negatieve spiraal te geraken, moest de overheid volgens Keynes de vraaguitval compenseren door extra uitgaven te doen, in het economische jargon fiscal stimulus genoemd.

Paul Krugman is dus ook van mening dat de overheid in deze crisis extra moet uitgeven. Maar hij benadrukt herhaaldelijk dat dit enkel in deze extreme omstandigheden een goed beleid is. Het probleem is dat de overheden dit tijdens de crisissen van de jaren ‘70 ook gedaan hebben, met stagflatie tot gevolg, namelijk een stagnerende economie en een oplopende inflatie. Dat beleid zorgde ook in België voor een exploderende overheidschuld waar we nu nog steeds voor moeten betalen. Maar de crisis van de jaren ‘70 was volgens Krugman helemaal anders dan nu: in de jaren ‘70 werd de crisis veroorzaakt door een exogene schok, namelijk een drastische stijging van de olieprijs, wat sowieso de inflatie opdrijft. Als de overheden dan ook nog eens extra gaan uitgeven, trekt ze middelen weg uit de efficiënte private economie (het zogenaamdecrowding out) en bovendien versterkt dit de inflatie. Deze crisis is echter iets totaal anders, aldus Krugman. Er is nu geen olieschok die de productiekosten en dus de prijzen naar omhoog jaagt. Het probleem nu is dat plots de huizenprijzen in de VS begonnen te dalen en gezinnen daardoor op hetzelfde moment hun schulden trachten af te bouwen, en dus minder gingen consumeren en meer gingen sparen. Door het extra sparen, krijgen de banken extra deposito’s die ze in normale tijden uitlenen aan bedrijven om te investeren. Maar doordat de vraag naar goederen en diensten daalt, vrezen banken dat de bedrijven de leningen minder goed zullen kunnen terubetalen.

De banken houden het geld dus gewoon in hun kluis. Om de banken aan te zetten om dit extra geld toch uit te lenen, kan de centrale bank de kortetermijnrente verlagen waardoor de banken minder rente krijgen op hun geldreserves, desnoods tot een rente van 0%. Maar als de crisis, en vooral de vooruitzichten, dermate slecht zijn, dan zullen banken hun extra spaargeld nog steeds niet willen uitlenen, zelfs niet als de kortetermijnrente op 0 staat. Wat de centrale bank dan nog kan proberen is de langetermijnrente naar beneden krijgen door langetermijnobligatie op te kopen (waardoor de vraag naar deze obligatie stijgt, en de obligatierente daalt). En jawel, hoor, deze onconventionele manier van tussenkomen, het zogenaamdequantitative easing, werd door de centrale bank in de VS, de Federal Reserve, effectief tweemaal uitgevoerd.

Zonder groot effect, evenwel. De Amerikaanse werkloosheid zit nog steeds boven 8%, wat historisch hoog is. Volgens Paul Krugman is de verklaring eenvoudig: we zitten in een liquidity trap of liquiditeitsval. Dat komt erop neer dat banken hun extra geld pas zullen uitlenen als er negatieve rentes zijn. Dat is in de praktijk haalbaar door een hogere inflatie waardoor de nominale 0-rente in werkelijkheid een reële negatieve rente wordt, maar in een economische crisis met een vraaguitval zoals nu is dat net het probleem: er is eerder sprake van deflatie dan van inflatie. Als je in een liquidity trap zit dan heeft de centrale bank onvoldoende impact op de economie en moet de overheid tussenkomen door meer uit te geven en zo de vraaguitval te compenseren.

Dit klinkt te eenvoudig om waar te zijn: gewoon wat meer overheidsuitgaven en we zijn uit de crisis. Of zoals Geert Noels het placht te zeggen: de schuldencrisis kan je niet oplossen met meer schulden. Maar dat is net het punt van Krugman: het is echt niet moeilijker dan dit. Het gaat om eenvoudige economische principes die een eerstejaarsstudent economie begrijpt. En vandaar ook de titel End This Depression Now!: volgens Krugman kan de economische crisis eenvoudig en snel opgelost worden. En als de economie terug op normaal potentieel produceert, moeten de overheidstekorten omgezet worden in overschotten zodat de overheidsschuld afgebouwd wordt (en er bij een volgende gelijkaardige crisis terug kan ingegrepen worden).

Maar met extra overheidsuitgaven komen ook extra overheidschulden, waarop de overheid rente moet betalen. Als die overheidschulden te groot worden, dreigt er een rentesneeuwbal die de overheidsfinanciën onhoudbaar maken, nog voor de economie terug aantrekt. Dat is wat effectief in België gebeurd is tot Dehaene in 1992 zwaar begon te saneren. Krugman erkent dat te hoge overheidsschulden grote problemen geven, maar niet in een liquidity trap. Tenminste, dat is het verhaal voor de VS, de UK, Japan en alle andere landen die soeverein kunnen beslissen over hun monetair beleid. De centrale bank van die landen kan immers in uiterste nood steeds de overheidsschuld zelf opkopen door geld bij te drukken. Dat kan dan wel tot meer inflatie leiden, maar een wanbetaling is onwaarschijnlijk. Landen in crisis die geen eigen centrale bank hebben, zoals Griekenland, Ierland en Spanje die in de eurozone zitten en dus gebonden zijn aan de Europese Centrale Bank, kunnen wel in grote problemen komen en in wanbetaling gaan (zoals met Griekenland deels gebeurd is). Dat is een inzicht dat Krugman te danken heeft aan de Belgische econoom Paul De Grauwe, die daarvoor ook de nodig lof kreeg op Krugmans blog. Volgens De Grauwe is de oplossing dan ook dat de ECB aankondigt om onbeperkt overheidsobligaties op te kopen van zodra een bepaalde kritische drempel bereikt is.

Paul Krugman stelt terecht dat een discussie over economisch beleid moet beslecht worden op basis van data. En dan blijkt Krugman het in deze crisis meer dan eens bij het rechte eind gehad te hebben. Zo vreesden tegenstanders van het onconventionele beleid van de centrale banken dat dit zou leiden tot hyperinflatie. Volgens Krugman was dit onmogelijk in een liquidity trap en inderdaad, er is geen sprake van een oplopende inflatie. Ook werd gevreesd voor een stijgende interest op overheidsschuld van de VS door het extra lenen. Ook hier was Krugman duidelijk: daar is geen gevaar voor. En ook nu krijgt hij gelijk: de rente op overheidspapier van de VS staat historisch laag, zelfs na de afwaardering van de kredietwaardigheid door Standard & Poor’s in augustus 2011. Ten slotte heeft Krugman steeds gezegd dat de fiscal stimulusvan de VS onvoldoende groot en langdurig was om de werkloosheid terug op een normaal niveau te krijgen. En ook hier heeft hij gelijk gekregen: men spreekt in de VS zelfs van een economische herstel zonder jobcreatie.

Er is echter een blinde vlek in zijn betoog, vooral als het gaat over de eurocrisis, en dat is het probleem vanmoral hazard, of opportunistisch gedrag. Krugman klaagt de positie van Duitsland aan die weigeren om landen als Spanje structureel te helpen. Hij stelt terecht dat de Spaanse crisis niet veroorzaakt is doordat de Spaanse overheid op te grote voet leefde, maar dat betekent nog niet dat er geen belangrijke hervormingen nodig zijn in Spanje en de andere landen in de periferie. Zo is de Spaanse arbeidsmarkt sterk opgedeeld in twee lagen met enerzijds de insiders die een job hebben en enkel tegen hoge kosten ontslagen kunnen worden, en de outsiders die in het beste geval een interimjob kunnen doen. Dit probleem is al gekend van voor de crisis, maar bljkbaar geraakt dit maar niet hervormd. Indien Duitsland nu akkoord zou gaan om Spanje te helpen, dan zou de druk van de ketel kunnen gaan om grondig te hervormen. Vandaar ook de vraag van Duitsland om eerst een overdracht van soevereiniteit naar het Europees niveau door te voeren. En die overdracht van bevoegdheden zal verregaand zijn, onder meer ook over pensioenen. Het is een punt dat Krugman wat gemakkelijk over het hoofd ziet. Een verschoning daarvoor is het feit dat dit boek vooral voor de VS geschreven is, die de systeemfouten van de eurozone, zoals een lage arbeidsmobiliteit en het gebrek aan een fiscale unie, niet hebben.

Als top-academicus is Krugman gewend om harde discussies te voeren op basis van objectieve cijfers en dat verwacht hij ook van beleidsmakers. Dit boek, maar ook zijn blog en columns, tonen eens te meer dat als je wil mee discussiëren over hoe we deze crisis kunnen oplossen, je niet rond Paul Krugman heen kunt. Of je het nu met hem eens bent of niet. De feiten blijken in deze crisis een Krugman-bias te hebben.

Paul Krugman, End This Depression Now!, Norton, 2012

De NYTimes-blog van Paul Krugman: http://krugman.blogs.nytimes.com/

In augustus verscheen de Nederlandstalige versie bij uitgeverij Balans, onder de titel ‘Stop deze depressie nu’.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Red de vrije markt’ door Johan Van Overtveldt

De alsmaar aanslepende economische crisis is voor sommigen een uitgelezen kans om het kapitalisme, met haar vrije markten en private ondernemerschap, onder vuur te nemen. Ze gaan daarbij al te makkelijk voorbij aan het feit dat de overheid ook wel wat boter op het hoofd heeft. Daarvoor hoeven we in België zelfs niet ver te kijken: Dexia, een bank met de overheid als grootste aandeelhouder, is hét voorbeeld van hoe een bank niet geleid moest worden. En in België en daarbuiten hebben de regulatoren van de financiële markten ernstig gefaald. Voor Johan Van Overtveldt, hoofdredacteur van Knack en Trends, redenen genoeg om een boek te schrijven ter verdediging van de vrije markt.

De auteur gaat daarbij te rade bij Milton Friedman, Amerikaans econoom en Nobelprijswinnaar, die de vader is van het monetarisme. Dat is een economische stroming ontwikkeld aan de Universiteit van Chicago die stelt dat de economische cyclus geregeld moet worden via het geldbeleid, meer bepaald via intrestvoeten en de geldhoeveelheid. En het is niet de politieke overheid die dat geldbeleid moet voeren, maar de centrale banken, volgens duidelijke en vaste regels, zonder dat de overheid daar veel aan te zeggen heeft. Volgens het monetarisme is er dus geen plaats voor een Keynesiaans beleid waarbij de politieke overheid wel actief tussenkomt om de economische cyclus te regelen.

Maar Van Overtveldt laat zien dat dit genuanceerder is. Zo verwijst hij naar Jacob Viner, ook van de Chicago Universiteit en een bron van inspiratie voor Friedman. Volgens Van Overtveldt was Viner ‘Keynes avant la lettre’, omdat hij in 1933 reeds stelde dat de federale regering actief de vraag moest ondersteunen om uit de crisis te raken, desnoods via grotere budgettaire tekorten (naast een monetair beleid dat voldoende geld creëert). Dat is opmerkelijk, want de hedendaagse monetaristen gruwen van een dergelijk beleid. Hoe is dan te verklaren dat in de jaren ‘30 blijkbaar heel wat Chicago-economen het recept van Keynes wel zagen zitten? Dat komt, aldus Van Overtveldt, doordat de twee grote economen die aan de basis liggen van de twee rivaliserende stromingen, Keynes en Friedman, veel genuanceerder waren dan hun uiteindelijke volgelingen.

De fout, volgens de auteur, die de keynesianen maken is dat ze de theorie van Keynes, die ontwikkeld was voor extreme omstandigheden, namelijk de depressie van de jaren ‘30, ook willen toepassen in normaleomstandigheden. Maar Friedman is ook streng voor de eigen volgelingen, de latere monetaristen. Zij gaan uit van individuen die op elk moment alle beschikbare informatie kunnen verwerken en op basis daarvan rationele beslissingen nemen. Dat betekent dat het stimuleren van de vraag door de overheid zelfs op korte termijn geen effect kan hebben. Immers, de rationele individuen zullen anticiperen op de overheidsactie door minder te consumeren, omdat ze meer belastingen vrezen in de toekomst. Daardoor wordt de extra vraag die de overheid net gecreëerd heeft teniet gedaan (door het hogere spaargedrag). Friedman volgt deze theorie, maar hij stelt dat er op korte termijn wel een effect kan zijn, omdat consumenten nu eenmaal niet zo rationeel zijn dat ze onmiddellijk hun gedrag gaan aanpassen.

Wie echt zit te wachten op een boek dat de vrije markt verdedigt, zal echter op zijn honger blijven zitten. Ondanks de titel is dit immers geen boek dat alle argumenten tegen de vrije markt netjes oplijst en onderuit haalt. Het is ook geen boek over de terugkeer van Milton Friedman, want die is sinds 30 jaar nooit echt weggeweest. Dit is een boek over Milton Friedman zelf, over zijn persoon, zijn omgeving en natuurlijk ook zijn economische theorie. Maar dat maakt het boek niet minder interessant. De auteur heeft ook geen blind geloof in zijn economische idool, dat Friedman toch wel blijkt te zijn: in het laatste hoofdstuk stelt hij dat Friedman fout was om aan te nemen dat de financiële markten zichzelf kunnen reguleren (de auteur noemt het wat vergoelijkend ‘Miltons veronachtzaming’). Dat klopt niet, de overheid heeft hier wel degelijk een belangrijke rol te spelen.

Maar ook dan is de geest van Friedman volgens Van Overtveldt nooit ver weg. Het feit dat de financiële wereld overheidsregulering nodig heeft, is te wijten aan de grote machtsconcentratie die er in de financiële wereld heerst. En het is eigenlijk net die machtsconcentratie die Friedman altijd heeft bestreden. Machtsconcentratie is dan ook de ware vijand van de liberaal: zijn achterdocht, of zelfs vijandschap, tegenover de overheid zou daarvan slechts een afgeleide mogen zijn, want de overheid is inderdaad de plaats waar de macht vaak geconcentreerd is. Maar als je als liberaal consequent wil zijn, moet je machtsconcentraties bestrijden, en de paradox, zo laat Van Overtveldt ons zien, is dat de overheid daarbij soms je bondgenoot kan zijn.

Bovendien is het niet zo dat Friedman ontkende dat de vrije markt kan falen. Dat kan wel degelijk en dan is de normale reflex dat de overheid de marktfaling mitigeert. Met uiteraard ook een kost. Het probleem, aldus Friedman, is dat die kost altijd, of bijna altijd, groter is dan de kost die de marktfaling veroorzaakt. En dus kan je als overheid maar beter niets doen. Van Overtveldt stelt duidelijk dat dit met de financiële markten -achteraf gezien- niet het geval is: de kost van niet ingrijpen is gigantisch gebleken. En voor sommige believers in de zelfregulerende kracht van de vrije markt, zoals Alan Greenspan, was dat een koud ontwaken.

Een minpunt aan het boek is iets wat Van Overtveldt niet schrijft. Enerzijds zaten en zitten we in de ergste crisis sinds de jaren ‘30; in sommige landen, zoals de UK is het zelfs erger dan toen. En ook de VS zijn nog lang niet hersteld, om van een aantal Europese landen en de eurozone te zwijgen. Het is duidelijk dat het monetair beleid gedaan heeft wat Friedman en zijn aanhangers vooropstelden: verlaag de intrestvoeten en zorg voor genoeg geld, desnoods via onconventionele wegen. Maar zoals dus ook Chicago-econoom Viner zei, in extreme omstandigheden heeft het monetair beleid onvoldoende impact op de economie (omdat men in een liquiditeitsval zit). Dan moet de overheid gedurende beperkte tijd de vraag stimuleren zodat de economie een kick-start krijgt, desnoods met hogere budgettaire tekorten. Maar de auteur laat het na om dit onderwerp te bespreken en dat is een gemiste kans.


Johan Van Overtveldt, Red De Vrije Markt. De Terugkeer van Milton Friedman, De Bezig Bij, 2012

Ik heb het boek ook besproken voor Radio 1

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

Solidair met Griekenland?

Een paar weken geleden passeerde Paul Krugman, een Amerikaanse econoom, door België om zijn boek End This Depression Now! te promoten. Daarin stelt Krugman dat de overheden meer zouden kunnen doen om de economie aan te zwengelen en de werkloosheid te verminderen. De economische crisis wordt volgens de econoom immers veroorzaakt door een te lage vraag naar goederen en diensten.

Bedrijven en consumenten houden de vinger op de knip omdat ze onzeker zijn over de toekomst. Maar dat versterkt juist de recessie, waardoor we nog verder wegzinken, en waardoor iedereen nog minder uitgeeft. Zo geraken we in een negatieve spiraal. Om deze spiraal te doorbreken zouden wij allemaal moeten afspreken om toch op een normaal niveau te consumeren. Dat “gezamenlijk afspreken” komt erop neer dat de overheid (wij allemaal dus) tijdelijk meer consumeert om de negatieve spiraal te doorbreken. Dat betekent wel dat de overheid nog extra gaat lenen en de begrotingstekorten nog groter worden.

Critici, zoals Geert Noels, zeggen dat je de schuldencrisis niet kan oplossen door nog meer schulden te maken. Harde besparingen zijn nodig. Zeker in Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje (de Europese periferie), omdat ze daar jaren boven hun stand leefden. Het wordt dus tijd om de tering naar de nering te zetten en de overheidstekorten weg te werken.

Spanje en Ierland: modelleerlingen

Het is opmerkelijk hoe gemakkelijk het verhaal van de spilzieke periferie met torenhoge overheidsschulden ingang vindt bij de publieke opinie. Opmerkelijk, omdat de objectieve cijfers iets helemaal anders zeggen. En dat kan gemakkelijk aangetoond worden met drie eenvoudige figuren met respectievelijk de primaire overheidsuitgaven, de overheidsschuld en het overheidstekort (de gegevens komen van AMECO, de databank van de Europese Commissie).

Zoals te zien in de eerste figuur spendeerden de overheden in Portugal, Griekenland en zeker in Ierland en Spanje minder dan in Duitsland of Frankrijk in 2002-2006, zeg maar de periode dat de eurozone niet in crisis was.

De tweede figuur geeft de evolutie van de overheidsschuld in de periferie, en in België en Duitsland. In Spanje daalde in 2002-2006 de overheidsschuld tot 40%, in Ierland zelfs tot 25%. In Portugal steeg ze tot 64%, maar in Duitsland steeg de schuld tot 68%. Enkel Griekenland deed het veel slechter dan Duitsland met een stijging tot boven 100%. (Let ook op de goede prestatie van België met een daling van 103% in 2002 tot 84% in 2007.)

De derde figuur geeft de begrotingstekorten bij het begin van de eurozone (2002-2004). Ook hier waren alvast Spanje en Ierland modelleerlingen: in het begin van de eurozone hadden ze gemiddeld een begroting in evenwicht (evenals België), terwijl Duitsland een gemiddeld begrotingstekort had van bijna 4%. Daarmee overtrad Duitsland (en Frankrijk) al van bij de start van de eurozone jaar na jaar de regels die leden van de eurozone zichzelf hadden opgelegd. Het beeld van de spilzieke periferie is dan ook niet correct. Meer nog, het was Duitsland die zich van meet af aan niet de afspraken hield (en samen met Frankrijk de regels bijgevolg versoepelden).

Ook privé-sector maakte fouten

De problemen in de periferie zijn er dan ook niet gekomen door een te gulle overheid zoals iedereen lijkt te denken, maar doordat de privé-sector dacht dat er goede zaken te doen waren (lees: investeringen met een hoog rendement), wat leidde tot een zeepbel in onder meer de vastgoedsector van Ierland en Spanje. Naderhand is het makkelijk om te zeggen dat dit feestje niet kon blijven duren, maar toen leek er geen vuiltje aan de lucht. En zeker niet voor heel wat Duitse banken die de Spaanse bouwwoede mee gefinancierd hebben. Het waren dus niet enkel Spanjaarden die zich vergist hebben, maar ook Duitse bankiers.

Spanje, Ierland en in mindere mate Portugal kan je dus niet zoveel verwijten. De leden van de eurozone hebben bjigevolg de plicht om te helpen waar ze kunnen. Om te beginnen moeten we een hogere inflatie nastreven (4% in plaats van 2%) zodat ze hun concurrentiekracht gemakkelijker kunnen terugwinnen, iets wat Paul Krugman en Olivier Blanchard, hoofdeconoom bij het IMF, nu al een paar jaar zeggen. En er moet ook een investeringspolitiek gevoerd worden in deze landen. Op die manier kunnen de noodzakelijke nationale hervormingen in bijvoorbeeld de arbeidsmarkt gemakkelijker doorgevoerd worden.

Griekenland buiten categorie

Een grote uitzondering op dit verhaal is Griekenland. Corruptie, vriendjespolitiek en belastingontduiking vind je in elk land, maar in Griekenland lijkt het zo wijd verspreid dat de overheid haar taken niet meer kan financieren en uitvoeren. Luc Van der Kelen, politiek commentator bij Het Laatste Nieuws, noemt het land dan ook een failed state. Wellicht is dat slechts een klein beetje overdreven. Het land kent enorme begrotingstekorten en een exploderende overheidsschuld, maar ook in de goede jaren was het Griekse begrotingstekort al ruim boven 5%. Dat werd toen verdoezeld door de cijfers jaar na jaar te vervalsen, wat natuurlijk totaal onaanvaardbaar is.

De Grieken hebben dus hun problemen zelf veroorzaakt en hebben gedurende jaren bedrog gepleegd tegenover de andere leden van de eurozone, niet te vergelijken met het gefoefel van de Duitsers en de Fransen bij het begin van de eurozone. De hardliners zijn dan ook van mening dat de Grieken hun problemen maar zelf moeten oplossen. Immers, als je spilzucht en fraude niet bestraft, is er geen reden waarom de Grieken (en andere landen) het in de toekomst anders zullen doen. Dat lijkt dan wel solidariteit, maar is enkel naïef en daar wordt vroeg of laat misbruik van gemaakt. Dat is het gekende probleem van moral hazard.

Moral hazard

Dat was ook mijn standpunt in 2010 bij het uitbreken van de Griekse crisis (columns in februari en in mei). Ik was en ben van mening dat moral hazard een belangrijk probleem is en dat de Grieken niet zomaar een bail-out verdienen, omdat ze in de toekomst dan terug hetzelfde onverantwoord gedrag zullen vertonen. Maar ondertussen zijn we twee jaar verder en kent Griekenland een sociale catastrofe met een werkloosheid van bijna 20% en een jeugdwerkloosheid van 50%. Dat is onhoudbaar en de uitkomst van de afgelopen verkiezingen is een indicatie van de Griekse radeloosheid.

De Grieken hebben ondertussen dus al ruim hun deel van de ellende gehad en is het probleem van moral hazard kleiner geworden, omdat de Grieken in de toekomst meer oog zullen hebben voor een duurzame overheid op de lange termijn. Het wordt tijd om de spons over het verleden te halen en de Grieken een perspectief te geven. Een Marshall-plan, zoals Eurocommissaris Karel De Gucht al voorstelde, is daarin onontbeerlijk. Evenals sterk politiek leiderschap. Maar dat laatste kan men niet afdwingen. Dat moet van de Grieken zelf komen.

Meer Europa als oplossing

Maar men kan niet zeggen dat de Griekse politieke leiders hebben stilgezeten. Sinds de crisis uitbrak heeft Griekenland telkens zijn financiële ondersteuning van de troika (EC, ECB en IMF) gekregen, wat erop wijst dat ze de afspraken in verband met besparingen nagekomen zijn. Het is pas nu, ruim twee jaar dat Griekenland in crisis is, dat er politieke leiders verkiezingen winnen die deze besparingen niet meer willen uitvoeren.

De Grieken hebben dus een perspectief nodig. En dat is enkel te bieden door meer Europese integratie, en niet minder. Dat is geen politieke analyse, maar een economische. Zoals Peter De Keyzer, hoofdeconoom bij PNB Paribas Fortis, opmerkt, is de overheidsschuld van de totale Eurozone met 91% een pak lager dan die van de Verenigde Staten die ruim boven 100% zit; ze is daarenboven sneller gestegen in de VS dan in de Eurozone (zie figuur).

De VS betalen momenteel echter 1,6% rente, terwijl bijvoorbeeld Spanje 6,5% betaalt, maar Duitsland dan weer nauwelijks 1,3%. Het doet Peter De Keyzer dan ook besluiten dat de beste maatregel om uit de crisis te raken, een geloofwaardige roadmap is naar een Europese politieke unie. Dat zou de rente op de overheidsschuld van de perifere lidstaten verminderen, wat ruimte biedt om de noodzakelijke nationale hervormingen door te voeren.

Deze tekst verscheen eerder als column bij Liberales.

Boekbespreking – ‘Hoe durven ze?’ door Peter Mertens

De Belgische PVDA is in het geheel niet te verwarren met de Nederlandse PvdA. De Belgische partij mag nog steeds beschouwd worden als een marxistische partij die de klassestrijd nog niet heeft opgegeven, terwijl de Nederlandse PvdA al lang geen marxistische of zelfs socialistische partij is, maar geëvolueerd is naar de sociaal-democratie die zich niet per se wil afzetten tegen de markt. Dat verschil uit zich ook in hun democratisch succes: terwijl de Nederlandse PvdA sinds haar oprichting in 1946 al een paar minister-presidenten en talloze minister mochts afleveren, heeft de Belgische PVDA nog nooit een gekozene gehad in het parlement.

De Belgische PVDA opereert dus volledig in de marge. Toch krijgt de partij relatief veel aandacht. Ze is goed vertegenwoordigd op de opiniepagina’s en in discussieprogramma’s. Dat heeft onder meer te maken met de nieuwe voorzitter, Peter Mertens. Sinds hij voorzitter werd in 2008 lijkt de partij iets gematigder en vooral realistischer. Deze imagoverandering wordt zonder twijfel voortgezet met het nieuwe boek dat de voorzitter schreef over de euro en de economische crisis. Het boek is goed op weg om een bestseller te worden. Alleen al daarom kan het niet zomaar aan de kant gezet worden, maar ook inhoudelijk slaat de marxistische voorzitter enkele spijkers met koppen. Althans als het over de analyse van de problemen gaat, die hij onderbouwt met data en referenties (zoals het hoort); over zijn voorstel tot oplossing, wellicht het marxisme, blijft hij veel te vaag.

Maar eerst over de sterke punten van het boek. Het belangrijkste is de stelling dat de winsten geprivatiseerd worden en de verliezen genationaliseerd, met name in de financiële sector. De banken hebben jaren grote winsten geboekt voor de aandeelhouders, maar verschillende banken moesten in deze aanslepende economische crisis met belastinggeld gered worden van het faillissement. De overheid was quasi verplicht de banken te redden, omdat ze te belangrijk zijn voor ons economisch systeem om failliet te laten gaan. De winsten die de banken in het verleden maakten konden echter niet meer gerecupereerd worden, omdat ze al aan de aandeelhouders uitgekeerd of terug geïnvesteerd waren. De auteur pleit er vervolgens voor om een publieke bank op te richten. Op het eerste gezicht is dat vloeken in de kapitalistische kerk, maar ook het liberale The Economist pleitte bij het uitbarsten van de bankencrisis ervoor om banken te nationaliseren, zij het tijdelijk.

Een permanente nationalisering is echter onzinnig. Kijk hoe de banken het in België vergaan is. Dexia, waar de gemeenten de hoofdaandeelhouder waren, is wereldwijd één van de banken die met de grootste problemen opgescheept zaten. Uit een Liberales-sessie met prof Koen Schoors over de financiële crisis bleek dat Dexia volop rommelkredieten aan het aankopen was toen voor vele andere marktspelers al duidelijk werd dat je moest uitstappen. En ook de regulatoren, een onderdeel van de overheid, hebben in België en daarbuiten ernstig gefaald. Dat neemt niet weg dat er een probleem is met het privatiseren van winsten en het nationaliseren van verliezen. Men zou ook een systeem kunnen opzetten waarbij banken wél failliet kunnen gaan. Dat is immers een essentieel onderdeel van het kapitalisme: slecht beheerde bedrijven gaan er via een faillissement uit, zodat betere bedrijven hun plaats kunnen innemen. Dat onverbiddelijke mechanisme zorgt er in theorie voor dat de productiviteit (en dus onze welvaart) stijgt. Maar het klopt dat men nog steeds niet de nodige maatregelen heeft genomen om banken failliet te kunnen laten gaan. En zolang dat niet kan, blijft het alternatief van de PvdA voor een permanente staatsbank valabel.

Een ander terecht punt is de stelling dat we nog steeds in een klassemaatschappij leven. De mensen uit de onderklasse hebben het niet gemakkelijk, aldus de auteur, en dat beseffen politici al lang niet meer. Ze staan wat betreft ideeën en materiële welstand ver van de onderklasse. En de politieke agenda wordt bepaald door de middenklasse die heel andere zorgen heeft. Zelf heeft Peter Mertens naar eigen zeggen een loon van ongeveer 1.500 euro per maand waardoor hij meer met zijn voeten op de grond staat en dus beter weet wat er leeft bij de lagere en de onderklasse.

En we leven inderdaad nog steeds in een klassemaatschappij. Dat kan eenvoudig geïllustreerd worden met de levensverwachting: een ongeschoolde man leeft 7,5 jaar minder lang dan een hooggeschoolde man (en 18,5 minder gezonde levensjaren!). En het klopt volgens mij dat weinig politici en, meer algemeen, mensen uit de middenklasse goed beseffen wat een leven in de onderklasse inhoudt. Toch is Mertens te negatief over de toestand in België: we hebben één van de laagste ongelijkheden van de ontwikkelde wereld (pdf) en die is de afgelopen jaren niet gestegen. België is ook het sterkst herverdelende land (pdf – slide 17).

En dat is een vaststelling die geldt voor het hele boek: er worden veel data gegeven over zaken die mislopen in onze kapitalistische wereld. Maar zelden gaat het over België. We hebben een goede gezondheidszorg, een goed onderwijssysteem en een sterk herverdelende overheid. Bovendien is het loonaandeel van de geproduceerde welvaart in België gestegen sinds de jaren ‘60, ten koste van het winstaandeel. Enkel de vermaledijde VS en de UK doen beter wat betreft deze maatstaf (maar die landen verdelen dat groot loonaandeel ongelijker). Kortom, alle verwijten die de PvdA het kapitalistisch systeem maakt op basis van cijfers over andere landen blijken vaak niet van toepassing te zijn voor België, of toch veel minder. Trouwens, we leven in de ontwikkelde wereld niet in een puur kapitalistisch systeem, maar in een gemengde economie, waarbij het overheidsbeslag in vele landen de 50% van het BBP benadert of overstijgt. Veel wat fout loopt kan vaak minstens deels aan de overheid toegeschreven worden.

De fundamentele kritiek op het kapitalisme is echter de idee van concurrentie. ‘Mensen worden in een kapitalistisch systeem tegen elkaar opgezet’ is een veel voorkomende gedachte. De auteur heeft een punt dat concurrentie bedrijven ‘tegen elkaar opzet’, maar die bedrijven zijn een groep mensen die samenwerken. En er zal wel concurrentie zijn binnen het bedrijf, maar veel bedrijven investeren in allerlei programma’s om hun werknemers juist beter te laten samenwerken, omdat dat de organisatie nu eenmaal productiever maakt. Bovendien maakt de auteur niet duidelijk wat het alternatief is voor concurrentie. Wellicht omdat het marxistische alternatief in het verleden onwerkbaar gebleken is.

Impliciet moet ook Peter Mertens vaststellen dat het kapitalisme nog zo slecht niet is: op pagina 290 stelt hij vast dat de wereld nog nooit zoveel rijkdom heeft gecreëerd als vandaag. En die rijkdom wordt sterk herverdeeld, althans in continentaal Europa. Toegegeven, er is nauwelijks herverdeling met de arme wereld buiten ons. Maar die arme landen hebben eerder een tekort aan kapitalisme, niet een teveel. Sinds China in de jaren ‘80 zijn handelsgrenzen op een gecontroleerde manier is beginnen openstellen, zijn letterlijk honderden miljoenen mensen uit de bittere armoede geklommen. China is natuurlijk geen puur kapitalistische economie, maar dat is onze economie, met een overheidsbeslag van meer dan 50%, evenmin.

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

De euro gegijzeld door ideologie

Bij het regeerakkoord was er veel aandacht voor de begroting. Dat is onterecht. Veel belangrijker zijn de langetermijnhervormingen die onze dierbare welvaartsstaat financieel duurzaam moeten maken. En op dit vlak zet Di Rupo I een aantal belangrijke stappen, niet in het minst wat betreft de hervorming van de pensioenen. Vincent Van Quickenborne, de liberale minister van Pensioenen, heeft alvast een vliegende start genomen en een groot deel van de pensioenhervorming wordt wellicht nog dit jaar goedgekeurd. Dat is meteen ook het enige goede nieuws in deze column.

Op economisch vlak staan we immers voor stormweer en we peddelen naarstig naar onze afgrond, zonder dat de Belgische regering hier veel aan kan doen. Dat is geen boeiende materie, maar het zal onze toekomst sterk bepalen. En nu iedereen vertrouwd is met concepten als credit ratings en spreads, mag het ook wel eens gaan over nominale en reële lonen en buitenlandse handel. Hey, these are financial times, of je het nu graag wilt of niet.

Ideologie begint waar kennis stopt

In Italië en Griekenland zijn er technocratische regeringen aan de macht en de Europese Centrale Bank, een belangrijke actor in de eurocrisis, bestaat evenmin uit verkozen politici maar uit technocraten. De term technocratie wijst op de afwezigheid van ideologie. Je kan in een democratie dus enkel de macht in handen van technocraten leggen als er geen ideologische keuzes meer te maken zijn. En dat lijkt meer en meer het geval te zijn voor de nationale regeringen die lid zijn van de eurozone.

Er moet geen keuze meer gemaakt worden over de marsrichting: op de Europese top begin december is nog eens bevestigd door Merkel en Sarkozy dat alle overheden zo snel mogelijk hun begrotingstekorten moeten verminderen en op termijn mag dit zelfs niet boven de 0,5% uitkomen. Enkel op die manier kan het vertrouwen hersteld worden zodat de economie terug kan groeien, zo is de uitleg.

Door te stellen dat de keuze overduidelijk is en er dus maar één weg te gaan is, lijkt een technocratische aanpak aangewezen. Maar die consensus is er helemaal niet. Dat zou ook zeer verbazend zijn, aangezien het hier om een economische kwestie gaat, en het gezegde “twee economen, drie meningen” heeft een grond van waarheid. Economie is immers een sociale wetenschap, wat betekent dat het voorwerp van onderzoek mensen zijn en hun complexe relaties onderling.

Onze kennis en rekenkracht kunnen die complexiteit onmogelijk aan en dus moet die complexiteit gevat worden via vereenvoudigingen. Dat impliceert echter assumpties over welke vereenvoudigingen kunnen doorgevoerd worden en welke niet. En die assumpties worden bepaald door je mens- en wereldbeeld, zijnde je ideologie. Met andere woorden, omdat onze kennis nooit alle complexiteit kan vatten, blijft er ruimte voor verschillende ideologische opvattingen. Er is immers vaak geen sluitend bewijs voor de keuze van de assumpties, en ideologie moet het gat dan maar opvullen.

Kortom: de ideologie begint, waar de kennis stopt. En we hebben dringend een ideologisch debat nodig onder economen. Daarmee bevind ik me op dezelfde lijn als Peter Mertens van de PvdA die hetzelfde stelt in een interview dit weekend in De Standaard. Dat ik als liberaal wellicht andere standpunten zal innemen in dit debat mag duidelijk zijn, maar we zijn er dus beiden van overtuigd dát er een debat moet zijn. Hieronder probeer ik alvast twee punten bloot te leggen waar er tegenstrijdige visies onder economen bestaan die gebaseerd zijn op verschillende overtuigingen (of ideologie).

Tegenstrijdige visies

Bij de ECB en Merkozy is de assumptie dat als de nationale begrotingen op orde gezet worden, de bedrijven en gezinnen de toekomst terug met vertrouwen tegemoet zullen treden. En dat vertrouwen is erg belangrijk voor de economische groei: als je als investeerder denkt dat het economisch slecht gaat, doordat bijvoorbeeld de begrotingen gaan ontsporen, dan denk je tweemaal na vooraleer je fors gaat investeren en stel je bepaalde beslissingen uit.

Hetzelfde voor de gezinnen: als je vreest voor je job, dan zal je misschien de aankoop van een nieuwe wagen of die skivakantie naar volgend jaar uitstellen. En als alle actoren dat vertrouwen missen, dan zitten we binnen de kortste keren in een recessie. Dus is het zaak om de economische actoren gerust te stellen en dat kan enkel door ervoor te zorgen dat de overheidsbegrotingen niet zullen ontsporen. En dat is dan ook beslist op de Europese top van begin december.

Martin Wolf, de invloedrijke columnist bij de Financial Times, is een andere mening toegedaan. Hij sprak over de Europese top van “een rampzalige mislukking om de euro te redden”. Volgens hem is de euro niet in crisis doordat verschillende landen van de eurozone in het verleden hun begroting niet op orde hadden. Meer nog, landen als Spanje en Ierland hadden een betere begrotingsdiscipline en een lagere overheidsschuld dan het grote voorbeeld Duitsland.

Het probleem volgens Wolf zijn de grote verschillen wat betreft de buitenlandse handel. De perifere landen zoals Ierland, Spanje, Portugal en Griekenland hebben een negatieve buitenlandse handel (meer import dan export), terwijl de kernlanden zoals Duitsland, Nederland en ja, ook België een positieve saldo hebben. Ten gevolge van de financiële crisis zijn die verschillen onhoudbaar binnen de eurozone, dus moeten deze weggewerkt worden.

De beste manier is om de zwakke concurrentiekracht van de periferie te verbeteren: de reële lonen in landen zoals Spanje en Italië moeten lager worden ten opzichte van de kernlanden, zodat deze landen relatief goedkoper kunnen produceren, waardoor ze meer zullen exporteren naar de kernlanden. Dat zorgt ervoor dat de handelsbalans in evenwicht komt. Dus de remedie is simpel: verlaag gewoon de reële lonen in de perifere landen en klaar is kees.

Tegenstrijdige visies, deel 2

Althans, zo simpel is het voor de economen die geloven dat je makkelijk de lonen nominaal (wat op je loonbrief staat) kan verlagen. Dit zijn de monetaristen. Er zijn echter veel economen die van mening zijn dat nominale lonen quasi onmogelijk zonder sociale onrust nominaal kunnen verlaagd worden. Deze economen, de Keynesianen zoals Paul Krugman, zijn van mening dat de reële lonen in de periferie enkel kunnen dalen ten opzichte van de reële lonen in de kernlanden door de nominale lonen in de periferie constant te houden en meer inflatie toe te laten: dat verlaagt de reële lonen in de periferie. De lonen in de kernlanden moeten dan meestijgen met de inflatie (of zelf nog meer).

Om dit te illustreren het volgende voorbeeld: een Spanjaard en Duitser hebben elk een loon van 100 euro, maar de Spanjaard creëert hiermee slechts 100 euro aan goederen, terwijl de Duitser makkelijk 120 euro haalt. Spanje heeft dus een concurrentienadeel van 20 euro. Stel dat de inflatie 2% is en men erin slaagt het Spaanse loon constant te houden: het nominaal loon blijft dus op 100 euro, maar het reëel loon daalt met 2%. En dit terwijl de Duitser 2 euro meer mag verdienen: het nominaal loon is dus 102 euro, maar het reëel loon blijft constant (je kan immers met 102 euro nu evenveel kopen dan vroeger met 100 €). Dit betekent dat het ongeveer 10 jaar zal duren vooraleer de Spanjaard even concurrentieel wordt, wat veel te lang is.

De monetarist zal zeggen dat het loon van de Spanjaard dan maar nominaal moet dalen, bijvoorbeeld tot 98 euro en dit jaar na jaar. Hierdoor wordt de concurrentiekloof in 5 jaar gedicht. De Keynesianen werpen echter op dat dit in theorie weliswaar een mogelijkheid is, maar dat dit met veel sociale onrust gepaard zal gaan, wat ook nefast is voor de economische groei. Nominale lonen doen dalen is vragen om problemen, is hun overtuiging. Zij stellen dat je beter het inflatiedoel van 2% tijdelijk verhoogt naar bijvoorbeeld 4%, iets wat het IMF ook al gesuggereerd heeft (bij monde van Olivier Blanchard).

Ook hier is er opnieuw een sterk ideologisch keuze, niet enkel over het geloof of nominale lonen kunnen dalen zonder dat dit de economische groei aantast, maar ook bijvoorbeeld over de impact op het gedrag van spaarders. Inderdaad, netto-spaarders zullen immers getroffen worden door een hogere dan verwachte inflatie, terwijl mensen (en overheden!) met schulden een voordeel hebben. Volgens Paul Krugman, die dit effect erkent, is dat een kleine prijs die je betaalt; volgens andere economen zoals Geert Noels is het een doodzonde.

Deze twee voorbeelden, namelijk dat begrotingsevenwichten al dan niet automatisch tot economisch vertrouwen leiden en dat nominale lonen wel of niet makkelijk kunnen dalen, tonen aan dat ideologie een sterke impact heeft op zogezegd technocratische problemen. Het zijn daarenboven twee ideologische discussies die een grote impact op onze welvaart zullen hebben. De uitleg hierboven is misschien wat technisch (en zeker en vast saai), maar dat is nodig om de ideologie bloot te leggen die achter de zogenaamde technocratie schuil gaat. Een neutrale positie is in onze complexe wereld heel vaak niet mogelijk.

The proof of the pudding is in the eating

Krugman beweert bovendien al 2-3 jaar dat te veel kortetermijnbesparingen leiden tot een recessie, en de feiten lijken hem hierbij gelijk te geven. Ook op het vlak van extra geld in het systeem pompen door de centrale banken, lijken de data hem gelijk te geven. Monetaristen schreeuwden moord en brand dat dit tot een onaanvaardbare inflatie zou leiden, maar dat is dus nog niet gebeurd: de inflatieverwachtingen zitten zelfs onder het target van 2%, onder meer omdat men vreest voor een recessie.

Als ik dus mijn geld moet verwedden, dan zou ik op Paul Krugman gokken: de voorbije jaren lijkt zijn model de juiste vereenvoudigingen te bevatten. En dat is ook wat in de praktijk eigenlijk gebeurt: onze politieke leiders gokken met onze welvaart. En ze moeten wel, want er is te weinig kennis om te beweren dat de keuzes overduidelijk zijn. Maar onze leiders gokken volgens mij verkeerd en in het licht van nieuwe gegevens, zoals de recessie die eraan komt, zouden ze hun koers moeten veranderen. Volgens mij is die nieuwe koers onder meer een hoger inflatiedoel, bijvoorbeeld 4% in plaats van 2%. Dat klinkt niet wereldschokkend of spectaculair, maar onze welvaart, en daarmee ook onze manier van leven, hangt ervan af.

Deze tekst verscheen eerst als opinie bij MO*.