De Belgische overheid geanalyseerd: Economische Zaken

Dit is deel 1 in een reeks van vier.

De verkiezingen van mei 2019 komen eraan. Dat betekent ook weer allerlei discussies over de Belgische overheidsuitgaven. De oproep om te besparen is dan nooit ver weg. In deze reeks tracht ik duidelijk te maken binnen welk kader besparingen al dan niet zouden kunnen plaatsvinden. . Om goed te kunnen vergelijken, worden de Belgische uitgaven vergeleken met 7 andere Europese landen: de vier buurlanden Frankrijk, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, en drie landen uit het noorden, zijnde Denemarken, Zweden en Finland.

De eerste grote uitgavenpost die geanalyseerd wordt is Economische Zaken. In 2017 was deze post goed voor 6,3 procent van het BBP. En in tegenstelling tot de andere uitgavenposten is België wat betreft Economische Zaken wél duidelijk een buitenbeentje.

In geen enkel van de beschouwde landen geeft de overheid hier zoveel uit als België. Bovendien is dat niet altijd het geval geweest, zoals de onderstaande grafiek toont. In 2001 waren de Belgische overheidsuitgaven met 4,6 procent van het BBP weliswaar al relatief hoog, maar ook Duitsland, Finland en Frankrijk hadden gelijkaardige uitgaven. En Nederland was toen koploper met 5,1 procent van het BBP.

De voorbije jaren zijn deze overheidsuitgaven in België fors gestegen, tot 6,3 procent van het BBP in 2017. Frankrijk kende een gelijkaardige stijging, tot iets onder 6 procent. Daarna volgt er een kloof met het eerstvolgende land. Duitsland en Nederland zitten ruim onder de 4 procent. Dat is een verschil met België van 2 tot 3 procent van het BBP of omgerekend naar de Belgische economie een verschil van 9 tot 13 miljard euro. Dat zijn enorme bedragen.

 

Openbaar Vervoer

De onderstaande figuur geeft een opdeling van de overheidsuitgaven in subcategorieën. Voor bijna alle landen zijn de uitgaven aan transport, vooral openbaar vervoer, het grootste gedeelte van de uitgaven aan Economische Zaken. De Belgische overheden speneren 2,4 procent van het BBP, waardoor het enkel Zweden moet laten voorgaan.

Er zijn bij de Oeso maar beperkte cijfers beschikbaar over de verdeling van deze uitgaven tussen wegenverkeer en openbaar vervoer. Op basis van wat ik gevonden heb, blijkt dat België weinig aan wegeninfrastructuur uitgeeft: onderhoud en investeringen zouden slechts 0.3 procent van het BBP bedragen, terwijl dat in de vijf andere landen waarvoor er gegevens zijn minstens 0.5 procent van het BBP is. Dat is opvallend. Er zou dan in België een pak meer middelen naar openbaar vervoer moeten gaan dan in andere landen. Als deze cijfers kloppen is het dan ook moeilijk om hard te maken dat het openbaar vervoer te weinig middelen zou krijgen.

In Nederland zijn de overheidsuitgaven aan vervoer overigens met 0.4 procent van het BBP gedaald tegenover 2001.

Subsidies

Maar het meest opvallende zijn de Belgische overheidsuitgaven aan algemene economische zaken. België spendeert hieraan 3,2 procent van het BBP, bijna het dubbele van het tweede land in het rijtje. Het is vooral ook hierdoor dat de overheidsuitgaven aan economische zaken zo sterk gestegen zijn: in 2001 was deze subcategorie nog goed voor 1,6 procent van het BBP. In 2017 is dat verdubbeld naar 3,2 procent.

Het is niet zo moeilijk om na te gaan wat er achter deze stijging zit. Het zijn vooral de subsidies die sterk gestegen zijn. Dat is een politiek die gestart is onder de tweede regering van Verhofstadt.

Dat is ook te zien op onderstaande figuur. Deze gegevens komen van Ameco, een databank van de Europese commissie. Deze figuur toont duidelijk de start van de stijging in 2005 en die bleef doorlopen tot 2011 om dan rond de 3,5 procent te blijven hangen. Ook in Frankrijk stegen de subsidies, echter pas in 2013, en tot een minder hoog niveau. Bovendien wordt verwacht dat de subsidies in 2020 sterk gaan dalen.

Als men op de overheidsuitgaven wil besparen dan zijn de erg hoge overheidssubsidies een goede kandidaat. Door een halvering van de overheidssubsidies zal de overheid makkelijk 1,75 procent van het BBP -dat is bijna 8 miljard euro- kunnen besparen en dan zitten we nog in de kopgroep van landen met de hoogste subsidies.

Op die manier kan het begrotingstekort, dat voor 2019 geschat wordt op ongeveer 8 miljard euro, makkelijk gedicht worden, zou je denken. Het probleem is echter dat het grootste deel van de stijgende subsidies gerichte belastingkortingen aan bedrijven betreft, vaak onder de vorm van loonsubsidies. Die gerichte belastingkortingen moeten wel degelijk als overheidsuitgaven geboekt worden, omdat de overheid hiermee beleid voert en tussenkomt in het economische proces.

Als je die gerichte belastingkortingen zou afschaffen, dan komt dat neer op een belastingverhoging. Terwijl die belastingkortingen net gegeven zijn om de hoge belastingen op onder meer arbeid te verlichten.

Bovendien zijn de loonsubsidies niet zelden uit sociale overwegingen beslist. Uit cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven blijkt dat ploegen- en nachtarbeid en overuren in 2017 in totaal voor 1,6 miljard euro loonsubsidies kregen (dus een gerichte belastingkorting). De dienstencheques werden voor 1,7 miljard euro gesubsidieerd. Verder gaat er nog een klein miljard naar de sociale Maribel om tewerkstelling in voornamelijk de non-profitsector te stimuleren en gaat er telkens ongeveer een half miljard naar onderzoek en ontwikkeling en naar de beschutte werkplaatsen. Die vijf domeinen zijn samen al goed voor ruim 5 miljard aan loonsubsidies, of ongeveer 1,2 procent van het BBP. In totaal worden 9 miljard euro subsidies gegeven. Bovenop deze loonsubsidies worden ook kortingen op de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid toegekend, ook goed voor ongeveer 5 miljard euro in 2017, maar meer details hierover heb ik niet gevonden.

Deze gerichte loonsubsidies en andere belastingkortingen gebeuren in andere landen veel minder. Er is dan ook heel wat te zeggen om ze af te schaffen en te vervangen door een algemene lastenverlaging. Maar dat kan enkel geleidelijk gebeuren, omdat een groot stuk van de Belgische economie zich heeft aangepast aan die subsidies. Indien deze gerichte belastingkortingen drastisch en snel verminderd worden, dan kan dit heel wat banenverlies veroorzaken, ook in de non-profitsector en de sector van de dienstencheques.

Een verlaging van de overheidssubsidies zou dus enkel geleidelijk kunnen gebeuren, via een soort van budgetneutrale taxshift, wellicht het best gericht op de lage inkomsten. Zo zou de werkbonus, om werken voor lagere inkomens aantrekkelijk te kunnen maken, kunnen uitgebreid worden door het minder snel af te bouwen. Een bedrag van 1 à 2 miljard euro zou daarvoor wellicht kunnen volstaan.

Als de overheidssubsidies tot het niveau van Nederland gebracht wordt, dan zal dit leiden tot een daling van de overheidsuitgaven leiden met 1 à 2 procent van het BBP, wat enorm is. Het begrotingstekort zal echter nog steeds even groot zijn. De overheid zal immers wel bespaard hebben, maar zal eveneens minder inkomsten gekregen hebben.

Deze tekst verscheen eerst als opiniestuk bij De Morgen, samen met een redactioneel stuk.

Leave a Reply

Your email will not be published. Name and Email fields are required.