Tegen cultuursubsidies

De voorbije week lag Vlaams minister Schauvliege weerom onder vuur, deze keer wegens de manier waarop de pot geld voor cultuur verdeeld zal worden. De minister heeft de adviezen van de expertencommissie openbaar gemaakt, wat de transparantie ongetwijfeld verhoogt, maar ook de controverse.

Zo heeft Ivan Van de Cloot, econoom, al opgemerkt dat er 2 miljoen euro aan extra verhogingen door de expertencommisie geadviseerd is voor 25 organisaties die zelf een commissielid in hun rangen tellen. Hij stelt dat de toewijzing van cultuursubsidies mee bepaald zou moeten worden door de gebruikers van cultuur. Tegenstanders verwijten hem hiermee cultuur te willen commercialiseren.

Het publieke debat draait dus vooral om de verdeling van de middelen, niet zozeer over het feit dát er door een centrale overheid middelen worden besteed aan cultuur. Dat zou nochtans niet zo voor de hand liggend mogen zijn, aangezien subsidies worden gefinancierd via belastingen waardoor je als burger geen keuze hebt dan cultuur mee te financieren.

Kosten en baten

Overheidssteun voor een cultuurproject kan volgens mij pas verantwoord worden als minstens de volgende twee voorwaarden vervuld zijn: (1) het project kan niet uitgevoerd worden zonder overheidssteun, omdat de inkomsten de kosten niet dekken en (2) het project heeft maatschappelijke baten die, samen met de inkomsten, de kosten dekken van het project.

De eerste voorwaarde is duidelijk: als een cultuur-initiatief even goed zonder subsidies kan plaatsvinden, dan moet het geen subsidies krijgen. Maar wat als dat niet het geval is? Een voorbeeld: stel dat een culturele activiteit 35 euro toegang zou moeten vragen om alle kosten te kunnen dekken, maar de potentiële bezoeker wil er maar 20 euro aan geven. De activiteit is dus verlieslatend en is enkel mogelijk als de overheid via subsidies 15 euro per bezoeker bijpast. Het feit dat de bezoeker slechts 20 euro wil betalen impliceert wel dat hij het nut van de culturele activiteit niet hoger acht dan 20 euro. Om de overheidssubsidie dan te kunnen verantwoorden, moet men kunnen aantonen dat de maatschappelijke baten 15 euro opleveren per bezoeker.

Die maatschappelijke baten, of in economisch jargon ‘positieve externaliteiten’, zijn baten die niet de bezoeker ervaart, maar de niet-bezoekers. Er zijn heel wat mogelijke positieve externaliteiten te bedenken, zoals bijvoorbeeld de extra consumptie door de bezoeker bij de lokale middenstand, of het feit dat de bezoeker zichzelf verrijkt en dat doorgeeft aan niet-bezoekers, of gewoon ook het feit dat de bezoeker gelukkiger wordt van de culturele activiteit en dat afstraalt op zijn omgeving die niet deelneemt aan cultuur. Het bestaan en de grootte van deze maatschappelijke baten kan wetenschappelijk onderzocht worden.

Wetenschappelijke basis ontbreekt

Echter, en daar zit het fout, er is geen wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat er maatschappelijke baten zijn van cultuur die subsidies kunnen verantwoorden, toch niet voor zover mij bekend. En het geldt zeker niet als toekenningscriterium.

Er zijn wel studies die de lokale, economische baten aantonen die gegenereerd worden via extra uitgaven van bezoekers aan de lokale economie, maar dat betekent dan wel dat de subsidies door de lokale overheid moeten gefinancierd worden, en niet door een centrale overheid. Dat wetenschappelijk bewijs is er wel en overvloedig voor andere domeinen, zoals onderwijs, infrastructuur, publieke gezondheid en innovatie.

Het ontbreken van wetenschappelijk bewijs komt misschien omdat de maatschappelijk baten moeilijk meetbaar zijn. Maar dat kan geen reden zijn om wél subsidies te geven. Iedereen kan dan immers beweren dat zijn project maatschappelijke baten heeft, maar helaas moeilijk meetbaar. Dan kan men even goed verre, exotische reizen subsidiëren, waarvan vervolgens beweerd wordt dat de reiziger zichzelf hiermee verrijkt en dat doorgeeft aan niet-reizigers of dat de reiziger gewoon gelukkiger wordt van de reis en dat afstraalt op zijn omgeving die niet mee op reis was.

Het stopzetten van cultuursubsidies waar de maatschappelijk baten niet van aangetoond zijn, zal cultuur niet doen verdwijnen, omdat er zonder twijfel culturele activiteiten zijn die ook zonder subsidies kostendekkend zijn (of zullen worden door meer efficiëntie of hogere toegangsprijzen), maar er zullen ook heel wat culturele activiteiten wel verdwijnen. En dat is zeker een verlies, want het is niet ondenkbaar dat veel projecten op zijn minst wel enig maatschappelijk nut hebben, maar ze zullen verdwijnen als deze baten niet in verhouding staan met de subsidiekost.

Schaarse middelen

Het verdwijnen van die culturele activiteiten (en de beperkte maatschappelijke baten) is de kost die direct zichtbaar is. Wat men echter niet ziet, is dat hierdoor geld vrijkomt om andere zaken te doen, zoals het verlagen van de arbeidslasten. Of de vrijgekomen gelden afleiden naar andere projecten waar de maatschappelijke baten duidelijk zijn aangetoond, zoals het investeren in kansarme kinderen.

Kortom, een subsidiebeleid dat meer gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek zal veel efficiënter met de schaarse middelen omspringen. En dat de middelen schaars zijn, moet in deze aanslepende economische crisis nu wel duidelijk zijn. Bovendien zal het gelobby en de ons-kent-ons-mentaliteit veel minder spelen.

Een domein waar cultuursubsidies wel gemakkelijker te rechtvaardigen is, betreft de jongeren. Om als individu je talenten ten volle te kunnen ontplooien, moet je als kind en jong-volwassene weten wat er allemaal mogelijk is. Je moet dus van zoveel mogelijk dingen kunnen proeven, en dus ook van cultuur. Cultuursubsidies die op dit aspect gericht zijn, zijn dan ook gemakkelijker te verantwoorden, maar ressorteren dan niet zozeer onder cultuurbeleid, als wel onder het domein onderwijs.

Reis naar New York

Ik besef dat dit voor velen een controversiële, neoliberale of zelfs kille analyse lijkt. Maar deze redenering is niet zozeer tegen cultuursubsidies (en al helemaal niet tegen cultuur op zich), als wel voor een beleid dat zich zo objectief mogelijk verantwoordt voor het geven van subsidies. Het is een pleidooi voor een evidence-based policy, dat volgens mij inderdaad zal leiden tot veel minder cultuursubsidies, maar óók tot bijvoorbeeld meer ondersteuning van kansarme kinderen.

Het betekent ook dat ik wél voorstander zou zijn van cultuursubsidies als kan aangetoond worden dat de maatschappelijke baten bestaan en relatief groot genoeg zijn om de subsidie te verantwoorden. Maar zonder dat bewijs deelt de politieke wereld blind subsidies uit en dan kan ik even goed vragen dat men mijn reisje naar New York subsidieert. Ik kan u immers verzekeren dat ik van een reisje naar New York gelukkiger word en dat dat afstraalt op mijn omgeving.

 

Deze tekst verscheen eerder als column bij MO*.

De nefaste invloed van lobbygroepen

Toen het nieuws begin april bekend raakte, leek het een flauwe grap: de vakbonden bij Bekaert vroegen brugpensioen vanaf 50 jaar. We weten ondertussen heel goed dat we langer moeten werken, omdat we langer leven: in 1960 gingen we gemiddeld op 64 jaar met pensioen en leefden gemiddeld tot 70 jaar; nu gaan we op 59 jaar met pensioen en leven gemiddeld 80 jaar. Dat is onhoudbaar en iedereen weet dat. Maar de vakbonden bij Bekaert probeerden voor hun werknemers brugpensioen te regelen vanaf 50 jaar. En ja, hoor, voor die paar tientallen werknemers kan de overheid dat betalen; helaas niet voor elke 50-jarige die ontslagen wordt. En toch gaat de regering regering akkoord met deze regeling, zij het dat het brugpensioen pas kan vanaf 52 jaar.

Een ander sterk staaltje van groepsegoïsme van de vakbond is de garantieregeling die Arco uit de brand wist te slepen: iedereen die coöperatieve aandelen had in Arco, een onderdeel van de christelijke werknemersbeweging ACW, krijgt het verlies dat ze lijden door het quasi-failliet van Dexia door de overheid terugbetaald, alsof de aandelen een spaarrekening zijn. Kostprijs voor de belastingbetaler: 1 tot 1,5 miljard euro, of ongeveer 500 euro per modaal gezin. Ook nu is het duidelijk: de belastingbetaler kan dit bedrag ophoesten, maar we kunnen niet elke aandeelhouder compenseren voor zijn verlies. De Europese Commissie heeft in ieder geval een onderzoek gestart naar de Arco-deal.

Rent-seeking

Het zijn twee voorbeelden waarbij de vakbonden belangrijke voordelen voor een relatief kleine groep uit de brand proberen te slepen ten koste van een grote groep mensen, namelijk de samenleving. In economisch jargon heet dit rent-seeking, het manipuleren van de sociale en/of politieke omgeving voor het gewin van een kleine groep ten koste van een grote groep, zonder dat hierdoor extra welvaart wordt gecreëerd. Doordat de groep gedupeerden meestal uit veel mensen bestaat, zijn de kosten voor deze mensen relatief klein. Maar toch, de Arco-deal zal ons per gezin toch al gauw 500 euro kosten, zonder dat er enig significant protest was, ondanks de grote verontwaardiging in de media.

En het zijn uiteraard niet enkel de vakbonden die aan rent-seeking doen. Ook de banken hebben dit volop gedaan door hun winsten voor zich te houden wanneer het goed ging, maar wanneer het fout liep zich te laten redden door belastinggeld. En of dat nog niet genoeg was, kregen ze het van de Belgische regering voor elkaar dat de verzekeringspremie die de banken voor deze redding moeten betalen enkel geldt voor de veilige spaarrekening, en niet voor de risicovolle interbancaire deposito’s.

Een minderheid profiteert van de meerderheid

Waarom is dat? Omdat de verzekeringspremie op de spaarrekening gemakkelijk kan doorgerekend worden aan de klant: de bank betaalt die dus niet zelf. Voor de interbancaire deposito’s is dat niet zo en zouden de banken wellicht de verzekeringspremie zelf moeten betaald hebben. Dus even lobbyen bij de regering en de wet wordt in het voordeel van de banken geschreven, en in het nadeel van de spaarders. Dat levert een aanzienlijk bedrag op voor de banken, en een kleine kost voor de miljoenen spaarders.

En dat is meteen een belangrijke reden waarom deze rent-seeking zo hardnekkig is: de lobbygroep is een relatief kleine groep waardoor de winst moet verdeeld worden onder een klein aantal, terwijl de kost wordt verdeeld over de samenleving. Dat betekent dat de leden van de lobbygroep een sterke prikkel hebben om zich te organiseren en om lobbywerk te verrichten. En omdat de lobbygroep relatief klein is, is de organisatie bovendien nog eens gemakkelijker en kan je ook beter in het oog houden of iedereen zijn bedrage wel levert.

Free ride

Voor zij die de kosten moeten dragen, namelijk alle belastingbetalers, zijn de kosten per individu vaak niet de moeite om er actie voor te ondernemen. En zelfs als het al gaat over redelijk wat geld per gezin, zoals de Arco-deal, dan nog heb je het vrijbuitersprobleem. Stel dat er iemand in slaagt om een betoging van 100.000 personen te organiseren tegen de Arco-deal en stel dat die deal door dit protest effectief wordt teruggedraaid, dan winnen alle deelnemers aan de betoging 500 euro. Dat is een mooie som geld om even te gaan betogen. Maar het probleem is dat alle andere belastingbetalers die niet aan de betoging hebben deelgenomen ook 500 euro winnen. Waarom dan gaan betogen? Laat de anderen maar betogen en als het lukt krijg ik wel een free ride.

Het is voor elk individu dus rationeel om niet te gaan betogen en te hopen dat anderen dat wel gaan doen. Maar als iedereen zo redeneert (en met de Arco-deal hebben we dat blijkbaar gedaan) dan doet niemand wat. Dit mechanisme werd al in 1965 beschreven door Mancur Olson, een Amerikaanse econoom, in zijn boek The Logic of Collective Action. Het is dus al decennia bekend en wel beschreven. Helaas is er niet zoveel aan te doen, tenzij een verplichting tot actie (of betaling) door de staat op te leggen. Maar in de voorbeelden die ik aanhaal is het net de staat die de rent-seeking toelaat.

Kleinere overheid als oplossing?

Het probleem van rent-seeking is voor sommigen dan ook een belangrijke reden om de mogelijkheid van rent-seeking te verminderen door de impact van de staat kleiner te maken. Dat is een aantrekkelijke gedachte, maar ook daar zijn er wel wat problemen. Zo hebben de topverdieners in de VS het voor elkaar gekregen dat hun belasting sterk gedaald is sinds de jaren ‘70. Daardoor is het mogelijk dat bijvoorbeeld Mitt Romney, de Republikeinse presidentskandidaat, slechts 14 procent belastingen betaalt op een jaarinkomen van ruim 20 miljoen dollar. De lagere belastingen zorgen voor een kleinere overheid (of voor een begrotingstekort), maar de middenklasse betaalt wel een pak meer. Ook hier is er dus sprake van rent-seeking, ondanks dat de overheid kleiner wordt.

Lobby’s en rent-seeking zullen er altijd zijn en er is meestal niet veel aan te doen, tenzij een grotere transparantie en de hoop dat er hierdoor toch een tegenactie komt. Maar een grote transparantie en tegenactie zijn twee dingen waar lobbygroepen geen voordeel bij hebben, en waar er dus vaak tegen wordt gelobbyd…


Deze tekst is eerder verschenen op de website van MO* en als column bij Liberales.

‘Rechtvaardigheid en solidariteit’ door Fréderic Bastiat

Belastingillusie is wijd verspreid in continentaal Europa. De overheid wordt op vele manieren gefinancierd wat de transparantie niet ten goede komt. Daardoor lijkt de kost van de overheid niet zo groot als ze in werkelijkheid is. Een overheid die niet efficiënt is, wordt dan makkelijker getolereerd: burgers zullen zich verzetten tegen het inkrimpen van de overheid, omdat ze vooral de baten zien en veel minder de kosten. De gedachte van de verborgen kosten zoals belastingillusie loopt als een rode draad door het essay Wat men ziet en wat men niet ziet van Frédéric Bastiat. Het essay van de negentiende-eeuwse Franse intellectueel is samen met een tweede essay vertaald en heruitgegeven door het Rothbard Instituut.

Op een paar tientallen pagina’s legt Bastiat in Wat men ziet en wat men niet ziet op een eenvoudige en duidelijke manier uit wat de baten zijn die men ziet en de kosten die men niet ziet. Zo geeft Bastiat het voorbeeld van het al dan niet ontslaan van soldaten wanneer men uit oorlogstijd komt. Het lijkt logisch om, eens er vrede is, de werkloze soldaten te ontslaan. Maar als je dat doet, zo argumenteren de tegenstanders, dan schaadt dat de economie, omdat het inkomen van de soldaten zal dalen. Hierdoor daalt hun consumptie en dus de vraag naar goederen en diensten. Dat is, zo stelt Bastiat,wat men ziet. Wat men niet ziet, echter, is dat de staat minder geld nodig heeft als het de soldaten toch ontslaat, en dat dus een deel van de belastingen teruggegeven wordt aan de burger, die het op zijn beurt kan besteden. De verloren consumptie van de soldaat kan dus gecompenseerd worden door de burgers die nu navenant meer inkomsten hebben. Meer nog, de soldaat die geen nuttig werk meer deed, kan nu ingezet worden voor een productieve taak, waardoor de economie met hetzelfde aantal werknemers meer goederen kan produceren en dus productiever is.

Bastiat gebruikt nog andere domeinen om de verborgen kosten bloot te leggen. Misschien wel het bekendste voorbeeld is dat van de ‘gebroken ruit’. Nu nog stellen sommigen dat het voor de gehele economie eigenlijk een zegen is als er ruiten gebroken worden, want dat is stimulerend voor de economie. De ruit moet immers gerepareerd worden wat zorgt voor meer inkomsten voor de glazenmaker, die op zijn beurt dit extra inkomen kan uitgeven aan andere goederen en diensten, wat opnieuw leidt tot extra economische activiteit. Deze redenering is wat men ziet en is op zich correct, maar men ziet niet dat de eigenaar van de gebroken ruit nu minder geld heeft, en deze dus minder kan uitgeven. De meeruitgaven van de ene (de glazenmaker) worden dus gecompenseerd door de minderuitgaven van de andere (de eigenaar van de gebroken ruit). Een gebroken ruit heeft dan inderdaad noch een positieve, noch een negatieve impact op de economische groei. Maar in het geval van de gebroken ruit is de welvaart in de maatschappij wel verminderd met één ruit. Dat is de paradox die Bastiat mooi blootlegt: de economische bedrijvigheid blijft inderdaad gelijk in de twee gevallen, maar de totale welvaart is verschillend. En dat is wat men niet ziet.

Hiermee lijkt Bastiat in te gaan tegen de theorie van Keynes. Deze Britse econoom stelde dat de overheid in een economische crisis tijdelijk zelfs op onproductieve wijze de economie mag stimuleren (desnoods door mensen te betalen door hen putten te laten maken en daarna terug te vullen). Maar verrassend genoeg is Bastiat niet tegen dergelijke overheidsinterventie. Op pagina 54-55, in het deel over openbare werken, stelt de auteur dat de overheid als tijdelijke maatregel werkloze arbeiders kan inzetten om infrastructuurwerken te doen in tijden van crisis of een strenge winter. De reden hiervoor is dat de overheid op die manier te werk gaat als een verzekeraar.

Dat is de theorie van economische stabilisatoren avant la lettre. Dat, en de andere domeinen waarover Bastiat spreekt, maakt het essay Wat men ziet en wat men niet ziet uiterst interessant om te lezen, zeker in deze tijden van economische crisis waarbij de kosten die de overheid maakt belangrijker worden. De kwaliteit van dit essay staat spijtig genoeg in schril contrast met het andere essay Rechtvaardigheid en Solidariteit. Dit essay bevat een stroom van gedachten over deze twee begrippen die Bastiat vaak simplistisch voorstelt, of doet hij voorspellingen die helemaal niet zijn uitgekomen. Zo stelt hij –midden 19de eeuw- dat men het principe aanvaard heeft “dat de Staat welvaart aan iedereen dient uit te delen. (…) Om die belofte te kunnen houden, verhoogt hij de belastingen en doet hij meer kwaad dan goed. Nieuwe eisen vanwege het publiek, nieuwe belastingen vanwege de staat, en we kunnen niet anders dan van de ene revolutie naar de andere gaan.”

Men stelt begin 21ste eeuw vast dat de staat nog veel meer tussenkomt dan Bastiat zich wellicht ooit had kunnen voorstellen, zonder dat we van de ene revolutie naar de andere gegaan zijn. Integendeel, de sociale onrust is zeer beperkt, en terecht, want de levensstandaard bevindt zich al een paar decennia op een duizelingwekkend hoog niveau, en ondanks de crisis zal dat waarschijnlijk op lange termijn niet veranderen.


Frédéric Bastiat, Rechtvaardigheid en Solidariteit, Rothbard Instituut, 2011

Deze boekbespreking verscheen eerder bij Liberales.

57 miljoen euro voor de Koningin Elisabethzaal

Op vrijdag 5 juni 2009, de vrijdag vóór de Vlaamse verkiezingen, besliste de Vlaamse regering om de vernieuwing van de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen goed te keuren. ‘De concerthal zal uitgebreid en gerenoveerd worden. De bedoeling is om de akoestiek in de zaal gevoelig te verbeteren zodat er zowel klassieke als moderne concerten in optimale omstandigheden kunnen worden gegeven.’, zo berichtte een Vlaamse krant. Kostprijs: 57 miljoen euro.

Is 57 miljoen euro overheidsgeld om een concertzaal uit te breiden en de akoestiek gevoelig te verbeteren exuberant? In deze tijden van crisis zonder twijfel: ja. Maar zelfs in gewone tijden moet men hier ernstige vragen bij stellen. Het gaat hier om overheidsgeld, wat betekent dat de Vlaamse regering beslist heeft dat iedereen moet bijdragen tot deze renovatie (grofweg 10 euro per Vlaming of 40 euro per modaal gezin).

De kernvraag in dit concrete geval is: hoe kan de Vlaamse regering verantwoorden dat ze elke Vlaming 10 euro vraagt om dit project uit te voeren? Dat is enkel verantwoord als er drie voorwaarden vervuld zijn: (1) de vrije markt zal dit project niet zelf uitvoeren, omdat de directe baten de directe kosten niet dekken, (2) er zijn indirecte baten die, samen met de directe baten, de kosten dekken, en (3) de indirecte baten (of positieve externaliteiten) van het project zijn groter dan die van andere mogelijke projecten.

Een renovatie en uitbreiding van 57 miljoen euro voor een cultuurtempel betaalt zichzelf niet terug door wat de gebruikers ervoor zouden willen betalen. Nochtans zijn de ticketprijzen van de evenementen niet zo goedkoop: de goedkoopste tickets variëren van 33 euro (Rob de Nijs) tot 70 euro (Diana Krall). Deze prijzen zouden zonder subsidies natuurlijk nog hoger zijn. Meer nog, als de vrije markt dit project niet wil financieren, dan impliceert dit dat de prijzen zonder subsidies te hoog zouden moeten zijn om een voldoende groot publiek aan te trekken, waardoor er helemaal niets georganiseerd zou worden.

De vraag is: zou dat zo erg zijn? Zo komen we bij de tweede voorwaarde: wat zijn de indirecte baten van de cultuuractiviteiten in de Koningin Elisabethzaal? Het is politiek incorrect, maar de indirecte baten van cultuur zijn schromelijk overdreven. Daarmee is niet gezegd dat cultuur op zich geen baten heeft: het is zeker zo dat voor veel mensen het leven veel aangenamer is door cultuur, zij het literatuur, kunst, toneel, muziek,… Maar de vraag stelt zich wat de buurman of medemens daaraan heeft. En, bijgevolg, of die medemens verplicht moet meebetalen. Om het concreet te stellen: waarom moet ik betalen opdat iemand goedkoper naar Rob de Nijs of Diana Krall kan gaan? Ik kan best aannemen dat sommige mensen geen genoegen nemen met de plaatselijke schlagerzanger en liever Rob de Nijs zien, maar de kwestie is of ik (en u) voor die ‘dure’ smaak moet betalen.

Het belangrijkste argument tegen de 57 miljoen euro is echter de vraag naar de alternatieven: zou dit geld niet beter in andere zaken geïnvesteerd worden. Zijn er echt geen projecten te vinden die meer (en beter aantoonbare) indirecte baten hebben? In tijden dat ons onderwijs onvoldoende goed werkt voor de laagste sociale klassen, op het moment dat gezinsondersteuning onvoldoende is uitgewerkt en hospitalisatieverzekeringen onbetaalbaar worden, is het exuberant om 57 miljoen euro te spenderen om de zaal te renoveren en uit te breiden en “om de akoestiek in de zaal gevoelig te verbeteren”.

Is dit populistisch? Helemaal niet. Het gaat om het debat dat in de voorbije goede jaren al te veel weggemoffeld is (ook door liberalen), namelijk het kerntakendebat: over wat de overheid wel en niet moet financieren en uitvoeren. Dat dit project mee goedgekeurd is door liberalen en dat dit zonder schaamte, nee, zelfs met trots is aangekondigd net voor de verkiezingen, toont dat dit land dringend nood heeft aan een grondig debat over de kerntaken van de overheid. En dit debat moet zoveel mogelijk technocratisch gevoerd worden, met een economische inschatting van de directe en indirecte kosten en baten. Dit debat helemaal ontdoen van ideologie is echter niet mogelijk, omdat de inschatting van die kosten en baten mede bepaald wordt door het mens- en wereldbeeld van de beleidsmakers. Een beleidsmaker die eerder gelooft in de stratificatie van de maatschappij met aan de top een culturele elite zal geneigd zijn om de bouw van een dure cultuurtempel te subsidiëren. De tegenpool van deze beleidsmaker, die gelooft in de mogelijkheid van opwaartse sociale mobiliteit, zal echter investeren in gelijke kansen, via bijvoorbeeld het onderwijs of gezinsondersteuning.

De drie bovenstaande voorwaarden zijn volgens mij de kern in het debat over wat een overheid wel en niet moet doen. En het is duidelijk dat de overheid zaken mag en moet subsidiëren, maar niet zomaar alles. Zelfs initiatieven die duidelijk positieve externaliteiten hebben moeten kritisch bekeken worden: er zijn immers misschien wel andere initiatieven die met eenzelfde investering meer positieve indirecte effecten hebben. Deze methode met de drie voorwaarden zou aanvaardbaar moeten kunnen zijn voor alle ideologieën. Het is dan in de bepaling van de aanwezigheid en de grootte van de indirecte effecten dat het ideologische aspect naar voren komt. De vraag blijft natuurlijk in hoeverre dit ideologische aspect er niet gewoon is door een gebrek aan kennis of empirische gegevens over de zaak in kwestie.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Analyse van 9 jaar Vlaams begrotingsbeleid

In februari ontving iedere werkende Vlaming een extra loon van 250, de zogenaamde jobkorting. De eenmalige 250 euro is een niet verwaarloosbaar bedrag (voor lage lonen was dit zelfs 300 euro), maar de grootste impact ligt misschien niet op financieel vlak. Veel belangrijker is dat de Vlaamse regering met de jobkorting aangegeven heeft dat het mogelijk is dat de Vlaming significant minder belastingen betaalt, zonder dat hiervoor andere voorwaarden vervuld moeten zijn, zoals een verregaande staatshervorming. Naar aanleiding van de Vlaamse verkiezingen is dit geen onbelangrijk detail: beloftes voor lagere belastingen zijn plots een pak geloofwaardiger. Tevens wordt op een ander vlak een belangrijk signaal gegeven, namelijk de Vlaming beseft door de jobkorting beter hoeveel belastingen hij of zij wel betaalt. De belastingillusie, namelijk het feit dat men niet inschat hoeveel belastingen men betaalt, wordt door de jobkorting verminderd. De jobkorting in de huidige vorm kostte de Vlaamse regering 710 miljoen euro.

De maatregel is eenmalig, maar dat hoeft niet zo te zijn. Hieronder volgt een analyse van de publieke uitgaven door de Vlaamse overheid in de periode 1999-2008, met een aantal pistes hoe de belastingsdruk voor de Vlaming verminderd kon worden. Deze pistes zouden voor de komende legislatuur als leidraad kunnen dienen.

Het doel van deze analyse is vooral om aan te tonen dat het mogelijk is dat de Vlaming geleidelijk aan minder belastingen betaalt, zonder dat we moeten snoeien in essentiële zaken zoals gezondheidszorg of onderwijs.

 

Analyse van de totale uitgaven door de Vlaamse overheid in de periode 1999-2008

Figuur 1 geeft de evolutie van de uitgaven door de Vlaamse overheid in de periode 1999-2008, zowel in nominale termen, als in reële termen, dus gecorrigeerd voor inflatie. De reële uitgaven worden getoond met twee basisjaren, namelijk 1999 en 2008.

De totale uitgaven van de Vlaamse overheid bedroegen in 2008 22,5 miljard euro. Ten opzichte van 1999 is dat een nominale groei van ongeveer 47 %, de reële groei is 20%. In nominale termen betekent dit een meeruitgaven in 2008 van 7,2 miljard in vergelijking met 1999. In reële termen met prijzen van 2008 is dit in 2008 een meeruitgave van 3,7 miljard euro ten opzichte van 1999. Met andere woorden, op 9 jaar tijd geeft de Vlaamse overheid in reële termen jaarlijks 20% meer uit, of zo’n 3,7 miljard euro. Dit komt neer op 5,2 jobkortings.

Om rekening te houden met de inflatie, bekijken we de consumptie-index zoals berekend door de FOD Economie. Uit figuur 1 is af te leiden dat de reële uitgaven in 2008 gedaald zijn ten opzichte van 2007. Dat is waarschijnlijk voornamelijk te wijten aan de inflatie die in 2008 onverwacht hoog uitwam, namelijk 4,5%.

Figuur 1

 

Analyse van de uitgaven door de Vlaamse overheid per beleidsdomein in de periode 1999-2008

De uitgaven van de Vlaamse overheid worden opgedeeld per beleidsdomein. Er zijn in totaal 27 beleidsdomeinen [1]. Onderstaande figuur geeft de uitgaven in absolute waarde per beleidsdomein in 1999, 2004 en 2008 (balkjes – linkse as). Tevens is de totale nominale procentuele stijging voor de verschillende periodes uitgezet (rechtse as) [2].

Uit deze figuur is het overwicht van ‘onderwijs’ duidelijk: met een uitgaven in 2008 van 8,9 miljard is dit goed voor bijna 40% van de totale uitgaven door de Vlaamse overheid. Op de tweede plaats staat ‘welzijn en gezondheidszorg’, met uitgaven van 2,7 miljard, goed voor 12% van de uitgaven. De top vijf wordt vervolledigd met ‘lokale en regionale besturen’, ‘wegen en water’ en ‘werkgelegenheid’. Deze top 5 zorgt voor 71 % van de totale uitgaven. 19 van de 27 beleidsdomeinen geven jaarlijks meer dan 100 miljoen euro uit.

Figuur 2

Onderstaande tabel geeft aan van welke beleidsdomeinen de uitgaven het sterkst gestegen zijn. We beschouwen enkel de beleidsdomeinen met jaarlijks een uitgave van meer dan 50 miljoen euro.

Relatief gezien steeg de post ‘gemeenschappelijk vervoer’ in de periode 1999-2008 het meest, namelijk met 183%. Daarna volgen ‘gebouwen’ (169%), ‘sport’ (168%), ‘monumenten & landschappen’ (147%) en ‘land –en tuinbouw’ (105%). De tiende grootste stijger, werkgelegenheid, is nog steeds goed voor een stijging van 69%.

Wanneer we dezelfde oefening maken voor de top 10 van de grootste stijgers in absolute waarde komt op de eerste plaats ‘onderwijs’ met een absolute stijging van 2,6 miljard euro (41%). Op de tweede plaats staat ‘welzijn & gezondheidszorg’ met een stijging van 1,1 miljard euro (66%). De top vijf van de absolute stijgers wordt vervolledigd door ‘gemeenschappelijk vervoer’, ‘lokale en regionale besturen’ en ‘werkgelegenheid’.

De beleidsdomeinen in het geel gemarkeerd behoren zowel relatief als absoluut gezien tot de top tien van de grootste stijgers. Het zijn de beleidsdomeinen ‘gemeenschappelijk vervoer’, ‘cultuur en jeugd’, ‘huisvesting’ en ‘werkgelegenheid’.

 

 

Keuze van de essentiële beleidsdomeinen

Uit de analyse van de totale uitgaven blijkt dat de Vlaamse overheid in de periode van 1999 tot 2008 een uitgavegroei kende van 20% in reële termen (dus aangepast aan de inflatie), wat neerkomt op 3,7 miljard euro. Dat is het equivalent van 5,2 jobkortings per jaar dat de Vlaamse overheid in 2008 had kunnen uitdelen aan de Vlaming als zij de uitgaven in reële termen constant zou gehouden hebben.

Die stijgende uitgaven zijn politieke keuzes geweest die niet noodzakelijk verkeerd waren. Als liberalen pleiten wij ervoor dat de overheid zich bezighoudt met haar kerntaken, namelijk zaken die essentieel zijn om een goed leven te kunnen leiden. Daarbij is de stelregel dat ‘dure smaken’ niet door de gemeenschap moeten gefinancierd worden.

De 27 beleidsdomeinen worden hierna opgedeeld in essentiële en niet-essentiële beleidsdomeinen. Als we de essentiële diensten en goederen vertalen naar de 27 beleidsdomeinen dan zijn dat volgens mij volgende zaken. In eerste instantie ‘onderwijs’ en ‘welzijn & gezondheid’, niet toevallig ook de grootste uitgaven van de Vlaamse overheid. Verder selecteren we ‘wegen & water’, ‘milieu’, ‘wetenschappen’, ‘huisvesting’, ‘stedenbeleid’ en ‘energie’. Wat de uitgaven van deze essentiële beleidsdomeinen betreft, zullen we de stijging van de uitgaven in de periode 1999-2008 niet contesteren. Het gaat hier immers om essentiële zaken waarvan we aannemen dat de stijging verantwoord is.

Al de andere beleidsdomeinen worden als ‘niet-essentieel’ beschouwd. We gaan vervolgens na wat de impact zou geweest zijn op de uitgaven, indien in de periode 1999-2008 de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen in reële termen constant zouden gebleven zijn. We doen dezelfde oefening indien er een jaarlijkse reële uitgavedaling 1% of 2% zou geweest zijn in de niet-essentiële beleidsdomeinen.

De opdeling in essentiële en niet-essentiële beleidsdomeinen is niet vanzelfsprekend. Ten eerste, de afzonderlijke beleidsdomeinen omvatten brede taken, ook al zijn er 27, zodat sommige zaken binnen een essentieel beleidsdomein als niet-essentieel beschouwd kunnen worden en vice versa. Ten tweede, de keuze op zich van de beleidsdomeinen is te contesteren: dat is een complexe oefening waarin nagegaan moet worden wat echt nodig is om een goed leven te leiden en waarvoor het individu verantwoordelijk kan geacht worden. We gaan hier expliciet niet op in. Deze oefening is enkel bedoeld om aan te geven wat de mogelijkheden van de Vlaamse overheid waren en zijn.

Onderstaande tabel geeft de totale uitgaven, opgedeeld volgens essentiële en niet-essentiële beleidsdomeinen. De essentiële beleidsdomeinen waren in 2008 in totaal goed voor een uitgave van 15,1 miljard euro, wat neerkomt op 67% van de totale uitgaven. De uitgaven van de essentiële uitgaven kenden een nominale uitgavegroei van 41 % ten opzichte van 1999. De niet-essentiële uitgaven bedroegen in 2008 in totaal 7,5 miljard euro (33% van het totaal). Deze uitgaven kenden een nominale stijging van 62% tijdens de periode van 1999 tot 2008.

Vervolgens wordt de volgende simulatie uitgevoerd: we laten de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen dalen in reële termen met jaarlijks 0%, 1% of 2% tijdens de periode van 1999 tot 2008 en we berekenen welke minderuitgave we in 2008 zouden gehad hebben. Wat de essentiële beleidsdomeinen betreft behouden we de historische uitgavegroei. Dat geeft volgende gegevens:

Deze cijfers zijn opmerkelijk: als de Vlaamse overheid in 1999 gekozen had om de uitgaven in de ‘niet-essentiële’ beleidsdomeinen enkel te laten stijgen met de inflatie (reële nulgroei), dan zou ze 1,7 miljard minder uitgegeven hebben in 2008, het equivalent van 2,5 jobkortings. In de twee legislaturen van 1999 tot 2008 had ze in totaal bijna tien keer een jobkorting kunnen geven. Als ze daarenboven zou beslist hebben om de uitgaven in de niet-essentiële beleidsdomeinen in reële termen te laten dalen met jaarlijkse 1% dan had ze in 2008 om de vier maanden een jobkorting kunnen geven (3 per jaar). Met een reële daling van 2% is dit aantal nog hoger.

Het mag duidelijk zijn dat de bovenstaande simulatie geen revolutie betekent in de uitgaven van de Vlaamse overheid. In de simulatie behielden de essentiële beleidsdomeinen zoals ‘onderwijs’ en ‘welzijn & gezondheid’, samen goed voor twee derde van de uitgaven, hun historisch groeipad. In de andere beleidsdomeinen werd een simulatie uitgevoerd met een nulgroei, een jaarlijkse afname van 1% en een jaarlijkse afname van 2%, telkens in reële termen.

 

Efficiëntiegroei

Bovenop deze inhoudelijke keuzes in de niet-essentiële beleidsdomeinen, kan men ook een verhoging van de efficiëntie nastreven. Deze efficiëntieverhoging kan daarenboven in alle beleidsdomeinen: het verhogen van de efficiëntie hoeft geen impact te hebben op de hoeveelheid goederen en diensten die de overheid aanbiedt of subsidieert binnen een bepaald beleidsdomein.

Bij efficiëntieverbeteringen wordt steevast voor minder ambtenaren bepleit. Hoewel dit zeker een onderdeel vormt van een efficiëntere overheid, is dit niet het enige aspect. Daarenboven zou het aan de leidende ambtenaren moeten overgelaten worden hoe zij de efficiëntieverbeteringen zullen halen. Zij kennen immers hun beleidsdomein het best.

Daarom simuleren we een aantal niveaus van jaarlijkse efficiëntiedoelstellingen: 0% (het referentiescenario), 0,5%, 1% en 1,5%. Onderstaande tabel geeft de impact voor de verschillende jaarlijkse efficiëntieniveaus.

De resultaten zijn al even spectaculair als bij de vorige simulatie. Bij een jaarlijkse efficiëntietoename van 1% ten opzichte van de historische efficiëntie gedurende twee legislaturen, zou de Vlaamse overheid in 2008 bijna 2 miljard minder uitgegeven hebben, het equivalent van 2,8 jobkortings. In de twee legislaturen had ze in totaal meer dan 12 keer een jobkorting kunnen geven.

 

Combinatie van efficiëntiegroei en afname in niet-essentiële beleidsdomeinen

Wanneer we beide methodes combineren levert de simulatie volgende gegevens op. De eerste tabel geeft de minderuitgave door de Vlaamse overheid in 2008 , evenals de gecumuleerde minderuitgave in de periode 1999-2008 (in miljoenen euro’s). De tweede tabel geeft het equivalent aan jobkortings in 2008, evenals het gecumuleerde aantal jobkortings in de periode 1999-2008.

Uit deze simulatie blijkt dat wanneer men een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1% zou nastreven en een reële afname van 1% in de niet-essentiële beleidsdomeinen, kortweg de 1%-1% strategie, dan levert dit na 9 jaar (bijna twee legislaturen) een jaarlijkse winst op van 3,9 miljard euro, of het equivalent van 5,5 jobkortings per jaar. In die 9 jaar zal men een gecumuleerde besparing gerealiseerd hebben van 17 miljard euro, wat overeenkomt met 14 jobkortings.

Indien men zou kiezen om het budget van de niet-essentiële beleidsdomeinen gedurende 9 jaar jaarlijks te verminderen met 2% en daarbij een efficiëntieverhoging van 1% zou opleggen, dan kan er zelfs om de twee maanden een jobkorting uitgedeeld worden.

 

Verdeling van de winst

Als men een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1% zou nastreven in alle beleidsdomeinen en daarbovenop een reële afname van 1% in de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen, kortweg de 1%-1% strategie, dan levert dit na 9 jaar een jaarlijkse besparing op van 3,9 miljard euro. Gecumuleerd over 9 jaar is dit 17 miljard euro (of bijna 24 jobkortings). Dit geld hoeft natuurlijk niet alleen verdeeld te worden over de werkende Vlaming. Immers, ook de niet-werkende Vlaming zal nadeel ondervinden van de 1%-afname van de uitgaven in de niet-essentiële beleidsdomeinen, zoals duurder openbaar vervoer. Anderzijds zijn het de werkenden die de welvaart creëren.

Daarom zou kunnen geopteerd worden voor 50%-50%: de helft van de besparing wordt verdeeld over alle Vlamingen; de andere helft wordt verdeeld onder de werkende Vlamingen onder de vorm van jobkortings. Er waren in 2008 in het Vlaamse gewest 6,2 miljoen Vlamingen, waarvan er 2,8 miljoen werkten.

Wanneer we de besparing van de 1%-1%-strategie met deze verdeelsleutel zouden verdelen, zou de werkende Vlaming en de niet-werkende Vlaming in 2008 respectievelijk 1.006 euro en 313 euro ontvangen. Over 9 jaar zouden ze respectievelijk 4.400 euro en 1.360 euro gespaard hebben. Een typische huisgezin met twee werkende ouders en twee kinderen zou 2.640 euro ontvangen in 2008 en zou maar liefst 11.480 euro extra ontvangen hebben op die negen jaar. Zelfs een werkloos koppel met twee kinderen zou met deze verdeelsleutel 1.250 euro extra ontvangen hebben in 2008: een stijging van 100 euro per maand. Op negen jaar tijd zouden ook zij 5.450 euro extra ontvangen kunnen hebben.

Daarbij moet beklemtoond worden dat op de essentiële zaken zoals onderwijs en gezondheidszorg daarenboven niet bespaard zou geweest zijn.

 

Samenvatting

Door een jobkorting te geven heeft de Vlaamse regering duidelijk gemaakt dat minder belastingen mogelijk zijn. De politici die met de Vlaamse verkiezingen in het vooruitzicht opkomen voor een significante belastingverlaging worden plots een pak geloofwaardiger. De bovenstaande simulatie laat trouwens zien dat er effectief nog heel wat ruimte is voor belastingsverlagingen, zonder aan de basisvoorzieningen te moeten raken. Deze financiële ruimte werd in het verleden opgesoupeerd door de overheid. Het wordt tijd dat dit geld teruggegeven wordt aan de werkende en niet-werkende Vlaming.

Uit de analyse van de periode 1999-2008 blijkt het volgende. Wanneer men een jaarlijkse efficiëntiewinst van 1% zou nastreven in alle beleidsdomeinen en daarbovenop een reële afname van 1% in de uitgaven van de niet-essentiële beleidsdomeinen, kortweg de 1%-1% strategie, dan levert dit na 9 jaar (bijna twee legislaturen) een jaarlijkse besparing op van 3,9 miljard euro. Gecumuleerd over 9 jaar is dit bijna 17 miljard euro.

De helft van deze besparing kan verdeeld worden over alle Vlamingen; de andere helft wordt verdeeld onder de werkende Vlamingen onder de vorm van jobkortings. Op die manier zou de werkende Vlaming en de niet-werkende Vlaming in 2008 respectievelijk 1.006 euro en 313 euro ontvangen. Over 9 jaar zouden ze respectievelijk 4.400 euro en 1.360 euro extra ontvangen hebben.

Een typische huisgezin met twee werkende ouders en twee kinderen zou 2.640 euro ontvangen in 2008 en zou maar liefst 11.480 euro extra ontvangen kunnen hebben op die negen jaar. Zelfs een werkloos koppel met twee kinderen zou met deze verdeelsleutel in 2008 1.250 euro ontvangen: een stijging van 100 euro per maand. Op negen jaar tijd zouden ook zij 5.450 euro extra ontvangen kunnen hebben. We beklemtonen daarbij dat op de essentiële zaken zoals onderwijs en gezondheidszorg niet bespaard zou geweest zijn.

Met de huidige economische crisis zal de piste om het door de Vlaamse overheid bespaarde geld via jobkortings terug te geven misschien niet zo realistisch zijn. Recente cijfers wijzen erop dat de komende Vlaamse regering de volgende vijf jaar ongeveer 8 miljard euro minder middelen zal hebben. Deze analyse toont aan dat deze besparing zelfs met een bescheiden 1%-1% strategie kan doorgevoerd worden en dat er niet geraakt moet worden aan de essentiële beleidsdomeinen.

 

[1] in deze analyse negeren we de post ‘provisies’

[2] De basisgegevens van de Vlaamse begroting zijn te vinden op de website van de Vlaamse overheid:aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/begroting/uitgaven/FINAUITG002.xls

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.

Ambtenaren willen zinvol werken

Eindelijk. Eindelijk is er nog eens een debat over de werking van de overheid. Niet echt constructief op gang getrokken door Vincent Van Quickenborne met zijn uitspraak dat sommige ambtenaren ook ‘ambetantenaren’ zijn, waardoor zijn inhoudelijke boodschap verdween in het geroezemoes van verontwaardigde stemmen. De Standaard deed het vorige week constructiever met een reeks over de lamentabele werking van het departement Financiën. En in de Zevende Dag van vorige zondag konden de klassieke partijen niet duidelijk genoeg zeggen dat ze voor een efficiënter belastingssysteem waren. Het meest opmerkelijke waren echter de eisen waarvoor de ambtenaren van Financiën eind januari actie voerden. Het ging niet om meer loon of meer vakantie. Ze protesteerden tegen ‘het niet van de grond komen van de modernisering van de overheidsdienst Financiën’. Of met andere woorden, ze willen dat hun dienst beter werkt.

Merkwaardig, toch? De ambtenaar, die steevast wordt afgeschilderd als lui en onverschillig, komt nu zelf op straat om te ijveren voor een efficiëntere werking van zijn dienst. Was het een vlaag van collectieve zinsverbijstering bij de ambtenarij? Een lepe strategie om uiteindelijk toch minder te moeten werken omdat de computers het werk wel zullen doen? Was het gewoon al te lang geleden dat er nog eens gestaakt werd?

Nee, niets daarvan: het beeld van de ambtenaar die als enige verantwoordelijk is voor de slechte werking van onze overheidsdiensten is verkeerd. Want verrassing: een ambtenaar is een persoon zoals u en ik, die zin wilt geven aan de zaken waarmee hij bezig is. Het is een mens die ongelukkig en gefrustreerd wordt als hij merkt dat zijn dagelijkse inzet tot niets leidt. En dan komt hij in opstand, via een staking bijvoorbeeld. Toegegeven, het is zeker mogelijk dat het statuut van de ambtenaar een bepaald publiek aantrekt van werknemers die liever lui dan moe zijn. Maar evenzeer trekt het ambtenarenstatuut mensen aan die een maatschappelijk relevant werk willen, die meer dan gemiddeld gemotiveerd zijn en niet alleen maar voor het geld werken.

In de discussie over de werking van de overheid wordt te veel gekeken naar de prestaties van de individuele ambtenaar en te weinig naar het functioneren van de organisatie. Er is een reden waarom mensen op een georganiseerde manier met elkaar samenwerken, namelijk de enorme synergie die die samenwerking oplevert. Een organisatie kan pas goed werken als het eigenbelang van de werknemers zoveel mogelijk samenvalt met de doelstellingen van de organisatie. De sleutelfiguren in de organisatie zijn de leidinggevenden, die de werknemers aanwerven, aansturen en controleren. Zij moeten ervoor zorgen dat het eigenbelang van de werknemers samenvalt met de doelstellingen van de organisatie, zoniet is de organisatie een lege doos.

Maar die sleutelfiguren moeten zelf ook aangeworven, aangestuurd en gecontroleerd worden. Ook het eigenbelang van de leidinggevenden moet samenvallen met de doelstellingen van de organisatie. In privé-organisaties wordt dat gedaan door de raad van bestuur, die op zijn beurt gecontroleerd wordt door de eigenaars (de aandeelhouders). De eigenlijke macht wordt dus van de eigenaars naar de raad van bestuur overgebracht, in ruil voor een vergoeding voor de bestuurders. Als er iets grondig mis loopt in een privé-organisatie, krijgt de raad van bestuur de volle laag. Zij zijn verantwoordelijk en kunnen zelfs persoonlijk aansprakelijk gesteld worden. In de ambtenarij zijn deze bestuurders de politici, waarbij de verschillende ministeries elk hun voogdijminister hebben. De aandeelhouders zijn de burgers die de politici mandateren om het reilen en zeilen van de overheidsdiensten efficiënt te laten draaien. Wanneer er op grote schaal iets misloopt, zoals de modernisering van Financiën, is de hoofdverantwoordelijke de politiek, en in het bijzonder de betrokken voogdijminister.

Als de raad van bestuur, in de overheid dus de politiek, zijn rol niet ter harte neemt, dan zal er gaandeweg minder controle komen op de leidinggevenden en op de werknemers. Hierdoor zal hun eigenbelang niet meer samenvallen met het algemeen belang. Positief gedrag, zoals initiatief nemen, wordt niet meer beloond; negatief gedrag, zoals minder hard werken, wordt niet meer bestraft. Na verloop van tijd is het voor de werknemers en leidinggevenden duidelijk: waarom nog zwoegen als het toch niets uithaalt. En blijven ze zich toch inzetten, dan raken ze gefrustreerd. Dit heeft uiteraard een negatieve invloed op de efficiëntie, omdat de synergie van de samenwerking vermindert. Dit doet op zijn beurt de frustraties verergeren. En uiteindelijk is de hele organisatiecultuur aangetast.

En het is daarom dat de ambtenaren van Financiën protesteren. Ze zijn de vrijbuiterscultuur beu: ze willen dat iemand gestraft wordt als die ondermaats presteert, en beloond als hij goed presteert. Men wil liever zo’n omgeving, waar het mogelijk is om zinvol en efficiënt te werken, liever dan de kantjes ervan af te lopen. En dat is geruststellend: de mens wordt blijkbaar gelukkiger door positief bezig te zijn. Zijn eigenbelang valt blijkbaar meer dan gedacht samen met het algemeen belang, ondanks zijn onmiskenbare, egoïstische trekjes.

Politici verzaken dus in zekere zin aan hun rol als verantwoordelijke voor de goede werking van de overheid. Maar ook dat ligt aan de aard van het systeem. Zelfs in de privé is het een hele klus om ervoor te zorgen dat de raad van bestuur en het management zoveel mogelijk de belangen van de aandeelhouders verdedigen. Ondanks het duidelijke prestatiecriterium, namelijk aandeelhouderswaarde creëren, slagen management en raad van bestuur er al te vaak in om zich onevenredig hoge vergoedingen te laten betalen. Als de privé al moeite mee heeft om het management in de pas te doen lopen, dan is dat zeker zo voor de overheid, waar het prestatiecriterium veel moeilijker te definiëren en te meten is. Het gaat immers over diensten aan de burger en die zijn niet gemakkelijk in geldtermen uit te drukken. Vaak is de overheidsdienst daarenboven een monopolie, waardoor de druk van de markt wegvalt.

Komt daarbij nog eens dat de aandeelhouders van overheidsbedrijven zeer verspreid zijn, namelijk alle kiezers. Daardoor is controle door de aandeelhouders moeilijk. Dat ziet men ook in de privé: bedrijven met een versnipperd aandeelhoudersschap worden minder goed gecontroleerd. Aandeelhoudersactivisme is immers een publiek goed: als één aandeelhouder zich inspant voor een beter bestuur van zijn bedrijf en daarin lukt, profiteren al de andere aandeelhouders mee. Het loont dus om de andere aandeelhouders de kastanjes uit het vuur te laten halen en zelf te profiteren van een free ride. Maar deze afwachtende strategie loont voor alle aandeelhouders, waardoor iedereen een afwachtende houding aanneemt, en er dus niet of weinig gecontroleerd wordt.

Toch is het efficiënt laten werken van overheidsdiensten geen hopeloze zaak. Gezondheidszorg en onderwijs zijn twee voorbeelden van openbare dienstverlening die het in België erg goed doen. Sinds 2006 telt het World Economic Forum deze sectoren mee in haar competitiviteitsmeting van landen. België is daardoor 11 plaatsen gestegen ten opzichte van 2005. Dat gezondheidszorg en onderwijs zo goed scoren komt misschien doordat de Belg zeer gevoelig is voor dergelijke thema’s waardoor de politiek de electorale druk voelt om ervoor te zorgen dat de boel goed draait. Als dat een belangrijke oorzaak is voor de efficiëntie, dan is het hoopvol dat er een publiek debat gaande is over deze problematiek. Want wat de kiezer belangrijk vindt, vindt de politiek belangrijk: de kiezer heeft immers altijd gelijk, zo werkt dat nu eenmaal in een democratie.

Deze tekst verscheen eerst als column bij Liberales.