Bescheiden in het weten, onbescheiden in het niet-weten

Over de liberale democratie, de essentie van de Westerse identiteit

Karl Popper heeft zijn magnum opus ‘De open samenleving en haar vijanden’ geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog, een tijd waarin totalitaire ideologieën zoals het communisme en het nazisme nog niet marginaal waren zoals dat nu het geval is. Deze soms erg verschillende maar totalitaire ideologieën spreken zich uit over elk aspect van het leven van de mensen. De overheid in een totalitair systeem is dan ook aanwezig op elk vlak, economisch, sociaal, religieus, politiek en cultureel.

Dat is echt wel een huzarenstukje: een overheid die op elk gebied van het leven en voor elk individu zegt te weten wat de juiste weg is, wat men als individu moet denken en doen. Dat is niet min. En dat is dus enkel houdbaar als men de mensen kan overtuigen dat de gekozen, totalitaire weg de énige mogelijke is die leidt tot een goede samenleving. En dat maakt dat totalitaire ideologieën allerminst bescheiden zijn. Zij, en zij alleen, hebben de waarheid in pacht en er zijn geen alternatieven. En ben je het niet met hen eens, dan ben je per definitie tegen hen en tegen de ‘goede samenleving’. Er is immers maar één mogelijke weg.

Bescheiden in het weten

Hiermee was Popper het uiteraard grondig oneens, maar in plaats van de toen vigerende totalitaire systemen frontaal aan te vallen, deed hij het grondiger, letterlijk radicaler: hij onderzocht op kritische wijze, als een echte filosoof, de wortel, de radix van dit systeemdenken. En dat is waarom Popper zo belangrijk is: het gaat hem niet om een specifieke aanval op het communisme of het nazisme as such. Nee, het is een aanval op de manier van denken dat deze totalitaire ideologieën mogelijk maakt, namelijk het denken in systemen en in noodzakelijke historische wetten. En dat is ook één van de redenen waarom Popper nog steeds actueel is. Het kan immers ook toegepast worden op andere, meer hedendaagse totalitaire ideologieën, zoals het religieus fundamentalisme.

Voor Popper is het onmogelijk dat een ideologie zou kunnen beweren dat zij de weg naar het goede leven kent en een accurate voorspelling kan doen van de toekomstige samenleving. Kennis is immers nooit af: die kan groeien (en kennis groeit ook nog steeds in onze samenleving, tot spijt van vooruitgangspessimisten); de huidige opvattingen zijn dus slechts hypotheses die aan de meest radicale kritiek blootgesteld moeten worden. Popper pleit dus voor het tegenovergestelde van totalitaire ideologieën, namelijk zeer bescheiden in het weten hoe een samenleving er moet of zal uitzien.

Dat maakt van hem een liberale filosoof: het liberalisme is immers de ideologie die geen invulling geeft of wil geven van wat men ‘het goede leven’ zou kunnen noemen. Liberalen erkennen ten volle dat ze niet weten hoeveel vormen van het ‘goede leven’ er wel zouden kunnen bestaan, laat staan wat deze vormen zouden moeten inhouden. Ja, het kan best zijn dat leven naar het voorbeeld van Jezus ‘het goede leven’ is. Maar het kan ook zijn dat dit niet zo is, of toch niet voor elk individu. Ja, het kan best zijn dat een hoofddoek dragen een vrouw gelukkig maakt, maar het kan ook zijn van niet, of toch niet voor elke vrouw. We weten het niet en we willen aan niemand keuzes opleggen, of toch zo min mogelijk. In het boek ‘Politieke ideologieën in Vlaanderen’ omschrijft professor Stouthuysen het liberalisme dan ook als een ‘meta-ideologie’: “Liberalen”, zo schrijft de professor, “spreken zich niet uit over de inhoud van de verschillende goede levens”[1].

Onbescheiden in het niet-weten

Het lijkt op het eerste gezicht wat vreemd om Popper bescheiden te noemen: hij gaat immers in zijn boek “De open samenleving en haar vijanden” meedogenloos te keer tegen drie grote filosofen (Plato, Hegel en Marx). Vooral Plato en Hegel krijgen ervan langs. Dat lijkt niet echt bescheiden, me dunkt. Alleen al zijn aanval op Plato, die door velen beschouwd wordt als de grootste filosoof aller tijden, getuigt van weinig bescheidenheid. En dat klopt ook: in dezelfde mate dat Popper, en bij uitbreiding liberalen, bescheiden zijn in het weten, zijn ze onbescheiden in het niet-weten. Ja, wij liberalen erkennen dat we het niet weten (en daar zijn onze ideologische tegenstanders doorgaans snel mee akkoord), maar we zijn niet te beroerd –en dat is een understatement– om tegen niet-liberalen te zeggen dat ze het ook niet weten (daar hebben ze natuurlijk wat meer moeite mee). Meer nog, onze strijd voor zoveel mogelijk vrijheid voor elk individu wordt juist door die onbescheidenheid in het niet-weten gefundeerd: wij weten het niet, maar iemand anders ook niet. En dus kan niemand ons opleggen wat we moeten doen om tot het goede leven of de goede samenleving te komen.

Die onbescheidenheid in het niet-weten zorgt ervoor dat Popper, en het liberalisme in het algemeen, niet in de val van het relativisme trapt. Alle culturen of samenlevingen zijn aan elkaar gelijk, ja dat klopt, op voorwaarde dat ze zoveel mogelijk vrijheid nastreven voor elk individu. En op dat laatste geeft een liberaal, onbescheiden als hij of zij op dit vlak is, geen millimeter toe.

Een belangrijk concept bij Popper is de ‘stapsgewijze vooruitgang’. De reden voor Poppers pleidooi hiervoor is simpel: er is geen andere weg dan ‘stapje voor stapje’, trial and error, of nog, in het Vlaams: ‘probeer ‘t eens en zie wat ’t geeft’. Waarom zo’n sterk pleidooi voor deze ietwat saaie methode? Gewoon, omdat we niet weten hoe we onmiddellijk tot het eindresultaat kunnen komen: er bestaan geen pasklare antwoorden.

Rorty en Mill

Het concept van bescheidenheid in het weten (“ik weet het niet”) en onbescheidenheid in het niet-weten (“maar jij weet het ook niet”) komt trouwens terug bij verschillende liberale filosofen, zij het in verschillende gedaanten. Ik noem er twee. Ten eerste, de liberale pragmaticus Richard Rorty. Hij stelt dat we er als privé-persoon moeten naar streven om een ‘liberale ironicus’ te worden, een idee dat toegankelijk en beknopt beschreven wordt in Peter Venmans’ boek ‘Over de zin van nut’ dat overigens door Liberales uitgeroepen werd als boek van 2008 (ik kan het boek aanraden, want Rorty zelf lezen is een pak moeilijker). De liberale ironicus, zo vat Venmans samen[2], is privé doordrongen van de contingentie of toevalligheid van zijn eigen overtuigingen (dat is het ironische aspect), terwijl hij maatschappelijk ageert tegen alle vormen van wreedheid (het liberale aspect). Het eerste, namelijk het ironische, is weerom de bescheidenheid in het weten: wat onze overtuigingen zijn, de gedachten die we hebben, zijn door toevalligheden bepaald en zijn dus niet noodzakelijk beter dan andere overtuigingen. Maar, dat betekent niet dat zomaar alles kan. Door het liberale aspect toe te voegen, het vermijden van wreedheid, ontwijkt Rorty het relativisme. Hijzelf sprak over “(d)e idee dat wij allemaal een doorslaggevende verplichting hebben om wreedheid te verminderen, om mensen voor wat betreft hun blootstaan aan lijden aan elkaar gelijk te maken”[3].

Ook John Stuart Mill, een belangrijke negentiende-eeuwse liberale filosoof, die trouwens lichtjes door de mangel gehaald wordt door Popper, was een adept van de trial and error methode. Om één voorbeeld te geven: Mill was in de 19de eeuw al een voorvechter van vrouwenrechten, zoals stemrecht voor vrouwen. Eén van zijn belangrijkste argumenten was dat we helemaal niet wisten of vrouwen te labiel waren om te kunnen stemmen (zoals toen vaak werd geargumenteerd). Zijn argument was simpel: we weten het niet, dus waarom proberen we het niet eens. Ik moet er wel bij zeggen dat Mill zelf overtuigd was dat gelijke rechten voor mannen en vrouwen een goede zaak zou zijn voor de samenleving. Mill spreekt van ‘een verdubbeling van de beschikbare voorraad geestelijke vermogens in dienst van de mensheid’[4].

Bescheiden wereldverbeteraars

Karl Popper zelf vat zijn theorie van de stapsgewijze vooruitgang mooi samen in het volgende citaat[5]: ‘Het streven om de mensheid gelukkig te maken is heel gevaarlijk zodra een aantal mensen het erover eens zijn over de manier waarop dat moet gebeuren. Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. Maar we moeten desondanks toch wereldverbeteraars blijven – maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij moeten we steeds de ogen open houden voor de onvermijdelijke ongewilde gevolgen van ons ingrijpen, die we nooit geheel kunnen voorzien en die maar al te vaak de balans van onze verbeteringen negatief doet staan.’ Dát is wat Popper bedoelde met een ‘stapsgewijze vooruitgang’: de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden en misstanden op te ruimen. Niet in één revolutionaire klap, maar stap voor stap, zonder te raken aan de menselijke integriteit.

Op basis van het bovenstaande durf ik iemand die zich een Popperiaan noemt met verwijzing naar de ‘stapsgewijze vooruitgang’ een liberaal te noemen, waarbij ik verwijs naar de ideologie en niet de politieke partij. De liberale ideologie die de vrijheid en de waardigheid van de mens centraal stelt.

En als zelfs je ideologische tegenstanders hoog oplopen met Popper en zijn verdediging van de liberale waarden, meer nog, zich zelfs Popperiaan noemen, dan is de liberale democratie, althans in België en de Westerse wereld, misschien toch het eindpunt van de geschiedenis, en zijn we met z’n allen, christen-democraat, liberaal, socialist of nog iets anders, zijn we met z’n allen –tot op zekere hoogte- liberalen, liberalen die op onbescheiden manier de liberale democratie verdedigen, om de eenvoudige reden dat enkel dit politieke systeem de bescheidenheid in het weten verankerd heeft in een grondwet.

 

Dit is een ingekorte versie van de inleiding die ik gaf bij de derde Karl Popper-lezing van Liberales in september 2009. Gastspreker was toenmalig Eerste Minister Herman Van Rompuy, die zich een Popperiaan noemt en de methode van de stapsgewijze vooruitgang hoog in het vaandel draagt. De tekst van zijn lezing vindt u op de Liberales-website.

 


[1] ‘Politieke ideologieën in Vlaanderen’, Luk Sanders en Carl Devos (red.), Standaard Uitgeverij, pg 96

[2] ‘Over de zin van nut’, Peter Venmans, Atlas, pg 251

[3] ‘Contingentie, ironie en solidariteit’, Richard Rorty, Ten Have, pg 154

[4] ‘De onderwerping van de vrouw’, John Stuart Mill, Boom, Meppel en Amsterdam, 1981

[5] ‘The Poverty of Historicism’, Karl Popper, Routledge, 2002

 

Leave a Reply

Your email will not be published. Name and Email fields are required.